Gedogen in Nederland; Nota 'Grenzen aan gedogen'

Downloads

Download als PDF: kst-25085-2.pdf

Metadata

Dossiers
Organisaties
Datum publicatie1996-11-05
Document type
  • Kamerstuk
  • officiële publicatie

 

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996–1997 25 085 Gedogen in Nederland Nr. 2 NOTA INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 5 6.3 Implementatie van EG-regelgeving en controle door het Europese Hof 25 DEEL I ANALYSE VAN HET VERSCHIJNSEL GEDOGEN 11 6.4 Controle door vertegenwoordigende lichamen 27 6.5 Aanvullende vormen van controle 27 1. Inleiding: probleemstelling en doel van de nota 11 7. Historische achtergrond en gedogen in het buitenland 28 2. Naleving en handhaving van wettelijke normen 12 7.1 Historische achtergronden van gedogen 28 7.2 Gedogen in het buitenland 30 3. Evenwichtige rechtshandhaving 14 DEEL II GRENZEN AAN GEDOGEN 33 4. Definitie en verschijningsvormen van gedogen 16 4.1 Definitie van gedogen 16 8. Gedogen als rechtsstatelijk dilemma 33 4.2 Verschijningsvormen van gedogen 17 8.1. Handhaven en gedogen in rechtsstatelijk per- spectief 33 5. Waarom en in welke gevallen wordt gedoogd? 18 8.2. Omgaan met het rechtsstatelijk dilemma 34 5.1 Inleiding 18 5.2 Gedogen op basis van afweging van belangen 18 9. Grenzen aan gedogen 35 5.3 Gedogen voortkomend uit onvermogen of 9.1 Inleiding 35 onwil tot handhaven 20 9.2 Gedogen slechts in uitzonderingsgevallen 35 5.3.1 de regelgeving is slecht uitvoerbaar of 9.2.1 inleiding 35 slecht handhaafbaar/de regelgeving is 20 9.2.2 handhaving zou leiden tot aperte onbillijk- 5.3.2 de uitvoerende/handhavende instanties heden 35 zijn slecht geequipeerd en/of functioneren ¨ 9.2.3 het achterliggende belang is evident beter slecht 20 gediend met gedogen 36 5.3.3 onwil tot handhaven 21 9.2.4 zwaarder wegend belang kan gedogen soms rechtvaardigen 37 6. Controlevormen met betrekking tot gedogen 21 9.3 Gedogen mag slechts tijdelijk 39 6.1 Inleiding 21 9.4 Gedogen expliciet en na zorgvuldige kenbare 6.2 Controle door de rechter 22 belangenafweging 40 6.2.1 rechterlijke controle in het bestuursrecht 22 9.5 Gedogen dient aan controle te zijn onderwor- 6.2.2 rechterlijke controle in het strafrecht 24 pen 41 6.2.3 strafrechtelijke consequenties van 9.6 Slot: het voorkomen van gedogen ´ 41 bestuurlijk gedogen 24 6.2.4 civielrechtelijke consequenties van bestuurlijk gedogen 25 61U2572 ISSN 0921 - 7371 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 1996 Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 3 Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 4 SAMENVATTING 1. Inleiding; probleemstelling en doel van de nota Deze nota beoogt, in deel I, allereerst duidelijkheid over het begrip gedogen en de diverse verschijningsvomen van gedogen te verschaffen. Zij geeft aan aan welke controlevormen gedogen onderworpen is en laat zien dat gedogen niet een uniek Nederlands en niet een typisch heden- daags verschijnsel is. De nota geeft na deze analyses vervolgens, in deel II, antwoord op de kernvraag of en zo ja in welke gevallen, in welke mate en onder welke voorwaarden gedogen aanvaardbaar kan zijn, alsmede welke middelen worden ingezet om de oorzaken van gedoogpraktijken te voorkomen. De nota betreft het gedogen op het gehele terrein van het bestuurs- recht. Dat is een breed en divers terrein waardoor de nota een globaal karakter heeft. Het kan daarom wenselijk zijn de algemene bevindingen en conclusies van deze nota voor bepaalde onderwerpen of beleidsterreinen nader uit te werken. Gedogen op het terrein van het strafrecht wordt, in verband met de brede invalshoek van deze nota, mede in de beschou- wingen betrokken. DEEL I ANALYSE VAN HET VERSCHIJNSEL GEDOGEN 2. Naleving en handhaving van wettelijke normen Wettelijke normen worden gesteld om belangen te beschermen, de samenleving te ordenen, gedragsverandering teweeg te brengen of ten behoeve van het bereiken van bepaalde beleidsdoelstellingen. Wetten worden ook tot stand gebracht om rechtszekerheid te verschaffen en rechtsgelijkheid te verzekeren. Zij vormen doordat zij via een democra- tisch proces tot stand zijn gekomen een neerslag van de rechtsnormen die de samenleving noodzakelijk acht. Wetten bevatten dan ook geen vrijblijvende normen maar behoren te worden nageleefd en gehandhaafd. Bij het opstellen van de wet kunnen echter niet alle situaties worden voorzien. Daarom gaat ons recht ook niet van een volledige handhavings- plicht uit. In talloze bijzondere wetten wordt aan bestuursorganen een handhavingstaak toegekend. De wetgever heeft daarbij doorgaans voorzien in een wettelijke bevoegdheid, niet in een plicht, tot sanctio- nering. Daarmee geeft de wetgever bestuursorganen ook de bevoegdheid onder omstandigheden geen bestuursdwang uit te oefenen of geen bestuurlijke sanctie op te leggen. In het strafrecht heeft dit uitgangspunt onder meer erkenning gekregen in het opportuniteitsbeginsel: op gronden aan het algemeen belang ontleend kan onder omstandigheden van strafvervolging worden afgezien. De omstandigheid, dat ons recht geen volledige handhavingsplicht kent, betekent niet dat het met handhaving belaste orgaan de vrijheid heeft naar eigen inzicht te beslissen tot al dan niet handhaven. De aanwezigheid van een bevoegdheid schept immers ook een plicht: te weten de plicht om zorgvuldig en verantwoord gebruik te maken van die bevoegdheid. Deze plicht vereist dat aan elke beslissing inzake handhaving een zorgvuldige belangenafweging vooraf gaat. Daarbij moeten doel en strekking van de overtreden norm het uitgangspunt vormen. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 5 3. Evenwichtige rechtshandhaving Rechtshandhaving is het optreden van de overheid dat is gericht op het tot gelding brengen van de regelgeving. Hieronder valt zowel toezicht en preventie – de eerste stap in de handhaving – als, verderop in de keten, de reactie op een geconstateerde overtreding, onder meer in de vorm van reparatoire of punitieve sancties. Rechtshandhaving dient evenwichtig te zijn. Daartoe is het noodzakelijk steeds naar evenredigheid tussen doel en middel te bewerkstelligen. Dit doet zich op drie niveaus voor: op het niveau van de normstelling, op het niveau van de prioriteitstelling en op het niveau van de inzet van handhavingsmiddelen na het constateren van een normovertreding. Een evenwichtig handhavingsbeleid houdt in, dat op systematische wijze aan alle normovertredingen die aandacht wordt besteed die nodig is om een adequaat niveau van normbevestiging en naleving te bereiken. Dit niveau van handhaving kan verschillen per beleidsterrein en per soort norm. Voor een evenwichtige rechtshandhaving is het nodig noch wenselijk dat alles op alles wordt gezet om iedere overtreding van iedere norm te achterhalen. Een evenwichtig handhavingsbeleid noopt tot een zekere prioriteitstelling. Indien daardoor ten aanzien van bepaalde ´´ normovertredingen geen actief handhavingsbeleid wordt gevoerd, is er geen sprake van gedogen. 4. Definitie en verschijningsvormen van gedogen Gedogen komt in de huidige praktijk in twee hoofdvormen voor. De eerste vorm is, dat de met handhaving belaste overheidsinstantie ter zake van een eenmaal geconstateerde overtreding niet handhavend optreedt. De tweede vorm die in de praktijk voorkomt is, dat de met uitvoering of handhaving belaste overheidsinstantie reeds voordat een bepaalde overtreding plaatsvindt, aangeeft dat zij daartegen niet handhavend zal optreden. In de praktijk komt men gedogen in verdere varianten tegen: – impliciet dan wel expliciet – vooraf dan wel achteraf – incidenteel dan wel categorisch – onvoorwaardelijk dan wel onder voorwaarden. Dit zijn aanduidingen van diverse praktijkverschijnselen, waarmee derhalve nog niet is aangegeven in hoeverre die gedoogvormen aanvaardbaar moeten worden geacht. Dat komt pas in hoofdstuk 9 aan de orde, waarin het kabinet tot uitdrukking brengt dat gedogen tot uitzonde- ringsgevallen beperkt dient te blijven en dat daarbij ook nog verdere grenzen en voorwaarden in acht genomen moeten worden. 5. Waarom en in welke gevallen wordt gedoogd? Aan gedogen kunnen verschillende motieven en oorzaken ten grondslag liggen. In de eerste plaats kan de beslissing om te gedogen welbewust worden genomen na afweging van de betrokken belangen. In de tweede plaats kan gedogen voortkomen uit onvermogen tot handhaven bij de instantie die met de handhaving is belast. Wanneer wordt gedoogd op basis van een belangenafweging, is meestal sprake van expliciet gedogen, al dan niet onder het stellen van voorwaarden. Door bestuursorganen wordt bijvoorbeeld gedoogd indien men meent met gedogen beter aan het te beschermen belang tegemoet te kunnen komen dan met strikte handhaving. In de bestuurspraktijk wordt veel gedoogd op grond van vermeende overmachts- dan wel overgangssituaties. Vooral gedogen vooruitlopend Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 6 op een vergunning vindt in de praktijk frequent plaats. Een van de ´ redenen daarvan is de snelheid waarmee het bestuur meent te moeten inspelen op nieuwe situaties. Voorts wordt ook wel tijdelijk gedoogd – veelal ten aanzien van bedrijven – in geval van experimenten. Bij gedogen in tijdelijke situaties worden in de praktijk onder meer overwegingen van doelmatigheid in verhouding tot het te beschermen belang betrokken. Ook wordt onder de noemer van overgangssituaties gedoogd in afwachting van wetswijziging. Voorzover gedogen uit onvermogen of onwil tot handhaven voortkomt, geschiedt dit meestal impliciet en daardoor weinig opvallend. Gedogen uit onvermogen kan uit verschillende oorzaken voortkomen, bijvoorbeeld: – de regelgeving is slecht uitvoerbaar of slecht handhaafbaar, is onvoldoende toegesneden op praktijksituaties of bevat ontoereikend overgangsrecht – de uitvoerende/handhavende instanties zijn slecht geequipeerd en/of ¨ functioneren slecht, of er is te weinig capaciteit om het minimum aan handhaving te bereiken dat nodig is om de norm te bevestigen. Gedogen uit onwil is per definitie onaanvaardbaar. Aan deze vorm van gedogen ligt doorgaans een verschil van inzicht met de wetgever over wat wenselijk en rechtvaardig is ten grondslag. Gedogen op deze grond is apert in strijd met het beginsel dat de afweging die de wetgever heeft gemaakt, op het niveau van de handhaving niet mag worden overgedaan. 6. Controlevormen met betrekking tot gedogen De beginselen van de rechtsstaat brengen reeds in het algemeen mee dat de uitoefening van elke overheidsbevoegdheid aan controle is onderworpen en dat over die uitoefening verantwoording verschuldigd is. Dat geldt ook voor de bevoegdheid tot gedogen. In de nota zijn de mogelijkheden die er zijn om controle op de wijze waarop wordt gedoogd uit te oefenen beschreven. De volgende controlevormen komen aan de orde: door de gedogende instantie zelf, door de nationale rechter en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, door de volksvertegenwoordiging, door de Nationale ombudsman en door de Algemene Rekenkamer. Allereerst rust er een controletaak op de gedogende instantie zelf. Indien gedoogd wordt op basis van een belangenafweging moet immers steeds worden gecontroleerd of de overwegingen die hebben geleid tot de beslissing tot gedogen nog steeds actueel zijn. Als voorwaarden zijn verbonden aan de gedoogbeschikking, zal de gedogende instantie actief moeten controleren of die voorwaarden ook worden nageleefd. Essentieel is vervolgens, dat het handelen van de gedogende instantie aan onafhankelijke rechterlijke controle is onderworpen. Bij zijn toetsing hanteert de rechter onder meer onder meer het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het enkele feit dat het handhavend orgaan wel op de hoogte is van een overtreding, maar nog niet beslist heeft of het meent te moeten optreden, kan op zichzelf bij de overtreder niet de rechtens te honoreren verwachting doen ontstaan dat het de overtreding zal (blijven) gedogen. Uit het rechtszekerheidsbeginsel vloeit voort dat de burger door de overheid niet in een slechtere positie wordt gebracht dan uit de wet voortvloeit. Voor degene ten aanzien van wie wordt gedoogd, is dat ook niet het geval: deze wordt juist in een voordeliger positie gebracht dan waarin de wet voorziet. Een derde echter kan door het gedogen van de zijde van de overheid onevenredig in zijn belangen worden geschaad en moet daarom tegen de gedoogbeslissing kunnen opkomen. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 7 Indien sprake is van implementatie van EG-regelgeving, kan controle op de handhaving daarvan plaatsvinden door het Europese Hof. Het Hof neemt een strikt standpunt in. Bij de handhaving van EG-regelingen of van nationale regelingen die ter uitvoering van EG-recht gemaakt zijn is de ruimte voor gedogen zeer beperkt. Gerechtvaardigde verwachtingen zijn naar de rechtspraak van het Hof niet zonder meer voldoende om gedogen te rechtvaardigen. Voor controle op het handhavingsbeleid, waar gedogen deel van kan uitmaken, is controle door vertegenwoordigende lichamen het geeigende¨ middel. Om de vertegenwoordigende organen tot deze controle voldoende in staat te stellen, is in een aantal bestuurlijke wetten de verplichting tot verslaglegging aan vertegenwoordigende lichamen opgenomen. De volksvertegenwoordiging kan uiteraard ook ten aanzien van concrete gedoogactiviteiten uitoefenen. Controle op gedoogactiviteiten wordt ook door de Nationale ombudsman en de Algemene Rekenkamer uitgeoefend. 7. Historische achtergrond en gedogen in het buitenland In de nota wordt ingegaan op enkele historische achtergronden van gedogen en op het voorkomen van gedogen in een aantal van de ons omringende landen. Hoewel in het kader van de nota geen uitputtend onderzoek naar gedogen in alle Europese en niet-Europese landen is verricht, wordt wel duidelijk dat gedogen geen typisch Nederlands verschijnsel is. Natuurlijk zijn er wel verschillen per land, maar ook in andere landen wordt maximale wetshandhaving veelal niet nagestreefd omdat dit andere belangen te zeer kan schaden of in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Voorts wordt duidelijk dat gedogen in ons land ook in vroeger tijden voorkwam. DEEL II GRENZEN AAN GEDOGEN 8. Gedogen als rechtsstatelijk dilemma Met betrekking tot gedogen bestaat er een rechtsstatelijk dilemma. Dit dilemma houdt het volgende in. De beginselen van onze rechtsstaat vereisen, dat het aangewezen bestuursorgaan actief toeziet op naleving van de wet en bij overtreding passende en effectieve handhavingsmaatregelen treft. Het bestuurs- orgaan moet die taak uitoefenen in overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen, zoals deze in de rechtspraak zijn ontwikkeld en in de Algemene wet bestuursrecht zijn vastgelegd. Die rechtsbeginselen kunnen evenwel rechtvaardigen en er zelfs toe nopen, dat in bepaalde gevallen geen bestuursdwang wordt uitgeoefend ´´ of geen sanctie wordt opgelegd. ´´ Om te zorgen, dat met dit rechtsstatelijk dilemma op verantwoorde wijze wordt omgegaan, is het noodzakelijk grenzen aan het gedogen te stellen en voorwaarden om te voorkomen dat niet lichtvaardig of willekeurig wordt gedoogd. 9. Grenzen aan gedogen Alleen in uitzonderingsgevallen kan gedogen aanvaardbaar of zelfs geboden zijn. Gewaarborgd dient te zijn, dat van de bevoegdheid tot gedogen een terughoudend, zorgvuldig en verantwoord gebruik wordt gemaakt en dat gedogen daadwerkelijk beperkt blijft tot uitzonderingsge- vallen. Naar het oordeel van het kabinet noopt dit ertoe uitdrukkelijk grenzen Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 8 aan gedogen te stellen, wil gedogen nog aanvaardbaar kunnen zijn. Gedogen is slechts aanvaardbaar: a. in uitzonderingsgevallen b. mits tevens beperkt in omvang en/of in tijd. Voorts dient gedogen: c. slechts expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging plaats te vinden, alsmede d. aan controle te zijn onderworpen. Gedogen kan slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar zijn. Daarbij geldt steeds dat de afweging die de wetgever heeft gemaakt, niet op uitvoerend en handhavend niveau mag worden overgedaan. In de volgende situaties kan gedogen evenwel gerechtvaardigd of soms zelfs geboden zijn: – handhaving zou leiden tot aperte onbillijkheden – het achterliggende belang is evident beter gediend met gedogen – een zwaarderwegend belang rechtvaardigt gedogen. Dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar kan worden geacht, brengt ook met zich mee dat de mate waarin wordt gedoogd zoveel mogelijk in omvang en/of tijd moet worden beperkt. Het gedogen dient niet langer te duren en niet in grotere mate plaats te vinden dan gerechtvaardigd wordt door de anders optredende onbillijkheid of door het achterliggende of zwaarder wegende belang dat het gedogen rechtvaardigt. Als het gedogen omvangrijk of structureel dreigt te worden, dient heroverweging van de norm zelf plaats te vinden. Onder omstandig- heden kan gedogen voor langere tijd aanvaardbaar zijn, indien en zolang geen structurele verbetering van de norm mogelijk is. De aldus gestelde en in de nota verder uitgewerkte grenzen aan gedogen kunnen in de praktijk aan uitvoerende en handhavende organen houvast geven voor de beantwoording van de vraag of er aanleiding is om te gedogen. Daarnaast is het van belang om in de praktijk van het wetgevingsproces en in de uitvoerings- en handhavingspraktijk maatregelen te treffen om de oorzaken van gedoogpraktijken zoveel mogelijk te voorkomen. In de ´ afgelopen jaren zijn hiertoe veel inspanningen verricht. Daartoe worden vier middelen, met een zekere selectiviteit en onder meer in het kader van het MDW-programma, aangewend. Ten eerste worden tijdens het beleidsvormings- en wetgevingsproces in toenemende mate handhaafbaarheids- en uitvoerbaarheidstoetsen verricht. Ten tweede is in nieuwe wetten steeds aandacht voor het overgangsrecht noodzakelijk en soms ook voor meer flexibiliteit in de normstelling gewenst. Ten derde kan bij invoering van de wet het opstellen van een handhavingsstrategie gewenst zijn. Ook zal verbetering van de uitvoering van vergunningenstelsels plaatsvinden, door implementatie van door de Algemene Rekenkamer gedane aanbevelingen. De ministers zullen daarover voor 1 juli a.s. aan de Staten-Generaal rapporteren. Ten vierde worden veel wetten geevalueerd, teneinde de wet zelf of de ¨ uitvoeringspraktijk aan te passen. Er zullen onder coordinatie van de ¨ Minister van Justitie algemene aandachtspunten worden opgesteld om de doelmatigheid van de inzet van wetsevaluaties te vergroten. Ook het aanwenden van deze vier soorten middelen is van belang om te bevorderen, dat de handhavingspraktijk zich daadwerkelijk aan de in deze nota gestelde Grenzen aan gedogen houdt. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 9 Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 10 DEEL I ANALYSE VAN HET VERSCHIJNSEL GEDOGEN 1. Inleiding: probleemstelling en doel van de nota Wettelijke voorschriften worden niet voor niets gemaakt. De bedoeling van de wetgever is dat ze worden nageleefd. Dat wordt ook in grote delen van de samenleving verwacht. Naleving is noodzakelijk voor de doeltref- fendheid van die wetten maar ook om de in een rechtsstaat noodzakelijk geachte rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te waarborgen. De overheid moet dan ook op de naleving van tal van publiekrechtelijke wetten toezien en die naleving zonodig afdwingen en niet-naleving sanctioneren. Op veel overheidsorganen rust hiertoe een belangrijke handhavingstaak. Toch wordt in heel wat situaties het niet-naleven van wettelijke voorschriften door met uitvoering of handhaving belaste overheids- organen gedoogd, veelal voor bepaalde gevallen of onder voorwaarden. Wat door de wet verboden is, wordt niettemin, op basis van een expliciete beslissing of oogluikend, door de vingers gezien. Dit roept de vraag op of dat wel aanvaardbaar en verantwoord is in onze rechtsstaat en zo ja, in welke gevallen, in welke mate en onder welke voorwaarden. Tijdens de beraadslagingen met de Tweede Kamer over de Justitie- begroting voor 1996 heb ik, naar aanleiding van vele vragen en een motie van mevrouw Soutendijk, te kennen gegeven dat ik het wenselijk vond over het verschijnsel gedogen en over de aanvaardbaarheid daarvan een algemene, brede discussie te voeren. Ik heb in dat debat vervolgens een kabinetsbrede nota toegezegd.1 Dat heeft tot de onderhavige nota geleid. Het doel van deze nota is duidelijkheid te verschaffen: 1. over het begrip gedogen en 2. over de beantwoording van de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden gedogen aanvaardbaar kan zijn. Het vraagstuk van (bestuurlijk) gedogen heeft het afgelopen decennium gaandeweg aan politieke en wetenschappelijke belangstelling gewonnen. Zo besteedde de Nationale ombudsman in 1989 in een rapport uitgebreid aandacht aan de aanvaardbaarheid van bestuurlijk gedogen2. Eveneens in 1989 organiseerden het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Neder- lands Tijdschrift voor Bestuursrecht, de Vereniging voor Administratief Recht en de Vereniging voor Bestuurskunde een thema-middag over «gedogend bestuur».3 In 1990 wijdde de Vrije Universiteit Amsterdam een symposium aan het thema «Gedogen door de overheid». In mei 1990 zetten de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en 1 Handelingen TK, 14–16 november 1995, Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat in een brief aan de Tweede 27-1995. 2 Kamer hun standpunt ten aanzien van gedogen uiteen. Deze brief werd Rapport Nationale ombudsman, 19 decem- ber 1989, nr. 89/989. opgevolgd door het «Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen 3 Verslag van de thema-middag «gedogend van gedogen van milieu-overtredingen» van 10 oktober 1991.4 In 1995 bestuur», C. P. J. Goorden, NTB 1989 nr. 8, organiseerde Justitiele verkenningen een symposium onder de naam ¨ pag. 269–274. 4 «crisis in de gedoogcultuur?»5 Mede naar aanleiding van ontwikkelingen Brieven van de ministers van VROM en V&W aan de Tweede Kamer van 28 mei in de rechtspraak verschenen wetenschappelijke verhandelingen over 1990 (21 137, nr. 296) en van 10 oktober gedogend besturen.6 De laatste jaren heeft aldus de vraag in hoeverre het 1991 (22 343, nr. 2). bestuur de vrijheid toekomt bij normovertredingen niet handhavend op te 5 Crisis in de gedoogcultuur?, Justitiele ¨ treden, in toenemende mate aan aandacht gekregen. verkenningen 1995, nr. 8. 6 Gedogend besturen, P. J. J. van Buuren, Kluwer Deventer 1988; Gedogen gaat van AU, Dit is verwant aan de al veel oudere vraag of het OM bij een strafbaar mr. drs. D. van der Meijden, NJB 1988, afl. 38, gestelde wetsovertreding tot strafvervolging bevoegd of verplicht zou pag. 1371–1376; Gedoogrecht(spraak), pre- moeten zijn. Debatten over de vraag welk beginsel voor het OM het adviezen, Publikaties van de Vereniging voor Milieurecht, 1993-2; Bestuurlijk gedogen, mr. heersende moest zijn – het opportuniteitsbeginsel of het legaliteits- G. T. J. M. Jurgens, Zwolle 1996. beginsel – werden al aan het begin van de vorige eeuw gevoerd. Waar de Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 11 een een vervolgingsplicht voor het OM aanwezig achtte bij de strafrechte- ´´ lijke rechtshandhaving, zag de ander in het belasten van het OM met de handhaving der wetten (art. 4 RO) eerder een instructie die een bevoegdheid creeerde dan een rechtsplicht. ¨ Hoewel de aandacht voor het verschijnsel gedogen sterk is toege- nomen, bestaat nog steeds onduidelijkheid over de vraag hoe het afzien van handhaving door een uitvoerend orgaan valt te rijmen met de keuze van de wetgever om bepaalde normen wettelijk te verankeren en daarvan naleving te verlangen. Deze vraag behoeft beantwoording vanuit het perspectief van de rechtsstaat. Daarbij moet in de eerste plaats aandacht worden besteed aan de functie van wettelijke normen in de samenleving in het algemeen en aan de vraag of handhaving van die normen een bevoegdheid is of een plicht. Voor een heldere discussie over gedogen is het nodig dat allereerst wordt vastgesteld wat onder gedogen moet worden verstaan. Vervolgens is het nodig te belichten waarom en in welke gevallen in de praktijk gedoogd wordt. Daarbij kan dan ook worden bezien of gedogen een recent en Nederlands verschijnsel is. Daarna kan dan de kernvraag van deze nota aan de orde komen, te weten of en zo ja onder welke voorwaarden gedogen aanvaardbaar kan zijn. In deze nota wordt op al deze vragen ingegaan. Deze nota heeft in de eerste plaats betrekking op gedogen in het bestuursrecht. Daar waar zich – bezien vanuit de brede invalshoek van deze nota – overeenkomsten voordoen met het strafrecht, worden ook strafrechtelijke aspecten belicht. Het privaatrecht blijft buiten beschouwing aangezien het initiatief tot handhaving en dus ook het initiatief tot gedogen op dit terrein niet bij de overheid berust. Aldus resteert toch nog een bijzonder breed en divers terrein waardoor de nota een globaal karakter heeft. Zo zijn de bevindingen niet uitgewerkt per beleidsterrein, per type norm of per sanctiemiddel. Gelet op het globale karakter van deze nota kan het wenselijk zijn de algemene bevindingen en conclusies van deze nota voor bepaalde onderwerpen of beleidsterreinen nader uit te werken. Een zodanige uitwerking op het terrein van de milieuregelgeving is het gemeenschap- pelijk beleidskader van de ministeries van VROM en V&W.1 Voor zover bij die uitwerking van de onderhavige algemene nota is afgeweken, gaat dat gemeenschappelijk beleidskader van VROM en V&W voor. ´´ De nota bestaat uit twee delen. Deel I, bestaande uit de hoofdstukken 1 tot en met 7, is gewijd aan een analyse van het verschijnsel gedogen en oorzaken van het gedogen. In deel II, bestaande uit de hoofdstukken 8 en 9, geeft het kabinet zijn standpunt over de grenzen die aan gedogen moeten worden gesteld en over hetgeen vereist is om gedogen te voorkomen. 2. Naleving en handhaving van wettelijke normen Wettelijke normen worden gesteld om belangen te beschermen, de 1 Brief van de Ministers van VROM en V&W samenleving te ordenen, gedragsverandering teweeg te brengen of ten aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der behoeve van het bereiken van bepaalde beleidsdoelstellingen. Wetten Staten-Generaal van 10 oktober 1991, 22 343 worden ook tot stand gebracht om rechtszekerheid te verschaffen en nr. 2. Dit beleidskader is onderschreven door rechtsgelijkheid te verzekeren. Zij vormen doordat zij via een democra- het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van tisch proces tot stand zijn gekomen een neerslag van de rechtsnormen die Waterschappen. de samenleving noodzakelijk acht. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 12 Wetten bevatten dan ook geen vrijblijvende normen. Zij behoren te worden nageleefd en gehandhaafd. De beginselen van de rechtsstaat omvatten niet alleen een samenstel van waarborgen tegenover de overheid, maar ook een rechtsplicht voor diezelfde overheid tot rechts- handhaving.1 Behalve dat in het algemeen van de overheid mag worden verwacht dat deze de handhavingstaak serieus neemt, kunnen ook bepaalde derden in beginsel aanspraak hebben op handhaving.2 Naast de plicht voor de burger normen na te leven, staat dus de plicht voor de overheid bij niet-naleving in beginsel tot handhaving over te gaan. De wetgever kan echter niet alle situaties tevoren voorzien. In het strafrecht heeft dat gegeven bijvoorbeeld erkenning gekregen in de wettelijke strafuitsluitingsgronden. De wetgever heeft daarbij erkend dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarbij sanctie-oplegging achterwege moet blijven ook al is sprake van overtreding van de norm. Daarnaast zijn in de jurisprudentie buitenwettelijke strafuitsluitings- gronden ontwikkeld. Voorts is met de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926 een wettelijke basis gegeven aan het zogenaamde opportuniteitsbeginsel: het openbaar ministerie kan afzien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend (art. 167 en 242 lid 2 WvSv). In het bestuursrecht ontbreekt een algemeen artikel dat het bestuur hetzij belast met de plicht tot handhaving hetzij voorziet in een opportuniteitsbeginsel voor de bestuursrechtelijke handhaving. In talloze bijzondere wetten wordt aan bestuursorganen een handhavingstaak toegekend. De wetgever heeft daarbij doorgaans voorzien in een wettelijke bevoegdheid, niet in een plicht, tot sanctionering; daarbij gaat het vooral om het uitoefenen van bestuursdwang of het opleggen van bestuurlijke dwangsommen of bestuurlijke boetes.3 Daarmee laat de wetgever ook de bevoegdheid onder omstandigheden af te zien van handhaven. Hoewel de wet dus niet voorziet in een opportuniteitsbeginsel voor het bestuursrecht, is het systeem niet wezenlijk anders: op gronden aan het algemeen belang ontleend kan onder omstandigheden worden afgezien van handhaving. In de bestuursrechtelijke jurisprudentie wordt bevestigd dat sanctio- nering niet in alle gevallen van normovertreding gerechtvaardigd is. De 1 In dezelfde zin: Rechtshandhaving, Weten- voorzitter van de afdeling voor de Geschillen van bestuur van de Raad van schappelijke Raad voor het regeringsbeleid, State heeft in vier gepubliceerde uitspraken geoordeeld dat niet voorbij Den Haag, 1988, pag. 19–20 en Met vaste kan worden gegaan aan «de maatschappelijke realiteit dat zich situaties hand, beleidsnota Ministerie van Justitie, kunnen voordoen waarbij tijdelijk in strijd met de milieuwetgeving wordt pag. 8. 2 Afdeling rechtspraak Raad van State 22 mei gehandeld en onmiddellijke beeindiging daarvan volstrekt onredelijk zou ¨ 1984, AB 1985, 153; 13 juli 1986, AB 1987, 249; zijn ten opzichte van een of meer betrokkenen».4 Zelfs in het geval dat 19 september 1989, AB 1990, 415. 3 handhaving in de wet verplicht is voorgeschreven, heeft de afdeling Een plicht tot handhaven is wel opgenomen Geschillen geoordeeld dat er op zichzelf «zwaarwegende omstandig- in de nieuwe Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid heden» kunnen zijn die ertoe kunnen leiden dat toepassing ervan (TK 1994–1995, 23 909); de uitvoeringsorganen achterwege kan of moet blijven.5 hebben op grond van die wet alleen nog de mogelijkheid van sanctionering af te zien Dat sprake is van een bevoegdheid in plaats van een plicht tot «indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn». handhaven betekent echter niet dat het met handhaving belaste orgaan de 4 Beschikkingen van de voorzitter van de afde- vrijheid heeft naar eigen inzicht te beslissen al dan niet te handhaven. De ling geschillen dd 26 september 1991, nrs. aanwezigheid van een bevoegdheid schept immers ook een plicht: de B05.91.0561 (M en R 1992/21; AB 1992, 352), plicht om zorgvuldig en verantwoord gebruik te maken van die B05.91.0799 (M en R 1992/20), B05.91.0350 (M en R 1992/18) en B05.91.0664 (AB bevoegdheid. Niet zozeer maximale en mechanische wetshandhaving 1992/530). behoort tot de taak van de overheid, maar rechtshandhaving, waarbij 5 Afdeling Geschillen Raad van State, behalve de wet ook (ongeschreven) rechtsbeginselen in acht moeten 5 december 1988, AB 1989, 318, m.nt. worden genomen. De (ongeschreven) rechtsbeginselen kunnen F. C. M. A. Michiels; in het betreffende geval ging het om de handhavingsplicht op grond meebrengen dat in bepaalde omstandigheden moet worden afgezien van van art. 28/28a Hinderwet (oud). handhaven. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 13 De plicht zorgvuldig en verantwoord gebruik te maken van de handhavingsbevoegdheid vereist dat aan elke beslissing om te handhaven een zorgvuldige belangenafweging vooraf gaat. Daarbij moeten doel en strekking van de overtreden norm het uitgangspunt vormen. 3. Evenwichtige rechtshandhaving In het voorgaande is aangegeven dat op de overheid de plicht rust op de naleving van wetten toe te zien en bij niet-naleving in beginsel tot handhaving over te gaan. Om deze algemene verantwoordelijkheid voor de naleving en handhaving te kunnen waarmaken, is het noodzakelijk dat voldoende handhavingscapaciteit ter beschikking wordt gesteld. De ter beschikking staande handhavingscapaciteit dient vervolgens evenwichtig te worden benut zodat ten aanzien van alle wettelijke normen een adequaat handhavingsniveau wordt bereikt. De handhavingsinzet die benodigd is om een adequaat handhavingsniveau te bereiken, kan per norm verschillen. In dit hoofdstuk worden de aspecten die van belang zijn voor een evenwichtige rechtshandhaving nader belicht. Onder handhaven wordt verstaan: Het optreden van de overheid dat is gericht op het tot gelding brengen van de regelgeving. Hieronder valt zowel toezicht en preventie – de eerste stap in de handhaving – als, verderop in de keten, de reactie op een geconstateerde overtreding, onder meer in de vorm van reparatoire of punitieve sancties. Uit de definitie volgt dat er meer vormen van handhavend optreden zijn dan alleen het toepassen van sancties. Lichter vormen van normbevestigend optreden, zoals waarschuwen en staande houden, die leiden tot beeindiging van het normovertredend gedrag, kunnen ¨ bijvoorbeeld ook vormen van handhaven zijn. Ook dan is het overheids- optreden immers gericht op het tot gelding brengen van de norm. In het strafrecht is bijvoorbeeld niet slechts sprake van handhaving als een vervolging is ingesteld waarbij deze leidt tot een rechterlijke uitspraak en tot strafoplegging. Zo is ook het zogenaamd «rechterlijk pardon» in het strafrecht waarbij feit en dader strafbaar en de dader schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf (art. 9a WvSr) een vorm van handhaving. Ook afdoeningen door het openbaar ministerie in de vorm van transactie en voorwaardelijk sepot zijn vormen van handhaving. Ook bepaalde op potentiele normovertreders gerichte vormen van preventief ¨ optreden kunnen vallen onder het begrip handhaving. Hierbij kan gedacht worden aan steekproefsgewijze controle. Meer algemene vormen van preventie, zoals publieksvoorlichting en het wegnemen van omstandigheden die de kans op overtreding vergroten, zijn weliswaar belangrijk om optimale naleving te bevorderen, maar worden in dit verband niet gezien als vormen van handhaven. Naast het uitgangspunt dat normen dienen te worden nageleefd en gehandhaafd, is eveneens een fundamentele eis bij alle overheids- optreden, dat de overheid niet nodeloos vergaand in de samenleving ingrijpt. Er dient steeds evenredigheid te bestaan tussen doel en middel. Dat geldt ook bij handhaving. Het gewenste niveau van naleving en handhaving kan verschillen per beleidsterrein en per soort norm. De noodzaak tot het zoeken naar evenredigheid tussen doel en middel op het terrein van de rechtshandhaving doet zich voor op drie niveaus: op het niveau van de normstelling, op het niveau van de prioriteitstelling en op het niveau van de toepassing van handhavingsmiddelen bij geconsta- teerde normovertreding. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 14 Op het niveau van de normstelling is het van belang dat de wetgever zich steeds afvraagt of de voorgenomen normstelling het juiste middel is om het doel te bereiken. Daarbij moeten de consequenties van normstelling voor de handhaving worden betrokken. Het aanvaarden van elk nieuw normencomplex, brengt de noodzaak mee daarvoor voldoende handhavingscapaciteit ter beschikking te stellen. De vraag «willen we de normen en ook de consequenties daarvan voor de handhaving» moet alvorens wordt gekozen voor normstelling uitdrukkelijk worden gesteld. Op het niveau van de prioriteitstelling is van belang dat de nu eenmaal beperkte menskracht en middelen die de overheid ter beschikking staan om het recht te handhaven, zo evenwichtig mogelijk over de te handhaven normen worden verdeeld. Door middel van periodiek bij te stellen prioriteiten in het handhavingsbeleid, kan in de verdeling van mensen en middelen over de te handhaven normen worden gevarieerd. Een goede prioriteitstelling is een hulpmiddel om het juiste evenwicht aan te brengen tussen de doelstellingen van de talloze wetten en lagere regelingen en de inzet van capaciteit en middelen. Algemeen richtsnoer daarbij is de maatschappelijke betekenis van het door de wetovertreding geschonden belang. Zo is de maatschappelijke betekenis van een parkeerovertreding van een geheel andere orde dan die van aantasting van het menselijk leven. Wanneer als gevolg van prioriteitstelling minder capaciteit wordt ingezet voor handhaving van de ene categorie van wetovertredingen ten faveure van de andere, dan is geen sprake van gedogen door de overheid, maar dan komt dit voort uit een zo evenwichtig mogelijk handhavingsbeleid. Een evenwichtig handhavings- beleid houdt in, dat op systematische wijze aan alle normovertredingen die aandacht wordt besteed die nodig is om het gewenste niveau van normbevestiging en naleving te bereiken. Een dergelijke systematische aanpak vergt voortdurende bewaking, evaluatie en bijstelling van het handhavingsbeleid. Uiteindelijk leidt dit tot een verantwoord handhavingsbeleid, gegeven de beschikbare middelen. Bij de daadwerkelijke toepassing van handhavingsmiddelen speelt opnieuw het beginsel van evenredigheid een rol: het doel dat beoogd wordt met handhaving moet in redelijke verhouding staan tot de «schade» die eventueel met handhaving wordt toegebracht.1 Ook hier geldt overigens dat de afweging die de wetgever heeft gemaakt niet op uitvoerend niveau mag worden overgedaan. In de praktijk kunnen zich evenwel gevallen voordoen die door de wetgever niet zijn voorzien en waarbij handhaving evident onrechtvaardig zou uitpakken. De uitvoerende dan wel handhavende instantie dient dan ook alvorens tegen een overtreding wordt opgetreden af te wegen of de inzet van het voorge- nomen handhavingsmiddel in het specifieke geval geen strijd oplevert met het beginsel van evenredigheid. In het bovenstaande is aangegeven dat bij de rechtshandhaving het beginsel van evenredigheid tussen doel en middel op verschillende niveaus van besluitvorming in acht moet worden genomen: bij de keuze voor normstelling, voor de verdeling van de capaciteit over de te handhaven normen en voor de daadwerkelijke toepassing van handhavingsmiddelen. Tevens is geconstateerd dat voor een evenredige en evenwichtige rechtshandhaving het nodig noch wenselijk is dat alles 1 op alles wordt gezet om iedere normovertreding te constateren. Een Bij de vraag wat een redelijke verhouding is, is behalve de ernst van de normovertreding evenwichtig handhavingsbeleid noopt tot een zekere prioriteitstelling: de ook relevant wat het doel is van het ter handhavingscapaciteit wordt gedifferentieerd ingezet, wat tot gevolg kan beschikking staande sanctiemiddel. Zo wordt hebben dat ten aanzien van een deel van alle normovertredingen niet met reparatiore sancties in de eerste plaats actief gehandhaafd wordt. Deze situatie moet worden onderscheiden van beoogd de rechtmatige toestand te herstellen en terwijl met punitieve sancties ook leedtoe- het verschijnsel gedogen, dat in hoofdstuk 4 e.v. geanalyseerd wordt, voeging wordt beoogd. alleen al omdat prioriteitstelling er niet toe behoeft te leiden dat een Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 15 onvoldoende handhavingsniveau wordt bereikt. In het vervolg van deze nota blijven aspecten van prioriteitstelling dan ook buiten beschouwing. Wel een onvoldoende handhavingsniveau ontstaat, indien als gevolg van capaciteitsgebrek ten aanzien van bepaalde normen handhaving structureel achterwege gelaten wordt. Ook dat verschijnsel blijft, hoe belangrijk ook, in deze nota over gedogen buiten beschouwing. Die problematiek pakt het kabinet in ander verband reeds aan, als uitvloeisel van het rapport van de Commissie Heroverweging Instrumentarium Rechtshandhaving (de Commissie Korthals Altes). Deze commissie signaleerde in haar rapport onder meer de aanwezigheid van handhavingstekorten op bestuursrechtelijk terrein en deed voorstellen ter versterking van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium. Het kabinet heeft aangegeven een nadere analyse van de door de Commissie gesignaleerde problemen nodig te achten alvorens tot een oordeel over de voorstellen van de Commissie kan worden gekomen. Het kabinet heeft daarom besloten tot de instelling van een stuurgroep die nader onderzoek zal doen: – op de terreinen en de punten waarop zij dat nodig acht, naar de huidige bestuurspraktijk teneinde te achterhalen wat de factoren zijn die in de weg staan aan een adequaat toezicht en aan een duidelijke en consequente handhavingsreactie; – naar de wijze waarop de bestuursrechtelijke repressieve handhaving het beste kan worden georganiseerd, in het bijzonder of een zekere scheiding tussen uitvoering en toezicht enerzijds en sanctie-oplegging anderzijds wenselijk is, en zo ja op welke wijze die scheiding gestalte moet worden gegeven, en zo nee of de organisatie van de bestuursrechtelijke handhaving op andere wijze kan worden verbeterd; – naar de vraag of de invoering van een preventieve rechterlijke toets een bijdrage levert aan een betere hantering van de instrumenten van bestuursdwang en dwangsom, en zo ja, hoe zo’n toets is in te passen in het stelsel van bestuursrechtelijke handhaving en rechtsbescherming; – de rol die het privaatrecht kan spelen in aanvulling op de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten van de overheid en de vraag of daartoe nadere wettelijke voorzieningen dienen te worden getroffen en zo ja of de wet restricties moet stellen aan het privaatrechtelijke overheidsoptreden. Op basis van de bevindingen van deze stuurgroep zal het kabinet zijn definitieve standpunt ten aanzien van de betreffende conclusies en voorstellen van de Commissie Korthals Altes bepalen.1 4. Definitie en verschijningsvormen van gedogen 4.1 Definitie van gedogen In paragraaf 3 is uiteengezet, dat handhaving in verschillende gradaties kan plaatsvinden, van waarschuwen tot het opleggen van sancties. Zodra sprake is van overheidsoptreden, gericht op het tot gelding brengen van de regelgeving, is geen sprake van gedogen. Gedogen komt in de huidige praktijk in twee hoofdvormen voor. De eerste vorm is, dat de met handhaving belaste overheidsinstantie ter zake van een eenmaal geconstateerde overtreding niet handhavend optreedt. De tweede vorm die in de praktijk voorkomt is, dat de met uitvoering of handhaving belaste overheidsinstantie reeds voordat een bepaalde overtreding plaatsvindt, aangeeft dat zij daartegen niet handhavend zal optreden. Het voorgaande is slechts een aanduiding van praktijkverschijnselen. 1 Het kabinet beoogt hiermee niet tot uitdrukking te brengen, dat zij deze In juiste verhouding; beleidsvoornemens m.b.t. rechtshandhaving en veiligheid, praktijkverschijnselen zonder meer aanvaardbaar acht. Integendeel: het juli 1996. kabinet acht het gewenst dat gedogen tot uitzonderingsgevallen beperkt Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 16 blijft. In hoofdstuk 9 zijn die uitzonderingsgevallen en de daarbij in acht te nemen grenzen en voorwaarden uitgewerkt. In het vervolg van deze nota valt de nadruk op gedogen in de bestuurs- praktijk. Voor zover relevant zal ook aandacht worden besteed aan gedogen op strafrechtelijk terrein. Bestuursrecht en strafrecht bevatten immers beide publiekrechtelijke normen waarvan de handhaving tot de taak van de overheid behoort. 4.2 Verschijningsvormen van gedogen In deze paragraaf worden de verschijningsvormen waarin gedogen voorkomt uiteengezet. Daarbij wordt, zoals aangegeven, in de eerste plaats aandacht besteed aan gedogen in het bestuurspraktijk. Vervolgens zal ook worden aangegeven op welke wijze gedogen in het strafrecht voorkomt. In de literatuur worden de volgende verschijningsvormen van bestuurlijk gedogen onderscheiden1. impliciet/expliciet gedogen: In geval van impliciet of stilzwijgend gedogen weet de overheid wel dat een normovertreding plaatsvindt, maar onderneemt zij geen actie en neemt zij hierover evenmin een voor betrokkenen kenbaar besluit. In geval van expliciet of uitdrukkelijk gedogen verklaart de overheid uitdrukkelijk – meestal door middel van een schriftelijk besluit – van handhaving te zullen afzien. vooraf/achteraf: Bij gedogen vooraf weet de overheid dat een illegale handeling zal worden verricht dan wel een verboden toestand zal worden geconti- nueerd. Bij gedogen achteraf raakt de overheid pas na de overtreding daarvan op de hoogte en beslist zij alsnog af te zien van handhaving. Expliciet gedogen kan zowel vooraf als achteraf plaatsvinden. Op het terrein van het bestuursrecht komt expliciet gedogen vooraf veel voor in afwachting van vergunningverlening (ook wel vooruitakkoord genoemd). De overheid geeft in die gevallen een tijdelijke gedoogverklaring af, waaraan voorwaarden zijn verbonden die meestal vergelijkbaar zijn met de voorschriften die aan de vergunning zouden zijn verbonden. onvoorwaardelijk gedogen/gedogen onder voorwaarden Niet zelden wordt voorwaardelijk gedoogd. Dan worden aan het afzien van handhaven voor betrokkene voorwaarden verbonden. Indien hij zich niet aan de voorwaarden houdt, gaat de overheid alsnog tot handhaving over. Bij gedogen onder voorwaarden laat de overheid de normover- treding niet geheel ongemoeid maar reguleert deze door het stellen van voorwaarden. Aangezien de overheid in zo’n geval tegen de normover- treding wel optreedt, is het verschil met handhavend optreden soms klein. Toch is gedogen onder voorwaarden geen handhaven. Het stellen van voorwaarden, leidt immers niet tot het tot gelding brengen van de overtreden norm (bijvoorbeeld overtreding van het verbod te handelen zonder vergunning). Integendeel, zolang betrokkene zich aan de voorwaarden houdt, wordt het overtreden van de betreffende norm ongemoeid gelaten. Slechts indien de voorwaarden niet in acht worden genomen, worden terzake van de normovertreding alsnog handhavings- middelen ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van bestuursdwang. 1 Gedogend besturen, P. J. J. van Buuren, Deventer 1988, pag. 22–26; Gedogend bestu- Gedogen onder voorwaarden komt in het strafrecht in beperkte mate ren in het milieurecht, P. J. J. van Buuren, voor. In een enkel geval wordt in dergelijke vervolgingsrichtlijnen Milieu en recht, 1991/2, pag. 66–68; Bestuurlijk gedogen, G. T. J. M. Jurgens, Zwolle 1996, aangegeven dat een beperkt deel van de normovertredingen, al dan niet pag. 12–13. onder voorwaarden, bij wijze van uitzondering niet zal worden vervolgd. Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 085, nrs. 1–2 17 Een voorbeeld daarvan is het onder voorwaarden gedogen van het gebruik en voorhanden hebben van beperkte hoeveelheden softdrugs. incidenteel/categorisch Een ander onderscheid dat gemaakt kan worden, is het onderscheid