Justitiële inrichtingen

Downloads

Download als PDF: kst-24587-317.pdf

Metadata

Dossiers
  • 24587 - Justitiële Inrichtingen
Organisaties
Datum publicatie2008-12-29
Datum vergadering2008-12-23

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2008–2009 24 587 Justitiële Inrichtingen Nr. 317 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG Vastgesteld 23 december 2008 De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 20 november 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie over: – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 8 april 2008 ter aanbieding van het rapport van het themaonderzoek Nacht- veiligheid gevangeniswezen van de Inspectie voor de Sanctie- toepassing (ISt) (24 587, nr. 272); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 27 mei 2008 met een overzicht van de capaciteit in het gevangeniswezen per regio (24 587, nr. 283); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 2 juni 2008 ter aanbieding van het onderzoek «FPC de Kijvelanden, Inspectierapport Doorlichting» (24 587, nr. 284); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 16 juni 2008 ter aanbieding van het inspectierapport over de doorlichting van Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Peel (24 587, nr. 285); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 3 juli 2008 ter aanbieding van het inspectierapport over de doorlichting van 1 PI Zuidwest, locatie Dordtse Poorten (24 587, nr. 292); Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 4 juli 2008 der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), met een reactie op het advies «Meer op een cel?» van de Raad ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (24 587, q voorzitter, Cörüz (CDA), Joldersma (CDA), nr. 293); Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroon- hoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), – de brief van minister van Justitie d.d. 30 juli 2008 ter aanbie- Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), ding van het inspectierapport over de doorlichting van PI Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold Zuyder Bos-Amerswiel (24 587, nr. 296); (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken – de brief van de minister van Justitie d.d. 14 augustus 2008 ter (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie). aanbieding van het rapport «Informatieoverdracht in de Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van executieketen» van de Inspectie voor de Sanctietoepassing der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (24 587, nr. 297); (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), – de brief van de minister van Justitie d.d. 8 september 2008 Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijssel- over ongewenste omgangsvormen en werkdruk bij de Dienst bloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink Justitiële Inrichtingen (24 587, nr. 300); (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), – de brief van de minister van Justitie d.d. 8 september 2008 ter Fritsma (PVV), Koser Kaya (D66), Gill’ard ¸ aanbieding van het inspectierapport over de doorlichting van (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) PI Veenhuizen, locatie Norgerhaven (24 587, nr. 301); en Slob (ChristenUnie). KST126516 0809tkkst24587-317 ISSN 0921 - 7371 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2008 Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 1 – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 9 september 2008 ter aanbieding van het inspectierapport over de doorlich- ting van PI Noord-Brabant Noord, locatie Oosterhoek (24 587, nr. 302); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 28 oktober 2008 ter aanbieding van het inspectierapport over de doorlich- ting PI Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst (24 587, nr. 304); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 28 oktober 2008 ter aanbieding van het inspectierapport over de doorlich- ting van PI Zuid-Oost, locatie Roermond (24 587, nr. 303); – de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 14 november 2008 met het verslag van het schriftelijke overleg over de rapporten van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (24 587, nr. 307). Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. Voorzitter: De Pater-van de Meer Griffier: Nava Vragen en opmerkingen uit de commissie Voorzitter: Jager Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Voorzitter. Er staat een heel aantal rapporten op stapel, waaronder veel inspectierapporten die ons inziens heel waardevol zijn, omdat ze veel nieuwe inzichten bieden. Op bijna alle aanbevelingen wordt gereageerd, dank daarvoor. Wij vragen ons alleen wel af of sprake is van een eenmalige constatering waarop een reactie komt of dat een en ander weer terugkomt in volgende inspectierapporten ten aanzien van de gevangenissen. Volgens ons zou het heel waardevol zijn als de aanbevelingen een follow-up krijgen en geen op zich losstaande punten zijn. Uit de hele stapel heb ik vier punten gekozen waarop ik inga. Het eerste punt betreft, samengevat, werkplezier. Geweld en agressie in gevange- nissen nemen toe. Het betreft onderling geweld en onderlinge agressie, tussen personeelsleden onderling, maar ook tussen personeel en gedeti- neerden. Geweld komt vaker voor en het letsel is zwaarder. Er is een hoge werkdruk. Dit zijn forse constateringen. Immers, als je zo’n zwaar beroep hebt, is het belangrijk om het op een goede manier te kunnen uitoefenen. Het is dan ook terecht dat de staatssecretaris hiervoor maatregelen aankondigt en de zaak heel serieus neemt. Wel hebben wij nog een aantal vragen. Is er onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ervaren werkdruk en de oorzaak van geweld tussen personeel onderling? Zo ja, zijn de maat- regelen hierop aangepast? Is er overleg geweest met de bonden, met de vertegenwoordigers van het personeel? Voor ons is niet helemaal duide- lijk wat de maatregelen behelzen. Wij krijgen vaak te horen dat een en ander ook te maken heeft met de cultuur in detentie. Als dat juist is, is een cultuuromslag een van de moeilijkste dingen om te realiseren. Wordt structureel gemeten of de ingezette instrumenten ook het beoogde effect hebben? Anders gaan wij immers maatregelen nemen waarvan wij niet weten of ze werken. Mijn tweede punt betreft de informatieoverdracht in de executieketen. Voor ons is het rapport hierover heel duidelijk: een en ander behoeft sterke verbetering. Ook op dit punt gaat de staatssecretaris uitgebreid in. Dat is ook zeer noodzakelijk omdat de informatie die je vergaart bij binnenkomst maar ook bij overplaatsing van een gedetineerde, de basis is waarop je handelt en voor iemand zorg draagt, alsmede zorg draagt voor de beveiliging. Als je iemand overdraagt aan de gemeente, is informatie- voorziening bovendien van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 2 iemand weer op een goede manier kan meedoen. Wij wachten de resul- taten af, maar wij zouden graag iets concreter van de staatssecretaris willen horen hoe wij als Kamer een en ander kunnen volgen. Dat zij dit punt serieus neemt geloven wij; daar hebben wij wel vertrouwen in. Dan kom ik op mijn op één na laatste punt, de nazorg. Wij zijn erg blij om te lezen dat de staatssecretaris bezig is een visie op te stellen op de taak- verdeling tussen justitie, gemeente, instelling en andere organisaties. De vraag is of in deze visie ook onderscheid gemaakt wordt tussen grote en kleine gemeenten. Bij een grote gemeente werkt het nu eenmaal anders dan bij een kleine. Ook in dit geval is de vraag hoe wij gaan bijhouden dat een en ander op een goede manier verloopt. Hoe gaan wij het beoogde effect meten? Graag zouden wij hierover iets van een tussenrapportage willen ontvangen. Wij gaan immers een heel traject in en wij vinden het fijn om tussendoor te vernemen wat de knelpunten zijn en hoe deze worden opgepakt. Mijn laatste punt betreft moeders die in detentie verblijven. Er wordt vermeld dat de Ik-Jij-Wij-training is voorgelegd aan Erkenningscommissie Gedragsinterventies. Naar ik heb begrepen is deze Ik-Jij-Wij-training in eerste instantie afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de criteria van de commissie. Dat kan. Tegelijkertijd zegt de commissie echter dat zij veel goede trainingen moet afwijzen omdat zij toetst op bepaalde criteria, namelijk het terugdringen van recidive. Bij moeders in detentie is het evenwel heel erg belangrijk dat moeder en kind gesteund worden tijdens detentie, opdat de moeders de opvoedsituatie na hun detentie weer op een goede manier kunnen oppakken en de opvoedsituatie tijdens detentie zo min mogelijk geschaad wordt. Het lijkt ons dan ook belangrijk dat er, als een dergelijke training wordt voorgelegd, niet alleen gekeken wordt naar het terugdringen van recidive, maar in het geval van deze kleine doelgroep heel specifiek ook naar het belang van moeder en kind. Uit onderzoek is immers gebleken dat kinderen minder kans lopen zelf crimi- neel te worden als zo min mogelijk schade wordt ervaren. Indirect is dus toch sprake van terugdringen van recidive. Mevrouw Van Velzen (SP): Bij de Justitiebegroting hebben wij hierover natuurlijk al uitgebreid gesproken. Het gaat niet alleen om erkenning van de training, maar ook om enige financiering. Vindt mevrouw Bouw- meester dit belangrijk en, zo ja, gaat zij het amendement dat wij hebben ingediend steunen? Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Wij vinden het heel belangrijk, vandaar dat de PvdA-fractie er al twee keer vragen over heeft gesteld. Bij de begro- ting van Jeugd en Gezin hebben wij twee dingen gedaan. Wij hebben een motie ingediend die is aangenomen, ook met steun van de fractie van mevrouw Van Velzen. Hierin vragen wij om onderzoek te doen naar de behoeften van moeders en kinderen tijdens detentie, naar de wijze waarop zij begeleid moeten worden en naar de uitvoering. Ook vragen wij om het belang van het kind centraal te stellen en niet de mogelijkheden van detentie. Dit onderzoek wachten wij af. Daarnaast hebben wij een amendement ingediend om de ondersteuning van moeders na detentie het komend jaar doorgang te laten vinden. Wij zijn het met elkaar eens. Volgens mij hebben wij ongeveer hetzelfde amendement ingediend, zij het dat wij een iets andere dekking hebben. In de strekking zijn wij het echter helemaal met elkaar eens. Mevrouw Van Velzen (SP): Dus het antwoord is: ja, u zult mijn amende- ment steunen? Of heb ik nu te veel woorden gehoord en de verkeerde conclusie getrokken? Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 3 Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Wij hebben een amendement waarvoor al een meerderheid bestaat. Mevrouw Van Velzen mag zich hierbij aansluiten. Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. Wij spreken vandaag over een stapel interessante rapporten van de Inspectie voor de Sanctietoepassing. Ik ben blij dat wij deze rapporten ontvangen. Ze zijn toch een graadmeter voor hoe het er in de praktijk aan toe gaat. Ik ben ook blij dat wij ze regu- lier bespreken in de Kamer. Wij hebben een feitelijkevragenronde gekregen met een heel adequate beantwoording door de staatssecretaris. Het valt mij op dat aan deze ronde, die was aangevraagd door de CDA-fractie, maar twee partijen hebben meegedaan, oppositiepartijen nog wel: de VVD en de SP. Ik vind dit toch niet erg zorgvuldig. Los daarvan, mijn vragen zijn goed beantwoord en daar ben ik blij mee. Ik wil nog wel reageren op een opmerking die de staatssecretaris maakt op pagina 2 van de feitelijke beantwoording. Ik heb gewezen op knelpunten bij de gedeco’s. De staatssecretaris antwoordt hierop dat dit punt niet is opge- nomen in de geagendeerde inspectierapporten. Eerlijk gezegd kan mij dat niet zo veel schelen. Het gaat mij om de praktijk waar ik knelpunten waar- neem. Ik wil nog steeds graag een reactie van de staatssecretaris. Wil zij inventariseren of gedeco’s vrij hun werk kunnen doen? Ook al is er geen wettelijke verplichting om ze te hebben, wij zijn met elkaar toch blij dat deze organen bestaan en dat er dus inspraak mogelijk is. Ik vind het lastig dat de plannen voor de zogeheten modernisering van het gevangeniswezen – wat mij betreft een eufemisme voor het onmenselijk maken van het gevangeniswezen – nog steeds verder gaan. Wij hebben nog steeds geen idee hoe de bezuinigingen van 50 mln. die gepland zijn, gerealiseerd worden. Een en ander moet komen uit de intensivering meer- persoonscelgebruik, het ophokken van verscheidene gedetineerden in één cel. Waar het geld precies vandaan komt, is mij echter onduidelijk. Ik vind het vreemd dat wij dit niet voor de begrotingsbehandeling te horen hebben gekregen. Nu wij hier toch heugelijk bij elkaar zitten, wil ik de staatssecretaris vragen om eens uit te leggen hoe wij dit gaan doen. Ik heb een vraag over de zeer beperkt beveiligde inrichting (zbbi) in Hoorn. Wij ontvingen een noodbrief van het personeel dat zich zorgen maakt over het beëindigen van een succesvol project. Ik neem aan dat de staatssecre- taris ook erkent dat dit een goed project is dat voortzetting verdient. Uit de beantwoording wordt een en ander mij niet helemaal duidelijk. De staats- secretaris erkent dat het hierbij gaat om een waardevolle vorm. Mensen kunnen met vrij veel vrijheid in de buitenwereld werken of onderwijs genieten en melden zich ’s nachts aan. Gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat hiervoor meer capaciteit vrij komt? Dit lijkt mij namelijk voor de meeste gedetineerden een heel goed eindpunt van hun detentie- periode: langzamerhand meer vrijheid en werken aan het leven na detentie. Uit de inspectierapporten blijkt veelvuldig dat er een knelpunt ligt bij het aanbieden van arbeid. Arbeid valt vaak uit en er is ook een tekort. Ik heb hierover bij de begrotingsbehandeling een motie ingediend die ook is aangenomen. Kunnen wij snel vernemen hoe deze staatssecretaris het aanbod van en de mogelijkheden tot arbeid gaat uitbreiden? Wij hebben al de suggestie gedaan dat de overheid zelf opdrachten verstrekt om materialen en arbeid te leveren aan ministeries. Ik zie dat er ook bij onderwijs sprake is van veel uitval. Er is een tekort aan onderwijs in het gevangeniswezen. Ik heb de staatssecretaris tijdens de begrotingsbehandeling een staatje voorgelegd waaruit blijkt dat het aantal fte’s alleen maar daalt, met bijna een kwart. Zij heeft gezegd dat zij zich niet herkent in de uren en de uiteindelijk ongeveer 55 formatieplaatsen voor onderwijs. Zij is niet gekomen met gegevens over hoe het dan wel zit. Ik wil dit toch graag weten. Kan de staatssecretaris een overzicht Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 4 geven van hoeveel onderwijs er dan wel gegeven wordt? Deelt zij desal- niettemin mijn conclusie dat het allemaal toch wel erg weinig is? De staatssecretaris heeft toegezegd dat er een uitbreiding van het dagprogramma zou komen. Dat is immers goed. Ik lees dat sprake is van een absoluut minimum van achttien uur. Dat is best wel ernstig. Achttien uur per week uit de cel betekent dat je twee uur en 35 minuten per dag de cel uit mag. Zeker als je verscheidene gedetineerden op één cel gaat zetten, kan ik mij niet voorstellen dat dit goed is voor mensen en dat het recidivebestrijdend is. Ik wil de staatssecretaris vragen of het, nu wij zo bezig zijn met het verbeteren van het gevangeniswezen – dat is immers toch de intentie van de staatssecretaris – niet tijd is om de Penitentiaire beginselenwet aan te passen en deze achttien uur eruit te halen. Ik stel voor dat wij naar minimaal vier uur per dag gaan. Ik vind dat nog steeds weinig, maar het lijkt mij een redelijk tussenvoorstel. Dan kom je op een theoretisch minimum van 28 uur uit. Meerpersoonscelgebruik staat uitgebreid op de agenda. Waarom neemt de staatssecretaris de aanbevelingen van de Raad van Europa niet serieus die zegt dat dit problematisch is? Heeft zij de aanbevelingen van de Inspectie voor de Sanctietoepassing met betrekking tot PI Roermond gezien? Hierin wordt gepleit voor een evaluatie van het meerpersoonscel- gebruik. Is de staatssecretaris bereid om deze evaluatie alsnog uit te voeren? Ik zie wel degelijk dat er knelpunten zijn. Het personeel dat zich bij ons meldt, zegt: mensen zitten opgefokt tegenover elkaar, zij zitten soms achttien uur in hun cel. De staatssecretaris noemt het een reguliere vorm van detentie, maar ik denk dat het een bezuiniging is en dat het niet ten bate van de gedetineerden en dus ook niet ten bate van de recidive- bestrijding is. Ik zou hiermee ook graag zelf aan de slag willen gaan in de vorm van een onderzoek onder het personeel. Ik vraag de staatssecretaris of zij mij toestemming wil geven om een enquête te verspreiden onder haar eigen personeel; graag haar medewerking hiervoor. De heer Teeven (VVD): Zou de staatssecretaris niet zelf in staat zijn om in het kader van personeelstevredenheidsonderzoeken en dergelijke dit soort enquêtes te houden? Is het niet een taak van de regering om ons derge- lijke informatie te verstrekken via het reguliere kanaal? Ik waardeer de inspanning van mevrouw Van Velzen om contact te zoeken met de werk- vloer, maar kan een en ander niet een beetje doorschieten, zodat wij alleen maar de mening van een paar klokkenluiders krijgen? Mevrouw Van Velzen (SP): Tot nu toe hebben wij een aantal heel interes- sante onderzoeken uitgezet, onder andere onder het reclasserings- personeel. De heer Teeven weet dat. Het geeft in ieder geval een iets minder politieke kleuring dan wanneer het kabinet een onderzoek uitzet. Ik ben het met de heer Teeven eens. Ik zou ook liever zien dat de staatssecre- taris zelf een onderzoek onder het personeel uitzet naar de ervaring met meerpersoonscelgebruik. Ik denk dat hiervoor een goede reden is. Neem de werkdruk – mevrouw Bouwmeester sprak er al over – en de spanning op de werkvloer. Een en ander hangt mijns inziens samen met meer- persoonscelgebruik. Penitentiaire inrichtingswerkers zijn toch te vaak gereduceerd tot sleuteldraaiers en worden hierdoor geconfronteerd met agressie onder gedetineerden die uiteindelijk ook gereduceerd worden tot mensen die achter een deur gezet moeten worden. Een en ander is gewoon niet positief. Als de staatssecretaris zegt dat zij het onderzoek zelf gaat doen, graag. Zegt zij dat zij dit niet zal doen, dan vraag ik haar toestemming om een enquête onder haar personeel uit te zetten Ik vervolg mijn betoog. Ik zou graag willen weten wat de stand van zaken in de Bijlmerbajes is. Het heet anders, maar ik ben de officiële naam even kwijt. Er was daar sprake van een explosieve situatie. Ik wil weten hoe deze is opgelost. Ik ben er op bezoek geweest, samen met de VVD-fractie. Ik moet zeggen dat daar een raar systeem is ingezet waarbij de cipiers, de Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 5 penitentiaire inrichtingswerkers, van verdieping naar verdieping moeten gaan om sleutels in deuren te steken, mensen eruit te laten en mensen weer in te sluiten. Zij hebben eigenlijk helemaal geen band meer met gedetineerden. Dat is waarschijnlijk heel efficiënt voor de begroting, maar volgens mij niet voor de gedetineerden en dus ook niet voor de recidive- bestrijding. Ik wil hierop graag een reactie van de staatssecretaris hebben. Tot slot ga ik in op het drugsbeleid. Ik ben het op hoofdlijnen wel eens met de staatssecretaris en met de maatregelen die zij voorstelt. Wat minder enthousiast ben ik over de mogelijkheden voor vaders om hun kinderen te ontvangen. De staatssecretaris stelt de methodiek van de «slang», het schotje, voor. Ik heb een en ander gezien. Het is vrij beperkt. Betekent dit ook dat vaders hun kinderen niet langer op schoot kunnen nemen? Of kunnen mensen die fysiek contact met hun kind wensen, opteren voor extra fouilleren en extra visitatie, zodat contact alsnog mogelijk is? Ik denk dat dit goed is voor de vader-kindrelatie en dus ook voor resocialisatie. De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Wij zijn buitengewoon verheugd met de antwoorden die de staatssecretaris heeft gegeven in haar brief van 14 november. Ik denk dat het dit overleg ten goede komt, als je op deze wijze de schriftelijke voorbereiding doet. Wij vonden dit aangenaam. Wij hebben ons met de SP-fractie wel een beetje verbaasd over de massieve afwezigheid van de grote regeringsfractie op dit terrein. Uw fractie, voor- zitter, heeft dit algemeen overleg immers aangevraagd. Wellicht kan de vertegenwoordiger van de CDA-fractie nog iets zeggen over deze afwezig- heid bij het schriftelijke overleg. Allereerst wat algemene opmerkingen. Ten aanzien van de capaciteit heeft de VVD-fractie de staatssecretaris gevraagd of er sprake is van een samenloop van personeelstekorten en celcapaciteit. Ik verwijs de staatsse- cretaris naar pagina 65 van haar brief. Zij heeft aangegeven dat het gaat om een tekort aan fysieke plaatsen – de staatssecretaris spreekt van «gebouwelijke voorzieningen» – en niet om een tekort aan personeel. Onze fractie doelt op overvolle arrondissementen waar sprake is van het aanleveren van veel gedetineerden. Als daar ook nog eens sprake is van personeelstekorten, dan kan dit de werkdruk extra verhogen. Kan de staatssecretaris hierop nog eens specifiek ingaan? Wij hebben twee vragen gesteld over de informatieoverdracht in de executieketen. Wij hebben de staatssecretaris gevraagd naar de afreken- bare doelstellingen ten aanzien van het verbeteren van de informatie- uitwisseling en de nazorg. In haar beantwoording geeft de staatssecretaris een zeer uitgebreide toelichting op de maatregelen die zij treft om de informatie-uitwisseling en de nazorg te verbeteren. Er wordt hierbij verwezen naar een monitorsysteem nazorg dat in ontwikkeling is. Wij zijn erg tevreden met de verbetermaatregelen die zijn getroffen. Echter, het is goed om de vinger aan de pols te houden. Met betrekking tot de verbete- ring is het monitorsysteem wat ons betreft van groot belang. Kan de staatssecretaris toelichten wat dit monitorsysteem nazorg nu precies inhoudt: wat wordt gemonitord en wie houdt het overzicht op het moni- toren? Wat zijn de gevolgen als het systeem niet snel genoeg wordt geïm- plementeerd? Naar aanleiding van verscheidene rapporten heeft onze fractie de proble- matiek van de werkdruk en de onderbezetting aan de orde gesteld. Andere sprekers spraken er al over. Het gaat hierbij ook om ongewenste omgangsvormen en de werkdruk bij DJI. De staatssecretaris zegt hier iets over op pagina 16 van haar brief. Na het doornemen van de documenten en de beantwoording van de staatssecretaris heeft onze fractie nog geen duidelijk inzicht in de omvang van de problematiek. Kan de staatssecre- taris een actueel overzicht geven van inrichtingen die kampen met een structurele onderbezetting en de mate van onderbezetting? Ik kan mij voorstellen dat zij dit overzicht niet vandaag kan verschaffen, maar zij kan Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 6 de Kamer wel een brief sturen waarin zij de gegevens uitsplitst naar inrichting. Ten aanzien van het drugsbeleid zijn wij het buitengewoon eens met de nieuwe maatregelen die op 1 januari 2009 worden genomen. Wel hebben wij ons er een beetje over verbaasd dat vanaf 1 januari nog geen sprake is van inzet van drugshonden en dat het aanpassen van de bezoekersruimte dan nog niet gereed is. Wij vonden nu juist de inzet van drugshonden en de zogenaamde «slang» veelbelovende maatregelen. Kan de staatssecre- taris aangeven op welke termijn zowel de «slang» als de inzet van drugs- honden geïmplementeerd zal zijn in de nieuwe organisatie? Dan nog wat vragen over specifieke inrichtingen. Met betrekking tot het rapport over de Dordtse Poorten heeft de VVD-fractie vragen gesteld over de wijze van toezicht door de DJI op winkeliers en leveranciers die betrokken zijn bij de levering van producten aan gedetineerden en de inrichting. Ook hebben wij gevraagd of men een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet overleggen. De staatssecretaris antwoordt hierop dat de directeur van een penitentiaire inrichting op grond van artikel 25 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens de bevoegdheid heeft justitiële gegevens op te vragen. Hij kan dit doen met betrekking tot de toelating van personen tot de inrichting en dergelijke. De staatssecretaris schrijft terecht op pagina 8 dat de directeur dit kan doen. De vraag is echter of de directeur van de Dordtse Poorten dit ook daadwerkelijk doet. Zijn directeuren van inrichtingen genegen dit te doen en worden leveran- ciers in de praktijk ook echt nagetrokken? Dan het rapport over Zuyder Bos-Amerswiel. Onze fractie heeft gevraagd of de staatssecretaris van mening is dat het instellen van een in georgani- seerd teamverband opererend intern bijstandsteam staand beleid in een inrichting zou moeten zijn. In haar antwoord gaat zij alleen in op de situatie bij PI Zuyder Bos-Amerswiel. Zou het instellen van een in georga- niseerd teamverband opererend intern bijstandsteam volgens haar staand beleid in iedere inrichting moeten zijn, dus niet alleen in PI Zuyder Bos-Amerswiel? Mijn laatste vraag gaat over PI Ter Peel. De VVD-fractie acht het onwense- lijk dat contact eenvoudig mogelijk is tussen het half open gedeelte en het gesloten gedeelte van de inrichting. Dit blijkt immers uit het rapport. Ook de inspectie constateert dat dit een knelpunt is. Klopt het dat er geen tweede poort wordt gerealiseerd? Dit maken wij althans op uit de brief van de staatssecretaris. Dit is een heel specifieke vraag, maar de antwoorden waren, terecht, ook heel specifiek, dus wij kunnen hierover wellicht wat doorpraten. Voorzitter: De Pater-van der Meer De heer De Roon (PVV): Voorzitter. De invoer en het gebruik van drugs door gedetineerden is verboden. Dat was op papier natuurlijk altijd al zo. Ondanks dit verbod was de heimelijke beschikbaarheid van verdovende middelen onder gedetineerden in het Nederlandse gevangeniswezen zo langzamerhand echt wel een probleem geworden. Er zijn allerlei maatre- gelen genomen om verblijfsruimten van gedetineerden te kunnen door- zoeken, om steekproefsgewijs te visiteren en om urinecontroles af te nemen. Dit blijkt echter nog niet genoeg te zijn. Als wij de inspectie- rapporten van bijvoorbeeld PI Noord-Brabant, locatie Oosterhoek, bezien, dan blijkt dat men daar het vermoeden heeft dat grote hoeveelheden drugs aanwezig zijn in de richting. De locatie De Geerhorst voldoet zelfs niet eens aan de eis dat per week 5% van de gedetineerden onderzocht wordt op het gebruik van verdovende middelen. Ook de locatie Roermond laat volgens de inspectie op dit punt veel te wensen over. Er is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat er veel mis is met de uitvoering van het principe dat drugs helemaal niet aanwezig mogen zijn in gevangenissen. Criminelen zien nog steeds kans om drugs mee naar binnen te nemen en Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 7 ook binnen de muren te blijven toegeven aan de verslaving waar zij aan lijden. Hier moet natuurlijk een eind aan komen. Gelukkig is ook de staatssecretaris wakker geworden en heeft zij scherpere maatregelen aangekondigd in haar brief van 24 oktober. Ik heb daar goede verwachtingen van, maar ik zou ook graag zien dat de staats- secretaris aan het verscherpte drugsbeleid doelstellingen in de vorm van te behalen resultaten toevoegt, opdat na invoering van het nieuwe beleid duidelijk is wat ervan terecht komt en welke resultaat eruit voortvloeien. De uitvoering en het succes van het nieuwe beleid op dit punt moeten meetbaar worden. Kan de staatssecretaris ons ook vertellen wat dit nieuwe regime gaat kosten? Dan een ander punt. De Arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat 43% van de werknemers in de onderzochte inrichtingen regelmatig of structureel last heeft van stress, wat zich vervolgens ook vertaalt in ziekteverzuim. Als belangrijkste oorzaken worden genoemd: ongewenste omgangsvormen, de hoeveelheid werk en de managementcultuur. Collega’s en leiding- gevenden maken het elkaar regelmatig moeilijk met bedreiging en intimi- datie, zo lezen wij. Ook van de kant van de gedetineerden is agressief handelen aan de orde van de dag. Over dit laatste, agressief gedrag van gedetineerden, kan ik kort zijn. Wat ons betreft moet dit te allen tijde de kop worden ingedrukt. Is het sanctiesysteem met betrekking tot agressief gedrag door gedetineerden wel voldoende? Voegt het wel genoeg toe aan preventie van agressief gedrag? Verder lezen wij dat 63% van de inrich- tingen nog onvoldoende maatregelen neemt om psychosociale arbeids- belasting te voorkomen of te verminderen. Wij vinden dit onaanvaard- baar. Onderlinge agressie en geweld waren al onderwerp in het Arbo- convenant uit 2005. Hoe kan het dat de uitvoering, dus het oplossen van deze problematiek, na al die jaren nog steeds tekort schiet? Mevrouw Van Velzen (SP): Ik ben blij dat de heer De Roon dit punt ook erg belangrijk vindt. 43% van het personeel ervaart structureel stress. Hij vergeet hierbij één punt, namelijk de hoeveelheid werk, al noemde hij het heel kort. Hier kunnen wij als Kamer toch een oplossing voor vinden? Is de heer De Roon het met mij eens dat wij ervoor kunnen zorgen dat meer mensen het werk gaan doen als er te veel werk op te weinig schouders rust? De heer De Roon (PVV): Dat zou een manier zijn om het probleem te tackelen, maar wij moeten alle mogelijke manieren bezien. Je kunt zeggen: meer handen erbij. Je kunt ook zeggen: efficiënter werken. Zo zijn er misschien nog wel meer oplossingen denkbaar. Er moet op alle moge- lijke manieren aan gewerkt worden. Net als de staatssecretaris beschouwt de PVV het plaatsen van gedeti- neerden in meerpersoonscellen als een reguliere en volwaardige vorm van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming. Het intensiveren van het meerpersoonscelgebruik dient wat ons betreft te worden voortgezet, ook al is er momenteel volgens de stukken geen tekort aan celcapaciteit. Ik was kort voor het zomerreces in de Penitentiaire Inrichting Lelystad en daar bleek mij dat maar liefst een hele vleugel van meerpersoonscellen gewoon leegstond, en dat al langere tijd. In mijn ogen is dit een heel slechte zaak. Waar komt dit volgens de staatssecretaris door? Wat wordt eraan gedaan? Duurt deze situatie nog steeds voort? Verder vind ik het een ronduit belachelijk idee om gedetineerden inspraak te geven bij het samenplaatsen in een meerpersoonscel. Op dit punt wil ik dan ook een beroep doen op het gezonde verstand van de staatssecretaris om hiervan af te zien. Het is toch van den zotte dat een crimineel straks zijn kamergenoot mag uitzoeken? Wat ons betreft is deze keuzevrijheid verspeeld op het moment van een misdrijf waarvoor men wordt inge- sloten. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 8 Ik sluit af met een samenvatting. Een strenge handhaving van een verscherpt drugsbeleid in penitentiaire inrichtingen moet voor eens en voor altijd afrekenen met de slappe feitelijke gedoogsituatie waarvan in de Nederlandse gevangenissen op dit punt momenteel sprake is. Een jaar na de invoering wil ik een evaluatie om te bezien of de maatregelen toerei- kend zijn. Het is onaanvaardbaar dat het zo slecht gesteld is met het werk- klimaat in inrichtingen. Ik wil graag dat de staatssecretaris voortmaakt met haar streven naar een veilige werkvloer en ons binnen een halfjaar over de resultaten bericht, hopelijk positief. Het meerpersoonscelgebruik moet wat ons betreft worden geïntensiveerd. Gedetineerden dient geen inspraak gegeven te worden in de keuze van een kamergenoot. Wij vinden het een belachelijk idee dat van tafel geveegd moet worden. Mevrouw Van Velzen (SP): Ik moet de heer De Roon toch de praktijk voorleggen. Stel dat je mensen plaatst op 10 m2 met een stapelbedje. Dat is immers de meerpersoonscel in oude vorm. Deze mensen kennen elkaar uit het verleden. Er ontstaat agressie. Dan is dit toch ook niet in het belang van het personeel waar de heer De Roon het zo voor opneemt? Ik zou zeggen: laat mensen vooral uiten wat geen goede mix is en wat geen veilige situatie oplevert, opdat de werkdruk voor het personeel minder is. De heer De Roon (PVV): Als gedetineerden niet geconfronteerd willen worden met agressie, moeten zij vooral geen strafbare feiten of misdrijven plegen die aanleiding geven tot opsluiting. Mevrouw Van Velzen (SP): Het gaat mij in dezen niet om de gedeti- neerden, maar om de veiligheid op de werkvloer, teneinde te voorkomen dat er meer agressie ontstaat. Ik snap goed dat de heer De Roon zegt: dan moet je maar geen misdrijf plegen, dan is je kans verspeeld. Dat snap ik, dat is een consistente houding van zijn kant. Echter, als je ervan uitgaat dat er al te veel werkdruk is en dat er al te veel stress is, dan moet je toch geen extra stressfactor gaan creëren door mensen bij elkaar te plaatsen die niet bij elkaar geplaatst zouden moeten worden omdat dit extra agressie oplevert? Dat snapt de heer De Roon toch ook wel? De heer De Roon (PVV): Voor zover dit een probleem zou vormen voor het personeel, is ons antwoord hierop dat iedere agressie van gedeti- neerden jegens personeel krachtig de kop ingedrukt moet worden. Ik heb de staatssecretaris dan ook gevraagd of het sanctiesysteem wel voldoende is en of het wel voldoende duidelijk en hard wordt toegepast. Mevrouw Bouwmeester (PvdA): De heer De Roon vraagt of het sanctie- systeem voldoende is om het geweld de kop in te drukken. Ik denk dat iedereen het met hem eens is dat geweld niet kan. Stel dat de staatssecre- taris antwoordt dat het sanctiesysteem niet werkt, maar dat zij wel andere maatregelen kan nemen. Staat de heer De Roon hier dan voor open? De heer De Roon (PVV): In principe staan wij voor alles open, voor iedere nieuwe en goede gedachte. Wat voor andere oplossingen er ook zijn, agressieve handelingen en gedragingen van gedetineerden jegens perso- neel moeten in ieder geval krachtig worden bestraft. Het is niet toelaat- baar dat wij dit door de vingers zien en zeggen dat wij dit wel oplossen met andere maatregelen. Andere oplossingen zijn misschien wel goed en ik ben er niet op tegen om erover na te denken. In elk geval moet iedere agressieve gedraging worden gestraft, heel consequent, zoals dat ook in de samenleving behoort te gebeuren. De heer Jager (CDA): Voorzitter. Voordat ik aan mijn inbreng begin, wil ik even reageren op de opmerking van mevrouw Van Velzen en de heer Teeven. Ik heb hier niet eerder op gereageerd, omdat ik dat niet wenselijk Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 9 vond in mijn rol als vervangend voorzitter. Bij mijn weten heeft de CDA-fractie het schriftelijk overleg niet aangevraagd. Ik heb het in ieder geval niet aangevraagd. Anders is sprake geweest van een miscommunicatie. Ik heb immers zelfs binnen mijn eigen fractie aange- geven dat ikzelf geen behoefte had aan een schriftelijk overleg over gesprekken die ik al had gevoerd, maar dat ik graag de ruimte liet aan anderen om wel daarvoor te kiezen. Ik heb het overleg in ieder geval niet aangevraagd, dus moet er sprake zijn van miscommunicatie. Straks kom ik nog te spreken over het punt communicatie in het gevangeniswezen. Misschien kunnen wij hieruit ook lering trekken. Wij spreken over een hele serie inspectierapporten. Ik wil allereerst mijn waardering uitspreken voor de wijze waarop de Inspectie voor de Sanctie- toepassing deze rapporten opstelt en voor het feit dat wij ongeveer ieder halfjaar in de gelegenheid zijn om erover te spreken. Het doel van de inspectierapporten spreekt ons zeer aan, namelijk ervoor zorgen dat wij op een goede wijze omgaan met de sanctietoepassing in Nederland. Daar- naast wil ik namens de CDA-fractie mijn waardering uitspreken voor de medewerkers op de werkvloer van de inrichtingen. Zij verrichten goed werk onder soms moeilijke omstandigheden, zoals de gesignaleerde werkdruk en een constante alertheid die tijdens dit werk wordt gevraagd. Deze medewerkers aan de basis zorgen enerzijds voor een veilige samen- leving en anderzijds voor een humane detentie van gedetineerden die aan hun bewaking en hun zorgen zijn toevertrouwd. Er zijn ook zorgen. Ik begin met de ongewenste omgangsvormen en de werkdruk bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Onderzoek stemt ons niet hoopvol. 43% van het aan het onderzoek onderworpen personeel in het gevangeniswezen ervaart regelmatig of structureel last van stress. De Arbeidsinspectie noemt als oorzaak hiervoor de hoeveelheid werk en ongewenste omgangsvormen. Ook de managementcultuur moet volgens de Arbeidsinspectie worden aangepakt. Het zorgelijkste punt is niet alleen de omvang van het probleem, maar ook het feit dat ongewenste omgangsvormen binnen drie verschillende verstandhoudingen tot uiting komen: tussen personeelsleden onderling, tussen personeelsleden en gedetineerden en tussen leidinggevenden en personeel. Dit laatste punt bemoeilijkt ook de cultuuromslag die doorgaans juist van de kant van de leidinggevenden zou moeten worden ingezet. Je merkt dit aan de reactie op de modernisering van het gevangeniswezen. De kritiek die je hoort is himmelhoch jauchzend, heel positief dus. Een en ander landt echter niet aan de onderkant van het gevangeniswezen. Ik vind dat hiervoor de nodige aandacht mag worden gevraagd. Het kan toch niet zo zijn dat wat wij in de Kamer beslissen, samen met de staatssecretaris, landt in de organisatie, maar niet bij de mensen die er daadwerkelijk mee moeten werken? Ik hoop dat niet alleen de medezeggenschapsinstellingen, maar ook de staatssecretaris dit punt naar aanleiding van dit overleg ter hand neemt, opdat een en ander wel landt in de organisatie. In hoeverre is de werkdruk te wijten aan onvervulde vacatures? Of is sprake van een tekort aan capaciteit op de werkvloer? Dan de nachtveiligheid in het gevangeniswezen. De staatssecretaris geeft in haar brief aan dat DJI nog steeds investeert in nieuw beleid in het kader van brandveiligheid en dat er nog enkele onderzoeken lopen. Kan zij toelichten wanneer deze onderzoeken worden afgerond, wat de inhoud is van het nieuwe beleid en op welke termijn het zal zijn geïmplementeerd? In welke zin brengt de reglementering van de 30-minutennorm beper- kingen met zich mee voor het aantal beschikbare functionarissen? Kan de staatssecretaris aangeven op welke wijze toezicht wordt gehouden op het beheer van noodsleutelbossen als uniformering niet mogelijk is en men zich moet beperken tot maatwerk per inrichting? Dan de capaciteit per regio. Wat zijn de bijzondere groepen waarop de staatssecretaris doelt in haar brief? De CDA-fractie begrijpt dat detentie voor kleine doelgroepen zoals vrouwen of strafrechtelijk gedetineerde Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 10 vreemdelingen qua faciliteiten bij voorkeur geconcentreerd plaats moet vinden. Wel is zij van mening dat de uitgangspunten die voor mannelijke gedetineerden gelden ten aanzien van regionale opvang, bijvoorbeeld in verband met de aansluiting op vervolgvoorzieningen, net zo goed zouden moeten gelden voor vrouwelijke gedetineerden. Hoe waarborgen de peni- tentiaire inrichtingen in de praktijk de aansluiting op de vervolg- voorzieningen in de eigen regio van vrouwelijke gedetineerden? Verder vernemen wij graag hoe de bezoekregeling geregeld is voor vrouwen met kinderen. Is sprake van een belemmering als men niet in de eigen regio wordt opgesloten? De vorige keer hebben wij ook gesproken over het uitbreiden van de bezoekmogelijkheden voor kinderen, bijvoor- beeld ook in de middaguren in plaats van alleen in de avonduren. Kan de staatssecretaris aangeven of dit momenteel in alle penitentiaire inrich- tingen mogelijk is? Tot slot een opmerking over de reactie van de regering op het advies met betrekking tot meerpersoonscelgebruik. De Raad voor Strafrecht- toepassingen en Jeugdbescherming (RSJ) geeft aan dat Nederland de vernieuwde European prison rules heeft ondertekend, maar hiervan struc- tureel afwijkt. Daarnaast beveelt de RSJ aan, de contra-indicaties voor plaatsing in een meerpersoonscel en de toepassing ervan aan te scherpen. Dit zijn twee conclusies die de CDA-fractie zorgen baren. Zij onderschrijft de argumentatie van de staatssecretaris voor het gebruik van meerpersoonscellen, maar vraagt zich wel af of de discrepantie tussen de European prison rules en het Nederlandse standpunt en het gebruik van meerpersoonscellen niet al bij de ondertekening van deze rules gesigna- leerd had moeten worden. De hervormingen in het gevangeniswezen worden voortgezet, gericht op differentiatie. Hierbij zou extra aandacht zijn voor draagvlak voor arbeid, ook voor kortgestraften, voor behandeling en voor nazorg. De recidive wordt verder teruggebracht na herinvoering van voorwaardelijke invrij- heidstelling, gerichte begeleiding en zorg. Dit punt is helder. Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de modernisering van het gevangeniswezen? Kan de staatssecretaris per individu of per instelling aangeven wat de gemiddelde hoeveelheid klachten van de gedetineerden is? Over welke onderwerpen gaan de klachten? Mevrouw Van Velzen (SP): Ik ben blij verrast met de opmerking van de heer Jager over de regionale plaatsing van ook vrouwelijke gedeti- neerden. Dit druist volstrekt in tegen het beleid dat de staatssecretaris geformuleerd heeft, namelijk dat dit voor mannen geldt en dat vrouwen- en vreemdelingendetentie niet regionaal georganiseerd kan worden. Is de heer Jager bereid om te polsen in hoeverre er in de Kamer steun is voor zijn voorstel? Of legt hij zich straks neer bij de herhaling van de staatsse- cretaris dat dit niet voor vrouwen gaat gelden? De heer Jager (CDA): Om misverstanden te voorkomen, ik heb aange- geven dat het ons zorgen baart dat je dit niet op die manier kunt doen. Wij begrijpen dat concentratie van deze mensen op een en dezelfde plaats noodzakelijk is. Aan de andere kant baart het ons zorgen hoe dit aansluit op de terugkeer in de samenleving en het begeleiden van mensen, zoals wij dat bij mannelijke gedetineerden doen. Ik wil van de staatssecretaris weten hoe zij bij een concentratie van vrouwelijke gedetineerden waar- borgt dat dezelfde garantie geboden kan worden. Ik zeg niet dat ik het beleid omgooi. Wel wil ik van de staatssecretaris weten hoe zij een en ander borgt. Mevrouw Van Velzen (SP): Ik deel de zorgen van de CDA-fractie. Volgens mij worden mannelijke gedetineerden niet voor niets regionaal geplaatst. Dat is immers beter voor de aansluiting en voor de resocialisatie. Hiermee Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 11 heeft de heer Jager zijn antwoord toch al? Ik vraag hem nogmaals of hij er samen met ons voor gaat zorgen dat vrouwen ook regionaal geplaatst kunnen worden. Of is dit gewoon een kwestie van het delen van zorgen om er vervolgens een punt achter te zetten en over te gaan tot de orde van de dag? De heer Jager (CDA): Ik denk dat mevrouw Van Velzen en ik er hetzelfde over denken. Ik wil zien dat op eenzelfde manier gewaarborgd wordt dat de terugkeer in de samenleving kan plaatsvinden. Ik kan mij ook voor- stellen dat er arrondissementen zijn met maar één vrouwelijke gedeti- neerde. Dan is het moeilijk om hierop een ander systeem los te laten. Je zult een en ander dus moeten combineren. Deze arrondissementen zijn er gelukkig ook nog. Dat is een positief punt voor zo’n arrondissement, maar dat werkt wel in het nadeel van die ene mevrouw. Ik wil weten hoe in zo’n geval de terugkeer wordt gewaarborgd. Als de staatssecretaris mij hierop een afdoend antwoord kan geven en ik een en ander ook kan controleren aan de hand van de bevindingen van de inspectie, dan wil ik een volgende keer bezien welke conclusies wij hieraan kunnen verbinden. Antwoord van de staatssecretaris Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Op de agenda staan dertien onder- werpen. Gezien het feit dat wij maar twee uur spreektijd hebben, kan dit nooit betekenen dat alle dertien onderwerpen uitgeplozen worden. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het erg op prijs heb gesteld dat de Kamer de schriftelijke ronde heeft aangegrepen om een aantal heel concrete vragen over de soms eveneens heel concrete rapporten van de ISt te stellen. Dit ontlast een algemeen overleg natuurlijk ook. Je hebt immers altijd maar beperkt tijd. Eerder hebben wij een algemeen overleg gehad waarin wij eveneens over een groot aantal inspectierapporten hebben gesproken. Mijns inziens verzandde dat overleg in een discussie over heel concrete vragen en werden er vooral technische vragen gesteld en techni- sche antwoorden gegeven. Ik kan mij voorstellen dat dit niet bevredigend is voor de Kamer. Zelf heb ik er eerlijk gezegd ook een niet al te goed gevoel aan over gehouden. Daarom heb ik ook zelf voorgesteld om een en ander anders aan te pakken door middel van een schriftelijke ronde. Ik heb gezien dat hiervan inderdaad beperkt gebruik is gemaakt door de Kamer. Echter, ik had de indruk dat de woordvoerders van de fracties die zelf geen vragen hebben gesteld, wel de antwoorden hebben gelezen op de vragen die zijn gesteld en deze hebben verwerkt in hun inbreng. Dank daarvoor. Dit zorgt ervoor dat wij in dit debat het een en ander kunnen doen, bijvoorbeeld het onder de aandacht brengen van de rol en de waarde van de Inspectie voor de Sanctietoepassing. Volgens mij zien wij de inspectie in de paar jaar dat zij nu werkzaam is een aantal dingen goed doen. Op basis van de doorlichting per inrichting zien wij allereerst dat de vinger op de zere plekken wordt gelegd. Dit wordt gedaan per inrichting naar aanleiding van een concrete situatie, soms ook met aanbevelingen die alleen gelden voor de betreffende inrichting. Ik denk dat het goed is om maatwerk toe te passen en per inrichting te bezien wat er verkeerd gaat. Je kunt immers praten over structurele problemen die zich in het hele gevangeniswezen voordoen, maar vaak blijkt in de praktijk dat de ene inrichting wel goed presteert op een bepaald punt en een andere niet. De inspectie komt met aanbevelingen per inrichting die volgens mij zeer waardevol zijn. In veel van mijn reacties heeft de Kamer kunnen lezen dat, zo niet in 100% dan toch in veel gevallen, de aanbevelingen worden overgenomen. Daarnaast begint de waarde van de inspectie zich ook af te tekenen in het leggen van de vinger op de zere plekken in het stelsel. Als je bij ieder rapport ziet dat steeds hetzelfde onderwerp bij de kop wordt gepakt en hierin tekortkomingen worden geconstateerd, dan zegt dit iets over de noodzaak tot verbete- Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 12 ringen ten aanzien van bijvoorbeeld het drugsbeleid. Dit onderwerp is door de Kamer zelf al geagendeerd. Inmiddels ligt er een plan dat tot verbeteringen zal leiden. Je ziet dat het een terugkerend onderwerp in de rapporten van de ISt is. Dit laat zien dat verbeteringen hard nodig zijn. Ik kom hier later nog op terug. Het tweede onderwerp bevat als verzamelonderwerp alles wat te maken heeft met de modernisering van het gevangeniswezen, de nazorg en het terugdringen van recidive. Hoe zorgen wij ervoor dat wij doorbreken wat wij in Nederland jarenlang als een soort vanzelfsprekendheid een plek hebben gegeven, namelijk een torenhoge recidive? Dagelijks zijn veel inrichtingsmedewerkers met veel toewijding en energie en met de bijbe- horende kosten bezig met mensen die de fout in zijn gegaan. Wij zijn er maar niet in geslaagd de duur waarin wij mensen in detentie hebben maximaal te gebruiken om ervoor te zorgen dat wij de voorbereiding en aansluiting op de samenleving zo optimaal krijgen, dat zij niet na korte of langere tijd weer dezelfde fouten begaan. De inspectie zegt dat de door- lichting laat zien dat re-integratie en nazorg – een en ander begint met screening: wat moet je per persoon voor elkaar krijgen om recidive terug te brengen? – de komende jaren echt nog flink wat aandacht behoeft. Ik verwacht dat deze constateringen van de inspectie mij niet alleen sterken, maar ook helpen bij enerzijds het vormgeven van het plan van aanpak ten aanzien van de modernisering van het gevangeniswezen waarvan de Kamer nog voor de kerst de concrete uitwerking zal ontvangen, en ander- zijds een sluitende aanpak inzake nazorg waarover wij over 11 december nader met elkaar van gedachten zullen wisselen. Dit wordt wat mij betreft een belangrijk debat waarin wij wat dieper zullen ingaan op een aantal vragen dat vandaag is gesteld. De doorlichting per inrichting is belangrijk. Het is tevens van belang om structurele verbeterpunten onder de aandacht te houden. Daarnaast zien wij een aantal themarapporten. De Kamer heeft concrete vragen gesteld over de informatieoverdracht, over de veiligheid en de werkdruk et cetera. Ik zal deze vragen straks beantwoorden, maar wij kunnen vaststellen dat ook deze themaonderzoeken meer dan waardevol zijn voor structurele verbeteringen. Dit geldt uiteraard ook voor het onderwerp meerpersoons- celgebruik. Ik heb de Kamer reeds toegezegd dat zij in het eerste kwartaal van 2009 een masterplan detentiecapaciteit zal ontvangen. Dit is vanzelf- sprekend gekoppeld aan de modernisering van het gevangeniswezen waarin wij het uitgangspunt van regionale plaatsing consequent door- trekken. Dit zegt ook iets over alle vragen over capaciteitsbehoeften en over het maximaal benutten van regionale plaatsing om recidive te voor- komen. Hoe kan voorkomen worden dat regionale personele uitdagingen in combinatie met de gebouwelijke situatie leidt tot het tegenwerken van de eigen beleidsdoelen ten aanzien van het terugdringen van recidive? Wij hebben al bijna twee jaar gesproken hoe wij het gevangeniswezen kunnen moderniseren zonder het, in de woorden van mevrouw Van Velzen, onmenselijk te maken. Het tegendeel is waar. Wij willen juist persoons- gericht werken en per persoon bezien wat de behoeften zijn, met al dan niet bijzondere voorwaarden, met een dagbesteding en met ruimte voor ontwikkeling, onderwijs en arbeid om ervoor te zorgen dat iemand bij terugplaatsing in de samenleving betere uitgangspunten heeft dan voor zijn detentie. Het hele systeem wordt dus juist menselijker. Het masterplan detentiecapaciteit zal hieraan een bijdrage leveren. Wij weten dat momenteel veel gedetineerden in Nederland boven hun beveiligingsniveau zitten. Wij hebben juist behoefte aan beperkt bevei- ligde inrichtingen en zeer beperkt beveiligde inrichtingen, zeker ingeval van kortgestraften die in de regio gedetineerd zijn. In dat geval moet je met trajecten werken waarmee recidive echt voorkomen kan worden. In het masterplan detentiecapaciteit zal worden ingegaan op de gebouwelijke en regionale ontwikkeling van deze behoefte, in aansluiting op de visie op de toekomst van het gevangeniswezen en de modernise- Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 13 ring ervan. Het gaat nu wat ver om de details ervan te bespreken. Een en ander is ofwel voor de kerst geagendeerd ofwel in het eerste kwartaal van 2009 onderwerp van bespreking. De heer Jager (CDA): Wanneer kunnen wij dit masterplan tegemoet zien? Staatssecretaris Albayrak: Aan het einde van het eerste kwartaal van 2009. De heer Jager (CDA): Voor 31 maart 2009 hebben wij het dus? Staatssecretaris Albayrak: Ja. Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ik heb een vraag over de inspectie- rapporten en de doorlichting. De staatssecretaris geeft aan dat een aantal punten terugkomt dat wij erg belangrijk vinden, zoals het terugdringen van recidive, de nazorg, het drugbeleid en het moderniseren van het gevangeniswezen. Betekent dit dan ook dat deze onderwerpen standaard worden meegenomen in de doorlichting door de inspectie? Nu wordt wel op een aantal punten gekeken, maar nog niet standaard. De staatssecre- taris geeft een beleidswijziging aan die mijns inziens heel terecht is. Staatssecretaris Albayrak: Mevrouw Bouwmeester heeft deze vraag gesteld in haar eerste termijn. Dit was tevens de eerste vraag die ik wilde gaan beantwoorden, want ik heb eerst een aantal algemene opmerkingen willen maken, ook omdat de Kamer in haar eerste termijn niet echt heel stilgestaan bij de functie van de ISt in dit proces en de wijze waarop ik de inspectierapporten gebruik om de plannen en de visies te perfectioneren. Een doorlichting mag nooit op zichzelf staan, in de zin dat wij zeggen: mooi dat wij dit weten, het rapport kan de kast in en dan komt het verder wel goed. Zodra de rapporten gereed zijn, gebeurt er een aantal dingen. Allereerst gebruikt de Dienst Justitiële Inrichtingen de rapporten als sturingsinstrument om te bezien hoe de directies van de instellingen de aanbevelingen overnemen en gebruiken om zaken te verbeteren. Hiertoe hebben wij ook een protocol vastgesteld dat de inrichtingsdirecties verplicht om de aanbevelingen door middel van actiepunten met bijbeho- rend tijdpad in een plan van aanpak vast te leggen. Dit protocol stelt DJI in staat om de voortgang van de verbeteringen te bewaken. Momenteel onderzoeken wij hoe wij een landelijk informatiesysteem kunnen opzetten dat dit proces ondersteunt, opdat wij niet alleen per instelling, maar ook landelijk in de gaten kunnen houden wat er met de aanbevelingen van de ISt gebeurt. Verder gaat de ISt zelf in de vorm van vervolgonderzoeken na of de eerdere aanbevelingen zijn opgevolgd. Mevrouw Van Velzen (SP): De Kamer heeft inderdaad niet verder stilge- staan bij de inspectie, maar volgens mij komt dat omdat zij erkent dat de inspectie goed functioneert. Dit punt is niet voor niets niet aan de orde geweest; wij verlangen geen nadere toelichting. De staatssecretaris zei zo-even dat er voor kerst een nadere brief volgt over de vermeende modernisering van het gevangenisbeleid. Kan deze brief al eerder komen, voor het volgende debat over de nazorg, opdat wij hem dan kunnen bespreken? Staatssecretaris Albayrak: Dan begrijpt mevrouw Van Velzen niet hele- maal wat ik bedoel. Een tijdje geleden hebben wij een visie gepresen- teerd. Deze is vertaald in maatregelen en in concrete voorstellen ten aanzien van bijvoorbeeld regionale spreiding en detentiecapaciteit. Hierbij heb ik uitdrukkelijk de route willen volgen om met de medezeggenschap, de ondernemingsraden en het personeel in gesprek te blijven over de vraag of dit een visie is die in de uitwerking gedragen wordt door het Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 14 personeel. Het vorige traject, Detentie en Behandeling op Maat Volwas- senen (DBM-V), is immers stukgelopen op het gebrek aan communicatie tussen de bedenkers van die visie en het personeel. Als men vraagt waar de uitwerking blijft, dan zeg ik dat het voor mij belangrijk is dat het perso- neel in het proces niet alleen betrokken, maar ook gekend wordt. Dit maakt dat het allemaal iets langer duurt. Ik denk bovendien dat het verkeerd is om dit punt te koppelen aan het algemeen overleg over nazorg. Dat zou de visie op nazorg, die een onderdeel is van de totale visie op het gevangeniswezen en detentie, tekort doen. Modernisering gevan- geniswezen omvat zo veel maatregelen dat je dit punt afzonderlijk moet behandelen. Ik ga verder met de beantwoording van de vragen. Ik was begonnen met de vraag van mevrouw Bouwmeester over de follow-up en hoe geborgd wordt dat met de aanbevelingen daadwerkelijk verbeteringen worden gerealiseerd. Mevrouw Bouwmeester vraag verder naar de informatie- overdracht en hoe wij de verbeteringen kunnen volgen. Bijvoorbeeld ten aanzien van de aansluiting op de nazorg – nu is nog sprake van structurele tekortkomingen – is informatieoverdracht van essentieel belang. Wat de verbetermaatregelen zijn en hoe deze te volgen zijn kan men mijns inziens gedeeltelijk opmaken uit de brief van 29 augustus over een sluitende aanpak van de nazorg. Op 11 december houden wij hierover, zoals gezegd, een algemeen overleg. Bij die gelegenheid zal ik uitgebreid ingaan op vragen als: hoe gaat samenwerkingsmodel eruit zien? Is er ruimte voor maatwerk gelet op het verschil tussen kleine en grote gemeenten? Hoe voorkomen wij dat een en ander afhankelijk is van een individuele contactpersoon bij de gemeente die goed op de hoogte is en zorgen wij ervoor dat gemeenten dit punt constitutioneel goed oppakken? Het lichtend voorbeeld in Nederland is Rotterdam en de Rotterdamse aanpak met betrekking tot de aansluiting: weten welke gedetineerde terugkomt en ervoor zorgen dat de gemeentelijke instanties klaarstaan om deze persoon in een vervolgtraject ook echt te helpen met werk, inkomen, identiteitsbewijs en dergelijke. Dit komt wat mij betreft allemaal in het AO van 11 december aan de orde. Verder vraagt mevrouw Bouwmeester waarom de Ik-Jij-Wij-training niet door de erkenningscommissie erkend is als gedragsinterventie. Zij vraagt zich af of dit wellicht te maken heeft met het feit dat wij alleen maar kijken of een dergelijke training bijdraagt aan recidivevermindering. Als de erkenningscommissie een interventie niet erkent, dan is dat nooit een eindstation. De commissie komt altijd met handreikingen hoe ervoor gezorgd kan worden dat een interventie wel erkend wordt. Als er verbete- ringen zijn aangebracht, kan een interventie weer aangeboden worden en wordt zij wellicht wel erkend. Een week of twee geleden was ik in Zwolle, bij de vrouwendetentie. Per definitie gaat het hierbij om een kleiner aantal gedetineerden dan ingeval van mannelijke gedetineerden. Je kunt bijna nooit wetenschappelijk aantonen dat een dergelijke training werkt, omdat de doelgroep zo klein is. Met de normen van de commissie krijg je wat wel werkt wellicht niet altijd in beeld. Het is jammer om alleen maar langs die route te toetsen. Ik deel deze zorg van mevrouw Bouwmeester. De inrichtingsmedewerkers zelf kennen deze zorg ook. Ik zal dit nadrukkelijk een plek geven. Momenteel zijn wij in gesprek met Humanitas om te bezien hoe je kunt behouden wat tijdens deze training waardevol is gebleken. Dat is inclusief de financiering. Wij zitten op een paar sporen. Je zou kunnen kijken of je via vrijwillige deelname financiering voor elkaar zou kunnen krijgen en of je langs de weg van erkenning kunt investeren in een ander type toets om vast te stellen of een training werkt of niet. Wij zijn er dus mee bezig. Zonder vooruit te lopen op de uitkomst, denk ik dat wij hetzelfde doel hebben, namelijk dat wat werkt voor deze specifieke doelgroep van vrouwen met kinderen die hun zorgtaak tijdens detentie willen blijven vervullen of na detentie moeten oppakken, maximaal voor elkaar krijgen. Afgelopen dinsdag is er een motie van mevrouw Bouw- Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 15 meester aangenomen die is ingediend op het terrein van Jeugd en Gezin. Hierin wordt gevraagd om een visie op de omgang tussen ouders en kinderen überhaupt. Bij het uitwerken van deze motie zullen wij een plek geven aan de vraag hoe om te gaan met de Ik-Jij-Wij-training. Mevrouw Bouwmeester en de heer Teeven vragen naar het onderzoek naar werkdruk, agressie en onderlinge omgangsvormen. De redenen hiervoor hoef ik niet te herhalen; deze worden allemaal genoemd in het rapport van de Arbeidsinspectie. De urgentie is duidelijk. De percentages verkeerde omgangsvormen in de hiërarchische lijn en tussen medewer- kers onderling zijn behoorlijk confronterend. Eveneens confronterend is het feit dat wij met de beste bedoelingen nog niet zo heel erg ver zijn opgeschoten. Als je het rapport van de Arbeidsinspectie erop naslaat, dan zie je dat er bijna vanzelfsprekend vanuit gegaan wordt dat de betreffende functies per definitie vanwege de aard van het werk gekenmerkt worden door zware of zeer zware psychische belasting. Niet alleen is sprake van fricties tussen medewerker en gedetineerde, maar ook tussen medewer- kers onderling. Medewerkers zouden een twee keer zo hoog risico lopen op een agressieve benadering door collega’s of leidinggevenden. Een dergelijke score is voor een werkgever niet acceptabel. Hoezeer wij ook wel weten dat het enigszins hoort bij de aard van de werkzaamheden, moet je actie ondernemen als je hoort dat de percentages dusdanig hoog zijn. Inmiddels is er intensief overleg met de bonden en het personeel geweest. Mevrouw Bouwmeester vroeg hiernaar. Dit is een van de redenen dat het even heeft geduurd voordat het plan van aanpak er was. Dit plan ligt er nu. Eind 2010 moet er sprake zijn van 50% minder onge- wenste omgangsvormen van de kant van leidinggevenden. Dat is fors. Tussen het personeel onderling moet dat 30% zijn. Wij hebben eerder forse ambities gehad. Als wij dit plan van aanpak strak monitoren en sturen op het daadwerkelijk doorvoeren van de gemaakte afspraken, dan moeten wij erin kunnen slagen om in 2010 deze ambities gerealiseerd te zien. Ik vind het belangrijk dat wij hierover in gesprek blijven met het personeel. Ik hoorde de heer Jager complimenten maken aan het DJI-personeel. Dat is ook mij uit het hart gegrepen. Er werken in het gevangeniswezen alleen 12 000 medewerkers. Als je met zo’n grote uitvoeringsorganisatie te maken hebt, dan weet je dat altijd wel sprake zal zijn van een bepaalde vorm van belasting, zeker met dit type werk. Het is mijn verantwoordelijk- heid om die belasting waar mogelijk terug te brengen, zeker gezien deze percentages. Dank voor de complimenten. Deze gelden uiteraard ook voor de medewerkers uit Sittard die vandaag aanwezig zijn. Mevrouw Van Velzen vraagt of de aangescherpte maatregelen inzake het drugsbeleid zullen betekenen dat vaders geen fysiek contact meer mogen hebben met hun kind. De ervaring leert dat het tijdens bezoek om een enkel geval gaat. Het is niet zo dat wij met zalen vol kinderen zitten die graag bij pappa op schoot willen. Inmiddels hebben wij afgesproken dat de «slang» niet zal betekenen dat er een absoluut verbod is op fysiek contact met het kind. In de enkele gevallen dat hieraan behoefte is, zal het toezichthoudend personeel gericht toezicht houden. Fysiek contact kan dus, maar dan zal het toezicht gericht zijn op die ene vader en zijn kind, opdat niet via het kind – dat is helaas de werkelijkheid –weer allerlei drugs worden aangereikt. Mevrouw Van Velzen heeft verder gevraagd naar de formatieplaatsen voor het onderwijs. Tijdens de behandeling van de Justitiebegroting heb ik al aangegeven dat hiervoor de afgelopen jaren een redelijk constant aantal fte beschikbaar is. Ik verwijs dan ook naar dat antwoord. Wij stellen momenteel een nader beleidskader op voor het onderwijs. Hierin wordt bepaald wat het onderwijsaanbod per doelgroep moet zijn. Over de exacte aantallen en over de ontwikkelingen zal ik de Kamer nog per brief informeren. Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 587, nr. 317 16 Verder heeft mevrouw Van Velzen gevraagd wat wij gaan doen aan de knelpunten bij arbeid. Juist om deze knelpunten op te lossen is het project Werkt! In het leven geroepen. Ik heb de laatste tijd juist in het kader van arbeid in inrichtingen veel werkbezoeken afgelegd. Je ziet dat men hierbij heel erg afhankelijk is van het binnenhalen van opdrachten. Er zitten professionals op die proberen om opdrachten te verwerven. De overheid is hierbij nadrukkelijk als doelgroep betrokken. Een en ander gaat steeds beter. De vraag over de zbbi heb ik mijns inziens voldoende beantwoord. Mevrouw Van Velzen vindt het een succesvol initiatief en vraagt of er meer capaciteit komt. Dit is onderdeel van het masterplan detentiecapaciteit dat de Kamer begin 2009 zal ontvangen. Daarnaast is de inspectie van plan om in 2009 een themaonderzoek te doen naar de zbbi’s. Dit is een van de onderwerpen in het concept-inspectiejaarplan. Ik denk dat het goed is om te bezien wat de inspectie in het kader van haar themaonderzoek allemaal boven tafel krijgt. Ik zal dit nadrukkelijk betrekken bij mijn verdere plannen. Dan de vraag van mevrouw Van Velzen over het meerpersoonscelgebruik. Ik ben bang dat wij het hierover nooit met elkaar eens zullen worden. Ik ben echt v