Tekst
Vervolgrapportage inzake de
niet-universitaire kennisinfrastructuur
De publieke
kennisinfrastructuur
van Nederland op
hoofdlijnen
Gebaseerd op data en informatie t/m 2008
Auteurs: dr. H. (Hessel) Speelman en dr. K. (Klaas) Maas
Rapportnummer: TNO-034-UT-2010-00368
Datum: maart 2010
URL: http://www.tno.nl/downloads/verniewing_publieke_kennisinfra_vervolg.pdf
2
Inhoudsopgave 2
0. VOORGESCHIEDENIS, OPDRACHT EN SAMENVATTING 5
1. INLEIDING 7
1.1. Aanleiding 7
1.2. Afbakening 11
1.3. Terminologie 15
2. DE PUBLIEKE KENNISINFRASTRUCTUUR 17
OP HOOFDLIJNEN
2.1. Inleiding 17
2.2. De publieke faciliterende instanties 21
2.3. De publieke universitaire kennisinfrastructuur 24
2.4. De publieke (niet-universitaire) kennisinfrastructuur 24
2.5. De semi-publieke kennisinstellingen 26
3 ORGANISATORISCHE EN BESTUURLIJKE ONTWIKKELINGEN 28
IN DE PERIODE 2003/2004 – 2008/2009
3.1. Inleiding 28
3.2. De publieke faciliterende instanties 28
3.3. De publieke universitaire kennisinfrastructuur 31
3.4. De publieke (niet-universitaire) kennisinfrastructuur 32
3.5. De semi-publieke kennisinstellingen 35
3.6. De publieke kennisinfrastructuur in de Brede Heroverwegingen 35
3
Overzicht van Figuren en Tabellen:
Figuur 1-1 Lineair kennismodel en lineair innovatiemodel 8
Figuur 1-2 Cyclisch kennis (waardeketen) model en cyclisch innovatiemodel 8
Figuur 1-3 Schematisch overzicht van bestuur en organisatie (van het publieke deel)
van het nationale kennis- en innovatiesysteem van Nederland 13
Figuur 1-4 Schematisch overzicht van het Nederlands kennissysteem en
kennisstromen 13
Figuur 1-5 Open innovatiesysteem van publieke kennisinstellingen, bedrijven
en overheden 15
Figuur 2-1 Overzicht van grotere organisaties die faciliterende en uitvoerende functies
hebben in het nationaal kennis- en innovatiesysteem van Nederland 18
Figuur 2-2 Schematisch overzicht vraag- en aanbodzijde van de Nederlandse
kennisinfrastructuur (lineair kennis- en innovatiemodel) 18
Figuur 2-3 Componenten waarin instanties en instellingen die faciliterende en
uitvoerende functies hebben in het nationaal kennis- en innovatiesysteem,
kunnen worden gegroepeerd 20
Tabel 2-4 Overzicht van de totale capaciteit van de componenten waarin de kennis-
en innovatiefuncties van de publieke kennisinfrastructuur zijn gegroepeerd 20
Tabel 2-5 Groepering van faciliterende instanties met (structurele) overheidsfinanciering
in componenten en aantallen betrokken organisaties 23
Tabel 2-6 Capaciteit voor de kennis- en innovatiefuncties bij de universitaire
instellingen (incl. medische centra) in 2003
Zie de rapportage Speelman, H., m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van de
publieke kennisinfrastructuur van Nederland. TNO-rapport nr. 2005 SP-TNO 04621.
Tabel 2-7 Groepering van publieke kennisinstellingen en aantallen betrokken
organisaties en daaronder ressorterende kennisinstellingen 27
Overzicht van Bijlagen: 36
Bijlage A Terminologie kennis- en innovatiefuncties 38-44
Bijlage B OECD-classificatiesystemen kennis- en innovatiefuncties 45-48
1
Speelman, H. met medewerking van S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland – Eindrapportage inzake de niet-universitaire kennisinfrastructuur. TNO-
rapport-nr. 2005 SP-TNO 0462, http://www.tno.nl/downloads/verniewing_publieke_kennisinfra.pdf
4
Bijlage C Kennis en Innovatie in Socio-Economische Context (KISEC-classificatie)
Met gerelateerde classificatiesystemen.
Zie de rapportage Speelman, H., m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van de
publieke kennisinfrastructuur van Nederland. TNO-rapport nr. 2005 SP-TNO 0462
Bijlage D Opgave en groepering in KISEC-classificatie van de publieke instanties
met faciliterende functies in de publieke kennisinfrastructuur, anno 2008 49-74
Bijlage E Groepering van universitaire organisatorische eenheden naar wetenschappe-
lijke en technologische disciplinevelden en in KISEC-classificatie anno 2004
Zie de rapportage Speelman, H., m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van de
publieke kennisinfrastructuur van Nederland. TNO-rapport nr. 2005 SP-TNO 0462.
Bijlage F Opgave en groepering in KISEC-classificatie van publieke kennisinstellingen, 75-92
anno 2008
Bijlage G Overzicht van type verzamelde informatie inzake de instellingen en
instanties behorende tot de publieke kennisinfrastructuur van Nederland 93-98
Bijlage H Streefbeelden voor een Nederlandse organisatie voor Delta Onderzoek en
voor een Nederlandse organisatie voor Technologisch Onderzoek
Zie de rapportage Speelman, H., m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van
de publieke kennisinfrastructuur van Nederland. TNO-rapport nr. 2005 SP-TNO 0462;
Bijlage J Bestuur en organisatie publieke kennisinfrastructuren OECD-landen
Zie de rapportage Speelman, H., m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van
de publieke kennisinfrastructuur van Nederland. TNO-rapport nr. 2005 SP-TNO 0462.
Zie voor meer recente informatie het rapport van het Rathenau Instituut:
Meulen, B. van der, et al., (2009): Organisatie en governance van wetenschappelijk
onderzoek, een vergelijking van zes landen. Feiten en cijfers 3.
Bijlage K Geraadpleegde bronnen voor dit rapport 99-102
5
0. VOORGESCHIEDENIS, OPDRACHT EN SAMENVATTING
Voorgeschiedenis
In de periode 2004-2006 is door dr. H. Speelman (TNO) een onderzoek uitgevoerd betreffende
de vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland. Dat onderzoek is
gerapporteerd in de in 2006 uitgebrachte “Eindrapportage inzake de niet-universitaire
kennisinfrastructuur”2. Het onderzoek had als startpunt het uitgangspunt van het
Innovatieplatform dat de toekomst van Nederland afhangt van de manier waarop Nederland er
in slaagt zijn kennisinfrastructuur te dynamiseren en tot productiviteit te brengen (dan wel of
Nederland effectief weet te reageren op de innovatieparadox: ons hoog niveau van
kennis/technologie vertaalde zich niet of onvoldoende in innovatieve economische
productiviteit). Het onderzoek betrof het macro-niveau; op dat niveau is de publieke
kennisinfrastructuur geanalyseerd, zowel de universitaire als de niet-universitaire. De in het
onderzoek gebruikte terminologieën, begrippen en schema’s zijn voor een belangrijk deel
overgenomen van of gebaseerd op de door de OECD3 gehanteerde beschrijvingen, schema’s
en classificaties voor wetenschap en technologie: de indeling volgens de zgn. Socio-Economic
Objectives (wat een samenleving wil bereiken met zijn wetenschap en technologie). In het
onderzoek worden 12 SEO-domeinen onderscheiden, de zgn. KISEC4-domeinen, A t/m L,
Maatschappelijke structuren en relaties t/m Defensie en veiligheid. Deze domeinen vormen in
het onderzoek de primaire invalshoek in combinatie met – wat betreft de universitaire
kennisinfrastructuur – de wetenschappelijke disciplines als gedefinieerd door de OECD. Om
de SEO’s te realiseren is een kennisproductie- en innovatiesysteem nodig dat in 4 lagen is
georganiseerd. De capaciteit van dit systeem was in 2005 (en is ook thans) ca. 100.000
mensjaren, ongeveer 50/50 verdeeld over publiek en privaat; het publieke deel was weer
ongeveer 50/50 verdeeld over universitair (ca. 27.500 fte) en niet-universitair (ca. 24.000 fte).
Het niet universitaire deel is in het onderzoek van 2006 meer gedetailleerd geanalyseerd. Ook
zijn ideeën uitgewerkt om focus, massa en directe verbindingen te bewerkstelligen in de niet-
universitaire kennisinfrastructuur van Nederland.
Het voorliggende rapport is een gedeeltelijk vervolg op het rapport van 2006.
Opdracht en samenvatting
Op 10 december 2008 heeft de Minister van BZK – in het kader van het programma
Vernieuwing Rijksdienst – aan de Kamer toegezegd: “Er wordt een stofkam door de totale
kennisinfrastructuur gehaald, met andere woorden: aan de hand van nader te bepalen criteria
worden instellingen geselecteerd, waarbij vervolgens gegevens worden verzameld over
typering, samenstelling, budget (kasstroom)”, als ook “De Kamer wordt geïnformeerd over de
aanpak van deze inventarisatie”.
In verband hiermee is in 2009 in opdracht van het Programma Vernieuwing Rijksdienst,
deelprogramma Vernieuwing Kennis- en Adviessector, een actualisatie gemaakt van de
database die onderdeel vormde van de in 2006 door Speelman uitgebrachte “Eindrapportage
inzake de niet-universitaire kennisinfrastructuur”. Deze actualisatie betrof de data en
informatie van de niet-universitaire publieke kennisinstellingen en de instanties met
faciliterende functies in de publieke kennisinfrastructuur5 anno 2008. Deze geactualiseerde
database is in november 2009 opgeleverd.
2
Speelman, H. met medewerking van S.A.G.F. Angelino, 2006: Vernieuwing van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland – Eindrapportage inzake de niet-universitaire kennisinfrastructuur. TNO-
rapport-nr. 2005 SP-TNO 0462, http://www.tno.nl/downloads/verniewing_publieke_kennisinfra.pdf
3
OECD: de “Organisation for Economic Cooperation and Development” is een in Parijs gevestigde
internationale economische organisatie van 30 landen. De meeste OECD lidstaten zijn ‘high-income economies’
met een hoge ‘human development index (HID)’ en worden beschouwd als ontwikkelde landen.
4
KISEC: Kennis en Innovatie in Sociaal-Economische Context.
5
De data betreffende de universitaire kennisinfrastructuur zijn in deze actualisatie niet meegenomen; hiervoor
wordt verwezen naar Bijlage E van de eerder aangehaalde rapportage uit 2006, Vernieuwing van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland.
6
Uitgaande van die geactualiseerde database is vervolgens het voorliggende inventariserende
rapport opgesteld waarin “De Publieke Kennisinfrastructuur van Nederland” op hoofdlijnen
wordt beschreven. Dit rapport, een vervolgrapport op het in 2006 uitgebrachte TNO-rapport
“Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland – Eindrapportage inzake de
niet-universitaire kennisinfrastructuur”, Speelman, H. m.m.v. S.A.G.F. Angelino, 2006, is dus
gebaseerd op enerzijds de in november 2009 opgeleverde geactualiseerde database en
anderzijds op een actualisatie van hoofdstuk 2 van het in 2006 uitgebrachte rapport.
Het voorliggende (vervolg)rapport “De Publieke Kennisinfrastructuur van Nederland op
Hoofdlijnen – gebaseerd op data en informatie t/m 2008” bevat de navolgende hoofdstukken:
• Inleiding
(Dit betreft de tekst van de eerste vier van de negen paragrafen uit de Inleiding van de
rapportage “Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland” uit 2006.
Deze tekst is – met enkele zeer beperkte wijzigingen – in dit rapport gekopieerd teneinde
dit rapport als op zich zelf staande rapportage te kunnen raadplegen).
• De huidige publieke kennisinfrastructuur op hoofdlijnen
(De status anno 2008-2009 van de publieke faciliterende instanties; de publieke
universitaire kennisinfrastructuur; de publieke niet-universitaire kennisinfrastructuur; en
de semi-publieke kennisinstellingen).
• Organisatorische en bestuurlijke ontwikkelingen in de periode 2006 – 2009
(Een analyse van de veranderingen die in de periode ca. 2005 tot en met 2009 hebben
plaatsgevonden in bestuur en organisatie van de publieke faciliterende instanties, de
publieke niet-universitaire kennisinfrastructuur en de semi-publieke kennisinstellingen).
Als reeds gezegd is het voorliggende rapport een vervolg op de rapportage van 2006. Terwille
van de inzichtelijkheid, eenvoudige vergelijkbaarheid, en gemakkelijke naslag is in deze
vervolgrapportage de oorspronkelijke rapportindeling zoveel mogelijk gehandhaafd. Dit
houdt onder meer in dat de volgorde en vernummering van de Bijlagen in het rapport
van 2006, is overgenomen in het voorliggende rapport. Voor de niet in dit vervolgrapport
overgenomen bijlagen wordt verwezen naar de rapportage uit 2006 (zie pag. 3-4: de
Inhoudsopgave van de bijlagen).
7
1. INLEIDING
1.1. Aanleiding
Aanzienlijke delen van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland hebben – in
internationaal perspectief - een goede tot uitstekende reputatie en positie wat betreft de
kwaliteit van wetenschap en technologie. Dat is geconstateerd in vele visitaties en
gedocumenteerd door onder meer het Nederlands Observatorium voor Wetenschap en
Technologie (NOWT, 2003). Deze reputatie en positie zijn een groot goed.
Er zijn echter ook met kennis en innovatie samenhangende om nieuw beleid vragende issues
die zich momenteel (of reeds langer) manifesteren (Zegveld, 2006). Dat zijn de volgende:
• Het verhogen van de kennisintensiteit van ons maatschappelijk en economisch
handelen is noodzaak.
• Het bereiken van grenzen (milieu, gezondheid, ruimtelijke inrichting, verkeer en
vervoer, veiligheid) van onze huidige maatschappelijke en economische activiteiten.
• De internationalisering van het kennissysteem schrijdt voort.
• Nieuwe kennis-issues die zich manifesteren waarvoor de huidige kennisinfrastructuur
niet voldoende is toegerust.
• Het voortduren van de kennisparadox.
Aanzienlijke delen van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland hebben een relatief
beperkte impact wat betreft bijdragen aan maatschappelijke en economische waardecreatie in
Nederland, zeker in internationaal perspectief. Het bestuur en de organisatie van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland is hiermee nauw verweven.
Aanzienlijke delen van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland zijn complex,
versnipperd en ondoorzichtig van structuur. Dit is onder meer geconstateerd in de nota
‘Kennis in Beweging’ (Ministeries van EZ en OCW, 1996), in diverse adviezen van de
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, in de nota ‘Samenwerken en
stroomlijnen’ van IBO Technologiebeleid (2002), in de nota ‘Interactie voor innovatie’ van de
Sociaal-Economische Raad (2003), door de werkgroep Dynamisering Kennisketen van het
Innovatieplatform (2004), in de nota ‘De kracht van directe verbindingen’ (ad hoc commissie
Wijffels, 2004).
Ook in nota’s en adviezen die betrekking hebben op delen van de publieke
kennisinfrastructuur [ondermeer de Advies- en Kennisinfrastructuur Public Health, de
Kennisinfrastructuur Infectieziekten en het Advies onderzoek arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
van de Raad voor Gezondheidsonderzoek (2003), als ook in de nota ‘De zee kent geen grenzen
van de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO, 2004)] wordt aangegeven dat er een
complexe samenhang bestaat tussen de verschillende onderdelen van de kennisinfrastructuur.
De spreiding van het onderzoek over een groot aantal groepen houdt in dat de mogelijkheden
voor synergie niet optimaal gebruikt worden en dat onderzoek gebundeld moet worden om een
krachtige kennisinfrastructuur voor respectievelijk (onder meer) het gezondheidsonderzoek en
het zeeonderzoek te bereiken.
Ook in internationale studies wordt geconstateerd dat de kennisinfrastructuur in Nederland
complex is. Zo wordt in de ‘Comparative analysis of public, semi-public and recently
privatised research centres’ (University of Manchester, 2002) over Nederland opgemerkt dat
“over the decades a complex network of (semi-)public research organizations has emerged,
with a large variety in their size, mission and scope”.
Overigens zijn in bovengenoemde publicaties geen of slechts summiere data en informatie
opgenomen op basis waarvan feitelijk wordt aangetoond dat aanzienlijke delen van de
publieke kennisinfrastructuur van Nederland complex, versnipperd en ondoorzichtig van
structuur zijn. De tot het verschijnen van het rapport “Vernieuwing van de
kennisinfrastructuur van Nederland” (Speelman 2006) enige publicatie waarin data en
informatie waren opgenomen inzake de gehele publieke (niet-universitaire)
8
Lineair kennismodel
Experimentele
Uitontwikkeling
Fundamenteel Strategisch Toegepast ontwikkeling
en complexe
onderzoek onderzoek onderzoek product, dienst,
advisering
proces of systeem
Lineair innovatiemodel
Meer (funda- Meer
Overheid Meer
menteel) toegepaste
financiert economische
academische wetenschap en
onderzoek groei
kennis technologie
Figuur 1-1: Lineair kennismodel en lineair innovatiemodel
Cyclisch kennis (waardeketen) model (Naar Weggeman, 1997)
Cyclisch continu proces
- Missie Kennis ontwikke len
- Vis ie Vaststellen Inventariseren Kennis Kennis Kennis
- Doelen benodigde beschikbare delen toepassen evalueren
- Strategie kennis kennis
Cyclisch innovatiemodel (Naar Berkhout, 2004)
Harde kennis- Technologieontwikke ling Maak- en proces -
Maak-
infrastructuur Geï industrie
Geïntegreerde
Bèta-kenniscyclus
ta- engineeringcyclus
Wetenschappelijk
Creatief ondernemerschap Productvernieuwing
onderzoek
Gedifferentieerde
Gedifferentieerde
Gamma-kenniscyclus
Gamma-
dienstencyclus
Zachte kennis- Publieke en
infrastructuur Markttransities private sector
Figuur 1-2: Cyclisch kennis (waardeketen) model (naar Weggeman 1997) en cyclisch
innovatiemodel (naar Berkhout 2004)
9
kennisinfrastructuur van Nederland was het ‘Advies over het missiepatroon van de niet-
universitaire onderzoekinstituten’ van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid
(RAWB, 1988), de voorganger van de huidige Adviesraad voor Wetenschap en Technologie
(AWT).
In het kader van het in 2006 afgesloten TNO-project “Vernieuwing van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland” en het hier gerapporteerde vervolgproject (2009-2010)
is de publieke kennisinfrastructuur geïnventariseerd in 2004-2006 en in 2009. Deze
inventarisaties zijn uitgangspunt voor een analyse van de inrichting van en de recente
ontwikkelingen in de Nederlandse publieke kennisinfrastructuur. Een en ander is vastgelegd in
hoofdstuk 2 en 3 van dit rapport en in de Bijlagen, D, en F, waarin de huidige publieke
kennisinfrastructuur van Nederland op hoofdlijnen is omschreven en weergegeven. Hoofdstuk
3 gaat in op de ontwikkelingstrends in die kennisinfrastructuur die waargenomen kunnen
worden over de periode 2004 – 2008.
Uit de in 2004-2006 uitgevoerde inventarisatie en analyse bleek dat inderdaad aanzienlijke
delen van de publieke kennisinfrastructuur complex, versnipperd en ondoorzichtig van
structuur zijn. Maar er bleek ook uit dat aanzienlijke delen van de kennisinfrastructuur
eenduidig, samenhangend en transparant van structuur zijn, focus en massa op nationaal
niveau hebben en directe verbindingen tussen vraag en aanbod van kennis faciliteren.
Sinds de verschijning van de rapportage “Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur”
in 2006 is aan deze problematiek in meerdere publicaties aandacht gegeven dan wel wordt de
boven omschreven situatie met nieuw verzamelde informatie nader geadstrueerd. Wij noemen
in het bijzonder: het rapport “Wetenschaps- en technologie-indicatoren 2008” (NOWT 2008);
twee in 2009 verschenen rapporten van het Rathenau Instituut: “Feiten en Cijfers 2: De
Nederlandse publieke onderzoeksinstituten” en “Feiten en Cijfers 3: Organisatie en
governance van wetenschappelijk onderzoek, een vergelijking van zes landen”; het AWT-
rapport “Kennis plaatsen – Onderzoeksinstituten in een veranderende omgeving” van januari
2010; het Deltares-rapport “Toelichting Expertise overzicht t.b.v. Raad voor het
Deltaonderzoek” eveneens van 2010; de data en informatie uit de CBS-publicatie “Kennis en
Economie 2008”; en de data en informatie op de VSNU website onder “alle universiteiten”
in de per universiteit gepubliceerde fact sheets 2007.
De huidige inrichting van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland is gebaseerd op:
• Een lineair kennismodel en een lineair innovatiemodel (Figuur 1-1).
• Publieke (niet-universitaire) kennisinstellingen met missies die zijn afgeleid van de
beleidsterreinen van (vak)departementen.
• Verschillende bestuurlijke modellen (voor wat betreft onafhankelijkheid, mate van
zelfbestuur en financieringssystematiek) bij vooral de publieke niet-universitaire
kennisinstellingen.
• Verschillende opvattingen over de relatie van onderzoek en ontwikkeling met
wetenschappelijke en technologische dienstverlening.
• Verschillende opvattingen over de uitvoering van toezichthoudende en
inspectiefuncties en van vergunningenverlenende functies, door publieke (niet-
universitaire) kennisinstellingen.
Nieuwe ontwikkelingen in de economie en maatschappij en in wetenschap en technologie
worden in Nederland vaak geaccommodeerd door nieuwe structuren toe te voegen, zonder de
oude structuren aan te passen of af te bouwen. Dat geldt ook voor de introductie van nieuwe
inzichten omtrent publieke kennisinfrastructuren, zoals de doorontwikkeling van het lineaire
kennis- en innovatiemodel naar een cyclisch kennis(waardeketen)model en een cyclisch
innovatiemodel (Figuur 1-2), dat tot dusverre in Nederland niet of nauwelijks gepaard is
gegaan met vernieuwing van bestaande bestuurlijke en organisatorische structuren (zie ook
Berkhout en De Ridder inzake een Europees Centrum voor Innovatie – versnelling van het
open innovatieproces; 2006).
10
De bestaande inrichting van aanzienlijke delen van de publieke kennisinfrastructuur draagt er
aan bij dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van delen ervan suboptimaal is. Dit heeft tot
gevolg dat de gebruikers van de producten van de Nederlandse publieke kennisinfrastructuur –
gemiddeld gesproken – hogere transactiekosten hebben dan bij een optimaal gestructureerde
kennisinfrastructuur het geval zou zijn. De hogere transactiekosten hebben betrekking op:
economische en maatschappelijke kosten van een niet-optimaal functionerende vraagsturing
(zie de nota ‘De kracht van directe verbindingen’, ad hoc commissie Wijffels, 2004); kosten
voor gebruikers van de publieke kennisinfrastructuur om de kwalitatief beste kennis- en
innovatiegroepen te identificeren (en vaak ook zelf te moeten combineren); kosten die het
gevolg zijn van oneigenlijke concurrentie tussen publieke kennisinstellingen; en structurele
kosten door overlappingen maar ook door lacunes, in de publieke kennisinfrastructuur van
Nederland.
Er zijn in de periode 2000-2006 (en ook daarna) in diverse gremia voorstellen gedaan op
welke wijze de eenduidigheid, samenhang en transparantie van de publieke
kennisinfrastructuur kan worden verbeterd en op welke wijze meer directe verbindingen, focus
en massa kunnen worden gerealiseerd:
• In 2001 is in het kader van de ‘Innovation Lecture’ door dr. H.H.F. Wijffels gesteld “It’s
a real problem and in my view we will have to fully redesign the whole fabric of
universities and research institutions, and also reassess how the government funds these
organizations. After this we should adopt the cluster policy, as other countries have
successfully done”.
• In de nota ‘Tijd om te kiezen; Kenniseconomie Monitor 2003’ van Nauta en Van der
Steenhoven (Stichting Nederland Kennisland, 2003), is dit als volgt verwoord: ‘Er is een
reorganisatie van het Nederlandse innovatiesysteem nodig om te zorgen voor een betere
rolverdeling. Dat is de belangrijkste voorwaarde voor alle actoren om effectiever te
kunnen werken, met minder tijd- en energieverlies en met minder onderlinge
concurrentie’.
• In de nota Wetenschapsbudget 2004 is aangegeven dat het bevorderen van focus en massa
in wetenschap en technologie in de periode 2005-2008 een belangrijke beleidsdoelstelling
van de Nederlandse regering is.
• De werkgroep Dynamisering Kennisketen van het Innovatieplatform heeft in het rapport
‘Vitalisering van de Kenniseconomie’ (Grosfeld en Wijffels, 2004) aangegeven dat
vernieuwing van het innovatiesysteem van Nederland (en daarmee van de publieke
kennisinfrastructuur) urgent is.
• In de nota ‘De kracht van directe verbindingen’ (ad hoc commissie Wijffels, 2004) is
onder meer aangegeven dat bestuur en organisatie van een deel van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland ingrijpend dient te worden vernieuwd.
In het rapport van het Innovatieplatform ‘Werken aan Innovatiekracht’ (2004) zijn een aantal
leidende principes genoemd als grondslag voor de vormgeving van acties in deze:
• Meer nadruk op vraagkant en kennisvalorisatie:
Het huidige innovatiesysteem is op veel onderdelen tamelijk aanbodgestuurd.
• Meer ruimte voor excellentie:
Er moet voorrang worden gegeven aan mensen die ambitieus zijn en willen excelleren.
• Meer eenvoud:
De Nederlandse kenniseconomie moet eenvoudiger. Er is sprake van (te) veel regels, een
onoverzichtelijke organisatiestructuur en een sterke neiging om risico’s zoveel mogelijk
in te dammen. Dat is niet in overeenstemming met de aard van innovatie, die flexibiliteit
vergt en de bereidheid om risico’s te nemen.
• Directe verbindingen:
Directe verbindingen tussen vraag en aanbod van kennis zijn cruciaal. Dat betekent
verbindingen met zo min mogelijk tussenpersonen, zodat er zoveel mogelijk een
rechtstreeks contact tussen de onderzoeker en de ontwikkelaar, tussen strategie en
uitvoering en tussen vraag en aanbod kan ontstaan.
11
De afgelopen decennia zijn binnen vrijwel alle componenten van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland acties uitgevoerd gericht op een verbetering van de
kwaliteit en de doeltreffendheid en doelmatigheid. De doelmatigheid van componenten van de
kennisinfrastructuur op lagere organisatieniveaus (van groepen, afdelingen, faculteiten,
instituten, de ‘micro’-doelmatigheid) is daardoor aanzienlijk toegenomen.
Ook in het middenveld van de organisatieniveaus (universiteiten, koepelorganisaties) werd en
wordt veel aandacht besteed aan het verbeteren van de kwaliteit, doeltreffendheid en
doelmatigheid (de ‘meso’-doelmatigheid). Een voorbeeld van het streven naar meso-
doelmatigheid is de vorming van de Federatie van Technische Universiteiten in Nederland,
waarin drie universiteiten verregaand gaan samenwerken en de onderlinge concurrentie staken
om sterker te staan in de competitie met buitenlandse instellingen. De ordening van de
activiteiten van de organisatie TNO in kerngebieden is een ander recent voorbeeld.
Op het nationale niveau van de Nederlandse kennisinfrastructuur valt nog veel te
optimaliseren voor wat betreft de gezamenlijke kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid
(de ‘macro’-doelmatigheid). Een goede ‘macro’-doelmatigheid van de kennisinfrastructuur
van Nederland is immers – zoals gesteld door onder meer het Innovatieplatform (Wijffels en
Grosfeld, 2004) – een randvoorwaarde voor een goede positie van Nederland in de
kennisinfrastructuur op Europese schaal (de ‘European Research Area’). De eerste stap naar
een bestuurlijke en organisatorische vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van
Nederland op nationaal niveau is de ontwikkeling van op langere termijn te bereiken
streefbeelden, alsmede planvorming – op hoofdlijnen – voor bestuurlijke en organisatorische
vernieuwingen (Wijffels, 2001: …“fully redesign the whole fabric of universities and research
institutions and also reassess how the government funds these institutions”).
De belangrijkste belemmering bij vernieuwingen in de publieke kennisinfrastructuur is de
weerstand van afzonderlijke eenheden tegen bestuurlijke en organisatorische veranderingen,
zeker indien deze gepaard gaan met afname van autonomie en/of zeggenschap. Een aantal
leidinggevenden in de publieke kennisinfrastructuur van Nederland en bij de overheid voelen
echter een grote verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verbeteren van de directe
verbindingen, focus en massa van de publieke kennisinfrastructuur. Bovendien is het gevoel
van urgentie bij vele betrokkenen binnen de publieke kennisinfrastructuur maar ook
daarbuiten (bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, overheden) hoog.
1.2. Afbakening
In de publieke component van de nationale kennis- en innovatiesystemen (zie Figuur 1-3, als
ook paragraaf 1.3) van alle geïndustrialiseerde landen kunnen vier niveaus worden
onderscheiden. Het eerste niveau betreft kabinet en parlement, met – in Nederland – onder-
steuning door het Innovatieplatform. Het tweede niveau betreft de departementen, met
ondersteuning en coördinatie door de Commissie voor Wetenschap-, Technologie- en
Innovatiebeleid (CWTI). Het derde niveau betreft de faciliterende instanties en het vierde
niveau de kennisinstellingen die kennis- en innovatiefuncties en onderwijs- en
vormingfuncties uitvoeren. Deze rapportage heeft alleen betrekking op het derde en vierde
niveau, die gezamenlijk de publieke kennisinfrastructuur vormen. Binnen het vierde niveau is
deze analyse van de recente ontwikkelingen beperkt tot de niet-universitaire en semi-publieke
kennisinstellingen (zie ook Bijlage A).
Deze rapportage heeft dus geen betrekking op het eerste niveau (kabinet en parlement) en op
het tweede niveau (de departementen). Inzake de rollen en functies van de departementen
gerelateerd aan het nationale kennis- en innovatiesysteem zijn in 2004 en 2005 diverse
rapporten verschenen. Dit betreft “De kracht van directe verbindingen (Cie. Wijffels, 2004),
“Verkenning kennis- en adviesfunctie rijksoverheid” (Beraad Secretarissen-Generaal, 2004),
“Kennis voor beleid - beleid voor kennis” (AWT, 2005) en “Contourschets voor een
functionele en instrumentele structuur voor kennis, beleid en innovatie” (Cie. Rabbinge,
2005). Inzake de organisatie van de vraagsturing van de departementen zijn – naar aanleiding
van kritische opmerkingen daarover in de eindrapportage van de Commissie Wijffels (“De
kracht van directe verbindingen”, 2004) – in 2005/2006 verschillende instrumenten voor een
12
verbeterde vraagsturing uitgewerkt. Dit betrof – onder meer – de ontwikkeling van
departementoverschrijdende thematische programmeringen voor onderzoek en ontwikkeling
(incl. wetenschappelijke en technologische dienstverlening) met daarbij de ontwikkeling van
nieuwe financieringsarrangementen, onder aansturing van de zgn. interdepartementale
Regiegroep. In de context van het rapport van 2006 (“Vernieuwing van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland”) zou het werkveld van de Regiegroep zich idealiter niet
hebben beperkt tot TNO en de GTI’s6 (zoals nu het geval is geweest), maar betrekking hebben
gehad op de gehele niet-universitaire kennisinfrastructuur.
Het rapport “Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren” (NOWT, 2003) geeft een schema van
het Nederlandse kennissysteem en de kennisstromen (zie Figuur 1-4). Het voorliggende
rapport richt zich binnen de context van dit schema op de kolom ‘Onderzoek’ (hier
overeenkomend met kennis en innovatie; zie ook paragraaf 1.3 en bijlage A) die bestaat uit:
publieke universiteiten, publieke onderzoeksinstituten en overige onderzoeksinstellingen (in
het voorliggende rapport overeenkomend met universiteiten en publieke kennisinstellingen,
zie bijlage A), alsmede op de publieke “faciliterende organisaties en netwerken” (rechtsonder
in het schema van Figuur 1-4) die de kennis- en innovatiefuncties faciliteren.
Faciliterende instanties en kennisinstellingen die (deel)financiering vanuit de regionale,
provinciale en/of lokale overheid ontvangen en dus niet (ook) van het Rijk, vallen buiten het
kader van deze rapportage. Faciliterende instanties met werkzaamheden primair gericht op de
rijksoverheid zelf, de adviescolleges rond de rijksoverheid (m.u.v. de AWT) en de
uitvoeringscolleges, vallen eveneens buiten het kader van deze rapportage; dit betrof in 2004
nog 11 faciliterende instanties, 40 adviescolleges en 73 uitvoeringscolleges (Beraad
Secretarissen-Generaal, 2004). Deze structuur is sindsdien – in het kader van het Programma
Vernieuwing Rijksdienst – sterk uitgedund.
Universiteiten en hogescholen hebben zowel een onderwijs- en vormingfunctie als een kennis-
en innovatiefunctie. Universiteiten verrichten – net als de publieke kennisinstellingen – zowel
onderzoek en ontwikkeling als maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische
dienstverlening (w.o. valorisatie) en realiseren (dan wel dragen bij aan) innovaties bij
bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Ook hogescholen verrichten in
toenemende mate wetenschappelijke en technologische dienstverlening (w.o. valorisatie) en
dragen zo bij aan innovaties. Hogescholen verrichten (in de terminologie van dit rapport; zie
paragraaf 1.3) in zeer beperkte mate ook onderzoek en ontwikkeling.
Het rapport van “Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland” en ook de
voorliggende rapportage hebben dus alleen betrekking op de functie van de publieke
kennisinfrastructuur voor het uitvoeren van onderzoek en ontwikkeling, voor
maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische dienstverlening (w.o. valorisatie) en
voor het realiseren van, dan wel bijdragen aan, innovaties. Dit zijn in de hier gebezigde
terminologie de kennis- en innovatiefuncties. De rapporten richten zich dus niet op
bestuurlijke en organisatorische vernieuwing van de onderwijs- en vormingfunctie van de
universiteiten en hogescholen in Nederland.
Het rapport “Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland” betrof de
kennis- en innovatiefuncties van de publieke (niet-universitaire) kennisinstellingen. Ook de
ontwikkeling van langere termijn streefbeelden, alsmede planvorming – op hoofdlijnen – voor
bestuurlijke en organisatorische vernieuwing, had primair betrekking op de publieke (niet-
universitaire) kennisinstellingen en gold niet de universiteiten en hogescholen. Wel is
ingegaan op de interacties van de universiteiten en – in mindere mate – de hogescholen met
6
De GTI’s (“Grote Technologische Instituten”) waren in 2006 het NLR (Nationaal Lucht- en
Ruimtevaartlaboratorium), het ECN (Energie-Centrum Nederland), het MARIN (Maritiem Research Instituut
Nederland), WL|Delft Hydraulics (voorheen het Waterloopkundig Laboratorium van Rijkswaterstaat) en Geo-
Delft (voorheen het Laboratorium voor Bodem- en Grondmechanica van Rijkswaterstaat). Sindsdien zijn de
instellingen WL en GeoDelft met onderdelen van TNO en van specialistische diensten van Rijkswaterstaat
gefuseerd tot de nieuwe GTI Deltares (het instituut voor Deltatechnologie).
13
• Laag 1 Regering (met ondersteuning van Innovatiepl atform)
• Laag 2 Departementen (alle betrokken bij nationaal kennis- en innovatiesysteem)
• Laag 3 Instanties met faciliterende functies voor het nationaal kennis- en innovatiesysteem
• Laag 4 Hogescholen en universiteiten en publieke kennisinstellingen
Figuur 1-3: Schematisch overzicht bestuur en organisatie (van het publieke deel) van het
nationaal kennis- en innovatiesysteem van Nederland
Figuur 1-4: Schematisch overzicht van het Nederlands kennissysteem en de kennisstromen
(Nederlands Observatorium voor Wetenschap en Technologie, 2003)
14
de publieke kennisinstellingen: (Wijffels, 2001: ….“redesign the whole fabric of [universities
and]research institutions”), als ook op de interacties van private bedrijfslaboratoria met
publieke kennisinstellingen. Voor ideeën gericht op de inhoudelijke dynamisering van het
universitaire onderzoek in Nederland is verwezen naar de eindrapportage van de Commissie
Dynamisering (2006).
In “Responsible Partnering - a guide to better practices for collaborative research and
knowledge transfer between science and industry” (EU et al., 2005) zijn de rollen en functies
beschreven die publieke kennisinstellingen (universitair en niet-universitair), bedrijven en
overheden hebben in open innovatiesystemen. Een en ander is uitgewerkt in richtlijnen voor
publieke kennisinstellingen, bedrijven en overheden (zie Figuur 1-5). Het rapport
“Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van Nederland” betrof primair de daarin
gegeven richtlijn 1 ‘foster strong institutions [strong, well-connected public institutions are
essential in order to ensure continued, privileged access to world-class knowledge and skills]’.
Deze richtlijn is nauw gerelateerd aan de richtlijnen ‘align interests’, ‘treat collaboration
strategically’ en ‘organize for lasting relationships’.
Het rapport van 2006 betrof het missiepatroon, dus het bestel van (vooral de niet-universitaire)
kennisinstellingen als geheel. Het rapport was niet gericht op het doen van uitspraken over de
kwaliteit, de effectiviteit en de efficiency of de wenselijke omvang van afzonderlijke
koepelorganisaties en kennisinstellingen.
Figuur 1-5: Open innovatiesysteem van publieke kennisinstellingen, bedrijven en overheden
(EU, 2005)
Publieke kennisinstellingen verrichten principieel geen toezicht- en handhavingsfuncties of
vergunningenverlenende functies. Deze functies die wat betreft toezicht en handhaving het
werkterrein zijn van de inspectiediensten van de overheid, vallen dus ook buiten de
doelstelling van het rapport van 2006 en van deze rapportage. Overigens kunnen diensten van
de overheid die vergunningen verlenen wel gebruik maken van publieke kennisinstellingen,
bijvoorbeeld ter beoordeling van wetenschappelijke en technologische aspecten van
vergunningsaanvragen.
15
De continue monitoring van de dynamiek van wetenschap en technologie in relatie tot de
structuur van het nationaal innovatiesysteem van Nederland is met ingang van medio 2005 de
taak van het “Science System Assessment” dat in opdracht van het Ministerie van OCW wordt
uitgevoerd door het Rathenau Instituut. De reikwijdte daarvan betreft het gehele systeem dat
zich bezig houdt met het (doen) genereren van wetenschappelijke kennis, inclusief het op gang
brengen van innovatietrajecten die direct aansluiten op wetenschappelijk onderzoek.
De in het kader van het 2006 rapport “Vernieuwing van de publieke kennisinfrastructuur van
Nederland” ontwikkelde streefbeelden hadden betrekking op het realiseren van bestuurlijke en
organisatorische focus en massa en het realiseren van directe verbindingen tussen bedrijven,
maatschappelijke organisaties en departementen en de publieke kennisinfrastructuur. De
(evaluatie van) andere initiatieven om focus en massa te bereiken (de sectorplannen van de
universiteiten, de onderzoeksscholen, de regieorganen, de Bsik7-programma’s) vormden geen
onderdeel van het 2006 rapport. Daarvoor werd verwezen naar het Rathenau Instituut.
Zoals al is aangegeven in paragraaf 1.1 is één van de met kennis en innovatie samenhangende
issues de steeds verdergaande internationalisering (inclusief Europeanisering) van
kennissystemen. Het spreekt vanzelf dat dit ook geldt voor het kennis- en innovatiesysteem
van Nederland. Deze internationaliserings-issue is voor Nederland afdoende uitgewerkt in het
rapport “Nederlands kompas van de Europese onderzoeksruimte; strategisch kader voor de
internationalisering van het onderzoeks- en innovatiebeleid” (AWT, 2004). Daarom zijn in het
2006 rapport en in deze rapportage de internationaliseringaspecten (goeddeels) buiten
beschouwing gelaten en wordt daarvoor verwezen naar de AWT, alsook naar het in 2009
verschenen rapport van het Rathenau instituut “Feiten en Cijfers 3: Organisatie en governance
van wetenschappelijk onderzoek, een vergelijking van zes landen”.
In het kader van kennis en economie worden door vele instanties en personen continu
inhoudelijke en politieke afwegingen gemaakt over ondermeer: de omvang van de
(overheids)financiering voor (hoger) onderwijs; de omvang van de (overheids)financiering
voor onderzoek, ontwikkeling en wetenschappelijke en technologische dienstverlening; de
keuzen voor investeringen in (en de selectie van domeinen van) kennis- en economie-
portfolio’s; alsmede de belangen van kennis en economie op lokaal, en op internationaal
niveau. Dergelijke inhoudelijke en politieke afwegingen vallen buiten de kaders en de
doelstelling van het 2006 rapport en van deze rapportage.
1.3. Terminologie
In Bijlage A van dit rapport (Terminologie kennis- en innovatiefuncties) wordt de terminologie
gedefinieerd die in dit rapport wordt gebruikt en relevant is voor de ‘Vernieuwing van de
publieke kennisinfrastructuur van Nederland’.
In Bijlage B van dit rapport (OECD-classificatiesystemen, kennis- en innovatiefuncties) zijn
primaire classificatiesystemen opgenomen. Dit zijn de Wetenschappelijke en Technologische
Disciplinevelden en de ‘socio-economic objectives’, dan wel Kennis en Innovatie in Socio-
Economische Context (KISEC), OECD/EU (2002)8.
De term ‘intermediaire’ kennisinfrastructuur of ‘intermediaire’ kennisinstelling kan aanleiding
geven tot misverstanden. Er is immers lang niet altijd sprake van een lineaire kennisketen met
een éénrichtingsverkeer (van ‘fundamenteel’ onderzoek door universiteiten naar ‘toegepast’
onderzoek door de ‘intermediaire’ kennisinstellingen) en vaak is er ook bij universiteiten
7
Bsik: Het regeringsbesluit van 16-12-2002: “Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur”, Bsik, ook
bekend als ICES/KIS III: (het 3e programma t.l.v. het budget Interdepartementale Commissie Economische
Structuurversterking / Kennisinvesteringsonderzoek).
8
De OECD classificatie naar Socio-Economic Objectives is in de afgelopen jaren enigszins aangepast. In dit
rapport wordt echter uitgegaan van de SEO-classificatiesystematiek die gold bij de publicatie van Speelman
m.m.v. Angelino 2006.
16
sprake van directe verbindingen tussen vragers en aanbieders van onderzoek. Daarom worden
in dit rapport de termen ‘publieke niet-universitaire kennisinfrastructuur’ en ‘universitaire
kennisinfrastructuur’ gebruikt.
17
2. DE HUIDIGE PUBLIEKE KENNISINFRASTRUCTUUR OP HOOFDLIJNEN
2.1. Inleiding
De publieke kennisinfrastructuur is onderdeel van het nationaal innovatiesysteem van
Nederland. Het nationaal innovatiesysteem wordt hier niet integraal toegelicht. Daarvoor
wordt verwezen naar publicaties daarover, in het bijzonder naar “Kennis en economie 2003 –
onderzoek en innovatie in Nederland” (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2004), “Tijd om te
kiezen – kenniseconomie monitor 2003” (Stichting Nederland Kennisland, 2003), “Reflectie
op het Nederlandse innovatiesysteem” (Projectbureau Innovatieplatform, 2004) en
“Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren” (Nederlands Observatorium voor Wetenschap en
Technologie, 2008).
In dit hoofdstuk wordt een schets gegeven van de institutionele structuur van de publieke
kennisinfrastructuur van Nederland voor de situatie anno 2008-2009, bestaande uit de
‘faciliterende instanties’, de universitaire9 en de publieke (niet-universitaire)
kennisinstellingen en de semi-publieke kennisinstellingen (de componenten van de niveaus 3
en 4 van het nationale innovatiesysteem van Nederland, zie hierboven Figuur 1-3).
Figuur 2-1 geeft een overzicht van de grotere organisaties die faciliterende (laag 3) en
uitvoerende (laag 4) functies hebben in het nationaal kennis- en innovatiesysteem van
Nederland.
Figuur 2-2 is een schematisch overzicht van de vraag- en aanbodzijde van de Nederlandse
publieke kennisinfrastructuur, gebaseerd op het lineaire kennis- en innovatiemodel en
inclusief de ‘intermediaire’ kennisinstellingen die daar onderdeel van uitmaken. Zoals onder
meer aangegeven door de ad hoc Commissie Wijffels (Wijffels et al., 2004) is het lineaire
kennis- en innovatiemodel niet toegesneden op het realiseren van directe verbindingen tussen
vragers en aanbieders van kennis en innovatie. In de publieke kennisinfrastructuur van
Nederland is het denken in lineaire kennisketens (‘fundamenteel’ onderzoek door
universiteiten en ‘toegepast’ onderzoek door ‘intermediaire’ kennisinstellingen) echter stevig
verankerd.
Er zijn d.d. najaar 2009 ca. 135 permanente en tijdelijke publieke faciliterende instanties
onderscheiden die deel uitmaken van het nationaal kennis- en innovatiesysteem van Nederland
(nader omschreven in paragraaf 2.2). Figuur 2-1 is dus een sterk vereenvoudigde weergave
van de feitelijke structuur van laag 3 van bestuur en organisatie van het nationaal kennis- en
innovatiesysteem van Nederland.
De ‘uitvoerende’ publieke kennisinfrastructuur van Nederland bestaat uit 40 hogescholen en
14 universiteiten, incl. de Open Universiteit (nader omschreven in paragraaf 2.3) en ca. 110
publieke (niet-universitaire) kennisinstellingen, die deels ressorteren onder koepelorganisaties
(nader omschreven in paragraaf 2.4). Daartoe zijn ook gerekend de kennisinstellingen die
(deels) eigendom zijn van nutsbedrijven, deze vormen in dit kader de semi-publieke
kennisinfrastructuur (nader omschreven in paragraaf 2.5).
Er bestaan tal van structuren die ingericht zijn om interacties te bewerkstelligen tussen de
kennis- en innovatiefuncties die worden uitgevoerd door hogescholen en (vooral)
universiteiten en door de publieke en semi-publieke kennisinstellingen.
De 14 universiteiten (inclusief de Open Universiteit) die tezamen de publieke universitaire
kennisinfrastructuur van Nederland vormen, hebben alle dezelfde missie die is vastgelegd in
9
Voor de faciliterende instanties en de publieke instellingen is de informatie (Bijlagen D en F) up to date (dwz
als beschikbaar d.d. september 2009) verwerkt. Dit geldt niet voor de universitaire instellingen waarvoor
verwezen wordt naar de informatie van 2003 in het rapport van Speelman m.m.v. Angelino 2006. Het
voorliggende rapport betreft immers de niet-universitaire kennisinfrastructuur. De universitaire
kennisinfrastructuur wordt in dit hoofdstuk (par. 2.3) kort samengevat.
18
Laag 1 – Hoog niveau Leden:
Thema-overschrijdende AWT REGERING Innovatieplatform Regering, Industrie,
beleidsontwikkeling Investeerders,
Adviesraden,
Belangengroeperingen
en Kennis- en
CWTI Onderwijsinstellingen
CPB
KNAW
Laag 2 – Ministeries
Missie-gerichte
coördinatie OC&W LNV VROM EZ VWS V&W DEFENSIE
Laag 3 – Detailniveau
beleidsontwikkeling Regie- SENTER NOVEM
TTI’s x 10
programmafacilitering KNAW organen NWO STW (Agentschap (Agentschap SYNTENS
MTI’s x 3 (e.g. NGI) NL) NL)
en -coördinatie
Laag 4 – Onderzoek- en Innovatieproducenten
Universiteiten TTI’s KNAW- NWO- WUR incl. TNO Overige RWS- RIVM-
GTI’s
x 13 (+ Open x 2 (Novay instituten instituten DLO- kerngebie- publieke instituten sectoren
x4 instituten den x 5 instellingen
Universiteit) en Wetsus) x 19 x9 x4 x4
Tweede (en derde) Eerste (en derde) “Advies-
Beleidsvoorbereiding Adviesorganen
geldstroom geldstroom stromen”
Figuur 2-1: Overzicht van grotere organisaties die faciliterende functies en uitvoerende functies
hebben in het nationaal kennis- en innovatiesysteem van Nederland (Soete, 2003, Technopolis 2002,
met aanpassingen voor situatie op 1 september 2009)
Vraagzijde in Nederland (lineair kennis- en innovatiemodel)
Onderne mingen/Nutsbedr ijven (deels met bedrijfslabo ratoria)
Maatschappelijke en Cofinancier ing organisaties
Nederlandse en Europese O&O-pro gra mma’s
Ministeries /Regiona le overhede n (dee ls met specialistische instellinge n)
Ministerie van EZ
Ministeries van OCW en LNV
Experimentele
Funda menteel Strategisch Toegepast ontwikke ling Uitontwikkeling Routine matige
product, dienst, en co mplexe
onderzoek onderzoek onderzoek advisering advisering
proces of systee m
Universite iten Para-‘univers itaire’
instituten
‘Inter mediaire’ Ke nnis instellingen
Ingenie urs- en
advies bureaus
Aanbodzijde Nederlandse Kennisinfrastructuur (lineair kennis- en innovatiemodel)
Figuur 2-2: Schematisch overzicht vraag- en aanbodzijde van de Nederlandse kennisinfrastructuur
(lineair kennis- en innovatiemodel)
19
de Wet op het Hoger Onderwijs en het Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). De ca. 110
kennisinstellingen, deels ressorterend onder koepelorganisaties, behorende tot de publieke
(niet-universitaire) kennisinfrastructuur hebben - in principe - elk een specifieke missie.
Binnen de universitaire kennisinfrastructuur worden op jaarbasis ca. 29.700 arbeidsjaren10
besteed aan onderzoek en ontwikkeling (dit is inclusief de capaciteit die bij de acht
universitaire medische centra is ondergebracht) en ca. 8.200 arbeidsjaren10 aan de onderwijs-
en vormingfuncties (cf. CBS 2009, Kennis en Economie 2008, en VSNU, alle universiteiten,
fact sheets 2007). De inkomsten en uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van de 14
universiteiten bedroegen in 2007 ca. 2,57 miljard Euro (zie CBS 2009, Kennis en Economie
2008).
NB: In de administraties van de universiteiten worden werkzaamheden op het gebied van
wetenschappelijke en technologische dienstverlening (w.o. valorisatie) en het realiseren van
dan wel bijdragen aan innovaties, inbegrepen in het compartiment onderzoek en ontwikkeling.
Het is op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk te bepalen hoeveel arbeidsjaren,
inkomsten en uitgaven de universiteiten besteden aan onderzoek en ontwikkeling enerzijds en
wetenschappelijke en technologische dienstverlening – incl. valorisatie – en het realiseren van
dan wel bijdragen aan innovaties anderzijds. Samen vormen deze activiteiten de kennis- en
innovatiefunctie van de universiteiten (zie ook Bijlage A, waarin deze terminologie is
toegelicht). Voor deze rapportage is een dergelijke opsplitsing van deze activiteiten van de
universiteiten overigens niet werkelijk relevant. Gaat men echter uit van de definities van de
OECD11 dan is de bijdrage van de universiteiten aan de nationale investeringen in onderzoek
en ontwikkeling (zie Bijlage A) dus lager dan veelal wordt aangenomen.
Van de publieke (niet-universitaire) kennisinfrastructuur is bekend (CBS, 2009) hoeveel
arbeidsjaren en geld er in 2007 besteed werd aan onderzoek en ontwikkeling. Er zijn geen
CBS-cijfers over de hoeveelheid arbeidsjaren en geld die jaarlijks besteed wordt aan
wetenschappelijke en technologische dienstverlening – incl. valorisatie – en het realiseren van
dan wel bijdragen aan, innovaties. Voor de publieke (niet-universitaire) kennisinfrastructuur
bedroeg het aantal arbeidsjaren voor onderzoek en ontwikkeling in 2007 ca. 12.000 en de
inkomsten en uitgaven ervan bedroegen in datzelfde jaar ca. 1,3 miljard Euro (zie CBS 2009,
Kennis en Economie 2008).
In het kader van deze rapportage is berekend dat de publieke en semi-publieke
kennisinstellingen in 2008 ca. 23.000 arbeidsjaren hebben besteed aan de kennis- en
innovatiefuncties, inclusief hun bijdragen – in omvang verhoudingsgewijs gering (minder dan
1.000 arbeidsjaren) – aan de onderwijs- en vormingfuncties van de universiteiten. Ook is
berekend dat de inkomsten en uitgaven van de kennis- en innovatiefuncties van de publieke
(niet-universitaire) kennisinstellingen en de semi-publieke kennisinstellingen in 2008 ca. 2,9
miljard Euro bedroegen (inclusief uitbestedingen onderling, dus mèt dubbeltellingen). Dit
betekent dat van de arbeidsjaren en van de inkomsten en uitgaven van de ca. 110 publieke
kennisinstellingen gezamenlijk ca. 45% betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, en
tot ca. 55% betrekking hebben op wetenschappelijke en technologische dienstverlening –
inclusief valorisatie – en het realiseren van, dan wel bijdragen aan innovaties.
De universitaire èn de publieke (niet-universitaire) kennisinfrastructuur realiseren dus
gezamenlijk op jaarbasis ca. 52.400 arbeidsjaren aan kennis- en innovatiefuncties, waarvan in
2007 ca. 56% werd gerealiseerd door de universiteiten en ca. 44% door de publieke
kennisinstellingen. In de periode 2004/2005 tot 2008/2009 is deze gezamenlijke capaciteit
10
De CBS 2009 publicatie “Kennis en Economie 2008” schat de R&D inzet in 2007 van alle 14 publieke
universiteiten tezamen op ca. 29.700 fte; de VSNU website geeft voor alle 14 universiteiten uniforme factsheets
met opgaven van de personeelscapaciteit, deze opgaven tellen op tot een totaalcijfer voor 2007 van ca. 37.900
fte. Daarmee resteert voor de inzet op het universitair onderwijs in 2007 een capaciteit van ca. 8.200 fte. Een
opmerkelijk cijfer in aanmerking genomen dat in het voorganger-rapport (CBS 2004) nog een universitaire
onderwijsinzet van ca. 15.000 fte werd genoteerd.
11
OECD: de “Organisation for Economic Co-operation and Development”.
20
code kennis en innovat ie in soc io-e cono mische context code wetenscha ppe lijke en techno log ische dis ciplineve lden
A maatscha ppe lij ke struct uren en re laties a wis kunde en co mputerwetens chappen
B exploratie en explo itatie va n het aar dse milieu b natuur wetenscha ppe n
C milie ube heer e n milieuz org c scheikund ige wetenscha ppen
D ruimtelij ke orde ning en infrastructuur d bio log ische wetens chappen
E bescher ming en bevo rder ing van de me nselij ke e geowetens chappen en aanver wante (milie u)
gezond heid wetenscha ppe n
F productie, distr ib utie en rationee l gebr uik van e nergie f inge nie urswete nscha ppen
G landbou wpr oductie en technolog ie g medische wetenscha ppe n
H exploratie en explo itatie va n de materie en de r uimte h landbou wwetenscha ppen
I teleco mmu nicatie- en infor matiesyste me n i socia le wetens chappen
J transportsyste me n