Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
21 501-20 Europese Raad
Nr. 481 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 15 juli 2010
De vaste commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor
Buitenlandse Zaken2 hebben op 16 juni 2010 overleg gevoerd met
minister-president, minister Balkenende van Algemene Zaken over:
– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 juni
2010 houdende het verslag van de Raad Algemene Zaken van
14 juni 2010 (21 501-02, nr. 974);
– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 juni
2010 houdende het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken
(inclusief Ontwikkelingssamenwerking) van 14 juni 2010
(21 501-02, nr. 975);
– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 11 juni
2010 over de geannoteerde agenda van de Europese Raad van
17 juni te Brussel (21 501-20, nr. 474);
– de brief van de vaste commissie voor Europese Zaken d.d.
20 mei 2010 met het standpunt van de regering inzake de
mogelijkheid van de inzet van structuur- en cohesiefondsen als
stimulerend en/of disciplinerend middel (2010D23498).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk
verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Van Bommel
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
Ormel
De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Nijssen
kst-21501-20-481
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 1
Voorzitter: Van Bommel
Griffier: Nijssen
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten:Ormel, Peters, Ten Broeke,
Van Bommel, Van Dam, Van der Ham en Wiegman-van Meppelen
Scheppink,
en minister Balkenende van Algemene Zaken, die vergezeld is van enkele
ambtenaren van zijn ministerie.
De voorzitter: Ik heet de minister-president, zijn staf en de leden van de
Kamer welkom.
De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Dit is een bijzonder moment voor een
algemeen overleg, waarbij echter één ding zeker is: al maakt Nederland
een pas op de plaats, Europa gaat door. Tijdens de Europese Raad zal het
rapport van de reflectiegroep onder leiding van oud-premier González van
Spanje in ontvangst worden genomen. In dit rapport wordt duidelijk
gemaakt dat Europa, als het er niet in slaagt een verstrekkende hervor-
mingsagenda door te voeren, dreigt af te glijden naar een irrelevante
positie in de wereld. Dit zou ook voor Nederland kunnen gelden. De
CDA-fractie is van mening dat het geen Nederlands belang is als Europa
afglijdt naar een irrelevante positie in de wereld en dat voortgang van
Europese samenwerking noodzakelijk is op terreinen waarop wij als
afzonderlijk land nauwelijks een rol van betekenis kunnen spelen. Het is
dus van belang dat Nederland een actieve rol op zich neemt in het
Europese krachtenveld. De CDA-fractie heeft grote waardering voor de
actieve wijze waarop de Nederlandse regering zich heeft ingezet en zich
ook vandaag nog inzet in Europees verband. Te denken valt aan het
klimaatinitiatief van destijds van Balkenende en Blair en aan de actieve
houding tijdens de financiële crisis. Het is ook van groot belang dat de
ontwikkelingen rond een gezamenlijke diplomatieke dienst en een
gezamenlijk asiel- en immigratiebeleid zullen doorgaan. Kan de minister-
president aangeven wat de voortgang is ten aanzien van de EDEO? Klopt
het bericht dat de Hoge Vertegenwoordiger Ashton vandaag wellicht een
overeenkomst kan bereiken of is dat onzeker, zoals in de laatste berichten
wordt gemeld? Waar zit het dan op vast? Kan de minister-president daar
een voortgangsrapportage over geven?
De CDA-fractie is voorstander van versterking van zowel de preventieve
als de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact. Kan de minister-
president aangeven wat precies de inzet van de Nederlandse regering is?
Is het mogelijk een meerderheid te krijgen voor het standpunt om, naast
het opschorten van de cohesiefondsen, de opschorting van structuur-
fondsen als
sanctiemogelijkheid in te stellen? Hoe zit het met het eventueel selectief
gedeeltelijk of geheel ontnemen van stemrecht aan lidstaten die niet
voldoen aan het Stabiliteits- en Groeipact? Kan de minister-president
aangeven of er ook besluitvorming te verwachten is ten aanzien van het
instellen van een bankenbelasting en of er op de komende G20 een
gezamenlijke EU-positie is? Wij benadrukken wel het belang van een
mondiaal level playing field. Bovendien moeten wij oppassen voor
stapelingseffecten. Wij hebben Basel III, waarbij hoge eisen worden
gesteld aan de kapitaalvereisten van banken. Als daar een bankenbe-
lasting bovenop komt, heeft dat ook gevolgen voor het Europese
bankenstelsel. Op dit punt verneem ik graag een reactie van de minister-
president.
Ten aanzien van Iran is de CDA-fractie van mening dat de Europese Unie
de VN-Veiligheidsraadsresolutie van 9 juni zo snel mogelijk dient te
implementeren. Kan de minister-president aangeven of het mogelijk is om
tijdens de Raad aanvullende sanctiemaatregelen te concluderen? Zo nee,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 2
waar liggen de moeilijkheden? Betreft het alleen Zweden of gaat het om
meerdere landen? Wij zijn van mening dat er nu echt, ook op deze top,
aanvullende maatregelen genomen moeten worden.
Dan kom ik bij IJsland. Kan de minister-president aangeven op welke wijze
garanties ten aanzien van IJsland bij het nakomen van verplichtingen in
relatie tot Icesave gekoppeld zijn aan de toetredingsonderhandelingen? In
het verslag van de Raad, dat ons vanmorgen bereikte, staat het oordeel
van de ESA dat IJsland in strijd heeft gehandeld met de ook voor de
Europese Economische Ruimte geldende Europese richtlijn hierover.
Wordt dat ook als zodanig op de top gezegd? Is, met andere woorden,
conceptconclusie 25 voor Nederland voldoende hard of gaat de minister-
president tijdens deze top proberen daar nog wat aan toe te voegen?
Conform eerder gemaakte afspraken rondom de Stabilisatie- en Associa-
tieovereenkomst met Servië is de CDA-fractie tevreden dat er wederom
een positief rapport van de heer Brammertz is verschenen. Wij steunen de
inzet van de Nederlandse regering op dit punt.
Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Voorzitter. Wij staan aan de vooravond van een belangrijke Europese Raad
en ik ben ontzettend blij dat een ervaren minister-president namens
Nederland erheen gaat om de Nederlandse inbreng naar voren te
brengen.
Ik heb een aantal aandachtspunten en kritische opmerkingen bij de
geagendeerde onderwerpen. Het eerste punt betreft IJsland en Servië.
Beide landen willen toetreden tot de Europese Unie. Het zijn zeer
verschillende landen, ook als het gaat om de mate waarin ze al klaar zijn
om tot de Europese Unie te worden toegelaten. Bij beide landen zijn er
cruciale zaken die om aandacht vragen. In het geval van IJsland betreft
het de financiële overeenkomst naar aanleiding van Icesave. Bij Servië
gaat het om de medewerking met het tribunaal en de uitlevering van
Mladic.
Om met Servië te beginnen: een voorwaarde voor verdere stappen in het
toetredingsproces was goede samenwerking met het Joegoslavië-
tribunaal. Uit het rapport van Brammertz is gebleken dat die samen-
werking nu een voldoende krijgt. Om die reden kan de ChristenUnie
instemmen met het formaliseren van de SAO en kan het Nederlandse veto
daarop dus worden opgeheven. Dit akkoord is echter nog niet hetzelfde
als instemming met toetreden. Het is een stap in een heel proces.
Volgende stappen in het proces van toetreding worden wat mijn fractie
betreft daarom net zo nauwlettend gevolgd en eveneens gekoppeld aan
medewerking met het tribunaal, want Mladic is immers nog steeds niet
uitgeleverd.
Ten aanzien van IJsland was de voorwaarde voor toetreding, wat
Nederland betreft, het uitvoeren van het akkoord over het Icesave-geld. In
hoeverre geven de conceptconclusies daar nu uitvoering aan? Hoe stevig
zijn die conclusies? Is het financiële akkoord onderdeel van het pakket
waaraan voldaan moet worden?
Dan kom ik bij de financiële situatie en de rapportage van Van Rompuy.
Versterking van het Stabilisatie- en Groeipact heeft de hartelijke
instemming van de ChristenUnie als het gaat om preventieve maatregelen
evenals sanctionerende en correctieve maatregelen, maar wij hebben wel
een paar vragen over de maatregelen die voorgesteld worden. Allereerst
als het gaat om het toezenden van de nationale begroting naar de
Europese Commissie. Hoe ziet dat proces er precies uit? Mijn fractie vindt
de voorgestelde volgorde, waarbij de begroting eerst naar de Europese
Commissie wordt gestuurd en dan pas naar de parlementen niet de juiste.
Volgens de conclusie wordt er rekening gehouden met nationale
begrotingsprocedures, maar wat houdt dat in? Wat de ChristenUnie
betreft wordt de begroting op zijn minst gelijktijdig naar de Commissie en
de nationale parlementen gestuurd en vindt er vanuit de Commissie geen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 3
inmenging met nationale begrotingen plaats. Adviseren mag, maar
besluiten over begrotingen dienen nationaal genomen te blijven worden.
Ik vraag de minister-president om ons van zijn inzet op dit punt te
verzekeren.
Wat ons betreft is het voorstel van Frankrijk en Duitsland voor het
ontnemen van stemrecht in de Raad een goed dwangmiddel om landen
eraan te houden goede begrotingen in te dienen. Hoe beoordeelt de
Nederlandse regering dit voorstel? Stapsgewijze sancties, in te zetten
vanaf een vroeg moment, worden voorgesteld, dus nog voordat het cijfer
van een 3%-begrotingstekort in beeld komt. Het is terecht dat er vroeg-
tijdig gewaarschuwd wordt, maar als de norm niet wordt overschreden
zijn sancties niet aan de orde. Wanneer is bovendien het moment dan
daar om te beginnen met sanctioneren? Ik verneem graag een reactie op
dit punt.
Naast het versterken van het SGP is, volgens de geannoteerde agenda,
beter inzicht nodig in macro-economische onevenwichtigheden. Er wordt
gezegd dat vergroting van het moreel risico voorkomen moet worden. Dat
is inderdaad wat wij nodig hebben: een sterkere morele agenda. De vraag
is hoe die moraal goed kan worden geborgd, waarbij wij ons niet
beperken tot een paar technische maatregelen.
Mijn volgende punt is de EU 2020-strategie, beter gezegd: de armoede-
strategie. De ChristenUnie is er nog steeds niet gelukkig mee dat de
Europese Unie hierover gaat. Mijn vraag daarbij is: legt Nederland zich nu
stilzwijgend neer bij het bereikte compromis?
Dan kom ik bij het punt van het klimaat. Ik citeer uit de agenda: «Met het
oog op de internationale klimaatonderhandelingen lijkt het tactisch
onverstandig om nu unilateraal het ambitieniveau te verhogen. Dit zou
druk op onderhandelingspartners weg kunnen nemen». Mijn vraag daarbij
is: hoezo? Zo voer je toch juist de druk op bijvoorbeeld de Verenigde
Staten en andere landen op? Volgens mij moet het de Europese Unie er in
de onderhandelingen niet om gaan zo laag mogelijk uit te komen, maar
juist gezamenlijk zo hoog mogelijk. Wij moeten ervoor waken dat de
klimaatdiscussie en de discussie over reductie van emissies een heel
beperkte financiële discussie gaan worden.
Tot slot heb ik een opmerking over de millennium development goals. Het
is goed dat daar expliciet aandacht aan wordt gegeven. De bespreking van
de voortgang in de Europese Raad lijkt mijn fractie een goede zaak, met
name als het gaat om pleidooien voor een financiële inzet van 0,7%. Dat is
namelijk hard nodig. Het is wellicht een herhaling van zetten, want het
blijft natuurlijk treurig dat een aantal Europese landen nog steeds niet
voldoet aan deze norm. De inzet kan bovendien breder, niet alleen wat het
percentage betreft. Er moet ook worden bekeken welke onderwerpen per
land goed behartigd kunnen worden. Niet ieder land hoeft zich immers
met hetzelfde millenniumdoel bezig te houden. Ik vraag de minister-
president in de bespreking hieraan aandacht te schenken.
De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Ik begin met de EU 2020-strategie.
De kerndoelen zijn nu formeel vastgesteld en daar zitten helaas nog
steeds onderwijs en sociale inclusie bij. Dat laatste vinden wij geen goed
idee om precies de reden die de heer Ormel zojuist noemde. Als je wilt
voorkomen dat Europa irrelevant wordt, zul je moeten doen waar Europa
goed in is. Europa is heel goed in het aaneensluiten van markten, het
openen van markten en het openen van de vier vrijheden, maar Europa is
heel slecht in het herverdelen van de ongelijkheden. Precies dat gebeurt in
dit geval weer. Ik waarschuw nu alvast dat daarbij teleurstelling op de loer
ligt.
Dan kom ik bij de tussenrapportage van de Van Rompuy Groep. Eindelijk
zien wij daar iets uitkomen. Ik wil in navolging van mevrouw Wiegman
even mijn vinger opheffen wat betreft het toezenden van ontwerpbegro-
tingen aan de Europese Commissie. Het budgetrecht is een kernrecht van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 4
het parlement. Ik wil absoluut zeker zijn dat het budgetrecht op geen
enkele wijze wordt ingeperkt door de voorgestelde procedure. Ik ga er ook
van uit dat de premier die inzet kiest. Ik kan mij voorstellen dat landen die
zich op een gegeven moment niet aan de spelregels houden of die niet op
overtuigende wijze kunnen aantonen dat zij weer terug kunnen keren op
de paden die het Stabiliteits- en Groeipact voorschrijft, een andere
behandeling krijgen dan de landen die dat wel kunnen doen. Dat is nu
eenmaal de prijs die je betaalt als je lid wilt zijn van de elitegroep die de
eurogroep is. Er worden een aantal andere suggesties gedaan die ik wel
goed vind, al hangt het allemaal van de uiteindelijke invulling af. Wat
sancties betreft: ja graag! Die hadden we overigens al en konden we al
treffen, maar er werd geen gebruik van gemaakt. Ik zie tot mijn grote
geluk – ik wil de premier daarmee complimenteren – dat hij behalve die
cohesiefondsen nu ook de structuurfondsen, waar wij het afgelopen half
jaar uitgebreid aandacht voor hebben gevraagd, in de Nederlandse inzet
heeft overgenomen. Ook ik ben geïnteresseerd in het antwoord op de
vraag of de heer Van Rompuy daar oren naar heeft. Het ziet er niet naar
uit.
Mijn volgende punt zijn de tête-à-têtes tussen Berlijn en Parijs. Die kunnen
wij natuurlijk niet voorkomen en ik vind het ook heel normaal dat die
plaatsvinden. Die ontmoetingen moeten echter geen informele structuur
krijgen. Net nu we «Lissabon» hebben afgesproken en akkoord zijn
gegaan met een voorzitter van de Europese Raad, kan het niet zo zijn dat
er weer een nieuwe structuur wordt opgetuigd, waarbij het er niet toe
doet of die dan «Wirtschaftsregierung», «economic government» of
«gouvernement économique» heet. Mij, en de premier volgens mij ook
niet, bevalt geen van de drie situaties. Ik ga er dus van uit dat de premier
op dat punt zijn poot stijf houdt.
Dan het punt van de regulering van financiële diensten en een Europese
bankenbelasting. De minister-president kent onze opstelling: als die er al
komt, zou die in ieder geval moeten gelden voor de hele Europese
Economische Ruimte. Anders kunnen zich in Liechtenstein of IJsland
straks weer banken vestigen die een ander regime krijgen. Er moet dus
een level playing field zijn, wat mij betreft liever in G20-verband. Dit punt
staat ook op de agenda van de G20. Bovendien waarschuw ik voor het
gevaar van een stapeling van kosten, juist nu het probleem van de grote
banken de kredietverlening naar het midden- en kleinbedrijf is. Wij
hebben Basel III en wij hebben nu ook een aanpassing van het deposi-
togarantiestelsel, waarbij op basis van de risicoprofielen van banken
vooraf premie moet worden betaald. Als daar nog een bankenbelasting
bovenop komt, moet je vervolgens niet gek staan te kijken als de
kredietverlening zo mogelijk nog moeizamer wordt. Juist dat moeten wij
niet hebben.
Wat betreft de toetreding van IJsland: conclusie 25 zou helderheid
daarover moeten bieden. Daarin is sprake van «existing obligations». Het
is dus nu al zover dat wij bestaande verplichtingen expliciet moeten gaan
noemen. Het lijkt mij niet dat, als ze in het vervolg niet meer genoemd
worden in de conclusies, je er dan van ontslagen bent. Wat voegt het toe
dat ze worden genoemd? Welke zekerheid hebben we dat we die
overeenkomst met IJsland ook daadwerkelijk krijgen? Ik zou de regering
op zijn minst willen vragen geen enkel hoofdstuk te openen dan wel te
sluiten voordat de leenovereenkomst met IJsland is getekend.
Dan kom ik bij mijn laatste punt. Afgelopen maandag is tussen neus en
lippen door Servië behandeld. Ik kan niet constateren dat Mladic «on the
plane» zit, maar ik constateer wel dat Servië in een leunstoel zit. Ik heb
aan de hand van het verslag van de openbaar aanklager Brammertz niet
kunnen constateren dat er iets wezenlijks is veranderd. Wellicht kan de
premier mij overtuigen dat dit wel het geval is. In ieder geval ben ik niet
gelukkig met de stap die Nederland heeft gezet.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 5
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik begin met IJsland. Wat mijn
fractie betreft is er begrip voor het standpunt van de regering dat
Nederland in dit stadium geen veto wil uitspreken over het opstarten van
de onderhandelingen. Het moet echter wel volstrekt helder zijn dat
IJsland, als het ooit lid wil worden van de EU, de Icesave-kwestie op een
nette manier moet oplossen. Mag ik ervan uitgaan dat Nederland en het
Verenigd Koninkrijk in dat opzicht volstrekt op één lijn zitten en ook samen
optrekken? Wat de Raadsconclusies betreft: de heer Ten Broeke zei er
daarnet al wat van. Raadsconclusie 25 verwijst naar de verplichtingen
zoals geïdentificeerd door de EFTA Surveillance Authority. Is volstrekt
duidelijk dat daarmee bijvoorbeeld ook de conclusie van 26 mei van deze
autoriteit wordt bedoeld? Daarin staat vermeld dat IJsland verplicht is de
garantie van € 20 000 per spaarder bij Icesave alsnog uit te betalen,
waarmee de argumenten die IJsland gebruikte om daar niet aan te
voldoen, ongeldig waren. Is er, volgens de regering, binnen de EU
overeenstemming over het feit dat IJsland aan deze voorwaarde moet
voldoen, voordat het ooit lid kan worden van de EU? Voor alle duide-
lijkheid: die stelligheid is er bij mijn fractie en ik hoorde haar ook bij
andere fracties. Het zou goed zijn als de regering in de Europese Raad die
duidelijkheid ook uitspreekt.
Dan kom ik bij de tussenrapportage van de Van Rompuy Groep. Voor
zover wij iets van die rapportage hebben kunnen meekrijgen, geven de
bijbehorende Raadsconclusies de denkrichting aan die op zich goed is,
maar waarbij heel veel zal afhangen van de precieze uitwerking. De vraag
bijvoorbeeld op welke manier toezicht op de begrotingsdiscipline vorm
gaat krijgen, is een heel relevante. Er moet weliswaar sprake zijn van een
heel duidelijk controlemechanisme en van duidelijke afspraken over
omvang van tekorten en staatsschuld en over de versterking van de
economische structuur, maar er mag niet worden ingegrepen in onze
nationale soevereiniteit om zelf de begroting in te vullen. Het controleme-
chanisme mag dus best gaan over de omvang van de begroting en over
het pad waarop naar tekortreductie wordt toegewerkt, maar het mag niet
gaan over de inhoud van de begroting. Ik hoor daar graag meer over van
de regering. Wat dat betreft is ook aandacht nodig voor het sanctiemecha-
nisme. Dat moet wel enige substantie hebben. Het is goed als de regering
zegt dat in de eerste plaats de structuurfondsen betrokken moeten worden
en een sanctiemogelijkheid zouden moeten zijn. Wat mijn fractie betreft
mogen ook de overige landbouwsubsidies die daar niet onder vallen,
onder dat sanctiemechanisme vallen. Wat bedoelt de regering met «in de
eerste plaats de structuurfondsen»? Welke mogelijkheden ziet de regering
dan verder nog om tijdens de Europese Raad in te brengen? Als ze spreekt
over «in de eerste plaats″, heeft ze dus nog andere sanctiemogelijkheden
ter beschikking.
Ik wil van de regering weten hoe ze denkt over de suggestie van de
Europese denktank Bruegel: geef landen de mogelijkheid hun staatschuld
binnen de grenzen van het stabiliteitspact te financieren met goedkope
obligaties; als ze daar dan overheen gaan moeten zij hun schuld finan-
cieren met nationale obligaties die dan dus ook een stuk duurder zijn. Dan
heb je een prikkel en een sanctie in één. In de Raadsconclusies wordt ook
gesproken over volledige onafhankelijkheid van de statistische bureaus.
Wat betekent volledige onafhankelijkheid, aangezien er bijvoorbeeld ook
in onze situatie geen sprake is van financiële onafhankelijkheid? Heeft een
dergelijke conclusie dus consequenties voor de manier waarop wij een en
ander hebben georganiseerd?
Dan kom ik bij de financiële markten. Het is uiteraard goed als er tempo
wordt gemaakt met bijvoorbeeld de European Supervisory Authority en
de European Systemic Risk Board. Het is goed dat de Raad de conclusie
wil aannemen dat ook in Europa een bankenheffing zal moeten worden
ingevoerd, los van de vraag wat de G20 daarover verder bespreekt. Er
staat in de Raadsconclusies dat voorstellen in oktober moeten volgen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 6
Betekent dit dat daarmee een volledig begrotingsjaar verloren gaat?
Betekent dit dat landen weer een jaar verder zijn, voordat ze de bankenbe-
lasting kunnen invoeren?
Merkel en Sarkozy hebben gevraagd om een verbod op naked short
selling en een verbod op het gebruik van credit default swaps. Een verbod
gaat verder dan wat er in de Raadsconclusies staat. Daarin wordt namelijk
slechts gesproken over regelgeving. Ik hoor graag het standpunt van de
regering over het voorstel van Merkel en Sarkozy om deze instrumenten
daadwerkelijk te verbieden. Het voorstel wordt door mijn fractie onder-
steund.
Tot slot het onderwerp Iran. De Raad zal spreken over eventueel aanvul-
lende sancties bovenop de sancties die door de VN-Veiligheidsraad zijn
ingesteld. Welke noodzaak is er om te werken aan aanvullende sancties
ten aanzien van het nucleaire dossier? Bij het nucleaire dossier is er net
met veel moeite internationale consensus bereikt en in de Veiligheidsraad
is met veel moeite een sanctiepakket aangenomen. Wat is het effect als de
EU nu kiest voor een alleingang en bovenop het sanctiepakket van de
Veiligheidsraad nog zou kiezen voor eigen scherpere sancties? Wat is
bijvoorbeeld de reactie van Rusland en China? Wij hebben allemaal gezien
hoe de Chinezen onlangs reageerden toen de Iraniërs hen beschuldigend
toespraken over het sanctiepakket dat al in de Veiligheidsraad is aange-
nomen. Welke reactie verwacht de regering als de EU voor een alleingang
zou kiezen?
De heer Ten Broeke (VVD): Ik heb nog een vraag over een van de
aanbevelingen van de Van Rompuy Groep. De heer Van Dam zei daar iets
interessants over: wat ons betreft mag er wel gesproken of geadviseerd
worden over de hoogte van de begroting. Laten wij ons nu eens
voorstellen dat wij een begrotingsvoorbereiding hadden gehad. Stel dat
die begroting er uit zou hebben gezien zoals de Partij van de Arbeid wil.
Dan hadden wij een bezuinigingsbedrag ingevuld dat volstrekt onvol-
doende zou zijn geweest om terug te keren in de verantwoorde kaders van
het Groei- en Stabiliteitspact. Ik denk dat de Europese Commissie die
begroting zou hebben afgekeurd. Vindt de heer Van Dam dat een
acceptabele beperking van zijn soevereine rechten als parlementariër?
De heer Van Dam (PvdA): Ik dacht dat de campagne voorbij was, maar
wij gaan lekker door. Ik vind het prima! In de plannen zoals die in ons
verkiezingsprogramma stonden – dat weet de heer Ten Broeke heel goed,
want hij heeft ze heel goed bestudeerd – zouden wij binnen de grenzen
van het Stabiliteitspact uitkomen, precies zoals dat ook verwacht mag
worden. Sterker nog: Nederland zou zelfs zonder aanvullende maatre-
gelen binnen de 3%-grens uitkomen. Dat weten wij overigens allemaal.
Met de aanvullende maatregelen die ook in ons programma zijn
opgenomen halen wij dat ruimschoots. Ik verwacht ook van andere
Europese landen dat zij weer tijdig binnen de grenzen van het Stabili-
teitspact uitkomen.
Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Ik begin met de tussenrap-
portage van de Van Rompuy Groep. De achilleshiel van Europa lijkt niet
zozeer het vermogen te zijn om met goede voorstellen te komen en de
problemen te analyseren, te evalueren en onderling te bespreken, als wel
om vervolgens knopen door te hakken en haast te maken. Het is bekend
welke maatregelen voor de hand liggen: betere statistieken, regels voor
de begrotingssystematiek, handhaving, slimme sancties die automatisch
in werking treden en niet politiek afhankelijk zijn. Zijn er obstakels om snel
tot dit soort maatregelen over te gaan? Of kan het nu inderdaad snel en zo
ja, hoe? Discussie in de Van Rompuy Groep lijkt ons echt nodig over het
derde punt, namelijk hoe je tot minder onevenwichtigheden tussen de
noordelijke en zuidelijke landen kunt komen. Voor ons staat het als een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 7
paal boven water dat je met een euro niet alleen financieel-economisch
moet samenwerken, maar ook sociaal-economisch. Echt teleurstellend zijn
ook de vorderingen wat betreft het financiële toezicht en de regelgeving
daarvoor. Wij zijn al weer een jaar verder sinds het rapport van De
Larosière verscheen. Er wordt veel gepraat en er worden weinig knopen
doorgehakt. Wanneer gaat het er wél van komen? Wij steunen de
voorstellen van Sarkozy en Merkel op het gebied van de derivaten. Het is
toch wel erg cru dat de banken nu weer lijken te hebben geprofiteerd van
het noodpakket van de EU, doordat zij de obligaties flink hebben
gedumpt. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest. Alle mooie beloftes van
de banken op dit gebied bleken niets waard. Het is echt tijd voor maatre-
gelen tegen de banken. Wat vindt de regering van het voorstel van Merkel
en Sarkozy om eventueel het stemrecht op te schorten van landen die het
Stabiliteits- en Groeipact schenden? Hoe staat het bovendien met de
bankentaks? In de G20 lijkt die te zijn gesneuveld, maar op EU-niveau
lijken er nog goede kansen op overeenstemming te zijn. Het lijkt ons heel
grote winst als Europa dat in ieder geval voor elkaar krijgt. De banken
hebben een sterke prikkel nodig om een deel van de kosten terug te
betalen en de functies van retailbanken enerzijds en investerings- en
zakenbanken anderzijds te scheiden. Het Europees Parlement is er
bovendien voorstander van dat Europese toezichthouders de
bevoegdheid krijgen om op de financiële markten geschillen tussen
nationale toezichthouders te beslechten. Hoe staat de regering tegenover
dit voorstel? De Raad lijkt namelijk nog niet zo ver te willen gaan.
Mijn volgende punt betreft klimaatverandering. Helaas is dit ook een
voorbeeld van heel veel praten door Europa en tot weinig actie in staat
blijken te zijn. Kopenhagen mislukte voor Europa, onder andere omdat wij
27 van de 28 dagen met elkaar zaten te vergaderen en pas op de 28ste dag
onze neus buiten de deur staken. Toen bleken China en Amerika al een
eind onderweg te zijn met de onderhandelingen. Staat dat nu ook weer te
gebeuren? De Europese Commissie durft nog niet te kiezen voor een
30%-emissiereductie en zal er nog een werkgroep op los laten die pas in
oktober zal rapporteren, terwijl dan de klimaattop van eind november in
Cancún al voor de deur staat! Dan begaat de Europese Unie met open
ogen dezelfde fout die tot de mislukking van Kopenhagen leidde. Kan dat
niet wat sneller? Waarom wordt er – onze fractie pleit daarvoor – nu niet
gekozen voor een emissiereductie van 30%? De Nederlandse regering is
voorzichtig, omdat het tactisch niet zo verstandig zou zijn. Wij willen daar
tegenoverstellen dat het tactisch ook niet verstandig is om zo lang te
wachten met het inzetten van een richting en het uitsteken van je nek en
om zo lang te wachten met de wereld te tonen dat Europa op dit gebied
ambities heeft.
Over IJsland kan ik kort zijn. Wij steunen de verstandige, maar harde en
stevige aanpak van de Nederlandse regering.
Ten aanzien van Iran is de Nederlandse regering er voorstander van om
alvast in EU-verband verdere sancties te ontwerpen. Is dat wel
verstandig? Wellicht frustreer je daarmee in het resterende diplomatieke
traject ten aanzien van Iran te veel de andere regionale grootmachten.
Wat Servië betreft heeft ook mijn fractie zich verbaasd over de conclusie
die maandagmiddag door de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken
naar buiten werd gebracht over de bereikte voortgang, waarbij Brammertz
stond te juichen over de manier waarop Servië medewerking verleent aan
het tribunaal. Op basis van het uitgelekte rapport van Brammertz kan ik
die conclusie eigenlijk niet verklaren. Daarin vind ik Brammertz namelijk
een stuk kritischer dan in zijn rapport aan de Veiligheidsraad van een half
jaar geleden. Hij zegt dat Servië op een dood spoor zit qua opsporings-
technieken en dat Servië meer moet investeren in opsporingseenheden.
Ook zegt hij dat Servië tot afgelopen mei – het tribunaal bestaat al
zeventien jaar – gewacht heeft met het overhandigen van de dagboeken
van Mladic, die ontzettend veel belangrijk bewijs bleken te bevatten. Wij
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 8
zijn bang dat je, door nu over te gaan tot ratificatie van de Stabilisatie- en
Associatieovereenkomst, een belangrijke stok achter de deur verliest om
Mladic naar Den Haag te brengen, waar het tribunaal al bezig is zijn
deuren te sluiten. Wij zouden het op prijs stellen om, als het akkoord ter
ratificatie aan de Kamer wordt aangeboden, verslag te krijgen van de
wijze waarop de Servische autoriteiten opvolging geven aan de nu toch
wat strenge aanbevelingen van Brammertz. Graag een reactie van de
minister-president hierop.
Dan kom ik ten slotte bij BP. Dit punt staat niet op de agenda. Is er voor de
minister-president een mogelijkheid om in de marge of in de rondvraag
van de bijeenkomst het punt van olieboringen op de Noordzee aan te
roeren? Wij zien welke ramp zich nu in de Golf van Mexico voltrekt, terwijl
ook in de Noordzee veel diepzeeboringen met verouderde installaties
plaatsvinden. De meeste daarvan zijn ouder dan zeventien jaar. Daarvan
zijn er honderden. Het schijnt dat men daar dezelfde risico’s als in de Golf
van Mexico loopt. Het is tijd dat de Commissie kijkt of de normen die wij
hanteren voor diepzeeboringen nog wel voldoen aan de nieuwste stand
van de techniek of dat zij wellicht aan herziening toe zijn.
De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Een van de problemen binnen
Europa is, behalve het punt dat mevrouw Peters al maakte, dat Europa
slecht in staat is de eigen normen goed te handhaven. Het nakomen van
de eigen regels is echter van groot belang voor de geloofwaardigheid van
de Europese Unie. Daarom gaat mijn eerste vraag over Servië. Wij zijn
voorstander van heldere toetredingsperspectieven voor Servië, die onder
andere door de Kopenhagencriteria worden aangegeven. Wij pleiten voor
een gezamenlijk Europees standpunt over de toetreding. Gisteren
presenteerde de heer Brammertz zijn rapport over Servië en minister
Verhagen liet op basis daarvan zijn veto tegen een Stabiliteits- en
Associatieovereenkomst met Servië varen. Wij plaatsen daar, zoals andere
fracties, grote vraagtekens bij. Hoe verhoudt dit besluit zich tot het
mandaat dat de minister van de Kamer heeft gekregen? Hoe kan de Kamer
de minister controleren zolang het rapport officieel nog geheim is? Uit de
eerste berichten blijkt namelijk dat Brammertz nog steeds behoorlijk
kritisch is over de medewerking van Servië met het tribunaal. Brammertz
wijst op het uitblijven van resultaten en roept zelfs op de strategie grondig
te herzien. Dat is diplomatieke taal voor: het zit nog lang niet goed. Op
welke grond heeft de minister nu besloten wél zijn goedkeuring te geven?
Of is hij verkeerd geciteerd en zit er ruis op de lijn? Daar krijg ik graag wat
meer informatie over. Wellicht had het een demissionair minister gepast
terughoudender te zijn in een dergelijke stap, aangezien de Kamer niet in
de gelegenheid was haar mening kenbaar te maken. Wat heeft de minister
daar eigenlijk voor teruggekregen? Zijn er nieuwe evaluatiemomenten
afgesproken? Kan het proces na een SAO tussentijds bijvoorbeeld worden
stopgezet als een volgende evaluatie opnieuw niet positief is? Hebben de
Europese ministers hierover een gezamenlijk standpunt ingenomen?
Dan heb ik een paar vragen over de reflectiegroep-González. Deze
reflectiegroep presenteerde in mei zijn eindrapport. Op 18 maart 2008
nam de Kamer een motie van D66 aan, waarin het kabinet werd verzocht
een visie op te stellen over de Europese Unie in het jaar 2030. De
afgelopen tijd heeft aangetoond dat het van belang is zo’n gezamenlijke
visie te hebben, want Nederland loopt regelmatig achter de feiten aan,
zoals bij de benoeming van een nieuwe voorzitter, bij het toezicht op de
Europese financiële markten en bij de oprichting van de Europese
diplomatieke dienst. De discussie over het nieuwe financiële kader voor
de Europese Unie komt snel dichterbij. Nu de visie van de reflectiegroep
klaar is, wil ik graag weten, wanneer wij de Nederlandse visie precies
kunnen verwachten. Kan de minister-president toezeggen dat de
uitgewerkte visie bij het aantreden van een volgend kabinet gereed is? Dat
betreft vanzelfsprekend een ambtelijke voorbereiding, want ongetwijfeld
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 9
zal er ook in de kabinetsonderhandelingen discussie over plaatsvinden.
Achter de schermen moet er wel aan doorgewerkt worden. Indien deze
visie niet gereed is bij het aantreden van een nieuw kabinet, wanneer
mogen wij die visie dan verwachten?
Dan kom ik bij het punt van Israël en Gaza. Het enteren van de humani-
taire missie door Israëlische soldaten vraagt om een internationaal en
onafhankelijk onderzoek. De minister stemde tegen ondanks zijn demissi-
onaire status. Hoe kan een minister in een zo gevoelige zaak actief stelling
nemen in plaats van een pas op de plaats te maken, zoals de demissio-
naire minister in de Belgische regering dat bijvoorbeeld heeft gedaan.
Waarom behoort Nederland tot de drie landen die tegen een internati-
onaal onderzoek hebben gestemd, terwijl 25 van de 27 Europese landen
dit niet deden? De minister is in de schriftelijke beantwoording niet
ingegaan op de stelling dat een internationaal en onafhankelijk onderzoek
de spanning in de regio beter kan adresseren dan een onderzoek van
Israël zelf. Graag verneem ik op dit punt een reactie.
Dan heb ik een paar opmerkingen over Iran. Wij zijn zeer bezorgd over de
onwil van Iran om mee te werken aan inspecties en wij zijn het met de
regering eens dat de resolutie van de Veiligheidsraad noodzakelijk was,
omdat de resolutie de route van constructieve samenwerking volledig
openlaat. In het kader van Iran hebben wij onlangs ook schriftelijke vragen
gesteld over het internationale Shelter City Initiative. De minister gaf aan
dat Nederland bereid is om een belangrijke rol te spelen bij de opvang
van mensenrechtenverdedigers. Ik dank hem daarvoor. Daarbij geeft hij
ook aan dat hij wil onderzoeken wat wij op nationaal niveau kunnen doen
om mensenrechtenverdedigers voor korte tijd op te vangen.
Tot slot nog een paar korte vragen. Het akkoord over SWIFT, dat nu is
getekend door de VS en de Europese Commissie, voldoet op een aantal
punten niet aan de eisen die gesteld zijn door het Europees Parlement.
Hoe gaat de Nederlandse regering daarmee om?
Wat Cancún betreft vind ik dat Nederland binnen de Europese Unie nu al
duidelijk moet maken wat de ambities zijn. Europa moet vooroplopen,
zodat het niet achter de feiten aanloopt zoals dat in Kopenhagen is
gebeurd.
Over BP heb ik schriftelijk gevraagd of er niet met veel meer kracht moet
worden samengewerkt, met name met het onwillige Groot-Brittannië, ten
behoeve van een gezamenlijke aanpak ten aanzien van het boren naar gas
en olie op de Noordzee. Ik vind het van groot belang dat dit punt op deze
top, wellicht in de marge, aan de orde komt. Deze kwestie bergt namelijk
een gevaar in zich.
Voorzitter: Ormel
De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik begin met de EU 2020-agenda.
Daarin wordt de nadruk gelegd op een snelle en vergaande bezuiniging. In
de EU 2020-strategie wordt tegelijkertijd gesproken over de investering in
onderwijs, onderzoek en energiebesparing. Beide zaken lijken mij haaks
op elkaar te staan. Je kunt niet komen tot een ontwikkeling op de
terreinen onderwijs, onderzoek en energiebesparing, als je tegelijkertijd
op die terreinen een bezuiniging wilt realiseren. Kan de minister-president
daarop ingaan?
Reeds door voorgaande sprekers is gesproken over de doelstelling om
armoede te verminderen. Die is afgezwakt naar een agenda over sociale
inclusie. Sommigen vrezen dat Europa irrelevant wordt als die agenda
wordt gevolgd. Ik vrees juist dat Europa irrelevant wordt voor burgers als
die agenda wordt losgelaten. Sociale inclusie is al een verbreding, zeker
als er gesproken wordt over een mogelijkheid om bij het benaderen van
die doelstelling te kiezen tussen armoede, toegang tot basisbehoeften en
het aantal huishoudens waarin mensen een baan hebben. Daarmee wordt
de agenda onoverzichtelijk en onvergelijkbaar en kunnen landen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 10
moeilijker de goede ervaringen met elkaar uitwisselen. Graag krijg ik een
reactie op die kritiek van de SP. Het lijkt ons alleszins wenselijk om vast te
houden aan een duidelijke agenda over dit onderwerp om Europa, voor
burgers althans, zo relevant mogelijk te maken.
Ten aanzien van de opmerkingen uit de Van Rompuy Groep onderschrijf ik
de visie van de VVD dat de begrotingssoevereiniteit van lidstaten centraal
moet staan. Het is aan nationale parlementen om de begrotingen vast te
stellen en het is aan lidstaten om op die terreinen voorstellen te doen.
Natuurlijk zijn er Europees afspraken gemaakt, maar soevereiniteit op dit
terrein is onomstreden wat mijn fractie betreft. Die kan dan ook niet
zomaar Europees worden verspeeld. Graag verneem ik een reactie op dit
punt. Wij zien de afspraken en de voorstellen met betrekking tot slimmere
en snellere sancties niet als strijdig met de begrotingssoevereiniteit van
de lidstaten, maar het inleveren van de begroting en kritiek daarop, of
eventueel zelfs Europese bevoegdheden daarvoor, vinden wij niet
passend. Wij zien graag nadere voorstellen met betrekking tot sancties
tegemoet. Die sancties mogen zich – ik hoorde de PvdA-fractie op dit punt
al voorstellen doen – uitstrekken tot het terrein van de landbouwsubsidies.
Daaraan wordt Europees heel veel geld uitgegeven. Het zou ons een lief
ding waard zijn als wij de landbouwsubsidies tot het beleidsterrein van
sanctie dan wel aanmoediging in Europees verband kunnen rekenen. Ik
verneem graag een reactie op dit punt.
Dan kom ik op het punt van het financieel toezicht. Ook wij zijn teleurge-
steld over het feit dat de Europese Commissie in feite buigt voor de
kennelijke druk van een aantal landen – daarbij gaat het niet om Duitsland
en Frankrijk en hopelijk ook niet Nederland – om bijvoorbeeld een verbod
op het gokken met financiële producten te bewerkstelligen. Naked short
selling evenals andere producten zijn al genoemd. Europa zou juist op dit
punt een stap voorwaarts moeten maken om te voorkomen dat wij in de
toekomst opnieuw in de problemen komen. Dat betekent dat er strengere
regels moeten komen. De dienstverlening op dit punt moet niet alleen
worden gecontroleerd maar ook aan banden worden gelegd. Daar hoort
op enig moment ook een verbod bij. Graag verneem ik een reactie maar
ook een positiebepaling van de Nederlandse regering.
Wat het klimaat betreft, streeft de Commissie nu naar een reductie van de
CO2-uitstoot van 30% in plaats van de huidige 20%. De regering heeft
daarbij onze steun. Wij zijn er geen voorstander van om deze verhoging
afhankelijk te maken van de bereidheid van andere landen om hetzelfde te
doen. Er zijn voldoende economische en geopolitieke redenen om op dit
punt voortvarend op te treden. Graag zien wij deze agenda nader
uitgewerkt.
Wat Iran betreft deel ik de opvatting van de Partij van de Arbeid dat het nu
niet het juiste moment is om verdergaande Europese maatregelen te
realiseren, omdat er in de VN overeenstemming bereikt lijkt te zijn. Wij
zijn ook niet gelukkig met de maatregelen die ophanden zijn vanuit de
Verenigde Staten om te komen tot sancties die wél de Iraanse bevolking
zouden treffen. Ik denk dan expliciet aan de benzinesancties. In dit
verband stel ik de kwestie van de beschikbaarheid van nucleair materiaal
voor de gezondheidszorg aan de orde. Geluiden die wij horen vanuit
Canada en ook uit Petten bevestigen onze opvatting dat er wel degelijk
een wereldwijd tekort aan materiaal voor gebruik in de gezondheidszorg
is. Graag verneem ik een reactie op dit punt.
Hoe zit het met de afspraken die gemaakt zijn over het terugbetalen van
schulden door IJsland? Wij pleiten voor een gelijk optrekken met het
Verenigd Koninkrijk om afspraken te maken. Hoe gaat het kabinet
voorkomen dat IJsland pas een akkoord over terugbetaling sluit, wanneer
zeker is dat IJsland kan toetreden? Dan is de stok achter de deur weg.
De stok achter de deur moeten wij ook in het geval van Servië houden.
Het rapport- Brammertz lijkt de conclusie te rechtvaardigen dat er nog
geen sprake is van volledige medewerking met het Joegoslavië-tribunaal.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 11
Hoe kunnen wij dan nu wel de stap zetten die de minister van Buiten-
landse Zaken gezet lijkt te hebben? Op dat punt krijg ik graag duide-
lijkheid.
Als laatste kom ik bij Estland en toetreding tot de eurozone. Een pas op de
plaats lijkt ons beter. Ik realiseer me dat het om een klein land gaat. Het
gaat om een land dat zich in principe kwalificeert voor toetreding tot de
eurozone. Tegelijkertijd constateren wij dat er in de eurozone een groot
probleem is. Het gaat om een probleem dat voorlopig nog niet is
opgelost. Wij worden geconfronteerd met risico’s in de eurozone die nog
niet voldoende zijn geanalyseerd en een landencrisis die nog niet tot rust
is gekomen. Het lijkt ons dan ook raadzamer om even een pas op de
plaats te maken en voor rust in de eurozone te zorgen, voordat wij nieuwe
landen laten toetreden tot de eurozone. Op dit punt verneem ik graag een
reactie.
De voorzitter: U vroeg nadrukkelijk om het inhouden van landbouwsub-
sidies als sanctiemaatregel toe te voegen. Mag ik daaruit afleiden dat de
SP-fractie op zich voor instandhouding van de landbouwsubsidies is?
De heer Van Bommel (SP): Die vraag had u ook kunnen stellen ten
aanzien van de cohesie- en structuurfondsen. De SP-fractie is primair voor
een herziening van het fondsenbeleid van de Europese Unie. Dat raakt
zowel aan de landbouwfondsen als aan de structuur- en cohesiefondsen.
U hebt gelijk dat, als je zegt dat de landbouwfondsen tot het sanctie-
regime moeten gaan behoren, er iets overeind moet blijven van de
landbouwsubsidies. U moet dat wel zien in de volgorde zoals ik die zojuist
schetste. Onze eerste voorkeur is herziening van het beleid met betrekking
tot de fondsen, namelijk landbouwfondsen en structuur- en cohesie-
fondsen, maar ik ga ervan uit dat die niet volledig zullen opdrogen. Zo
realistisch ben ik ook wel. Ik vind dat beide fondsen onderdeel moeten
worden van de sanctiemogelijkheden. Dat is de volgorde der dingen.
Voorzitter: Van Bommel
Minister Balkenende: Voorzitter. Ik dank alle woordvoerders, die in hoog
tempo een spervuur aan vragen hebben gesteld. Ik heb hier een hele
stapel papier liggen. Wij kunnen twee dingen gaan doen: ik kan het
allemaal gaan voorlezen of ik kan wat meer spontaan reageren. Ik kies
voor het laatste. Op resterende vragen kom ik in de tweede termijn terug.
Er werden een aantal opmerkingen in algemene zin gemaakt, die nuttig
zijn voor onze inbreng morgen, maar ook voor de G20 volgende week.
Volgende week hebben wij bovendien een plenair debat over de Europese
Raad. Dan kunnen wij de discussie hernemen, ook wat de G20 betreft.
Onder anderen de heer Ormel refereerde aan de reflectiegroep-González
en wees daarbij op de noodzaak van een hervormingsagenda in Europa.
Dat onderschrijven wij. Het algemene beeld is dat wij daarmee te maken
krijgen. Ik wijs op een interessante beschouwing die de heer Ruding
vorige week op de Radboud Universiteit heeft gegeven, die ik de Kamer
ter lezing aanbeveel. Het is een uitstekend verhaal, waarin de vraag
centraal staat hoe ver het nu met Europa is gekomen. Wat is er misgegaan
en wat zijn de antwoorden die je daaraan kunt verbinden? Een van de
onderdelen behandelt de vraag wat lidstaten in het verleden gedaan
hebben om zaken op orde te krijgen. In Griekenland en andere landen zien
wij in feite tekortschietend beleid. Voor een deel heeft het te maken met
statistieken – mevrouw Peters heeft daar terecht op gewezen – maar het is
meer dan dat. Het is ook falend beleid. Men heeft onvoldoende beleids-
stappen gezet. De constatering dat het hervormingsbeleid ontzettend
belangrijk is, is van grote betekenis. Dit beleid zal moeten verbinden. Wie
zich daar niet aan houdt, krijgt problemen op de langere termijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 12
Dan kom ik bij het punt van de heer Van der Ham. Ik heb vaak gesproken
over wat de visie van het Nederlandse kabinet is. Wij zijn demissionair en
dit raakt een nieuw kabinet. Ik zeg toe dat ik dit punt onder de aandacht zal
brengen van de informateur. Het lijkt mij de vrucht van dit overleg dat het
in ieder geval is gemarkeerd. Ik ben het met de heer Van der Ham eens dat
het een belangrijk punt is dat ook de visie van een toekomstig kabinet
raakt.
Het andere punt van de heer Ormel in dit kader is de rol van Nederland in
het Europese krachtenveld. Hij heeft er een aantal aardige opmerkingen
over gemaakt. Ik ben met hem van oordeel dat het de komende jaren
ontzettend belangrijk is hoe je je positioneert op al die verschillende
terreinen. Of het nu gaat om het hervormingsbeleid in Europa of de
werking van het Stabiliteitspact, de positie ten aanzien van de millennium-
ontwikkelingsdoelen of het klimaat: van Nederland mag zoals altijd een
actieve rol worden gevraagd. Dat onderstreep ik nogmaals.
Ik merk dat de discussie in Europa over het Groei- en Stabiliteitspact
duidelijk aan het verschuiven is. Onder anderen de heer Ten Broeke heeft
een opmerking over het sanctieregime gemaakt. Daarin kwam naar voren
dat het niet alleen moet gaan over het cohesiefonds maar ook over de
structuurfondsen. Het is van enorme betekenis dat in Europa nu eindelijk
conclusies worden getrokken ten aanzien van de vraag waarom het is
misgegaan en wat er verbeterd moet worden. Mevrouw Peters gaf er een
korte opsomming van. Het begint met het hanteren van de juiste
statistieken. Dat raakt bijvoorbeeld aan de bevoegdheden van Eurostat. Je
moet weten wat er in landen gebeurt. Eurostat zal bevoegdheden moeten
hebben om achter de cijfers te duiken. Wat er in Griekenland is gebeurd
zal echt een les moeten zijn. Verder gaat het om de begrotingsregels en de
sancties die kunnen worden gehanteerd. Er zijn nog meer dingen te
noemen, zoals de nationale soevereiniteit in samenhang met het
begrotingsbeleid. De benadering van de heer Ten Broeke sprak mij wel
aan. In principe is het een nationale bevoegdheid, maar je moet er voor
uitkijken dat daar te snel in wordt getreden. Ik heb eerder het volgende
voorbeeld genoemd. Toen de crisis uitbrak, eiste de Europese Commissie
ineens van ons dat wij 1,5% aan stimuleringsmaatregelen moesten
besteden. Ik heb steeds gezegd dat ik dat een onzinnige eis vind, omdat
de situatie per land verschilt. De werkloosheid verschilt per land, het
inflatieniveau verschilt per land en de financiële sector verschilt per land.
Je moet daarin dus ook een zekere flexibiliteit hebben. Stel dat in het
genoemde voorbeeld in de nationale soevereiniteit zou zijn getreden, dan
zou Europa te ver kunnen gaan. Ik vind wel dat die algemene redenering
een stevige voetnoot behoeft, namelijk ten aanzien van die landen die er
een potje van maken. Dat is de les die wij kunnen trekken uit de affaire
Griekenland. In het verleden zijn er dingen misgelopen. Als een land zelf
te weinig doet aan budgettaire discipline en te weinig wil doen aan
hervormingsbeleid waardoor het land risico’s op gaat leveren – zie wat er
gebeurt met de euro – moet je waarschuwingen kunnen geven. Het
kabinet is demissionair, dus ik ben mij bewust van mijn rol, maar ik vind
wel dat de algemene lijn nationale soevereiniteit moet zijn. Bij landen die
in de gevarenzone zitten mag je best even bekijken hoe het ermee zit om
erger te voorkomen. Ik heb liever dat je in het voortraject al weet wat er
gebeurt, zodat je nog tijdig signalen kunt afgeven, dan dat je zaken op hun
beloop laat om vervolgens in het sanctiemechanisme terecht te komen. Ik
ben benieuwd hoe deze commissie daar zelf over denkt en spreekt. Zelf
zou ik graag willen dat ten aanzien van de landen die problemen
veroorzaken een instrumentarium wordt gehanteerd. Als je dat niet
gezamenlijk doet, kom je jezelf tegen en is de schade waarschijnlijk veel
groter.
Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Op zich
volg en steun ik zeker de algemene lijn van de minister-president. Ik heb
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 13
er een probleem mee dat, als ik de geannoteerde agenda lees, er al heel
concrete voorstellen liggen, bijvoorbeeld wat de volgorde betreft. Eerst
zou de begroting naar de Europese Commissie moeten gaan, daarna naar
het nationale parlement. De Nederlandse regering moet echter een heel
stevige inzet plegen en zeggen: nee, niet deze volgorde! Aangezien het
concrete voorstellen betreft, wil ik dat de minister-president daar heel
concreet op ingaat en zegt wat wel en wat niet kan. Ik vind het lastig dat
de bal nu weer terug wordt gelegd. Uit mijn bijdrage is helder gebleken
wat wij niet willen en dit wordt ook de insteek als de concrete maatre-
gelen besproken worden.
Minister Balkenende: Wij bevinden ons nu nog in een fase waarin alles
in ogenschouw wordt genomen. Wat zijn de mogelijkheden? Wij hebben
gesproken over de bevoegdheden van Eurostat, over de nationale
begrotingsregels, over het informeren van de Commissie en over
sancties. Alles is nog in beweging. De Van Rompuy Groep is daar ook bij
betrokken. Dat is immers een van de taken van dit orgaan. Aangezien je
kenbaar moet maken wat landen doen, heb ik er niet zoveel moeite mee
dat ook de Commissie op de hoogte wordt gesteld. Dat heeft gewoon te
maken met de informatie die je op een gegeven moment moet geven. In
Nederland gaat het als volgt: in maart en april praten wij al over het
begrotingskader voor het jaar daarop. Dan wordt de Kamer nog helemaal
niet ingelicht. Dat gebeurt pas bij de presentatie van de begrotings-
stukken. In het voorjaar wordt er over het uitgavenkader gesproken en het
lastenbeeld komt in augustus aan de orde. Dat is de reguliere methode.
Het resultaat wordt op Prinsjesdag gepresenteerd. Als de eis zou worden
gesteld dat er niets naar de Europese Commissie mag, omdat het nog in
de vertrouwelijke sfeer zit en met globale voornemens te maken heeft,
moeten wij het hele begrotingsproces in Nederland anders gaan
organiseren. Dit betekent dat wij de voornemens die wij pas op Prins-
jesdag presenteren, in het voorjaar al kenbaar zouden moeten maken aan
de Kamer. Dat kan natuurlijk gewoonweg niet. Wat aan de Commissie
wordt gemeld, is niet meer dan een indicatie van de manier waarop je de
zaak op orde wilt brengen. Daar heb ik niet het grootste probleem mee. U
hebt een punt als het gaat om bevoegdheden om te interveniëren. Dat is
een andere kwestie. Als het een land betreft – zo zeg ik tegen de heer Ten
Broeke – dat er een potje van maakt, maak ik nadrukkelijk de aantekening:
hoe eerder hoe beter. Als er namelijk schade ontstaat, hebben anderen er
last van. Dat is de les van Griekenland. De Europese Commissie infor-
meren over de dingen waarmee je bezig bent, vind ik geen probleem. Dat
heeft niets te maken met bevoegdheden. Langs die lijn kan dus worden
geopereerd. Ik zal morgen mijn oren gespitst houden in het debat tussen
de Europese lidstaten over de bevoegdheidsstructuur. Dat lijkt mij het
beste. De kern is: laat zo veel mogelijk aan landen over, maar als er
problemen ontstaan, kunnen wij niet scherp genoeg zijn, ook ter
voorkoming van ellende voor anderen.
De heer Ormel (CDA): In hoeverre speelt hierbij mee dat morgen een
vergadering is van alle lidstaten van de Europese Unie, maar dat niet alle
lidstaten van de Europese Unie tot de eurozone behoren? In hoeverre
speelt dat mee in de discussie die morgen plaatsvindt?
Minister Balkenende: Dat is een goed punt. Ik heb veel contact met
Angela Merkel en heb haar nog in het weekend gebeld om aan te geven
dat ik niets voel voor een «economic government» in relatie tot de leden
van de eurogroep. Dat is mijn vaste overtuiging. In de eerste plaats bevalt
mij de term «economic government» niet. «Economic governance» vind ik
een andere term. Dat heeft te maken met afstemming. Je moet niet alleen
kijken naar de zestien landen, maar naar het hele gebied van de EU. Je
kunt wel zeggen dat een land als het Verenigd Koninkrijk dan even niet
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 14
meedoet, maar wat daar gebeurt, is natuurlijk van buitengewoon grote
betekenis voor Europa. Kortom: je moet geen splitsing krijgen tussen de
eurogroep en de anderen. Je moet de verantwoordelijkheidsstructuur,
zoals neergelegd in het Verdrag van Lissabon, respecteren. Toen de
financiële crisis uitbrak, moesten wij met elkaar spreken over de deposi-
togaranties en hebben wij ons afgevraagd hoe wij de bankensector
kunnen stimuleren en ondersteunen. Wat het macro-economische beleid
betreft, zeg ik daarom: laat er maar afstemming plaatsvinden! Dat is niet
alleen iets van de zestien en daarom was ik wel gelukkig met wat er
gisteren in Berlijn is gebeurd. Toen is geen keuze gemaakt voor de zestien,
wat aanvankelijk wel degelijk een intentie van Frankrijk was. Dat vind ik de
winst van die discussie.
De heer Ten Broeke (VVD): Ik wil twee dingen scherp stellen. Nogmaals:
ik vind het goed dat die structuurfondsen inzet zullen zijn van de Neder-
landse regering. Hoe groot schat de premier echter de kans in dat dit idee
ook wordt overgenomen? Wij kunnen wachten totdat na zeven jaar het
meerjarenplan van de begroting wordt besproken, maar dan moet
Nederland daar weer zelf mee komen. Het zou veel beter zijn als dit idee
wordt overgenomen door de Commissie en dat het een onderdeel vormt
van de voorstellen.
Mijn tweede vraag sluit daarop aan. Als het gaat om die begrotingen, kun
je democratie niet vervangen door technocratie. Is de minister-president
er inderdaad voorstander van dat vooraf geen inhoudelijke controle door
Brussel op de begrotingen zal plaatsvinden, tenzij lidstaten aantoonbaar
uit de pas lopen en ook niet aantoonbaar kunnen aangeven hoe men weer
in het gelid terugkeert? Op dat moment verlies je dus wel een beetje je
recht van spreken, als je tegelijkertijd lid wilt blijven van die exclusieve
club.
Minister Balkenende: Wat het laatste betreft is het een combinatie van
twee vormen van transparanties, namelijk dat je zelf weet wat er gebeurt
en dat de Europese Commissie weet wat er gebeurt. Die combinatie laat
de bevoegdheid onverlet, terwijl je toch weet wat er gebeurt. Ik vind het
wel heel terecht dat de landen die in de gevarenzone zitten en die op een
gegeven moment problemen zouden kunnen veroorzaken, te maken
krijgen met een zwaarder regime. Dat is de lijn die de heer Ten Broeke
volgt en daar sta ik achter.
Dan kom ik bij het punt van de structuurfondsen. In de discussies van de
laatste tijd heb ik de structuurfondsen zelf steeds naar voren gebracht. Ik
merk dat er bij meerdere lidstaten aandacht voor bestaat. Dat geldt voor
Duitsland, maar ook voor andere landen, omdat men inziet dat er
behoefte is aan een effectief sanctiemechanisme. De tijd waarin het
Stabiliteits- en Groeipact een beetje werd weggerelativeerd is voorbij. In
de discussies die ik destijds heb gevoerd met voormalig bondskanselier
Schröder en voormalig president Chirac werd het pact in feite gerelati-
veerd. We hebben nu een totaal ander speelveld. Dat is momenteel de
winst van de discussie, hoe moeilijk het allemaal ook is. Je merkt dus ook
dat er nadrukkelijk naar sancties wordt gekeken. Wat de cohesiefondsen
betreft zijn die nu al mogelijk en ik proef dat er duidelijk beweging zit op
het gebied van de structuurfondsen. Ik weet hoe hierover in de Kamer
wordt gedacht, dus dat standpunt zal ik blijven uitdragen. Ik zal mezelf
hierover nog nader verstaan met de voorzitter van de Europese
Commissie. Mijn inschatting is dat het absoluut die kant uit zal gaan.
Zolang ik nog verantwoordelijkheid draag, zal ik dat standpunt naar voren
blijven brengen, omdat het een heel goed punt is.
Dat raakt aan een ander punt ten aanzien van de sancties, namelijk het
ontnemen van stemrecht. Die gedachte moet nadrukkelijk in ogenschouw
worden genomen, omdat het een instrument is waarmee je tegen
bepaalde landen kunt zeggen: u maakt er een potje van, dus u hebt even
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 15
niets te zeggen. In de Van Rompuy Groep komt deze zaak aan de orde. Ik
heb daar een positief gevoel bij, maar je moet wel precies kijken wat de
consequenties zijn. Als onderdeel van het zoeken naar een instrumen-
tarium om de sancties handen en voeten te geven, is het wel degelijk een
optie die nader verkend zou moeten worden in de Van Rompuy Groep.
Uiteraard wordt er ook met de Kamer nader over gesproken.
Door de heer Ormel is het punt van de bankenbelasting naar voren
gebracht. Wat dit betreft lopen wij tegen een paar problemen aan. Door
meerdere landen is gezegd dat banken geacht worden veel aan kredietver-
lening te doen. De vraag is wat de consequenties zijn van het invoeren
van zowel Basel III als een bankenheffing en mogelijk nog andere eisen.
Tegelijkertijd weten wij dat de bankwereld beter zal moeten functioneren.
Je kunt niet zonder Basel III. Bij de bankenbelasting moet je bovendien
kijken naar het level playing field. De Nederlandse regering vindt het
wenselijk om deze zaak op het niveau van de G20 aan te pakken. Als je dit
namelijk geïsoleerd in Europa zou doen, moet je wel heel goed weten wat
de consequenties zijn. Ik zeg ronduit dat ik zelf aarzeling heb om de zaak
puur tot Europa te beperken. Bij een mondiaal opererende financiële
sector kan dit grote consequenties hebben. De vraag is of je daarmee
zoveel opschiet. Kortom: de bankenheffing is een kwestie van onderlinge
afstemming. De grondhouding is positief, maar je moet wel goed weten
waarover belasting wordt geheven, wat met de financiële middelen wordt
gedaan en wat de effecten van de heffing zijn. Er kleven bezwaren aan het
louter voor een Europees spoor kiezen. Ook op de bijeenkomst van de
ministers van Financiën ter voorbereiding van Toronto is gebleken dat het
niet eenvoudig ligt. Mijn Canadese collega Stephen Harper zegt: onze
bankensector heeft geen problemen en is niet in verkeerd vaarwater
terechtgekomen, waarom krijgen wij dan zo’n heffing opgelegd? Dat kan
Harper gewoon niet uitleggen. In de Verenigde Staten is het sentiment
anders. De vraag is hoe je kunt werken aan een oplossing die niet
contraproductief werkt. Dat zal de uitdaging van Toronto zijn. Ik zal ook
bekijken wat hierover in de Europese Raad wordt gezegd. Mijn algemene
boodschap is: doe het op een verstandige manier. Dat is al ingewikkeld
zat.
De voorzitter: De heer Van Dam en mevrouw Peters willen u daarover
een vraag stellen. Ik verzoek hen dit direct na elkaar te doen.
De heer Van Dam (PvdA): ik vraag mij af wat de woorden van de
minister-president betekenen voor zijn opstelling ten aanzien van
Raadsconclusie 16. Daarin wordt vrij stevig neergezet dat de Europese
Raad van mening is dat een bankenheffing moet worden geïntroduceerd.
Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik heb een aanvulling op de vraag van de
heer Van Dam: hoe verhoudt zich deze positie tot de aankondiging van
Duitsland om in ieder geval unilateraal te opereren? Ik maak toch een
andere inschatting dan de minister-president, die meent dat wij niets te
winnen hebben, ook niet bij een EU-bankentaks. Onze economie en
financiële sector zijn veel meer dan bijvoorbeeld de Amerikaanse direct
afhankelijk van de banken. Wij hebben gezien dat de banken zich als
grootste profiteurs hebben getoond van de noodhulp die wij aan de
banken hebben gegeven. Zij zijn gewoon overgegaan tot het dumpen van
de obligaties. Er is alle reden om hierop Europese maatregelen te nemen.
Minister Balkenende: In algemene zin is de intentie ten aanzien van een
bankenheffing positief. Dat geldt ook voor de Nederlandse regering. In
Raadsconclusie 16 wordt echter gesproken over een level playing field.
Als je een heffing invoert, moet je dus rekening houden met de effecten,
omdat de financiële markten mondiaal zijn. Dat is niet onbelangrijk.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 21 501-20, nr. 481 16
Mevrouw Peters spreekt over unilaterale stappen. De Kamer heeft een
motie aangenomen over naked short selling. Het kabinet gaat de AFM op
dit punt om advies vragen. Met het bekijken van de effecten hebben wij
dus gedaan wat wij behoren te doen. In de algemene discussie wordt
echter ook opgemerkt: let erop dat je een gemeenschappelijke strategie
voert ten aanzien van dit soort onderwerpen. Unilaterale stappen kunnen
wel symbolische werking hebben, maar de vraag is of het dan zoveel
uitmaakt. Bij alles waar wij tegen aanlopen, gaat het er mij om of je
stappen kunt zetten die echt geloofwaardig zijn. Kortom: er is breed
draagvlak aanwezig voor een bankenheffing, maar als je de zaak gaat
introduceren, doe het dan op een verstandige manier: heb oog voor het
level playing field en pas op voor contraproductieve effecten. De
unilaterale maatregelen van Duitsland ten aanzien van naked short selling
zijn het land, op grond van de feitelijke uitwerking en de reële betekenis
van zulke maatregelen, op kritiek komen te staan. Daar moeten wij oog
voor hebben.
Overigens raken de punten die door de Kamerleden worden genoemd,
waaronder Raadsconclusie 16, natuurlijk aan de opstelling van de
Europese Unie op de G20. Voorafgaand aan de G20 hebben wij altijd een
bijeenkomst. Soms is dat in het kader van een reguliere Europese Raad en
soms gaat dat via afzonderlijke sessies. Dan wordt bekeken of de leden
van de Europese Unie een gezamenlijke positie kunnen innemen. De
conclusies die wij nu bespreken, zijn dus zo belangrijk, omdat zij in
Toronto zullen worden ingebracht.
De heer Van Dam noemde het onderwerp nationale soevereiniteit.
Volgens hem mag je wel opmerkingen maken over de omvang van de
begroting, maar niet over de inhoud. Dat is maar de vraag. Aangezien er
hervormd moet worden – dat is toch het wezen van het rapport-González
en het zit in de EU 2020-strategie besloten – is de vraag of je zomaar kunt
zeggen: de inhoud doet niet ter zake. Ik neem als voorbeeld de situatie in
Griekenland. Hierover heb ik een discussie gevoerd met de heer Van
Bommel. Hij stelde dat wij ons niet moeten bemoeien met het beleid dat
in Griekenland wordt gevoerd. De verhoging van de pensioenleeftijd van
53 jaar naar 65 jaar is echter gewoon afgedwongen door het IMF en de
Europese landen! Dat is overigens maar goed ook, want er moeten dingen
gebeuren. Kortom: ik ben er zelf een beetje beducht voor om te zeggen
dat je nooit over de inhoud mag praten, maar alleen over de omvang van
de maatregel. Als een land zijn overheidsfinanciën op orde wil krijgen via
enorme lastenverzwaring, terwijl andere landen hervormingen
doorvoeren, is de vraag of dat de goede lijn is. Ik relativeer een beetje het
punt van de heer Van Dam over de inhoud. Ik weet namelijk dat de
conditionaliteit, die geldt ten aanzien van het IMF, dat met de Europese
Unie samenwerkt, zich wel doorzet. Zie bijvoorbeeld wat er in Hongarije
en Ierland is gebeurd. Daarbij gaat het om inhoud en dus om meer dan
alleen de omvang.
De heer Van Dam (PvdA): Nu noemt de minister-president wel landen die
al onderuit zijn gegaan. Hierbij gaat het echter om d