Tekst
AH 2955
2010Z10542
Mededeling van minister Klink (Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
(ontvangen 22 juli 2010)
1
Bent u op de hoogte van het onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum
met als een van de conclusies dat 25% van de risicozwangerschappen niet
wordt herkend en dat dit een van de belangrijkste oorzaken is van de hoge
babysterfte in Nederland? 1)
1
Het bericht in de Volkskrant van 3 juli 2010 waarin aan dit onderzoek
gerefereerd wordt is mij bekend. Evenals de ‘Signalementstudie
zwangerschap en geboorte 2010. Lijnen in de Perinatale Sterfte’ van Bonsel
en Steegers van het Erasmus MC. Zoals u weet zet ik mij al geruime tijd in
om de perinatale sterfte te verminderen. Zie ook mijn brief zwangerschap en
geboorte van 15 juni 2010, waarin ik reageer op het advies van de Stuurgroep
zwangerschap en geboorte. Deze Stuurgroep heeft mij geadviseerd over hoe
ik samen met het veld de zorg rond zwangerschap en geboorte kan
optimaliseren, zodat waar mogelijk de perinatale sterfte en morbiditeit kan
worden teruggedrongen.
Deze door ZonMw gefinancierde studie is opgezet om te inventariseren welke
kennis er is op het gebied van de perinatale gezondheid en gezondheidszorg.
Hierdoor worden kennishiaten en onderzoeksprioriteiten zichtbaar.
In hun aanpak hebben de onderzoekers de nadruk gelegd op perinatale
sterfte en op vier aandoeningen die zeer nauw met deze sterfte blijken samen
te hangen: aangeboren afwijkingen, vroeggeboorte, laag geboortegewicht,
en een zogenaamde lage Apgar-score bij de geboorte (de Big 4). In 16,3% van
alle zwangerschappen komt tenminste één van deze factoren voor. Gezien de
aanname die u doet over het niet herkennen van risico zwangerschappen en de
gevolgen daarvan wil ik u erop wijzen dat als u deze studies goed leest er
slechts bij 4 á 5% van alle zwangerschappen sprake is van een start van de
bevalling in de eerstelijnszorg terwijl er een BIG4 risico aanwezig blijkt te
zijn. 1
Het niet herkennen van risico zwangerschappen is niet altijd te voorkomen,
een vroeggeboorte treedt meestal onverwacht op en kan meestal (nog) niet
worden voorzien. Er loopt op dit moment een grote multidisciplinaire studie
(Triple-P) naar de vraag in hoeverre een vroeggeboorte beter voorspeld kan
worden en mogelijk deels voorkomen kan worden. Betreft aangeboren
1 Bij ongeveer 70% van deze zwangerschappen met één of meerdere BIG-4 is de vrouw
aan het begin van de baring onder begeleiding van de tweede of derde lijn. De overige 30%
is op dat moment nog in zorg in de eerste lijn. Voor BIG-3 (zonder de moeilijk van te voren
in te schatten Apgar-score) ligt de verhouding op 75% in de tweede lijn en 25% in de eerste
lijn aan het begin van de baring.
afwijkingen is er sinds 2006 structureel echoscopisch onderzoek beschikbaar.
Anno 2010 weten we vaker al eerder in de zwangerschap wanneer er sprake is
van aangeboren afwijkingen dan de gegevens tot 2006 waarop de studie van
het Erasmus MC gebaseerd is. Een betere opsporing van groeivertraging is
ook internationaal een prioriteit. Ik kom daar later op terug bij mijn antwoord
op vraag 4.
2
Wat vindt u van de conclusie dat de Nederlandse hoge babysterfte wordt
veroorzaakt door het Nederlandse systeem, waarbij de selectie van
risicozwangerschappen door de verloskundige onvoldoende effectief blijkt te
zijn?
2
Uit het betreffende onderzoek van hoogleraren Bonsel en Steegers blijkt dat
de risico inschatting van de verloskundige niet in alle gevallen een adequate
inschatting is. De precieze cijfers zijn pas bekend met dit rapport, maar het
signaal dat de risico inschatting verbeterd kan worden heeft mij en het veld al
eerder bereikt. Daarom wordt bijvoorbeeld op dit moment de Verloskundige
Indicatie Lijst (VIL) herzien op een tiental punten. Ook wordt de VIL
omgevormd tot een dynamische richtlijn waarmee snel ingesprongen kan
worden op de nieuwste wetenschappelijke informatie. Verder heeft het
College Perinatale Zorg zodra deze ingesteld wordt, zie mijn brief van 15 juni,
bij deze continue updates een coördinerende rol (zie vraag 3).
In mijn brief geef ik ook aan dat ik actieve participatie verwacht van de
professionals in de Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV’s). Deze
VSV’s bestaan uit onder andere verloskundigen, verloskundig actieve
huisartsen, gynaecologen, kinderartsen. In deze samenwerkingsverbanden
wisselt een kerngroep van professionals informatie uit over iedere nieuwe
zwangere op basis van intake, geboorteplan en perinataal webbased dossier.
Hierdoor hebben alle betrokken professionals inzicht in de lokale populatie
zwangeren en hun mogelijke risico’s. Zoals ik in mijn brief van 15 juni ook
heb aangegeven kan het verplichte huisbezoek vóór de 34 week zorgen voor
een betere risico-inschatting of het veilig genoeg is om thuis te bevallen of het
kraambed door te brengen. Alle zwangeren, in eerste-, tweede- of
derdelijnszorg, krijgen en dergelijk thuisbezoek.
Al deze maatregelen samen zijn dus al gericht op de ondersteuning en
verbetering van de risico inschatting, in brede zin.
3
Deelt u de mening dat Nederland een te hoge babysterfte heeft die met behulp
van beleidsaanpassingen, gebaseerd op meer inzicht in oorzaken, verminderd
kan worden?
Is het feit dat een kwart van de zwangerschappen onterecht als risicoloos werd
ingeschat voor u aanleiding om de aanbeveling van de onderzoekers voor een
nieuw systeem, met intensieve samenwerking tussen gynaecologen en
verloskundigen, zo snel mogelijk op te pakken en in beleid te vertalen? Zo ja,
hoe? Zo nee, waarom niet?
3
Zoals u heeft kunnen lezen in mijn brief van 15 juni 2010 zwangerschap en
geboorte vind ik het belangrijk om meer structuur en samenhang te scheppen
in de verloskundige “keten”. Het veld ziet als speerpunt dat zij samen
verantwoordelijk zijn; alle professionals vormen een netwerk om samen een
zo gezond en veilig mogelijke zorg rond zwangerschap en geboorte te bieden.
De zwangere moet erop kunnen vertrouwen dat rond haar zwangerschap en de
geboorte van haar kind de beste zorg wordt geleverd. Samenwerking en regie
zijn hierbij uitermate belangrijk. De samenwerking kan niet langer afhankelijk
zijn van goede wil en inzet van professionals. Ik begrijp dat de financiering
een knelpunt kan zijn in deze samenwerking. Ik ga dan ook kijken naar
mogelijkheden om de financiering hierop aan te passen.
Veel van de in mijn brief van 15 juni 2010 genoemde maatregelen zijn
overigens gericht op het verbeteren van de samenwerking, communicatie en
overdracht in de verloskundige keten. Onder andere zijn dit voor iedere
zwangere een casemanager, geboorteplan en verplicht huisbezoek. Het
College Perinatale Zorg (CPZ), een gezaghebbend orgaan waarin alle
betrokken partijen op het terrein van zwangerschap en geboorte zijn
vertegenwoordigd, gaat in 2011 multidisciplinaire richtlijnen, kaders en
normen ontwikkelen die de samenwerking tussen de verloskundige en de
gynaecoloog moeten verbeteren. Ook zorgt het CPZ voor de implementatie en
lokale uitvoering van deze multidisciplinaire richtlijnen. Met het instellen van
het College Perinatale Zorg verwacht ik ook dat het veld een instrument ter
beschikking krijgt om de kwaliteit van de verloskundige zorg actief te
bevorderen. Voorts fungeert het College als ‘motor’ voor de lokale
verloskundige samenwerkingsverbanden (VSV). Zoals ik bij vraag twee al
aangaf vindt hier de concrete samenwerking in de keten plaats. Daarom
verwacht ik dan ook actieve participatie van de professionals in deze VSV’s.
Zoals ik in mijn brief van 15 juni ook aangeef wordt het Perinataal Webbased
Dossier ontwikkeld waarmee de onderlinge communicatie versterkt wordt.
Door zowel medische gegevens als afspraken in het PWD vast te leggen,
kunnen overdrachtssituaties veiliger worden gemaakt.
Daarnaast zijn er initiatieven en ideeën in het veld, zoals het idee van een
samenwerkingsproject “Oostwaarts” om een gezamenlijke stichting van eerste-
en tweedelijns verloskundige zorg te gaan vormen. Eerstelijns verloskundigen
en gynaecologen van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis (Amsterdam) dragen
het project gezamenlijk. Deze initiatieven van het veld moedig ik natuurlijk
aan. Wellicht kunnen dit soort concepten, als succesvol gebleken, landelijk
uitgerold worden.
4
Bent u van mening dat tijdens de gehele zwangerschap gecontroleerd dient te
worden of er foetale groeivertraging is opgetreden? Bent u bereid in
Nederland, net als in België een routine foetale groeimeting in te voeren in de
dertigste week van de zwangerschap?
4
In mijn brief van 15 juni geef ik aan dat uit recent onderzoek de nut en
noodzaak blijkt van een extra echoscopie om vroegtijdig groeiachterstand te
kunnen signaleren, zodat er tijdig kan worden ingegrepen. Zoals ik u heb laten
weten ga ik advies vragen aan het CVZ of het effectief is om deze extra, derde
echoscopie mogelijk toe te voegen aan het basispakket. De verwachte
financiële gevolgen van het toevoegen van een extra echo aan het verzekerde
pakket zijn 24 miljoen euro. Deze beslissing laat ik dan ook over aan mijn
opvolger.
5
Herinnert u zich mijn eerdere vragen over meldingen bij de Inspectie voor de
Gezondheidzorg (IGZ) en de mogelijkheid van aanvullend onderzoek door de
Inspectie? 2) Kunt u de volledige analyse van het onderzoek door de IGZ zo
spoedig mogelijk naar de Kamer sturen?
Bent u bereid de gegevens van het door de IGZ verrichte onderzoek opnieuw
te laten analyseren, specifiek gericht op de samenwerking tussen
gynaecologen en verloskundigen? Bent u nog steeds van mening dat een
aanvullend onderzoek vanuit de IGZ vooralsnog niet nodig is? Zo ja, vindt u
dit verantwoord gezien de ernstige signalen die ons bereiken over de gevolgen
van de slechte samenwerking tussen bovengenoemde beroepsgroepen?
5
In het artikel waarnaar u verwijst stellen de hoogleraren Bonsel en Steegers
dat bij een intensievere samenwerking tussen gynaecologen en
verloskundigen de verloskundige resultaten volgens hen kunnen verbeteren.
Zij stellen niet dat de samenwerking tussen de genoemde beroepsgroepen
slecht is; uit de activiteiten die de beroepsgroepen de laatste jaren gezamenlijk
ontwikkelen (onder andere de Stuurgroep zwangerschap en geboorte) krijg ik
juist tegengestelde signalen.
De inspectie heeft bij de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte haar analyse
van de toen bekende meldingen ingebracht en deze is verwerkt in het rapport
van de Stuurgroep dat begin dit jaar verscheen. Het lijkt me niet opportuun
om oude meldingen opnieuw te laten analyseren, mede gezien de
veranderingen in de verloskunde sindsdien. Daarvoor heb ik een systeem van
perinatale audit gefinancierd die jaarlijks analyses zal presenteren. Ik
verwacht in het najaar van 2011 het rapport over de audit van 2010.
De inspectie heeft mij laten weten dat bij het behandelen van verloskundige
meldingen (‘Incidententoezicht’) de samenwerking tussen eerste en tweedelijn
én de samenwerking binnen de tweedelijn (achter de voordeur van het
ziekenhuis) essentiële evaluatiepunten zijn. Ook de personele bezetting in
avond-, nacht en weekenddiensten is een vast evaluatiepunt. Op basis van de
resultaten van de evaluaties vraagt de inspectie de betrokken instelling,
zorgverlener of beroepsgroep om een concreet plan van aanpak, en ziet zij toe
op het uitvoeren daarvan. Via het Incidententoezicht kan de inspectie dus
lokaal en nationaal rechtstreeks ingrijpen ter verbetering van de
samenwerking. Overigens verwacht ik vanuit de inspectie in 2011 de
resultaten van het breed opgezette onderzoek naar (onder andere de
verloskundige) zorg tijdens avond-, nacht en weekenduren.
6
Wat is uw mening over de conclusie dat de hoge babysterfte niet aan de
Nederlandse zwangere ligt, en dat hoge leeftijd, meerlingzwangerschap en
bloedverwantschap geen rol spelen in de slechte positie van Nederland binnen
Europa ten aanzien van babysterfte?
6
Zoals u in eerder onderzoek (Mohangoo (2009), Achterberg (2001)) en in het
advies van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte is van een aantal factoren
bekend dat ze, ook in Nederland, gepaard gaan met een verhoogd risico op
een ongunstige uitkomst van de zwangerschap. Bij die factoren horen zaken
als een ongezonde leefstijl (vooral roken, maar ook gebruik van teveel alcohol
of van drugs en een ongezonde voeding) evenals het hebben van ernstig
overgewicht. De verdeling van deze factoren over onze Nederlandse
zwangeren bepaalt – naast de kwaliteit van onze perinatale zorg – de hoogte
van onze perinatale sterfte. Het is door gebrek aan goede gegevens over het
voorkomen van al deze factoren in alle landen niet exact te bepalen waar de
verschillen in perinatale sterfte binnen Europa precies door verklaard worden.
Wel is duidelijk dat een aantal van de genoemde risicofactoren in Nederland
relatief veel voorkomen (roken, oudere moeders, allochtone herkomst, aandeel
tweelingen) of in frequentie toenemen (overgewicht) en dat mogelijk ook door
preventie verminderd kunnen worden. De formulering dat de hoge babysterfte
‘niet aan de Nederlandse zwangere ligt’ beschrijft de situatie daarom dus te
ongenuanceerd evenals de formulering dat de genoemde factoren geen
(enkele) rol spelen.
Door het advies van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte is mij duidelijk
geworden welke aspecten een belangrijke rol spelen bij de perinatale sterfte in
Nederland. In de maatregelen die ik naar aanleiding van het Stuurgroep advies
neem is dit meegenomen.
7
Bent u bereid onderzoek te faciliteren en te stimuleren naar de vraag of
bevallen vanaf de 37e week als normaal en risicoloos mag worden
beschouwd? Zo ja, hoe?
7
Het door ZonMw gefinancierde onderzoek van Bonsel en Steegers is opgezet
om te inventariseren welke kennis er is op het gebied van de perinatale
gezondheid en gezondheidszorg. Hierdoor worden kennishiaten en
onderzoeksprioriteiten zichtbaar. Zoals ik in mijn brief van 15 juni heb
aangegeven ga ik na wat er nodig is om een specifiek onderzoeksprogramma
zwangerschap en geboorte bij ZonMw te faciliteren. Het signaal dat de sterfte
drie keer zo hoog is bij een bevalling tussen 37.0 tot 37.6 weken (zowel thuis
als in het ziekenhuis) als in de weken daarna, kan in dit
onderzoeksprogramma worden meegenomen.
8
Wat is uw mening ten aanzien van de conclusie dat de stelling dat de
thuisbevalling voor grote groepen vrouwen de beste optie is moet worden
herzien? Deelt u de mening dat met dit onderzoek voor veel zwangere
onduidelijkheid ontstaat over de beslissing wel of niet thuis bevallen?
8
De onderzoekers geven aan dat de risico inschatting in sommige gevallen niet
adequaat is. Zoals ik heb aangegeven wordt de Verloskundige indicatie lijst
op dit moment herzien. In het artikel in de Volkskrant wordt verwezen naar
onderzoek van TNO, het AMC, het UMC Maastricht naar de verschillen in
uitkomsten tussen geplande thuisbevallingen en geplande poliklinische
bevallingen bij laagrisico vrouwen. Dit onderzoek laat zien dat vrouwen
zonder risicofactoren, die in Nederland thuis willen bevallen of in het
ziekenhuis bij de verloskundige, dezelfde kleine kans hebben dat hun kind
overlijdt of na de geboorte op een intensive care unit terechtkomt. Volgens dit
grootschalige onderzoek is voor laag risico vrouwen een geplande
thuisbevalling net zo veilig als een geplande poliklinische bevalling in het
ziekenhuis.
Het interview met de onderzoekers van de Signalementstudie veroorzaakt ten
onrechte veel onduidelijkheid en daarmee onrust voor zwangeren over de
beslissing om wel of niet thuis te bevallen.
9
Op welke wijze zou de financiële prikkel voor zorgverleners om patiënten bij
zich te houden veranderd kunnen worden, zodanig dat optimale zorg voor de
patiënt voorop staat? Bent u bereid de Kamer hierover vóór 1september a.s. te
berichten?
Is het waar dat 20 tot 25 procent van de vrouwen rookt en tijdens de
zwangerschap blijft doorroken en dat 1 op de 10 groeivertraagde baby’s die
op de intensive care wordt opgenomen, daar komt ten gevolge van het roken
van de moeder? Bent u bereid een publiekscampagne op te zetten gericht op
risico’s van alcohol en roken voor zwangeren en hun ongeboren kind? Zo nee,
waarom niet?
9
U stel hier twee vragen.
Voor de financiële prikkel verwijs ik u naar vraag 3.
De boodschap dat roken en ook alcohol gebruik schade kan opleveren tijdens
de zwangerschap is zowel in het belang van de moeder als het kind. Maar
voor wat betreft de publiekscampagne wil ik aangeven dat een landelijke
massamediale campagne niet het juiste middel lijkt. Het is namelijk zeer de
vraag of een dergelijke campagne de juiste doelgroep bereikt en daarmee dus
ook effectief is. Gezien de twijfels over het bereik van de juiste doelgroep en
de budgettaire problematiek op dit moment heb ik gekozen voor een minder
dure én effectieve variant om zoveel mogelijk publiek te bereiken. Zie mijn
brief van 15 juni 2010. De huidige voorlichtingskanalen met informatie over
zwangerschap en geboorte zijn een prima basis voor het bereiken van zoveel
mogelijk (aanstaande) zwangeren. Bijvoorbeeld via het kinderwensconsult of
voorlichting tijdens de zwangerschap van de verloskundige, huisarts,
jeugdgezondheidszorg of gemeente. Met digitale ondersteuning van de
website KiesBeter.nl, de publieksvoorlichting die het RIVM verzorgt, het
digitale voorlichtings- en adviesprogramma HalloWereld.nl en de
informatievoorziening via het Erfocentrum (www.zwangerwijzer.nl,
www.zwangernu.nl), de online Centra voor Jeugd en Gezin (www.vcjg.nl) en
de website van Stivoro.
Roken tijdens de zwangerschap is zonder twijfel schadelijk. Maar wat betreft
de cijfers die in het artikel van de Volkskrant worden aangehaald, wil ik
aangeven dat tussen 2001 en 2007 het percentage vrouwen dat tijdens de
zwangerschap doorrookt met 42% is afgenomen (van 13,2% in 2001 naar
7,6% in 2007) volgens onderzoek van TNO uit 2009.
Voor alcohol en zwangerschap wordt momenteel een interventiekaart met
handleiding voor de beroepsgroepen ontwikkeld. Deze kaart kan tijdens het
preconceptieconsult gebruikt worden om de schade die alcohol kan
toebrengen bij het zwanger worden en tijdens de zwangerschap te bespreken.
10
Deelt u de mening dat, gezien de ernst van het feit dat baby’s in Nederland
onnodig komen te overlijden en de hoge mate van waarschijnlijkheid dat dit te
voorkomen is door het verloskundige systeem in Nederland te veranderen en
de samenwerking tussen gynaecologen en verloskundigen nadrukkelijker
vorm te geven aanleiding moeten zijn om onmiddellijk maatregelen te nemen
om deze samenwerking te intensiveren? Zo ja , hoe gaat u dit doen? Zo nee,
waarom niet?
10
Zie mijn antwoord op vraag 3.
1) de Volkskrant, 3juli 2010
2) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009-2010, nr. 774