Eindrapportage PVO "Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie"

Downloads

PDF Download als PDF: blg-74405.pdf

Metadata

Dossiers
Organisaties
Datum publicatie2010-07-27
Document type
  • Bijlage
  • officiële publicatie

 

Tekst

Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Landelijk programmabureau versterking opsporing Titel : Eindrapportage PVO Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Datum : 3 juni 2010 Versie : 1.2 Opsteller(s) : M.G. van Bochove, landelijk programmamanager PVO J.C. Greive, business control PVO R. Binnekamp, beleidsondersteuning PVO Bestemd voor : Raad van Korpschefs i.o. Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Voorwoord Terugkijkend op vier jaar Programma Versterking Opsporing en Vervolging kan niet anders dan met gemengde gevoelens. Enerzijds is er de herinnering aan de schok als gevolg van het evaluatierapport over de Schiedammer Parkmoord in 2005. Anderzijds is er ook een gevoel van - weliswaar terughoudende - tevredenheid waarmee we terugkijken op de door het programma bereikte doelen. Die konden worden bereikt doordat de gevoelens van urgentie en schaamte zijn omgezet in energie, gebruikt voor het veranderen van de werkwijze en organisatie van de werkprocessen van politie, OM en NFI. In nauwe samenwerking zijn de afgesproken maatregelen bij en tussen deze organisaties gerealiseerd. De nu voorliggende rapportage getuigt van de resultaten van het veranderproces, dat onder de noemer Programma Versterking Opsporing binnen de politie tot stand is gebracht. Een proces dat heeft geleid tot een werkwijze waar het risico op tunnelvisie aanzienlijk is teruggebracht en waar meer transparant en aantoonbaar integer wordt gewerkt. Opsporing is weer een vakgebied geworden, waar het handhaven van het professionele niveau voorop staat. Daarbinnen heeft de kwaliteit van de forensische opsporing een enorme impuls gekregen. En mede door deze professionele groei heeft ook de samenwerking met de partners binnen de opsporingsketen een hoger niveau bereikt. De politiekorpsen hebben in dit verband een enorme prestatie geleverd. Niet eerder zijn er op vakinhoudelijk gebied gelijktijdig zoveel maatregelen ontwikkeld, overgedragen en in gebruik genomen terwijl ‘de verkoop’ gewoon doorging. Direct of indirect was en is het PVO van invloed op het werk van alle opsporingsmedewerkers van de Nederlandse politie. Ook de Koninklijke Marechaussee, de Bijzondere Opsporingsdiensten en de Rijksrecherche hebben actief in het programma geparticipeerd. Gelet op de zichtbare resultaten en de zorgvuldige wijze waarop alle korpsen hebben geparticipeerd en gerapporteerd heb ik de stellige overtuiging dat deze rapportage een volledig en getrouw beeld geeft van de werkelijkheid in de korpsen. Deze overtuiging wordt bevestigd door frequente monitoring en auditing, een collegiale toetsing en een ketenaudit. Ook de nauwe contacten met regionale projectleiders, proceseigenaren opsporing en korpsleidingen bevestigen dit beeld. Evenals de vele themabijeenkomsten, de informatie van de Politieacademie en de waarnemingen van de permanent in de korpsen aanwezige accountfunctionarissen van het Programmabureau. Tot slot is in meer dan dertig operationele onderzoeken getoetst of de PVO maatregelen zijn doorgedrongen op de werkvloer, middels de zogenaamde TGO-reflecties. Toch is terughoudendheid op zijn plaats. Weliswaar zijn de maatregelen in het kader van het PVO voor het overgrote deel succesvol ingevoerd, er is nog veel meer te doen in de opsporing. Immers aandacht voor kwaliteit is een permanent proces. Om die reden is er ook een begin gemaakt met een permanente kwaliteitsontwikkeling voor de opsporing, gefaciliteerd door het Centrum Versterking Opsporing. De Bilt, 3 juni 2010 Martin van Bochove, Programmamanager Versterking Opsporing Versie 1.2 Pagina i van i Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Inhoudsopgave 1 INLEIDING _____________________________________________________________ 1 1.1 Inleiding ___________________________________________________________________ 1 1.2 Leeswijzer en onderzoeksmethode______________________________________________ 2 2 SAMENVATTING EN CONCLUSIES _________________________________________ 4 2.1 Samenvatting ______________________________________________________________ 4 2.2 Conclusies_________________________________________________________________ 8 3 PVO IN HISTORISCH PERSPECTIEF_______________________________________ 12 4 DE BEREIKTE RESULTATEN _____________________________________________ 14 4.1 Implementatie van 194 maatregelen____________________________________________ 14 4.2 De opleiding van de VKU- en VKL-leden ________________________________________ 14 4.3 De aanstelling en inzet van HBO-ers ___________________________________________ 15 4.4 De aanstelling en inzet van forensisch assistenten ________________________________ 16 4.5 Toepassing van FT-normen __________________________________________________ 17 4.6 Conclusies________________________________________________________________ 18 5 VERBETEREN EN LEREN TIJDENS DE IMPLEMENTATIE ______________________ 19 5.1 Productevaluatie ___________________________________________________________ 19 5.2 TGO-reflecties_____________________________________________________________ 20 5.3 Conclusies________________________________________________________________ 21 6 LANDELIJKE VERANDERTRAJECTEN _____________________________________ 22 6.1 De ontwikkelingen binnen de Politieacademie ____________________________________ 22 6.1.1 Ontwikkeling politieonderwijs _____________________________________________ 22 6.1.2 Landelijke Deskundigheidsmakelaar (LDM) __________________________________ 24 6.2 De ontwikkelingen binnen de Forensische Opsporing ______________________________ 25 6.2.1 Het Landelijke Team Forensische Opsporing (LTFO) __________________________ 26 6.2.2 Forensische Samenwerking in de Opsporing (FSO) ___________________________ 27 6.2.3 Landelijk Sporen Volgen (LSV)____________________________________________ 27 6.2.4 Landelijk Coördinatiebestand Sporen (LCS) _________________________________ 28 6.3 Auditief en audiovisueel registreren van verhoren (AVR) ____________________________ 29 6.4 Raadsman bij het eerste politieverhoor _________________________________________ 29 6.5 Conclusies________________________________________________________________ 30 7 DE BEREIKTE DOELEN _________________________________________________ 31 7.1 Het voorkomen van tunnelvisie ________________________________________________ 31 7.2 Het bereiken van een meer transparante en integere werkwijze ______________________ 32 7.3 Het vergroten van professionaliteit _____________________________________________ 33 7.4 Het versterken van de forensische opsporing_____________________________________ 34 7.5 Samenwerking politie met ketenpartners ________________________________________ 34 7.6 Het vasthouden van de PVO-doelen____________________________________________ 35 7.7 Bijkomende effecten van PVO in de korpsen _____________________________________ 36 7.8 Conclusies________________________________________________________________ 36 8 DOORONTWIKKELING VAN KWALITEIT IN DE OPSPORING ___________________ 38 8.1 Permanent kwaliteitssysteem _________________________________________________ 38 8.2 Borging PVO-producten _____________________________________________________ 38 8.3 Af te ronden producten en activiteiten___________________________________________ 39 8.4 Voortgezette activiteiten _____________________________________________________ 40 8.5 Nieuwe activiteiten _________________________________________________________ 41 8.6 Toekomstige activiteiten _____________________________________________________ 41 Versie 1.2 Pagina ii van ii Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie 1 Inleiding 1.1 Inleiding Het programma Versterking Opsporing (PVO) heeft vanaf de start in 2006 jaarlijks gerapporteerd over de voortgang van de in het kader van het programma ingezette verbeteringen in de opsporing. Zo is er in het voorjaar van 2007 over de voortgang gerapporteerd op basis van door de korpsen opgestelde rapportages[Audit 2007]. In het voorjaar van 2008 lag de nadruk op de resultaten van een proces van collegiale toetsing, waarin alle korpsen zijn bezocht[Audit 2008]. In 2009 is gerapporteerd naar aanleiding van de door de ketenpartners gezamenlijk uitgevoerde procesaudit, aangevuld met de resultaten uit in 2008 uitgevoerde voortgangs- en kwaliteitsmonitors[Audit 2009]. Het PVO is formeel per 31 december 2009 afgesloten. De voorliggende rapportage onderscheidt zich dan ook van voorgaande jaarlijkse voortgangsrapportages PVO (2006-2009). Daar waar eerdere rapportages zich uitsluitend richtten op de voortgang van de resultaten, wordt in deze eindrapportage ook ingegaan op de verwezenlijking van de doelen van het programma. Een belangrijk resultaat van het programma is de realisatie - vanaf 2010 - van een permanent systeem voor verdere kwaliteitsverbetering binnen de opsporing, in de volle breedte van het opsporingsdomein. Mede om die reden omvat deze eindrapportage ook een doorkijk naar de uitgangspunten en werkzaamheden voor het kwaliteitssysteem. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 1 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie 1.2 Leeswijzer en onderzoeksmethode Samenvatting Deze rapportage bevat een samenvatting, opgenomen in hoofdstuk 2. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met de finale conclusies. De ‘snelle’ lezer heeft aan dat hoofdstuk genoeg. Historisch perspectief Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het historisch perspectief, terugkijkend op de evaluatie van de Schiedammer parkmoord, de start en de beëindiging van PVO. Hierbij is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de informatie uit het evaluatierapport van Postumus[Posthumus 2005] en twee daaropvolgende PVOV-rapporten[PVO 2005][PVO 2006]. Bereikte resultaten Alleen al binnen de politie heeft het programma in concrete zin geleid tot het uitvoeren van 194 verschillende maatregelen. Een overzicht hiervan is bijgevoegd in bijlage I. Specifiek wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de implementatie van deze 194 maatregelen binnen de korpsen. In het bijzonder wordt in dit hoofdstuk, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, gerapporteerd over de opleidingen van de VKU- en VKL-leden, over de aanstelling en inzet van recherchekundigen en forensisch assistenten, alsook over de toepassing van de FT-normen. Deze rapportage kan worden gezien als een vervolg op eerdere voortgangsrapportages. In hoofdstuk 5 is beschreven welke productevaluaties in 2009 zijn uitgevoerd en hoe de voortgang van de TGO-reflecties is verlopen. Dit zijn instrumenten waarmee het landelijk Programmabureau, na de implementatie in de korpsen van diverse PVO-producten en PVO-processen, reeds sinds 2008 is gestart om zicht te krijgen en te houden op de werking daarvan en de eventuele noodzaak om aanpassingen te plegen, gericht op het verbeteren en leren tijdens de implementatie van PVO! In hoofdstuk 6 wordt omschreven wat de stand van zaken is van de implementatie van een aantal landelijke trajecten. Bron voor dit hoofdstuk is de door de projectleiders geleverde informatie. Belangrijke bijdragen zijn geleverd door de Politieacademie en door verschillende trajecten binnen de Forensische Opsporing. Bereikte doelen In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de mate waarin de doelen van PVO zijn gerealiseerd. Met het PVO werd een aantal doelen nagestreefd. Deze kunnen worden afgeleid uit de twee rapportages[PVO 2005], die aan de basis hebben gelegen van het Programma Versterking Opsporing: a) Het bereiken van een kwaliteitsimpuls in de opsporing en vervolging: versterking van de kwaliteit en professionaliteit, teneinde de criminaliteit daadkrachtig en effectief te kunnen bestrijden; b) Het zoveel mogelijk voorkomen van herhaling van de fouten zoals gemaakt in de Schiedammer parkmoord; c) Het bereiken van een betere samenwerking in de keten; d) Verbetering van het vertrouwen in politie en OM op het gebied van complexe opsporingsonderzoeken. Door de opdrachtgevers zijn deze doelen vertaald in 194 daaruit voortvloeiende activiteiten en maatregelen. Dit rechtvaardigt de aanname dat met de succesvolle implementatie hiervan de doelen zijn gerealiseerd. In het kader van de opzet en organisatie van de eindaudit heeft een oriëntatie plaatsgevonden op de vraag hoe het bereiken van deze hoofddoelen kan worden aangetoond. Besloten is om de korpsen daarover te bevragen. Hierbij werd onderkend dat de hoofddoelen, met uitzondering van hoofddoel genoemd onder c, onvoldoende concreet waren om de korpsen daarop te bevragen. De hoofdoelen a, b en d zijn om die reden vertaald in herkenbare, meer concrete en operationele subdoelen. Met deze vertaling naar subdoelen kan de vraagstelling beter gerelateerd worden aan de praktijk binnen de opsporing. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 2 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Het betreft de volgende subdoelen: Relatie met hoofddoelen Het voorkomen van tunnelvisie a, b en d Het bereiken van een meer transparante en integere werkwijze a, b, c en d Het vergroten van professionaliteit a en b Het versterken van de forensische opsporing a, b en c Alle korpsen is hun opvatting gevraagd over de mate waarin de subdoelen in de korpsen inmiddels zijn bereikt. Ook is daarbij gevraagd naar de mate waarin de PVO-maatregelen hebben bijgedragen in het bereiken van deze subdoelen. Die opvattingen en beelden zijn voor een belangrijk deel gestoeld op de ‘harde’ resultaten die door de korpsen zijn behaald (194 maatregelen). Door middel van deze methodiek wordt zicht verkregen op de mate waarin de subdoelen zijn bereikt waardoor dus ook een beeld ontstaat van de mate waarin een bijdrage is geleverd aan het bereiken van de hoofddoelen van PVOV. De door de korpsen opgestelde reacties zijn door de korpschef gefiatteerd. Doorontwikkeling Afsluitend wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de continuering van hetgeen reeds door de politiekorpsen in het kader van PVO is bereikt en op de doorontwikkeling van de kwaliteit in de opsporing, waarbij het huidige en toekomstige beeld van het permanente kwaliteitssysteem in de opsporing wordt geschetst. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 3 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie 2 Samenvatting en conclusies 2.1 Samenvatting Het programma Versterking Opsporing en Vervolging is per 31 december 2009 succesvol afgerond. Dit geldt ook voor het politieaandeel in dit programma, het programma Versterking Opsporing (PVO). Het succes van het programma is vooral bereikt doordat de sterk gevoelde noodzaak tot versterking en verbetering – ontstaan naar aanleiding van fouten gemaakt in de Schiedammer Parkmoord – landelijk én op korpsniveau heeft geleid tot veel energie waarmee de korpsen de maatregelen vanuit het programma hebben omarmd en hebben doorgevoerd. Resultaten korpsen Vanaf de start is vanuit het PVO jaarlijks gerapporteerd over de voortgang van de implementatie. Reeds in de rapportage over 2008[Audit 2008] werd duidelijk dat korpsen een grote stap hadden gemaakt richting de te bereiken resultaten. Een totaaloverzicht van de in totaal 194 maatregelen en activiteiten die in het kader van het PVO zijn afgesproken en waarvan het overgrote deel reeds is bereikt, is opgenomen in bijlage I. Een viertal maatregelen krijgen in deze eindrapportage specifieke aandacht, omdat de realisatie doorloopt tot 2012, en omdat ze veelomvattend en het meest ingrijpend zijn. Het betreft de volgende maatregelen: Opleidingen: VKL en VKU Uit de opgave van de korpsen en de Politieacademie blijkt dat het opleiden van de recherchemedewerkers voor de VKL en VKU consequent wordt voortgezet. De in de rapportage van 2009 verwoorde verwachting dat dit opleidingsresultaat eind 2012 is behaald, wordt bevestigd. Aanstelling en inzet HBO’ers Inmiddels zijn er in totaal 707 HBO’ers (recherchekundigen) aangesteld; 428 zijinstromers (waarvan 340 in opleiding) en 279 doorstromers (waarvan 208 in opleiding). Het bereiken van het resultaat van 20% HBO, vertaald naar een totaal van 1.300 recherchekundigen in alle politiekorpsen, staat onder druk. Korpsen hebben hun ambitie in aantallen recherchekundigen neerwaarts bijgesteld als gevolg van hun financiële situatie. De bezuinigingen en de onbalans tussen de normkosten en formatie brengen korpsen er toe om de korpsformatie in te krimpen. Werving van zijinstromers wordt uitgesteld, het aantal aanmeldingen voor opleiding bij de Politieacademie loopt terug. De vacatures voor recherchekundige doorstromers worden door de korpsen echter wel ingevuld en soms zelfs uitgebreid. Benadrukt wordt dat de politie desondanks wil vasthouden aan het te behalen resultaat van 1.300 hoger opgeleiden in de uitvoering van de opsporing. Zeker omdat de ervaringen met de recherchekundigen in de praktijk positief zijn. Daar waar het aantal van 1.300 gebaseerd is op de uitgangssituatie van enkele jaren geleden, zal er in de toekomst naar verwachting met een percentage van 20% gerekend worden. Aanstelling en inzet forensisch assistenten Met nog twee jaar te gaan liggen de korpsen goed op koers om eind 2011 in totaal 500 fte in dienst te hebben. Inmiddels zijn er in totaal al 282 forensisch assistenten aangesteld. Het overgrote deel van de korpsen geeft aan dat de forensisch assistenten conform de doelstelling worden ingezet voor het veiligstellen van DNA- en dacty-sporen, bij inbraken in woningen, in bedrijven en in auto's. Daarnaast voeren de assistenten ook andere werkzaamheden uit, zoals assistentieverlening op de zogenaamde maatwerk- en maatwerk+ PD’s, het verrichten van andersoortig sporenonderzoek, administratieve ondersteuning, sporenbeheer en fotografie. Het aantal bezochte standaard-PD’s neemt toe. Medio 2009 werd aangegeven dat al rond de 75% van de PD’s werd bezocht. Het aantal veilig gestelde sporen is conform opgave van de korpsen met 30% tot 40% toegenomen. Toepassing forensisch-technische normen (FT-normen) Het draagvlak en de acceptatie van de FT-normen is het afgelopen jaar sterk toegenomen. Knelpunten hebben vooral betrekking op het wennen aan het administratieve proces. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 4 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Resultaten landelijke trajecten Politieacademie De Politieacademie heeft in het kader van PVO - in de periode van 2006 tot 2010 - grote inspanningen geleverd; het aanbod van bestaande producten en van nieuwe producten is geïntensiveerd. Dit op het terrein van werving, selectie, onderwijs, examinering, kennis en informatie. Gelijk aan de afgelopen jaren garandeert de Politieacademie dat ook in de komende jaren alle gevraagde opleidingen tijdig geleverd worden. In dat opzicht is de Politieacademie een belangrijke en volwaardige samenwerkingspartner van de politiekorpsen. Landelijke Deskundigheidsmakelaar De Landelijke Deskundigheidsmakelaar (LDM) is landelijk bekend bij alle korpsen. Gezien het beroep dat op LDM wordt gedaan en de sterke groei in aanvragen (van 218 in 2006 naar 364 in 2009) mag worden gesteld dat de LDM structureel functioneert als dienst ten behoeve van ondersteuning in expertise aan (grootschalige) opsporingsonderzoeken. In dit succes spelen de 24-uurs bereikbaarheid van de LDM op alle dagen van de week en de persoonlijke communicatie van de LDM-adviseurs een belangrijke rol. De acceptatie en het draagvlak van de adviseurs is groot en de klanttevredenheid is hoog. Ook wordt groei ervaren in het aantal bemiddelingsverzoeken door het OM en door de rechters- commissarissen. Tot en met 2011 is de financiering van de LDM gedekt vanuit het PVO-budget. De verwachting is dat in de juni-circulaire 2010 de financiering vanaf 2012 door BZK structureel wordt geregeld. De definitieve organisatorische inbedding van de LDM is nog onderwerp van besluitvorming. Landelijk Team Forensische Opsporing Het LTFO-team bestaat uit 155 leden. Sinds de start in 2007 zijn er inmiddels 21 belangrijke inzetten geweest (zie bijlage III). In het najaar van 2009 zijn de ervaringen met het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO) geëvalueerd. Ruim 80% van de politiekorpsen is tevreden over de werkwijze en bijna 70% is tevreden over de organisatie van het LTFO. De naamsbekendheid van het LTFO is goed, zowel bij instanties als bij de medewerkers die met het LTFO samengewerkt hebben. De medewerkers die zijn ingezet voor het LTFO ervaren deze inzet als zeer positief. Forensische Samenwerking in de Opsporing Door de inrichting en het functioneren van de front offices in het kader van de Forensische Samenwerking in de Opsporing (FSO’s) is de samenwerking in en de kwaliteit van het forensisch onderzoek verbeterd. Vanuit de procesaudit (2009) is aangegeven dat door het functioneren van de FSO’s de onderzoeksaanvragen in kwaliteit merkbaar zijn verbeterd, dat door het betrekken van deskundigen op de PD de kwaliteit van het onderzoek is verhoogd, dat sporen zorgvuldiger worden veilig gesteld en dat er duidelijker afspraken worden gemaakt over levering en terugkoppeling van de voortgang van sporenonderzoek. Daarnaast is door de intensievere samenwerking wederzijds begrip voor en inzicht in elkanders werk ontstaan. Vanaf 2008 heeft verdere ontwikkeling plaatsgevonden. In dat kader is nu door het NFI één Frontoffice NFI (FON) ingericht en vindt door en in de politiekorpsen een verdere ontwikkeling van zeven Bovenregionale Forensische Service Centra (BFSC’s) plaats. Uitgangspunt hierbij is dat de opgebouwde goede onderlinge samenwerking wordt gecontinueerd. Landelijk Sporen Volgen Met de ingebruikname van een systeem voor Landelijk Sporen Volgen (LSV) op basis van één uniek Spoor Identificatie Nummer (SIN) is de politie in staat om landelijk de ‘chain of custody’ te waarborgen. Er is nu een landelijk systeem voor registratie van sporen, waarmee alle forensische sporen op ieder moment en iedere plaats door alle betrokken ketenpartners te traceren zijn. Er is sprake van een stijgend gebruik van LSV in de korpsen als het gaat om invoer van zaken en van sporen. Een vervolgtraject richt zich op integratie van LSV in de keten en op verrijking met functionaliteit waardoor de registratie en informatie omtrent sporen efficiënter (verminderen van de administratieve last), kwalitatief hoogstaander en gebruiksvriendelijker kan plaatsvinden. Landelijk (en Regionaal) Coördinatiebestand Sporen In 2004 is de ontwikkeling in gang gezet van een Landelijke Sporendatabank (LSDB). Vanaf de start van PVO is de LSDB verder ontwikkeld en voortgezet in het Landelijk Coördinatiebestand Sporen (LCS). In 2009 is besloten een onderzoek te starten naar het op regionaal niveau organiseren van 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 5 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie RCS (Regionaal Coördinatiebestand Sporen). Dit is een databank met alle regionaal vastgelegde sporen en waarvan de beoogde ontwikkeling is om de nu gebruikte applicatie (TRIS) landelijk op te nemen als basisvoorziening, gekoppeld aan een landelijke databank. Beide systemen, LCS en RCS, ondersteunen gezamenlijk het proces sporencoördinatie en sporenanalyse. Auditieve en audiovisuele registratie van verhoren In alle korpsen is toegewerkt naar de technische inrichting van de benodigde 380 verhoorkamers en 30 verhoorstudio’s. De landelijke voorziening voor auditieve en audiovisuele registratie van verhoren (AVR) is in technische en organisatorische zin gereed. In de periode van 2008 tot eind 2009 is er aanzienlijke vertraging opgetreden, doordat binnen vtsPN steeds weer werd aangelopen tegen de complexiteit van de gekozen oplossing en tegen aanzienlijke technische tegenslagen op het gebied van systeem en netwerk, die naar verwachting zijn opgelost. Inmiddels is een situatie bereikt waarin de laatste tests worden uitgevoerd alvorens over te gaan tot definitieve ingebruikname. Naar verwachting vindt de formele start rond de zomer 2010 plaats. Vanaf dat moment geldt de Aanwijzing AVR als standaard voor de auditieve en audiovisuele registratie van verhoren voor alle Nederlandse opsporingsdiensten. Doelen De huidige rapportage richt zich ook op de mate waarin de hoofddoelen van het PVO binnen de politie zijn behaald. Deze hoofddoelen waren de volgende: a) Het bereiken van een kwaliteitsimpuls in de opsporing en vervolging: versterking van de kwaliteit en professionaliteit, teneinde de criminaliteit daadkrachtig en effectief te kunnen bestrijden; b) Het zoveel mogelijk voorkomen van herhaling van de fouten zoals gemaakt in de Schiedammer parkmoord; c) Het bereiken van een betere samenwerking in de keten; d) Verbetering van het vertrouwen in politie en OM op het gebied van complexe opsporingsonderzoeken. Over het derde hoofddoel, het bereiken van een betere samenwerking in de keten, is door de korpsen rechtstreeks gerapporteerd. De overige hoofddoelen zijn ten behoeve van de rapportage vertaald in meer concrete en operationele subdoelen: − Het voorkomen van tunnelvisie; − Het bereiken van een meer transparante en integere werkwijze; − Het vergroten van professionaliteit; − Het versterken van de forensische opsporing. Tunnelvisie PVO heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het begrip over tunnelvisie en het voorkomen daarvan. De duidelijkheid en eenvormigheid van de nieuwe TGO-structuur en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, het werken met hypotheses en scenario’s, kritische reflectie en tegenspraak alsmede verandering van cultuur zijn hierin belangrijke elementen, niet in de laatste plaats omdat dit thema ook verankerd is in het rechercheonderwijs. Transparante en integere werkwijze De nieuwe TGO-structuur en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, naast de stringente afspraken over journalisering, de inzet van de ambtelijk secretaris, kritische reflectie en cultuurverandering hebben geleid tot een meer transparante en integere werkwijze. In het politieonderwijs wordt daartoe extra nadruk gelegd op het scenariodenken en de wijze van vastlegging. Professionaliteit De professionaliteit in de opsporing is ingezet door maatregelen voor de korte termijn, zoals aanscherping van taken verantwoordelijkheden en bevoegdheden en aanpassingen in structuur en door lange termijn investeringen zoals de komst van hoger opgeleiden en strengere opleidingseisen en certificering voor diverse functies. De professionaliteit binnen de opsporing is hierdoor merkbaar vergoot. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 6 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Forensische opsporing Er is sprake van een meer nadrukkelijke positionering van de FO binnen het opsporingsonderzoek en daarnaast is de FO ook vakinhoudelijk versterkt. Door de rol van de forensisch coördinator in TGO’s, door toegenomen protocollering op basis van FT-normen, door een versterkt management op de PD en door de gesprekken in het kader van de forensische intake door het NFI (FSO’s) is er sprake van een aanzienlijke versterking van de forensische opsporing. Dit wordt ondersteund door de invlechting van noodzakelijk nieuwe competenties in het politieonderwijs op dit terrein. Ketensamenwerking Met betrekking tot de samenwerking met het OM geven korpsen aan dat er constructief, goed, professioneel en coöperatief wordt samengewerkt met respect voor elkanders taken en verantwoordelijkheden. Het OM stelt zich meer bewust op als leider van het opsporingsonderzoek. Er wordt tussen de partners op een kritische wijze gesproken over de kwaliteit van de opsporing en de wijze waarop de (schaarse) opsporingscapaciteit wordt ingezet. De samenwerking met het NFI is verbeterd door de opzet van het Forensische Samenwerking in de Opsporing (FSO) en de Forensische Intakegesprekken. De lijnen zijn kort, de communicatie is verbeterd en de rapportages zijn helder. Doorontwikkeling Het Programma Versterking Opsporing mag dan zijn afgesloten, de ontwikkeling van de kwaliteit en de professionalisering in de opsporing krijgt een actief vervolg. Zo is op 1 januari jl. het ‘Centrum Versterking Opsporing’ (CVO) van start gegaan. Dit centrum ondersteunt het collectief van korpsen in het realiseren van ontwikkelingen en verbeteringen in de opsporing en faciliteert op deze manier een permanent kwaliteitssysteem voor de opsporing in de volle breedte van korpsen en partners. Door het CVO worden ook de nog af te ronden PVO-activiteiten overgenomen, zoals de ontwikkeling van een modulair evaluatie-instrument, de definitieve ingebruikname van de AVR, (monitoring van de) de realisatie van opleidingen (VKL/VKU, de instroom van hoger opgeleiden en forensisch assistenten), de totstandkoming van gericht opsporingsonderwijs voor strategisch leidinggevenden en een aantal activiteiten binnen de forensische opsporing. Maar er dienen zich ook nieuwe uitdagingen aan binnen het opsporingsdomein die om ondersteuning vragen. De opschaling naar bovenregionale opsporing in zeven dan wel tien clusters (advies Commissie De Graaf) en de implementatie van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (Staatscourant 4002, 16 maart 2010) naar aanleiding van het zgn. Salduz-arrest zijn daar eerste voorbeelden van. Deze ontwikkelingen vormen de eerste projecten die onder regie van het CVO worden uitgevoerd. Informeel is het PVO ook afgesloten met een aantal ronde tafelgesprekken, waarin medewerkers en leidinggevenden van de korpsen hebben teruggeblikt op de resultaten en verworvenheden én op het vervolg van het programma. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan hebben strategisch leidinggevenden van politie, OM en het ministerie van Justitie, samen met wetenschappers, zich gebogen over de toekomst van de opsporing, met een focus op de vraag hoe het programma een vervolg zou moeten krijgen. Uit de opbrengsten van deze sessies komt een aantal aandachtspunten voor de toekomst naar voren: I. Routine op orde Met routine wordt bedoeld de basale, in alle onderzoeksvormen terugkerende, opsporingsactiviteiten en –producten. Daar waar het PVO zich heel erg geconcentreerd heeft op de teams grootschalige opsporing, zal in de toekomst het accent vooral ook op die routine moet worden gelegd. Dat wil zeggen dat aandacht moet worden geschonken aan de kwaliteit van de aanpak van veel voorkomende criminaliteit, middelzware criminaliteit en zware criminaliteit. II. Opsporen in divers samengestelde teams De inzet van hoger opgeleiden, waaronder recherchekundigen, in de opsporing brengt met zich mee dat onderzoeken en onderzoeksteams op een andere manier worden opgezet en samengesteld. Uit de pilots in het kader van ‘Intelligent Opsporen’ blijkt dat het werken in divers samengestelde teams een goede voedingsbodem vormt voor de synergie tussen de verschillende kwaliteiten binnen (en buiten) de opsporing. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 7 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Deze pilots moeten hun voortzetting krijgen in een programma van ‘action learning’, waarin de verworvenheden uit de pilots worden verbreed naar andere korpsen en nieuwe interdisciplinaire samenwerkingsverbanden. III. Opleiden en certificeren Het investeren in persoonlijke kwaliteit van de politiemedewerkers en leidinggevenden moet worden voortgezet. Waarbij wel een verandering moet plaatsvinden van eenmalig opleiden naar permanent leren, gericht op het onderhouden van bestaande en verwerven van nieuwe competenties. IV. Burgerparticipatie Een ontwikkeling die niet meer te stoppen lijkt, is de behoefte van burgers om invloed uit te oefenen op de veiligheid in de eigen leefomgeving. Als succesvol voorbeeld kan Burgernet worden genoemd. Ook binnen de opsporing zal gezocht gaan worden naar effectieve strategieën. Onder regie van de Board Opsporing wordt nu gewerkt aan de ontwikkeling van een toekomstscenario voor de opsporing. De hierboven beschreven ontwikkelingsrichtingen worden hierin betrokken. 2.2 Conclusies Op basis van alle bevindingen in deze rapportage, zoals hiervoor samengevat, is de conclusie dat beoogde resultaten en (sub)doelen van PVO voor het grootste deel behaald zijn. Resultaten Door de 26 politiekorpsen is een grote prestatie geleverd, omdat zij gedurende de programmaperiode van vier jaar als resultaat het overgrote deel van de in totaal 194 PVO-maatregelen, producten en processen nagenoeg volledig hebben geïmplementeerd (zie matrix in bijlage I). Hieronder bevinden zich fundamentele verbeteringen zoals de forensische intake en de inzet van familierechercheurs, professioneel verhoorders en tegensprekers. Een tweetal korpsen, dat nog niet het gewenste niveau heeft bereikt, heeft een actieplan opgesteld gericht op het alsnog halen van de resultaten in 2010. Met gebruikmaking van de matrix wordt de voortgang van de afhandeling en implementatie van de producten continu gevolgd. De nog niet bereikte resultaten worden door het Centrum Versterking Opsporing vanaf 2010 gevolgd en in de korpsen gemonitoord. Enkele specifieke onderwerpen zijn veelomvattend en ingrijpend waardoor de realisatie doorloopt tot 2012. Zo worden de opleidingen van de recherchemedewerkers voor de VKL en VKU consequent voortgezet met de verwachting dat deze opleidingsresultaten eind 2012 zijn behaald. Ook als het gaat om de aanstelling en inzet van HBO’ers en van de forensisch assistenten wordt vastgehouden aan het bereiken van het resultaat om respectievelijk 1.300 HBO’ers en 500 forensisch assistenten aan te stellen. De beoogde resultaten staan echter wel onder druk vanwege de onzekerheid in de korpsen over financiële situatie van de politie en de consequenties daarvan voor de formatie. Dit heeft tot gevolg dat korpsen terughoudender worden bij de aanstelling van nieuw personeel. Met betrekking tot de toepassing van de FT-normen is gebleken dat het draagvlak en de acceptatie van de FT-normen in de korpsen sterk is toegenomen. Knelpunten hebben vooral betrekking op het wennen aan het administratieve proces. Ook ten aanzien van de landelijke trajecten is het beeld positief. De Politieacademie heeft in het kader van PVO in de periode van 2006 tot 2010 grote inspanningen geleverd; het aanbod van bestaande producten en een aantal nieuwe producten is geïntensiveerd. Dit op het terrein van werving/selectie, onderwijs, examinering, kennis en informatie. Gelijk aan de afgelopen jaren garandeert de Politieacademie dat ook in de komende jaren alle gevraagde opleidingen tijdig geleverd worden. In dat opzicht wordt de Politieacademie gezien als een belangrijke en volwaardige samenwerkingspartner van de politiekorpsen. De LDM heeft zich binnen de Politieacademie ontwikkeld tot een volwassen en gerespecteerde dienstverlening. Dit geldt binnen de forensische opsporing eveneens voor de samenwerking in het kader van het LTFO. De samenwerking in de forensische opsporing heeft op bovenregionaal niveau gestalte gekregen in de FSO’s met een doorontwikkeling naar BFSC’s, die tevens merkbaar hebben geleid tot verbetering van de samenwerking met het NFI en het OM. De kwaliteit en de informatievoorziening in het forensisch domein heeft met LSV een goede impuls gekregen. Deze 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 8 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie ontwikkeling vindt de komende jaren een voortzetting in het programma FO en resulteert in een samenhangende basisvoorziening op informatiegebied. AVR wordt in de zomer van 2010 afgerond en in gebruik genomen. Het experiment met de aanwezigheid van de raadsman bij het eerste politieverhoor is afgerond. De resultaten hiervan zullen, samen met de ervaringen met AVR en de maatregelen als gevolg van het Salduz-arrest ongetwijfeld leiden tot effectief beleid ten aanzien van de rol van de raadsman bij politieverhoren. Doelen Om het bereiken van de PVO-hoofdoelen inzichtelijk te maken, zijn deze meer geconcretiseerd en vertaald naar een viertal beter te bevragen subdoelen. De korpsen hebben hierop uitgebreid geantwoord vanuit hun ervaring binnen de opsporing en vanuit de resultaten die zij inmiddels hebben gehaald met het implementeren van de 194 PVO-maatregelen, zoals omschreven in hoofdstuk 4. Daarnaast zijn deze opvattingen en beelden van de korpsen over het bereiken van de subdoelen aangevuld met de kennis en ervaring die in het landelijk Programmabureau beschikbaar zijn gekomen na 3,5 jaar ondersteuning bij de implementatie van PVO in de korpsen. De conclusie die vervolgens mag worden getrokken is dat de in het kader van PVO gestelde subdoelen in alle korpsen veelal in hoge mate bereikt zijn en dat de genomen PVO-maatregelen daaraan een belangrijke bijdrage hebben geleverd. In zes tot tien steeds variërende korpsen is de beleving dat de subdoelen niet altijd in hoge mate maar soms nog in enige mate zijn gerealiseerd. Dit kan worden veroorzaakt doordat nog niet alle resultaten zijn bereikt en dat de beleving van het doelbereik per definitie na-ijlt op het bereiken van resultaat. In de korpsen is het voorkomen van tunnelvisie in hoge mate bereikt. Het bewustzijn in de korpsen van het belang van het voorkomen van tunnelvisie is groot. De houding van de leiding en recherchemedewerkers is open en het hypothese- en scenariodenken in de opsporingsteams is volop in ontwikkeling. Ook is het lerend vermogen verder toegenomen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de TGO-reflecties door de korpsen goed worden ontvangen en dat men zeer open staat voor kritiek en voor aangereikte leerpunten. Meer transparant en integer werken is binnen de opsporing, vooral binnen de organisatie van de TGO’s, merkbaar gerealiseerd. De professionaliteit binnen de opsporing, vooral binnen de TGO’s, is merkbaar vergroot met op deelterreinen een spin-off effect in de breedte van de opsporingsorganisatie. Er wordt gewerkt vanuit een nieuwe structuur met een strikte rol- en taakverdeling binnen de leiding en conform nieuwe standaarden. De leidinggevende en uitvoerende recherchemedewerkers zijn steeds beter opgeleid en gecertificeerd, waardoor men ook beter is toegerust voor het recherchevak. Op langere termijn zet dit ook nog door. De versterking van de forensische opsporing is - mede dankzij de genomen maatregelen in het kader van PVO - in hoge mate gerealiseerd. De inbreng van de forensische coördinator in de VKL in een TGO wordt gezien als een sterke impuls en doorbraak omdat de FO daardoor meer ‘partner’ is geworden binnen de (tactische) opsporing dan ‘leverancier’, zoals voorheen veel meer het geval was. Het belang van de FO wordt in toenemende mate onderkend en heeft dan ook een enorme impuls gekregen. Het besef van de mogelijkheden van FO is, ondanks de reeds behaalde resultaten, zodanig toegenomen dat is besloten tot het starten van een Programma FO (zie hoofdstuk 8). Uit de in 2009 uitgevoerde procesaudit[Procesaudit2009] bleek al dat de samenwerking tussen de ketenpartners (OM en het NFI) merkbaar is verbeterd. Deze conclusie wordt in deze eindaudit bevestigd. De korpsen zijn van de implementatie inmiddels overgegaan naar de borging van de bereikte kwaliteit, onder andere door kwaliteitsbureaus in te richten en/of medewerkers hiervoor mede verantwoordelijk te laten zijn. Evalueren en leren zijn daarbij belangrijke aspecten. Met het halen van de opleidingsresultaten in de periode van 2010 tot 2012 wordt een laatste slag gemaakt in het vergroten van de professionaliteit. Met het bereiken van de subdoelen voorkomen van tunnelvisie, meer transparant en integer werken, versterken van de opsporing en versterken van de forensische opsporing is direct een belangrijke 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 9 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie bijdrage geleverd aan de hoofddoelen a, b, c en d: de versterking van de kwaliteit en professionaliteit, het voorkomen van herhaling van de fouten zoals gemaakt in de Schiedammer parkmoord, een betere samenwerking in de keten en verbetering van het vertrouwen in politie en OM op het gebied van complexe opsporingsonderzoeken. Doorontwikkeling De versterking van de opsporing, en daarmee de professionalisering, is volop in beweging en heeft toekomst. Op de door PVO neergelegde fundamenten wordt doorgebouwd. De professionalisering rondom de TGO’s wordt verbreed naar andere onderzoeken, de werkwijze van en in divers samengestelde teams wordt verder uitgebouwd en de investeringen in kwaliteit door middel van opleiding en certificering worden voortgezet. Vanuit PVO is er sprake van een groot aantal resultaten, gericht op de korte termijn, die reeds zijn behaald, zoals werkwijzen, structuren en verantwoordelijkheden. Maar daarnaast is er ook sprake van resultaten die op langere termijn worden gehaald, zoals het opleiden van recherchemedewerkers, het binnen de opsporing aanstellen en inzetten van HBO-ers, het netwerkend werken en het bereiken van kwaliteit in de breedte binnen de tactische en forensische opsporing. Met de inrichting van het Centrum Versterking Opsporing is een plek gecreëerd waar de nog af te ronden PVO-activiteiten zijn belegd en waar de afgeronde producten zijn geborgd. Het CVO blijft tevens de monitoring uitvoeren op lopende activiteiten, zoals het bereiken van de opleidingsresultaten voor VKL- en VKU- medewerkers, de instroom van hoger opgeleiden in de opsporing en de aanstelling van forensisch assistenten. Met de inrichting van het CVO worden tevens de ontwikkelingen, die in de (nabije) toekomst binnen de opsporing gaan plaatsvinden, gefaciliteerd. Rol Programmabureau Terugkijkend mag worden geconcludeerd dat het proces van de implementatie van de maatregelen van PVO, naast de grote inzet van de politiekorpsen, mede succesvol is geweest door de rol en activiteiten van het landelijke Programmabureau Versterking Opsporing dat door de Raad van Hoofdcommissarissen is ingesteld (van 2006 tot 2010). Door het Programmabureau is actief gestuurd op korpsleidingen, op proceseigenaren opsporing en op korpsprojectleiders. Op deze niveaus pleegde het Programmabureau gedurende de gehele looptijd van PVO op een succesvolle wijze interventies om de implementatie en de borging van de PVO-maatregelen te regisseren en daarin continu ondersteuning te bieden. Ook het zeer frequent monitoren en auditen van de voortgang van bepaalde cruciale PVO-maatregelen, zowel op landelijk niveau als binnen de korpsen, is hierbij een belangrijke activiteit gebleken. Het gehele traject is door het Programmabureau continu ondersteund met diverse vormen van interne en externe communicatie. De korpsen hebben in twee onderzoeken naar de effectiviteit van het programmabureau[PB2007][PB2009] deze ondersteuning als goed tot zeer goed gekwalificeerd. Eindconclusie Gelet op het feit dat het overgrote deel van de 194 maatregelen, producten en processen is geimplementeerd en het feit dat de subdoelen van het PVO veelal al in hoge mate zijn bereikt, mag als afgeleide worden geconcludeerd dat dit in belangrijke mate ook geldt voor de hoofddoelen: - Er is een stevige kwaliteitsimpuls in de opsporing en vervolging bereikt en de kwaliteit en professionaliteit zijn merkbaar versterkt teneinde de criminaliteit daadkrachtig en effectief te kunnen bestrijden. Tevens is bereikt dat deze beweging de komende jaren nog verder wordt doorgezet. De impuls was overwegend gericht op de TGO-omgeving en de uitdaging ligt vanaf nu in de verbreding naar de andere vormen van opsporingsonderzoek. - Door de aandacht voor tunnelvisie, transparantie, professionaliteit en forensische opsporing is de kans op herhaling van fouten zoals gemaakt in de Schiedammer parkmoord aanzienlijk afgenomen. - De samenwerking tussen de ketenpartners, het OM en het NFI, is aantoonbaar verbeterd. Dit bleek al uit de in 2009 uitgevoerde ketenaudit, maar ook in deze eindaudit is dit bevestigd. - En met het halen van deze hoofddoelen mag er vanuit worden gegaan dat ook het vertrouwen van de maatschappij, van de burger, van de rechterlijke macht en van het OM in de politie (als een betrouwbare opsporingsorganisatie) is toegenomen. Dit ondanks het feit dat er geen aantoonbare een-op-een relatie bestaat tussen de bereikte doelen en resultaten van PVO en het (terugwinnen van het) vertrouwen in de opsporing. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 10 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Het geheel overziende is de eindconclusie dat met de implementatie van alle PVO-maatregelen de politiekorpsen het programma zodanig hebben uitgevoerd dat er in hoge mate is voldaan aan datgene wat er over de resultaten en doelen afgesproken is. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 11 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie 3 PVO in historisch perspectief Aanleiding tot het Programma Versterking Opsporing Op 22 juni 2000 vindt in het Beatrixpark in Schiedam een moord plaats op een meisje en raakt een jongen zwaar gewond. Hij wordt door omstanders aangetroffen met een schoen om zijn nek gebonden en vraagt hen om hulp. Een van de omstanders, Kees B., wordt uiteindelijk op 5 september 2000 aangehouden voor deze zaak. In de reeks van verhoren bekent Kees B. in twee gevallen dat hij de feiten heeft gepleegd. Kees B. wordt op respectievelijk 29 mei 2001 door de Rechtbank te Rotterdam en op 8 maart 2002 door het Gerechtshof te Den Haag veroordeeld. In augustus 2004 bekent een verdachte Wik H. dat hij degene is die in 2000 de moord op het meisje in het Beatrixpark in Schiedam heeft gepleegd. Uit verder onderzoek blijkt dat er belastend bewijsmateriaal is voor deze bekentenis. Al vrij snel daarna wordt de detentie van Kees B. geschorst en later blijkt dat er duidelijk sprake is van een gerechtelijke dwaling. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen wordt in opdracht van het College van Procureurs Generaal en onder leiding van mr. F. Postumus de evaluatie van de ‘Schiedammer Parkmoord’ plaats. Op 13 september 2005 maakt hij zijn evaluatierapport[Posthumus 2005] openbaar waaruit naar voren komt dat binnen de gehele opsporingsketen fouten zijn gemaakt die uiteindelijk tot deze gerechtelijke dwaling konden leiden. De urgentie tot het nemen van maatregelen is evident. Programma Versterking Opsporing en Vervolging (PVOV) Naar aanleiding van de evaluatie van Postumus en gezien de geschokte rechtsorde en vertrouwen van de maatschappij in zowel politie als justitie geeft de Minister van Justitie in 2005 opdracht aan zowel politie als justitie om binnen enkele maanden met verbetervoorstellen te komen. Op 4 november 2005 is het rapport Programma Versterking Opsporing en Vervolging, dat door Politie, OM en het NFI is opgesteld, gereed[PVO 2005]. Hierin wordt een groot aantal maatregelen voorgesteld om bij alle drie de organisaties tot verbeteringen in de opsporing te komen. Het beeld dat de rechtstaat niet kan functioneren zonder vertrouwen in de kwaliteit van de opsporing en vervolging is leidraad. Vanuit een gedeelde visie hebben politie en het OM ambities geformuleerd, gericht op het bereiken van een kwaliteitsimpuls in de opsporing en vervolging, het zoveel mogelijk voorkomen van een herhaling van fouten zoals gemaakt in de Schiedammer parkmoord, het bereiken van een betere samenwerking in de keten en verbetering van het vertrouwen in politie en Openbaar Ministerie. De ambities zijn vervolgens verder uitgewerkt door negen multidisciplinaire werkgroepen (clusters), namelijk: - Gezag over de opsporing; - Tegenspraak en review; - Team Grootschalige Opsporing; - Forensische opsporing; - Audiovisuele en auditieve registratie van verhoren; - Competenties – opleidingen – certificering; - Overdracht en samenhang 1e en 2e lijn vervolging; - Deskundigenpool; - ICT. Alle voorgestelde maatregelen die daaruit voortvloeien worden door de Minister overgenomen. Programma Versterking Opsporing (PVO) Om de implementatie van de maatregelen van PVO, die in 2006 in de korpsen wordt ingezet, te ondersteunen start in 2006 bij de politie het door de Raad van Hoofdcommissarissen ingestelde landelijke Programmabureau Versterking Opsporing. Door het Programmabureau wordt actief gestuurd op het niveau van korpsleiding, op het niveau van de proceseigenaren opsporing en op het niveau van de korpsprojectleiders. Op deze niveaus pleegt het Programmabureau gedurende de gehele looptijd van PVO interventie om de implementatie en de borging van de PVO-maatregelen te regisseren en daarin continu ondersteuning te bieden. In eerste instantie wordt ondersteuning geboden bij het ontwikkelen en beschrijven van alle door de politiekorpsen te nemen maatregelen en het concretiseren van de daarbij behorende ondersteuning en monitoring. Daarna gaat vanaf oktober 2006 de feitelijke ondersteuning aan de korpsen van start met de introductie van accountmanagers, die de verbinding aanbrengen tussen de landelijk bepaalde maatregelen en de uitwerking daarvan in de korpsen. Ook het in de periode van 2006 tot en met 2009 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 12 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie zeer frequent monitoren en auditen van de voortgang van bepaalde cruciale PVO-maatregelen, zowel op landelijk niveau als binnen de korpsen, is een belangrijke activiteit van het Programmabureau. Het gehele traject wordt door het Programmabureau continu ondersteund met diverse vormen van interne en externe communicatie. De korpsen hebben in een tweetal onderzoeken[PB2007][PB2009] de effectiviteit en de kwaliteit van de ondersteuning van het programmabureau als goed tot zeer goed gekwalificeerd. Beëindiging PVO Op 1 januari 2010 is het Programma Versterking Opsporing formeel geëindigd en is het overgrote deel van de maatregelen in het kader van PVO in de korpsen geïmplementeerd. Een aantal zaken loopt nog wel door. Dit betreft zaken zoals de opleidingen in de korpsen van rechercheurs en leidinggevenden (VKL- en VKU-leden binnen TGO’s), de borging van PVO en een aantal landelijke verandertrajecten. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 13 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie 4 De bereikte resultaten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het grote aantal resultaten dat in het kader van PVO is behaald; PVO richtte zich op de implementatie van in totaal 194 PVO-maatregelen en activiteiten. In eerdere rapportages is hier uitgebreid over gerapporteerd. Om die reden wordt in dit hoofdstuk volstaan met een korte samenvatting. Daarnaast wordt ingegaan op enkele specifieke onderwerpen, omdat de realisatie daarvan doorloopt tot 2012 en omdat ze veelomvattend en het meest ingrijpend zijn. Dit betreft: - De opleiding van de VKU- en VKL-leden; - De aanstelling en inzet van HBO-ers; - De aanstelling en inzet van forensisch assistenten; - De toepassing van de FT-normen; Paragraaf 4.6 sluit af met de conclusies. 4.1 Implementatie van 194 maatregelen PVO kent in totaal 194 maatregelen, producten en processen, die door de politiekorpsen in een periode van slechts 3,5 jaar moesten worden geïmplementeerd. Deze 194 resultaten variëren sterk van karakter en inhoud. Het gaat om het implementeren van eenvoudige formulieren tot en met het opleiden van recherchemedewerkers en de (verdere) uitwerking en implementatie van kwaliteitseisen en werkprocessen. Het totaaloverzicht hiervan is door het landelijk Programmabureau weergegeven in een matrix, die als bijlage I bij dit rapport is gevoegd. In de matrix zijn zowel de reeds bereikte als de nog niet bereikte resultaten weergegeven. Wat direct opvalt is dat er door de 26 politiekorpsen een grote prestatie is geleverd. Dit omdat het overgrote deel van het totaal aantal te behalen resultaten inmiddels is bereikt. Dit betreft de implementatie van een groot scala aan typen maatregelen, variërend van ‘eenvoudige’ implementaties van te gebruiken standaardformulieren tot fundamentele verbeteringen zoals de forensische intake en de inzet van familierechercheurs, professioneel verhoorders en tegensprekers. Een tweetal korpsen, dat nog niet het gewenste niveau heeft bereikt, zal naar verwachting in 2010 de resultaten halen. Beide korpsen hebben hiertoe een actieplan opgesteld en gepresenteerd. Met gebruikmaking van de matrix werd en wordt de voortgang van de afhandeling en implementatie van de producten continu gevolgd. Een deel van de niet bereikte resultaten vanwege andere inzichten is komen te vervallen of is vervangen door andere maatregelen. Een ander deel van de niet bereikte maatregelen bevindt zich nog in de uitvoeringsfase, zoals bijvoorbeeld de opleidingen. Dit deel wordt door het Centrum Versterking Opsporing vanaf 2010 vastgehouden en gemonitoord. 4.2 De opleiding van de VKU- en VKL-leden Met de minister van BZK is afgesproken dat voor het opleiden van de VKU- en VKL-leden de termijn geldt dat in 2012 al deze medewerkers zijn opgeleid. De Vaste Kern Uitvoerenden (VKU-leden) en de Vaste Kern Leidinggevenden (VKL-leden) zijn de medewerkers die in de korpsen zijn aangewezen om ingezet te worden in de Teams Grootschalige Opsporing. In het kader van PVO zijn aan hen opleidingseisen gesteld. In 2008 heeft door het landelijk Programmabureau PVO naar de aantallen opgeleide VKU- en VKL- leden een uitgebreide inventarisatie plaatsgevonden, waarover op 14 mei 2009 aan de minster is gerapporteerd. De uitkomst daarvan was dat een belangrijk deel van de VKU-leden was opgeleid en dat korpsen daarmee goed op schema lagen. Van de VKL-leden bleek een relatief minder groot deel te zijn opgeleid, maar was het opleiden van deze medewerkers al wel structureel in gang gezet met de verwachting dat daardoor het grootste deel van deze medewerkers in 2012 zou zijn opgeleid. In deze eindaudit heeft geen nieuwe tussentijdse meting van de opleiding van alle VKU- en VKL-leden plaatsgevonden. Wel heeft tot op heden over de voortgang van deze opleidingen periodiek overleg plaatsgevonden tussen het landelijk Programmabureau PVO en de Politieacademie, waaruit is gebleken dat de korpsen het opleiden van de recherchemedewerkers consequent voortzetten. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 14 van 59 Eindrapportage PVO januari 2010 Landelijk beeld implementatie PVO bij de politie Het Centrum Versterking Opsporing zal het behalen van de resultaten van de korpsen op dit gebied vasthouden en blijven monitoren. In 2011 vindt de volgende monitor plaats. 4.3 De aanstelling en inzet van HBO-ers Ter implementatie van de maatregelen van het Programma Versterking Opsporing is een belangrijk beoogd resultaat dat op 31 december 2012 in de politiekorpsen in totaal 20% HBO-ers in de uitvoering van de opsporing werkzaam zijn. Dit percentage HBO-ers betreft landelijk – verdeeld over alle korpsen – een totaal aantal van 1.300 recherchemedewerkers. Hierbij is in de Raad van Korpschefs i.o. (RKC i.o.) afgesproken dat er wordt gestreefd naar een verhouding van 70% - 30% als het gaat om het aantal zijinstromers (nieuwkomers van buiten de politie) en doorstromers (politiemedewerkers met veel recherche-ervaring). Dit komt neer op 910 zijinstromers en 390 doorstromers, die in 2012 de opleiding recherchekundige zijn gestart. Ook medewerkers die de bacheloropleiding PK5 - al dan niet met afstudeerrichting recherche - hebben gevolgd en al geruime tijd werkzaam zijn in de uitvoering van de opsporing worden hiertoe gerekend. In juni 2009 is door het Programmabureau in alle politiekorpsen een eerste kwantitatieve inventarisatie gehouden, in augustus 2009 aangevuld met een kwalitatieve inventarisatie gericht op de effecten en de eerste ervaringen met de inzet van recherchekundigen. Vervolgens heeft in januari/februari 2010 een update van de kwantitatieve inventarisatie plaatsgevonden. Hiermee is inzicht verkregen in de stand van zaken van de instroom van recherchekundigen in de uitvoering van de opsporing, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen zijinstromers en doorstromers. Uitkomsten van de kwantitatieve inventarisatie: 1. De huidige ambitie die de korpsen aangeven (maart 2010) is dat zij streven naar de aanstelling van in totaal 1.222 recherchekundigen, verdeeld in 795 zijinstromers en 427 doorstromers. De ambitie ligt daarmee iets lager dan het beoogde resultaat van 1.300 recherchekundigen. 2. Op peildatum maart 2010 zijn er - ten behoeve van de uitvoering in de opsporing - in totaal 707 recherchekundigen aangesteld; 428 zijinstromers (waarvan 340 in opleiding) en 279 doorstromers (waarvan 208 in opleiding). 3. De ervaring in de korpsen is dat het merendeel van de opgeleide zij- en doorstromers in de opsporing werkzaam blijft. Korpsen geven aan dat de uitstroom minimaal is (minder dan 5%, peildatum juni 2009). In die gevallen waarin wel sprake van uitstroom is, betreft dit veelal uitstroom naar een andere functie binnen de politie of bij de ketenpartners (w.o. BOD’en, politieacademie). Op basis van vorenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat het aantal van 1.300 recherchekundigen in 2012 kan worden bereikt als de ambities van meerdere korpsen iets naar boven worden bijgesteld én de opleidingscapaciteit van de Politieacademie volledig wordt benut, of als ook andere hoger opgeleiden dan de recherchekundigen in de uitvoering van de opsporing worden meegeteld. Een van de belangrijkste redenen van korpsen om de ambitie naar beneden bij te stellen betreft de financiële situatie van de politie: de bezuinigingen en de onbalans tussen de normkosten en formatie brengen korpsen er toe om de korpsformatie in te krimpen. Een aantal korpsen stelt daarom de werving van zijinstromers uit (peildatum maart 2010). Daarnaast is de afgelopen tijd het beeld ontstaan dat het merendeel van de korpsen aarzelt om zijinstromers aan te stellen en bij de Politieacademie aan te melden. De vacatures voor recherchekundige doorstromers worden door de korpsen echter wel ingevuld en soms zelfs uitgebreid. Een andere reden waarom de uiteindelijke realisatie van de 20% doelstelling (1.300 HBO-ers) wordt bemoeilijkt is dat een klein aantal korpsen achterloopt in de realisatie van hun eigen planning. Dit doordat bij de werving en selectie van zijinstromers blijkt dat kandidaten voor een aantal korpsen minder opteren dan voor andere politiekorpsen. 20100087/MvB/RB/HG Versie 1.2 pagina 15 van 59