Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000; Lijst van vragen en antwoorden

Downloads

Download als PDF: kst-26382-2.pdf

Metadata

Dossiers
  • 26382 - Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000
Organisaties
Datum publicatie1999-04-16
Datum uitgifte1999-04-13

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998–1999 26 382 Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000 Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 13 april 1999 De vaste commissie voor Defensie1 heeft over de Hoofdlijnennotitie Defensienota 2000 (26 382, nr. 1) de navolgende vragen ter beant- woording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt. De voorzitter van de commissie, Valk De griffier van de commissie, De Lange 1 Samenstelling: Leden: Van den Berg (SGP), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA), voorzitter, Hessing (VVD), ondervoorzitter, Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Stellingwerf (RPF), Essers (VVD), Verhagen (CDA), M. B. Vos (GL), Van ’t Riet (D66), Van den Doel (VVD), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GL), Niederer (VVD), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Oplaat (VVD), Albayrak (PvdA), Balemans (VVD) en Herrebrugh (PvdA). Plv. leden: Dittrich (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Arib (PvdA), Leers (CDA), Van Oven (PvdA), Weisglas (VVD), Eurlings (CDA), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Passtoors (VVD), Van der Hoeven (CDA), Vendrik (GL), Lambrechts (D66), Blaauw (VVD), Eisses- Timmerman (CDA), Van Dok-Van Weele (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GL), E. Meijer (VVD), Dijksma (PvdA), Marijnissen (SP), Voorhoeve (VVD), Van Gijzel (PvdA), Wilders (VVD) en Apostolou (PvdA). KST34590 ISSN 0921 - 7371 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 1999 Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 1 Opmerking vooraf van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken en van de staatssecretaris van Defensie: Hoewel waar nodig in de beantwoording van de schriftelijke vragen is verwezen naar het conflict rond Kosovo, kunnen de eventuele gevolgen hiervan voor de op te stellen Defensienota pas over enige tijd worden vastgesteld. Te zijner tijd zullen wij hierop terugkomen. 1 De krijgsmacht zal bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Ze levert «modulen» die worden ingepast in een groter geheel. Op pag. 17 blijkt dat de maximale omvang van zo’n module een bataljon zal zijn of een equivalent daarvan, zoals een heel squadron jachtvliegtuigen of 2 fregatten. Wat is de praktijk tot nu toe? Is er ooit een heel squadron ingepast in een internationale missie, of 2 fregatten? (pag. 2) De omvang van een «module» wordt onder meer bepaald door de aard en de omvang van de operatie waaraan Nederland bijdraagt. Bij waarnemingsmissies of bij gespecialiseerde missies zoals voor mijnen- ruiming zal het in de regel gaan om een beperkt aantal militairen. Bij grotere vredebewarende of vredeafdwingende operaties worden organieke gevechtseenheden ingezet. Aan de Unprofor- en de Ifor/Sfor- operaties werd en wordt deelgenomen met een eenheden van bataljons- grootte. Ook bij de omvangrijke VN-operatie in Cambodja (1994-’96) was dat het geval. Aan de missies op Haïti (1992-’93) en nu op Cyprus (Unficyp) werd en wordt op compagniesniveau deelgenomen. Tijdens de Golfcrisis van 1990-’91 werden twee fregatten uitgezonden ten behoeve van de operatie Phalanx in de Perzische Golf. Van 1993 tot 1996 namen twee fregatten deel aan de operatie «Sharp Guard» in Adriatische Zee. Van 1993 tot 1996 nam een squadron F-16’s deel aan de operatie’s in verband met de situatie in het voormalige Joegoslavië. Bijna een heel squadron (16 van de 18 vliegtuigen) is aan de Navo ter beschikking gesteld voor luchtaanvallen tegen Servië. Zie ook het antwoord op vraag 97. 2 Blijkens het gestelde in de Hoofdlijnennotitie zal de Nederlandse krijgsmacht bij de uitvoering van haar hoofdtaken steeds in internationaal verband optreden. Geldt dit ook ten aanzien van de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba? Met welke militaire dreigingen en diffuse veiligheidsrisico’s moet men aldaar rekening houden? (pag. 2) Krachtens het Statuut voor het Koninkrijk is de handhaving van de onafhankelijkheid en de externe verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba een aangelegenheid van het Koninkrijk. Deze verdediging is in vredestijd opgedragen aan de Koninklijke marine. De Nederlandse Antillen en Aruba leveren hieraan zelf ook een bijdrage. Overigens is thans geen sprake van een bedreiging van de onafhankelijkheid van de Nederlandse Antillen en Aruba. De geloofwaardigheid van deze verdedigingstaak berust mede op het manifeste voornemen om, mochten de buitenlands politieke en militaire verhoudingen verslechteren, versterkingen van zee-, land- of luchtstrijd- krachten uit Nederland aan te voeren. Het ligt in de rede dat de krijgs- macht ook in een dergelijke situatie in internationaal verband zou optreden. De defensie-inspanningen in de West zijn er ook op gericht een bijdrage te leveren aan de strijd tegen de grensoverschrijdende illegale handel in Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 2 drugs en de georganiseerde criminaliteit. Daartoe levert de Koninklijke marine een belangrijke bijdrage aan de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Daarnaast fungeert de Commandant der Zeemacht in het Caraïbisch gebied als taakgroepcommandant onder de Amerikaanse commandant van de «Joint Inter Agency Task Force», die verantwoor- delijk is voor de coördinatie van de bestrijding van de drugshandel in die regio. 3 Bij het paraat houden van 15 medische teams is op creatieve wijze samenwerking gezocht met burgerziekenhuizen. Is dit een werkwijze die ook bij andere ondersteunende activiteiten toe te passen is, zoals bij transport en logistiek, catering en dergelijke? (pag. 3) De samenwerking met burgerziekenhuizen is tot stand gekomen op grond van een grotere behoefte aan onmiddellijk inzetbaar geneeskundig personeel bij uitzendingen voor vredebewarende en vrede-afdwingende operaties. Ter oplossing van dit specifieke probleem worden chirurgische teams bovenformatief ondergebracht in vijftien ziekenhuizen. Een dergelijke constructie is niet zondermeer toepasbaar en niet noodzakelijk voor andere ondersteunende activiteiten. Wel wordt in dit verband gewezen op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar uitbesteding van ondersteunende diensten bij Defensie (zie Hoofdlijnen- notitie, blz. 46). In dit onderzoek worden de bewaking en beveiliging, het transport en het hoger onderhoud bezien. Het onderzoek beoogt het ontwikkelen van criteria voor het uitbesteden van ondersteunende diensten. Dit IBO wordt onder leiding van het ministerie van Financiën uitgevoerd. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan. 4, 141, 142, 169, 200 en 237 Wat zijn de strategische argumenten om precies twee standaard-fregatten uit de vaart te nemen, een squadron F16-jachtvliegtuigen op te heffen en het aantal Orions terug te brengen van 13 naar 10? (pag. 3) Het aantal fregatten van de Koninklijke marine wordt teruggebracht van zestien naar veertien. Kan dit aantal onderbouwd worden en welke taken worden niet meer vervuld door het afstoten van twee fregatten? (pag. 23) Waarom wordt het aantal patrouillevliegtuigen van de MLD niet terug gebracht naar zeven in plaats van tien? (pag. 23) Kan worden aangegeven waarom, ondanks de in de Hoofdlijnennotitie aangegeven «sterk verminderde dreiging» van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakte schepen, en de in verhouding tot de Koninklijke lucht- macht en de Koninklijke landmacht bescheiden bijdrage van de marine aan vredesoperaties, de hoeveelheid fregatten met slechts twee wordt verminderd? (pag. 24 e.v.) Voor het afschaffen van een squadron F-16 gevechtsvliegtuigen wordt (pag. 30) het argument gehanteerd van het verdwijnen van de acute dreiging van een massale aanval tegen het grondgebied van de NAVO. Vervolgens wordt echter vastgesteld dat juist deze vliegtuigen voldoen aan de nieuwe eisen van snelle inzetbaatheid, flexibiliteit en mobiliteit. Hoe verhouden deze twee opmerkingen zich tot elkaar? Kan de regering aangeven welke missies niet meer kunnen worden uitgevoerd door het afstoten van fregatten, jachtvliegtuigen en Orions? Welke gevolgen heeft dit voor het voortzettingsvermogen tijdens crisisbeheersingsoperaties? (pag. 45) De afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-grondgebied rechtvaardigt de keuze voor vermindering van het aantal middelen dat voor een dergelijke aanval door het bondgenootschap beschikbaar wordt gehouden. Deze keuze is ook gebaseerd op de overtuiging dat de oorlogsdreiging het best kan worden bestreden door tijdig te reageren op Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 3 spanningen in de periferie van het Navo-grondgebied. Dat vereist onder andere meer direct inzetbare grondtroepen en een grotere strategische transportcapaciteit. Daarnaast zijn er investeringen nodig op specifieke gebieden, zoals de verdediging tegen ballistische raketten, die meer dan in het verleden een bedreiging vormen voor de Nederlandse uitgezonden eenheden. Met de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde reducties wordt financiële ruimte gevonden voor dit nieuwe beleid en voldoende flexibiliteit in stand gehouden om aan de taken in bondgenootschappelijk verband een geloofwaardige bijdrage te kunnen leveren. De intrinsieke eigenschappen van het F-16 gevechtsvliegtuig – in het bijzonder de snelle inzetbaarheid, flexibiliteit en mobiliteit – maken dit wapensysteem geschikt voor inzet in zowel grootschalige conflicten als in crisisbeheersings-operaties, zoals de praktijk duidelijk heeft aangetoond. Daarom zal de beschikbaarheid van drie squadrons F-16 voor crisis- beheersingsoperaties worden gecontinueerd. Om deze inzet te garan- deren is een bredere basis qua beschikbare middelen nodig; zie tevens antwoord op vraag 187. Met de nu voorgestelde vermindering is het voortzettingsvermogen nog verzekerd. Ook voor de Koninklijke marine zijn de reducties zo gekozen dat de huidige inzetopties uitvoerbaar blijven. Wel zal met minder middelen het activiteitenniveau moeten afnemen. Dat kan bij langdurige vredes-, crisisbeheersings- of humanitaire operaties consequenties hebben voor de huidige vaste verplichtingen, zoals de inzet van fregatten in de permanente Navo-eskaders, de presentie met een fregat en maritieme patrouillevliegtuigen in het Caraïbisch gebied en stationering van een Orion op Keflavik. In voorkomend geval zal een prioriteitenafweging worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 153. 5 Schat de regering de veiligheidsrisico’s van de verspreiding van wapens voor massavernietiging vooral in termen van terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied in, of in bedreiging van het grondgebied van de NAVO (lidstaten)? (pag. 3) Gelet op het aantal landen dat zich reeds vele jaren bezighoudt met de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens is kans op inzet van deze wapens door reguliere strijdkrachten op dit moment groter dan het risico van terroristisch gebruik. De kans op terroristische aanslagen op Nederlands grondgebied is momenteel klein. Toch dient met beide verschijningsvormen rekening te worden gehouden gezien de proliferatie van zowel massavernietigingswapens als de technologische kennis dergelijke wapens in te zetten. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat Nederlandse troepen tijdens uitzending worden geconfronteerd met inzet van massavernietigings- wapens. Een adequate bescherming tegen deze wapens is dan ook geboden. 6 Welke politieke drukmiddelen zijn beschikbaar om Noord Korea tot verantwoord gedrag te bewegen op het punt van export van raket- systemen en massavernietigingswapens? (pag. 3) Het Noord-Koreaanse regime is moeilijk te benaderen en nog moeilijker te beïnvloeden, zelfs door landen die diplomatieke relaties onderhouden met dit land. Het belangrijkste drukmiddel is de «Korean Energy Development Organization» (Kedo), waaraan ook de Europese Unie bijdraagt. De Kedo is opgericht als uitvloeisel van het «Agreed Framework» dat de Verenigde Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 4 Staten en Noord-Korea in 1994 hebben afgesloten. Noord-Korea zegde toe een aantal verdachte nucleaire activiteiten te staken. De Kedo stelt gratis ruwe olie beschikbaar aan Noord-Korea, ter compensatie van de elektri- citeit die niet langer kan worden geleverd door de verdachte kerncentrale. Voorts zullen twee licht-watercentrales worden gebouwd, waarvan geen proliferatie-risico uitgaat. De Kedo heeft de mogelijkheden van Noord-Korea op het gebied van nucleaire proliferatie verminderd, hoewel een aantal onzekerheden blijft bestaan. Het welslagen van de Kedo heeft onder druk gestaan vanwege de lancering van een Taepo Dong raket door Noord-Korea in 1998 en de onduidelijke status van een, wellicht nucleair, ondergronds complex bij Kumchangri. Op grond van deze lancering schortte Japan de betalingen aan de Kedo op. Het Amerikaanse Congres insisteerde, onder dreiging van opzegging van de steun aan de Kedo, op inspecties van genoemd complex. Op 15 maart jl. bereikten de Verenigde Staten en Noord-Korea overeenstemming over inspecties. Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de export van Noord-Koreaanse rakettechnologie te voorkomen. De Verenigde Staten pogen door een combinatie van sancties en beloningen tot nadere afspraken te komen. Noord-Korea ziet de export van rakettechnologie als een belangrijke bron van buitenlandse valuta’s. Een complicerende factor is dat er geen internationale verdragen bestaan die de ontwikkeling van ballistische raketten verbieden. Wel bestaat een samenwerkingsverband, het «Missile Technology Control Regime», tussen landen die over relevante technolo- gieën beschikken om de export daarvan naar proliferanten te voorkomen. Noord-Korea is daarbij niet aangesloten en het is onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn zal gebeuren. Op langere termijn biedt slechts een internationale dialoog de mogelijkheid het zelf gekozen isolement van Noord-Korea te doorbreken. Vorig jaar heeft de EU-Troika op ambtelijk niveau besprekingen gevoerd in Noord-Korea. Hierbij zijn onder meer de zorgen op non-proliferatiegebied naar voren gebracht, tot dusver zonder resultaat. 7, 8, 9 en 235 Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 150 Leopard-2 tanks oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3) Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van 2 S-fregatten oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? (pag. 3) Hoeveel verwacht de regering dat de verkoop van een squadron F-16’s oplevert en zijn er al landen die hiervoor belangstelling getoond hebben? Zo ja, welke? In hoeverre is de uitgesproken verwachting realistisch, gezien de eerdere moeilijkheden om F-16 te verkopen? (pag. 3) De verkoop van «overtollig» materieel leidt tot een inboeking van 600 miljoen. Hoe reëel is dit bedrag? (pag. 45) De inkomsten uit de verkoop van het in de Hoofdlijnennotitie overtollig gestelde materieel zijn in totaal geraamd op ruim f 600 miljoen. Dit bedrag is gebaseerd op de ervaring met gerealiseerde verkoopopbrengsten in de afgelopen jaren. Binnenkort zal het desbetreffende materieel worden aangeboden aan de regeringen van daarvoor in aanmerking komende landen, rekening houdend met de restricties van het wapenexportbeleid. Dit zal gebeuren onder het voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de besluiten die in de Defensienota zullen worden opgenomen. Zie ook het antwoord op vraag 232. Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 5 10 en 196 Kan worden aangegeven binnen welke termijn de studie om de LCF-fregatten te voorzien van een capaciteit voor een «Theatre Missile Defence» zal worden afgerond? (pag. 3) Er vindt onderzoek plaats naar de uitrusting van de LFC-fregatten van de Koninklijke marine voor de verdediging tegen ballistische raketten (aanpassing APAR-radar). Wanneer wordt hiertoe besloten, om welke kosten gaat het en hoe verloopt de samenwerking met Duitsland en de Verenigde Staten? Zijn nog andere landen geïnteresseerd in deelname? (pag. 29) De eerste fase van de studie over de TMD-capaciteit van de LCF-fregatten, waaraan ook Duitsland deelnam, is afgerond. Hieruit is gebleken dat het in beginsel mogelijk is de systemen van de LCF-fregatten zo aan te passen dat deze schepen over TMD-capaciteit kunnen beschikken. De hiermee gemoeide kosten zijn afhankelijk van de samenwerkingsmogelijkheden met Duitsland en de Verenigde Staten. Vooralsnog is in de plannen f 300 miljoen gereserveerd. Momenteel wordt met Duitsland onderhandeld over een gezamenlijke uitvoering van de vervolgfase van de studie, waarin – samen met de Verenigde Staten – de resultaten van de eerste fase gevalideerd moeten worden; de validatie zal drie jaar in beslag nemen. Definitieve besluit- vorming is pas mogelijk als de tweede fase van de studie afgerond is. De studie richt zich vooralsnog op de specifieke systemen die alleen zijn voorzien voor de Duitse en Nederlandse schepen, zodat aan de studie geen andere landen kunnen deelnemen. 11 Op welke wijze krijgt de detectie van biologische wapens meer aandacht? (pag. 3) TNO ontwikkelt in samenwerking met de TU Delft een prototype van een detectiesysteem gebaseerd op fysische principes. Nederland neemt deel aan Europese projecten op het gebied van detectie en identificatie van biologische agentia en van pathogene micro- organismen. De resultaten hiervan zijn over enkele jaren te verwachten. De huidige en toekomstige onderzoeksinspanningen worden samenge- bracht in een integraal onderzoeksprogramma op het gebied van passieve verdediging tegen NBC-strijdmiddelen. Hiermee wordt bundeling van de (schaarse) nationale expertises, inbedding in internationaal verband en, vooral op biologisch gebied, intensivering nagestreefd. Landen waarmee zal worden samengewerkt zijn met name Canada, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. 12 Waarom wordt de waarschuwingstijd (10–15 jaar) voor de opbouw van de krijgsmacht tot een grotere omvang steeds gebaseerd op een eventuele Russische dreiging? Worden andere bedreigingen die zulks kunnen vereisen uitgesloten? Zo ja, waarop is dat dan gebaseerd? (pag. 6) Tijdens de Koude Oorlog was er sprake van een zeer sterk bewapende vijand en van verstarde politieke en militaire verhoudingen. Deze situatie is sinds het begin van de jaren negentig ingrijpend veranderd. De verdeling van Europa in twee blokken met de daarbij behorende ideolo- gische tegenstellingen is verdwenen en het militair potentieel is sterk verminderd. In deze situatie is er geen directe dreiging van een groot- schalige aanval meer tegen het bondgenootschappelijke grondgebied en Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 6 is de politieke waarschuwingstijd voor een dergelijk scenario aanzienlijk langer geworden. De militaire voorbereidingstijd zal waarschijnlijk korter zijn. Rusland is meest nabije grote mogendheid in Europa; andere dreigingen worden overigens geenszins uitgesloten. 13 Wat wordt bedoeld met: «De krijgsmacht verschaft zekerheid tegen niet te voorziene risico’s...»? Niet te voorziene risico’s zijn immers risico’s die niet bekend zijn; hoe kan de Krijgsmacht er dan op anticiperen? Verschaft de Krijgsmacht ook zekerheid tegen minder grote, maar wel reële risico’s zoals een massale aanval op NAVO-gebied? (pag. 6) Juist tegen niet voorziene, dus onbekende, veiligheidsrisico’s is een flexibel inzetbare capaciteit nodig, die een «verzekering» is tegen inbreuken op onze veiligheid of de Nederlandse belangen. Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, beschikt de krijgsmacht over de capaciteit om desgewenst voldoende strijdkrachten te genereren voor het bondgenootschappelijk verdedigingspotentieel in geval van een groot conflict. 14 Welke in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde investeringen kunnen worden gebruikt voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid? De in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde nieuwe investeringen zijn deels investeringen die voortvloeien uit de aangekondigde operationele maatregelen zoals de uitbreiding van het mariniersbestand en de genie. Gelet op de uitbreiding van de parate capaciteit zullen ook aanvullende investeringen nodig zijn voor infrastructuur. Voorts zijn nieuwe materieel- investeringen voorzien voor helikopters voor onder meer medische evacuatie, een tweede amfibisch transportschip en extra investeringen voor een maritieme TMD-capaciteit. Met uitzondering van de TMD-capaciteit worden alle nieuwe investeringen in meerdere of mindere mate gebruikt voor alle hoofdtaken van het defensiebeleid. De TMD-capaciteit zal geen directe bijdrage leveren aan de ondersteuning en hulpverlening door de krijgsmacht. Afzonderlijke investeringsprojecten zullen steeds worden getoetst aan de op blz. 7 van de Hoofdlijnennotitie genoemde taken. 15 Welke middelen voor verdediging tegen een massale aanval zijn niet bruikbaar voor alle hoofdtaken van het Defensiebeleid, en welke wel? Hoe is bij het schrijven van de Hoofdlijnennotitie rekening gehouden met het feit dat het nieuwe Strategische Concept van de NAVO nog niet vastge- steld is? (pag. 7) De Nederlandse krijgsmacht heeft geen specifieke middelen die alleen bruikbaar zijn voor verdediging tegen een massale aanval. Alle middelen zijn in min of meerdere mate bruikbaar voor zowel de eerste als de tweede hoofdtaak (zie het antwoord op vraag 14). Een deel van de middelen en vrijwel al het personeel kan tevens worden ingezet voor de derde hoofdtaak. Daarbij is in het licht van de analyse van de interna- tionale veiligheidssituatie bewust gekozen voor fregatten, maritieme patrouillevliegtuigen, mobilisabele tanks en jachtvliegtuigen. Hoewel deze middelen allemaal bruikbaar zijn voor de bondgenootschappelijke verdediging én crisisbeheersingstaken, kan de beschikbare hoeveelheid van deze middelen worden aangepast vanwege de afgenomen dreiging van een massale aanval op het Navo-verdragsgebied. Zie ook het antwoord op vraag 4. Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 7 De herziening van het Strategische Concept van de Navo is reeds eind 1997 begonnen. In de voorbereidingen heeft Nederland een duidelijk herkenbare positie ingenomen, onder meer ten aanzien van de taakstelling van de Navo; ook is een indruk ontstaan van de standpunten van de bondgenoten. Het nieuwe Strategische Concept zal eerst tijdens de Top van de Navo te Washington, eind april 1999, worden vastgesteld. Bij de opstelling van de Defensienota zullen de daarin op te nemen maatre- gelen worden getoetst aan het Strategische Concept. 16 Op welke wijze worden de inspanningen van de bondgenoten beter op elkaar afgestemd? (pag. 7) De defensie-inspanningen van de bondgenoten worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd door middel van het Navo-defensieplanningsproces. Als uitgangspunt voor de defensieplanning dient het Strategische Concept. Dit bevat een algemene uiteenzetting van de doelstellingen en de middelen van het bondgenootschap. De ministers van Defensie geven om de twee jaar meer gedetailleerde richtlijnen in de «Ministerial guidance». Op grond hiervan worden de «force goals» vastgesteld, de specifieke doelstellingen voor de strijdkrachten van de lidstaten. Deze doelstellingen worden vertaald in concrete voorstellen, de «force proposals». Jaarlijks wordt overlegd om te bezien of de defensieplannen van de landen sporen met de afgesproken doelstellingen. Dan maken de landen bekend in hoeverre ze de voorgestelde «force proposals» kunnen accepteren en uitvoeren. Naast dit planningsproces is ook sprake van multilaterale en bilaterale samenwerking, operationeel en bij de ontwikkeling van defensiematerieel. 17 en 19 De taken van de Krijgsmacht in de toekomst spitsen zich toe op de verdediging van eigen en bondgenootschappelijk gebied, bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde en de handhaving van de nationale rechtsorde inclusief ondersteuning van de civiele overheden. Is er een prioriteitstelling in taken aan te geven in het geval er beroep wordt gedaan op dezelfde middelen op hetzelfde tijdstip? (pag. 7) De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging, crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak? (pag. 7) Als er sprake mocht zijn van een directe bedreiging van het eigen of bondgenootschappelijke grondgebied, zal aan de verdediging daarvan op dat moment de hoogste prioriteit worden gegeven. Naarmate een dergelijke bedreiging minder actueel is, zullen de Nederlandse eenheden meer elders kunnen worden ingezet voor andere vredebewarende en vrede-afdwingende taken, danwel kunnen worden ingezet voor civiele taken. De krijgsmacht ontleent haar legitimiteit aan het feit dat zij als enige institutie in opdracht van de regering in staat is tot het toepassen van beheerst en zonodig grootschalig geweld. Om deze taak te kunnen uitvoeren beschikt zij over een scala van capaciteiten. Deze reeds in de krijgsmacht aanwezige capaciteiten kunnen ook in het kader van civiele taken worden ingezet. 18 Is er een tegenspraak tussen de beperkte, militaire dreiging en de Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 8 verdediging tegen een veelheid van veiligheidsrisico’s die diffuus van aard zijn? (pag. 7) Neen, beide zijn elementen van de beschrijving van de huidige veiligheidssituatie. De directe militaire dreiging is sinds het einde van de Koude Oorlog sterk verminderd. De krijgsmacht moet daarnaast berekend zijn op de op blz. 11 en 12 van de Hoofdlijnennotitie beschreven, meer diffuse, veiligheidsrisico’s. 19 De regering formuleert drie taken voor de krijgsmacht (algemene verdediging, crisisbeheersing en civiele taken). Is de regering het eens met de constatering dat de krijgsmacht primair een instrument is waarmee de staat op grootschalige wijze geweld kan toepassen? Zo ja, is dan de civiele taak geen afgeleide taak? (pag. 7) Zie antwoord op vraag 17. 20, 174, 175, 180 en 181 In de Hoofdlijnennotitie wordt de keuze voor een geheel parate krijgs- macht niet gemaakt; waarom niet? (pag. 7) Welke rol spelen mobilisabele eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps? Wat zou een verdere verkleining van de mobilisabele reserve voor die samenwerking hebben? (pag. 25) Is het Duits-Nederlandse legerkorps voldoende toegesneden op de verschuiving naar vredesoperaties en crisisbeheersing of is het vooral een samenwerkingsverband geënt op de meer traditionele gebieds- verdediging? (pag. 25) Kan de regering de conclusie dat niet alle mobilisabele eenheden gemist kunnen worden nader omschrijven? (pag. 25) Zijn er mogelijkheden mobilisabele eenheden geheel paraat, dan wel inzetbaar voor crisisbeheersingsoperaties te maken? (pag. 25) Wat betreft de omvang van de mobilisabele component is bij de reducties op grond van de Defensienota 1991 en de Prioriteitennota (1993) besloten vast te houden aan het legerkorpsniveau. Het legerkorps is de belang- rijkste eenheid in de organisatie van de Navo-strijdkrachten. Nederland beschikte in het begin van de jaren negentig zelf over een legerkorps; de verkleining van de Koninklijke landmacht leidde tot de vorming van een legerkorps samen met Duitsland. Beide landen nemen daarin deel met een volledige divisie en een deel van de legerkorpstroepen. Een deel van zowel de Duitse als de Nederlandse eenheden is mobilisabel. Zo wordt op een kosteneffectieve wijze aan de Navo-verplichtingen voldaan. Door de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde verkleining (de opheffing van drie tankbataljons) van het mobilisabele bestand bestaat de divisie nog uit drie gemechaniseerde brigades van elk drie bataljons. Op basis van algemene Navo-richtlijnen voor de omvang en structuur van de eenheden dient een divisie te beschikken over drie tot zes brigades en een brigade over drie tot vijf manoeuvrebataljons. Nederland bevindt zich daarom nog binnen de grens van wat operationeel noodzakelijk wordt geacht, maar bij een verdere inkrimping is geen sprake meer van een volwaardige inbreng in het binationale legerkorps (zie ook het antwoord op vraag 190). Zo’n besluit zou haaks staan op het beleid gericht op internationale samenwerking. Naast de taak in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging zijn het hoofdkwartier en de eenheden van het Duits-Nederlandse legerkorps beschikbaar voor de Weu. Nu van de vroegere terughoudendheid van Duitsland op het gebied van deelneming aan vredesoperaties geen sprake meer is, ligt ook op dit Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 9 terrein meer samenwerking in de rede, zoals dat nu al het geval is met het Verenigd Koninkrijk. In de Hoofdlijnennotitie is een verschuiving aangekondigd van de mobilisabele naar de parate component. Wat betreft de personele vullingsmogelijkheden lijkt met de huidige uitbreiding van de parate component het maximaal haalbare bereikt. Zie ook het antwoord op vraag 111. 21 en 96 Volgens de Grondwet is er een krijgsmacht «tot bescherming van de belangen van de Staat». De basis voor de Britse «Strategic Defence Review» vormde een gezamenlijke evaluatie door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie van de nationale belangen, afspraken en verantwoordelijkheden en een beoordeling van de risico’s en uitdagingen in de komende decennia. Hiermee is voor het SDR-proces het algemeen beleidskader («Policy Framework») geschapen waarin de algemene rol van Defensie ter ondersteuning van het Britse buitenlandse- en veiligheidsbeleid is uiteengezet. In de uitgangspunten van de Hoofdlijnen- notitie ontbreekt een definiëring van Nederlandse belangen etc. en doelstellingen op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid. Kan de regering deze alsnog verstrekken? (pag. 7) In de Hoofdlijnennotitie blijven de nationale politieke en economische belangen in het Golfgebied onbenoemd. Kan de regering ingaan op deze belangen, alsmede op de gevolgen van een onverhoopte aantasting daarvan? Hoe afhankelijk is Nederland bijvoorbeeld van de olie-aanvoer uit het Perzische Golfgebied? In de beschrijving van de taken van de krijgsmacht op blz. 7 en 17 van de Hoofdlijnennotitie wordt verwezen naar de Nederlandse belangen en doelstellingen op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Ook in het in 1995 verschenen Toetsingskader voor de uitzending van militaire eenheden gelden de Nederlandse belangen als een belangrijke toetssteen voor deelneming aan internationale operaties. In de Defensienota zal nader worden ingegaan op deze problematiek. Sinds de jaren zeventig is de herkomst van de Nederlandse energievoor- ziening aanzienlijk gediversificeerd. Dit neemt niet weg dat de Golfregio met zeventig procent van de bewezen oliereserves en haar zeer omvang- rijke gasreserves een gebied van groot strategisch belang is. Dit wordt mede bepaald door de strategische ligging ervan en door de gevolgen die instabiliteit in deze regio heeft voor Europa. 22, 23 en 24 Wat is de relatie van landen in conflict zoals opgesomd op pag. 7 tot de Nederlandse Defensie-inspanning, die is gebaseerd op de 4–3 formule? Waarom deelname aan vier missies en niet meer of minder? Is er een rangorde, in de zin dat het ene conflict voor Nederland bedreigender is dan het andere? (pag. 7) In de Hoofdlijnennotitie is sprake van drie type taken: 1. verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk gebied, 2. bescherming interna- tionale rechtsorde, 3. handhaving nationale rechtsorde en ondersteuning (nationaal en internationaal) bij rampenbestrijding en vredesopbouw. De afbakening tussen crisisbeheersing, vredesoperaties en steun bij vredesopbouw is onduidelijk. Bij de bescherming van de internationale rechtsorde ligt de specifieke nadruk op de bevordering van veilige en stabiele verhoudingen in de periferie van het NAVO-verdragsgebied. Is hier sprake van een onderliggende accentverschuiving, waarbij enige robuustheid slechts aan de dag gelegd wordt in de periferie van het NAVO-verdragsgebied (het bestrijden van «schurkenstaten»)? Van Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 10 vredesoperaties elders met enige omvang en slagkracht om vrede te bewaren of af te dwingen lijkt geen sprake meer. Slechts hand- en spandiensten voor vredesopbouw blijven dan over. Klopt dit beeld? Zo neen, kan dan wat preciezer aangegeven worden wat de reikwijdte van de diverse begrippen is? (pag. 7) Is de uitwerking van de veiligheidsanalyse naar veiligheidsbeleid niet te eenzijdig gericht op Europa en in het bijzonder het NAVO-verdragsgebied? Wat vragen ontwikkelingen in Afrika en Azië van de Internationale Gemeenschap? Zijn er verdere ontwikkelingen te verwachten bij de Verenigde Naties ten aanzien van vredesoperaties, of blijft het bij de UNSAS? (pag. 7) De opsomming van de veiligheidsrisico’s op blz 10 t/m 12 van de Hoofdlijnennotitie leidt tot de conclusie dat de nieuwe veiligheidssituatie een breed en actief veiligheidsbeleid vereist. Naast politieke, economische en financiële middelen kan de regering daartoe ook militaire middelen inzetten. De vaststelling van het ambitieniveau van vier gelijktijdig uit te voeren operaties weerspiegelt de inspanning die Nederland kan en wil leveren. Het geeft uitdrukking aan de verantwoordelijkheid die ons land neemt bij de handhaving van de internationale rechtsorde en bescherming van de mensenrechten. Genoemd ambitieniveau is vastgelegd in het Regeerakkoord van 1998. Het in onderlinge samenhang toepassen van alle genoemde middelen richt zich vooral ook op de veiligheidsrisico’s in de periferie van het Navo-verdragsgebied. Daardoor kan de inzet van massale middelen ter verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied worden voorkomen. Juist omdat op voorhand niet kan worden aangegeven welk conflict het meest bedreigend is, dient de krijgsmacht over voldoende flexibiliteit te beschikken om deel te kunnen nemen aan een groot aantal verschillende inzetopties. Uitgezonden eenheden kunnen altijd worden geconfronteerd met militaire gevechtshandelingen en dienen dan ook voldoende uitgerust en bewapend te zijn. Noch in de huidige operaties, noch in toekomstige zal de bijdrage van Nederlandse eenheden zijn beperkt tot de ondersteuning van vredesopbouw. Zie ook het antwoord op vraag 82. 25, 74, 75 en 76 In de Hoofdlijnennotitie wordt gesproken over de noodzaak van een «toereikende internationaal-rechtelijke grondslag voor internationale operaties buiten het NAVO-gebied». Wat verstaat de regering onder «toereikend»? Bedoelt de regering hiermee expliciet de VN Veilig- heidsraad? (pag. 7) In de notitie wordt gesteld dat de grondslag voor de inzet van NAVO-middelen ter handhaving van de internationale rechtsorde bij voorkeur een mandaat van de VN of de OVSE dient te zijn. Welke andere mandaten komen hiervoor nog meer in aanmerking? Kan geconcludeerd worden dat een expliciete resolutie van de VN Veiligheidsraad geen absolute voorwaarde is voor het inzetten van Nederlandse militairen in het kader van een NAVO-inzet buiten het NAVO-grondgebied? Wat is de minimale «internationaalrechtelijke» grondslag die voor zo’n beschikbaar- stelling noodzakelijk wordt geacht? Wat zijn de criteria voor een dergelijke grondslag? (pag. 14) Op welke wijze zal de nieuwe kerntaak van de NAVO (crisisbeheersing en vredesoperaties) internationaal-rechterlijk moeten worden gemandateerd waar het niet gaat om artikel 5 NAVO-verdrag operaties? (pag. 14) Op welke wijze wordt door onder andere Nederland getracht het primaat van de VN-Veiligheidsraad te behouden met betrekking tot de internationaalrechtelijke mandatering van militaire operaties? (pag. 14) Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 11 Volgens het volkenrecht is militair optreden buiten het Navo-gebied in drie gevallen toegestaan: – in geval van zelfverdediging, inclusief de verdediging van bondge- noten (artikel 51 van het VN-Handvest); – op grond van een mandaat van de Veiligheidsraad (hoofdstuk VII van het Handvest); – op verzoek van de wettige regering van het land op wiens grondgebied de operatie plaatsvindt. In dit geval is een mandaat van de Veilig- heidsraad (hoofdstuk VI van het Handvest) of een verzoek van de OVSE wenselijk, maar juridisch niet strikt noodzakelijk. Het algemeen aanvaarde volkenrecht heeft echter geen goed antwoord op de vraag wat dient te gebeuren als onaanvaardbaar menselijk lijden dreigt, terwijl de regering van het desbetreffende land niet langer functioneert of juist schuldig is aan dit lijden en de Veiligheidsraad het niet eens wordt over een mandaat voor militair ingrijpen. Het feit dat de Veiligheidsraad in sommige situaties niet in staat is zijn verantwoordeljkheid te nemen, mag de internationale gemeenschap niet verplichten tot werkeloos toezien. Naar het oordeel van de regering kan daarom onder extreme omstandigheden in een zich ontwikkelend volkenrecht een voldoende internationaalrechtelijke grondslag bestaan voor humanitaire interventie. Daarbij dient te worden onderstreept dat het beginsel van humanitaire interventie een uitzondering vormt op de regel; een uitzondering waarvan niet lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat het beginsel van humanitaire interventie ook worden gebruikt door staten ter rechtvaardiging van andersoortige militaire interventies. 26 Waarop is de verwachting gebaseerd dat met name de verspreiding van massavernietigingswapens zich in de komende decennia mogelijk zal ontwikkelen tot een bedreiging van de internationale veiligheidssituatie? Sinds welk moment of welke gebeurtenis of ontwikkeling speelt deze overweging een belangrijke rol in het denken over de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht? (pag. 7) Er zijn onmiskenbaar aanwijzingen dat een aantal landen programma’s heeft voor de ontwikkeling en produktie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen. Tegen deze achtergrond besloot de Navo-top van 1994 deze problematiek grotere prioriteit te geven. In dit verband wordt ook verwezen naar de veiligheidsanalyse die als bijlage werd gevoegd bij de Memorie van Toelichting op de begroting 1996 en de in mei 1998 aan de Kamer gezonden notitie over de proliferatie van massavernietigingswapens. 27 en 28 Als Nederland steeds in internationaal verband zal optreden, zoals in de inleiding wordt gesteld, en de krijgsmacht «modules» levert voor het «grotere geheel», hoe waarborgt de regering dan de functie van de Nederlandse krijgsmacht in de verdediging van het eigen grondgebied? (pag. 7) Leiden verdere specialisatie en afstemming met NAVO-partners tot een krijgsmacht die steeds minder in staat zal zijn zelfstandig te opereren? Hoe verhoudt een dergelijke ontwikkeling zich tot de kerntaak van de Neder- landse krijgsmacht om de nationale integriteit te waarborgen? (pag. 7) Een aanval op het Nederlandse grondgebied wordt gezien als een aanval op het Navo-verdragsgebied, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Navo-verdrag. Door de inbedding van de Nederlandse krijgsmacht in Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 12 internationaal verband worden de beste waarborgen geschapen voor de bescherming van de nationale integriteit. Dit betekent echter wel dat de krijgsmacht minder in staat is zelfstandig te opereren en dat er sprake is van een verminderde nationale invloed. 29, 30, 31, 40 en 41 Een belangrijk richtsnoer voor de noodzakelijke koersverandering als aangekondigd in de Hoofdlijnennotitie is het Strategisch Concept van de NAVO dat in april 1999 zal verschijnen. Voorts wordt in deze notitie aangekondigd dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) nog een beoordeling zal moeten geven omtrent de internationale veiligheids- situatie en de gevolgen die dit mogelijk zal hebben voor het Nederlandse veiligheidsbeleid. Tenslotte zal een maatschappelijk debat over de toekomst van de krijgsmacht eveneens bovengenoemde koersverlegging dienen. Kan de regering aangeven wat dan precies de status van deze notitie is? Hoe waarschijnlijk acht de regering het dat nog dit jaar het personeel bij elkaar moet worden geroepen om hen te vertellen dat het toch weer anders moet? (pag. 7 en 8) Is de adviesaanvraag aan de AIV niet mosterd na de maaltijd als de hoofdlijnen van het Defensiebeleid al zo zijn ingekleurd? Of kunnen er nog majeure wijzigingen in worden aangebracht? (pag. 8) Mag uit het gestelde op pag. 8 de conclusie getrokken worden dat de AIV in het geheel niet gekend is in de totstandkoming van de Hoofdlijnen- notitie? Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in de vorm van scenario’s of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen reeds hebben afgerond? (pag. 9) «De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden (m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag. 9, 47–48) De Hoofdlijnennotitie verwoordt het standpunt van de regering inzake de toekomst van de krijgsmacht. De Hoofdlijnennotitie bevat een voorlopige analyse in kort bestek van de internationale veiligheidssituatie, waarbij onder andere ook gebruik is gemaakt van de «Strategic Defence Review» in het Verenigd Koninkrijk. Alvorens de internationale verhoudingen uitvoeriger te beschrijven en te beoordelen hecht de regering er zeer aan de opvattingen daarover van de AIV te vernemen. De AIV is gevraagd om een beoordeling van de internationale veiligheidssituatie en de gevolgen daarvan voor het Nederlandse defensiebeleid. De AIV zal zijn advies in de loop van mei uitbrengen. Dit advies kan wel degelijk van invloed zijn op de maatregelen die in de Defensienota worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor het nieuwe Strategische Concept van de Navo en de resultaten van de strategische toekomstdiscussie defensie (STD). De STD is in volle gang. In de besluitvorming over de Defensienota 2000 bestaat vanzelf- sprekend ruimte voor de verwerking van opvattingen en ideeën die in het kader van de STD naar voren worden gebracht. 32 Welke maatregelen zullen er getroffen worden indien er met de vakorgani- saties geen overeenstemming bereikt kan worden over de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden? (pag. 8) Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 13 Over maatregelen betreffende de arbeidsvoorwaarden moet met de vakorganisaties overeenstemming worden bereikt. Er wordt onderhandeld over een totaalpakket van positieve en minder aangename maatregelen. In het vrijwel ondenkbare geval dat daarover uiteindelijk geen overeen- stemming wordt bereikt, blijven de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd. 33 Bij de opsomming in de Hoofdlijnennotitie van de veiligheidsrisico’s wordt niet genoemd het toenemende risico van information (of cyber) warfare. Kan de regering hiervan alsnog een omschrijving geven, alsmede een overzicht van het nationaal beleid in deze en van de rol die Defensie vervult bij de bescherming tegen dit soort veiligheidsrisico’s? (pag. 8) De grote belangen van een goede informatievoorziening en het toenemend gebruik van informatietechnologie leiden ertoe dat de samenleving en dus ook Defensie kwetsbaarder wordt. Tegelijkertijd biedt de informatietechnologie nieuwe operationele mogelijkheden. Onder de noemer «information operations» (Info Ops) doet de Navo onderzoek op dit terrein. Bovendien doen de Duitse en Nederlandse krijgsmachten in samenwerking met het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en het Duitse onderzoeksinstituut IABG een verkennend onderzoek op genoemd gebied. Deze studie is te beschouwen als een bijdrage aan de ontwik- keling van nationaal beleid terzake. 34 In de Hoofdlijnennotitie wordt een stap in de richting van een «expeditio- naire» krijgsmacht gezet. Is de regering van mening dat de voorgestelde stappen ver genoeg gaan? Dient het tweede ATS niet de capaciteit van helikoptercarrier te krijgen? Dient niet meer aandacht te worden gegeven aan gemakkelijk te transporteren vuurkracht? (pag. 8) Het tweede transportschip zal, evenals Hr.Ms. Rotterdam, in staat zijn een aantal helikopters mee te voeren. Helikoptercarriers vervoeren naast de helikopters zelf ook commando- en logistieke elementen die voor grootschalige helicopteroperaties benodigd zijn. De configuratie van het tweede schip is nog onderwerp van studie. Daarbij wordt de nodige aandacht besteed aan het transporteren van vuurkracht. Een voorbeeld hiervan is de mogelijkheid tot het transport over zee van tanks, helikopters, vuurmonden, pantservoertuigen en Patriotsystemen. 35 en 56 In hoeverre wijkt de analyse van de veiligheidssituatie af van die zoals die geformuleerd is in de Prioriteitennota? (pag. 8) Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in de Prioriteitenota en in deze notitie samen met de nieuwe beleids- voornemens die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? De Hoofdlijnennotitie bouwt voort op een aantal ontwikkelingen die ook in de Prioriteitennota zijn beschreven. Een belangrijk voorbeeld is de constatering in de Prioriteitennota dat de defensie-inspanning meer gericht zal moeten zijn op crisisbeheersingstaken. De Hoofdlijnennotitie geeft hieraan een vervolg. Nieuwe ontwikkelingen in de Hoofdlijnennotitie zijn de rol die de Navo speelt in de periferie van het verdragsgebied, de verdere verslechtering van de situatie in het voormalige Joegoslavië, de aanpassingen in de Navo-doctrine, de aandacht voor de Europese veiligheidsen defensie-identiteit en de grotere nadruk op de risico’s van de verspreiding van massavernietigingswapens. Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 14 36, 44, 56 en 132 Er is niet gekozen voor presentatie van meerdere scenario’s of alterna- tieven, maar voor één bepaald scenario. Kan de regering aangeven welke andere scenario’s in de discussie ter voorbereiding van de Hoofdlijnen- notitie een rol hebben gespeeld? (pag. 8) Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10) Hoe hangen de verschillen in analyse van de veiligheidssituatie in de Prioriteitennota en in deze notitie samen met de nieuwe beleids- voornemens die in de Hoofdlijnennotitie gepresenteerd worden? (pag. 10–12) Hoe is meer precies de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de verschuiving naar meer in internationaal verband snel, flexibel en mobiel optreden ten koste van de middelen voor landsverdediging enerzijds en de gepresenteerde keuzen voor middelen en de omvang daarvan anderzijds? Passen het strategische verhaal en de uitwerking van middelen wel goed op elkaar? Is er niet teveel toegeschreven naar de bestaande situatie? (pag. 21) De regering heeft op grond van een analyse van de internationale veiligheidssituatie de taken en het «ambitie-niveau» voor de krijgsmacht bepaald. Vervolgens is bezien welke middelen daarvoor nodig zijn. Hoewel de plannen dienen te passen in de budgettaire afspraken in het Regeerakkoord, zijn de in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde aanpas- singen in het licht van de analyse van de de internationale veiligheids- situatie veel ingrijpender dan wanneer de regering zich had beperkt tot invulling van de financiële taakstelling. De regering heeft er de voorkeur aan gegeven de toekomst van de krijgsmacht niet te presenteren in de vorm van scenario’s of alternatieven. Daardoor zou de inzet van de regering te vrijblijvend zijn geweest. De Kamer dient de inzet van de regering te kennen. Ook heeft meegewogen dat de discussie over de Nederlandse krijgsmacht niet in abstracto wordt gevoerd, maar dat rekening dient te worden gehouden met de structuur van de huidige krijgsmacht. Tenslotte is het gewenst personeelsleden van Defensie zo veel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de toekomst van de organisatie waarin zij werkzaam zijn. 37 In de notitie wordt gesteld dat het ministerie er rekening mee houdt dat er steeds meer militairen flexibel en op korte termijn klaar moeten zijn voor internationale operaties. Gezien de ervaring uit het verleden met het verwerken van trauma’s door uitgezonden militairen, hoe denkt de regering te voorzien in de groter wordende behoefte aan psychologische begeleiding of nazorg? (pag. 8) Defensie zorgt voor een goede begeleiding van militairen vóór, tijdens en na de uitzending. In de Nazorgbrief van 31 oktober 1996 (Kamerstukken 25 000 X, nr. 18) en de Veteranenbrief van 17 april 1998 (Kamerstukken 21 490, nr. 21) is uiteengezet dat de toegenomen behoefte aan begeleiding en nazorg wordt onderkend en tevens op welke wijze Defensie aan die behoefte tegemoet komt. Overigens wordt door een intensief preventief zorgbeleid getracht de behoefte aan nazorg zo gering mogelijk te houden. Waar mogelijk wordt de behoefte aan nazorg actief opgespoord; dan kunnen behandelingen eerder beginnen en in het algemeen korter en effectiever zijn. De verplichte terugkeergesprekken en readaptatieprogramma’s, alsmede de vragenlijsten die de krijgsmachtdelen enkele maanden na terugkeer aan de uitgezonden militairen toezenden zijn voorbeelden van die actieve Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 15 benadering. Overigens zal, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de «Begeleidingscommissie Gezondheidsonderzoek Unprofor» naar aanleiding van het zogenoemde Lukavac-onderzoek (bij brief van 26 februari 1999, nr. P/99 001 368 aangeboden aan de Kamer) de medische nazorg zodanig worden ingericht dat eerder een mogelijk patroon in gelijksoortige klachten kan worden onderkend. 38, 39, 108, 146, 148 en 150 Aan welke mogelijkheden van taakverdeling wordt gedacht? (pag. 8, tweede alinea) In de notitie wordt taakspecialisatie op internationaal niveau aantrekkelijk genoemd in het licht van de internationale oriëntatie van onze krijgs- macht. Is dit het enige argument vóór taakspecialisatie (in de notitie staan meer argumenten tégen) of kan de regering er meer geven? Welke mogelijkheden ziet de Nederlandse regering voor taakspecialisatie? (pag. 8, 22–23) Binnen de NAVO kan een grotere samenwerking tussen de Europese bondgenoten ontstaan. Nu al is er sprake van samenwerking tussen landen. In hoeverre kan men nu al spreken over taakspecialisatie tussen landen? Als militaire bijdragen (pag. 15) aan multinationale verbanden kunnen worden gezien als modules die goed inpasbaar moeten zijn in een groter geheel, is er dan al niet een proces gaande in Europa dat in de richting van taakspecialisatie gaat? Hoe moet in dit licht de conclusie (pag. 23) worden gezien dat eenzijdige stappen het internationale overleg over taakspecialisatie schaden? (pag. 17) Waarop baseert de regering de stelling dat eenzijdige taakafstoting de reputatie van de krijgsmacht zou schaden en acht zij om die reden taakafstoting onwenselijk? (pag. 23) Wat is er tegen eenzijdige taakspecialisatie? Er van uitgaand dat Nederland alleen geen rol kan spelen, noch in de landsverdediging noch bij internationale operaties, zou toch gekozen kunnen worden voor de ontwikkeling van enkele sterke taken, onder afstoting van andere? Bepaalde modulen kan Nederland dan prima leveren, andere niet. Dit kan de internationale discussie over taakspecialisatie toch juist stimuleren, in plaats van schaden? (pag. 23) Waarom dient beëindiging van taken in beginsel gepaard te gaan met intensivering van andere activiteiten? Er kan toch ook besloten worden dat bepaalde taken niet meer nodig zijn? (pag. 23) Internationale militaire samenwerking levert mogelijkheden om de doelmatigheid van de defensie-inspanning door onderlinge afstemming te vergroten. Voorbeelden daarvan zijn taakverdeling en taakspecialisatie en «modulaire» bijdragen aan vredesoperaties. Wat Nederland betreft hangt dit samen met het uitgangspunt dat de krijgsmacht altijd in enigerlei internationaal verband zal optreden. De Nederlandse krijgsmacht hoeft daarom niet in staat te zijn tot elke denkbare militaire activiteit, maar moet wel bijdragen van uiteenlopende aard kunnen leveren. Feitelijk is er in het bondgenootschap sprake van taakverdeling. Het defensieplanningsproces van de Navo biedt landen de mogelijkheid zich sterker te richten op bepaalde taken en andere taken aan andere landen over te laten. De komende jaren zal systematisch moeten worden onderzocht hoe onderlinge afstemming van de taakuitvoering de doelmatigheid kan vergroten. Dat kan in de Navo als geheel, maar ook in het kader van de versterking van de Europese veiligheids- en defensie- identiteit. Zie het antwoord op vraag 136. Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 16 40 en 41 Overwogen is om de toekomst van de krijgsmacht te presenteren in de vorm van scenario’s of alternatieven. Het verdient de voorkeur, aldus de regering, in het licht van de toekomstige discussies zèlf een duidelijke richting aan te geven. Is de regering het ermee eens dat hiermee de nog te voeren discussie aan belang inboet, vooral ook gezien het feit dat de financiële uitkomst reeds vastligt en de Bevelhebbers hun onderlinge onderhandelingen reeds hebben afgerond? (pag. 9) «De Hoofdlijnennotitie is ook de bijdrage van de regering aan de STD...» Wordt hiermee bedoeld dat de notitie zelf ook een discussiestuk is en de inhoud daarvan door de uitkomsten van de STD gewijzigd kan worden (m.a.w. is de uitkomst van de STD committerend) of is de STD slechts bedoeld om de gedachtenvorming omtrent de Defensienota 2000 op gang te brengen? (pag. 9, 47–48) Zie het antwoord op vraag 29. 42 Op welke wijze kunnen de regionale problemen in de Kaukasus veiligheidsconsequenties hebben voor de NAVO-landen die tot de inzet van militaire middelen door het bondgenootschap zouden kunnen leiden? (pag. 10) Regionale conflicten in de Kaukasus zouden tot inzet van militaire middelen van het bondgenootschap kunnen leiden, indien de Navo-landen om bijstand wordt verzocht om toe te zien op een vredesre- geling of als zich onverhoopt vanuit dit gebied een rechtstreekse militaire dreiging tegen het verdragsgebied van de Navo zou voordoen. 43 Kan de regering een antwoord formuleren op de problemen in de Kaukasus, Moldavië en Georgië? Is hier naar het oordeel van de regering onder meer een rol voor de OVSE weggelegd? (pag. 10) De internationale gemeenschap is actief betrokken bij het zoeken naar oplossingen voor de problemen in de Kaukasus, Moldavië en Georgië. Ook de OVSE speelt hierbij een rol met missies in Georgië en Moldavië, een Assistentiegroep voor Tsjetsjenië, de Minsk conferentie voor het conflict rond Nagorno-Karabach en een «High Level Planning Group» op het OVSE-secretariaat voor de planning voor een eventuele vredesmacht voor Nagorno-Karabach. De OVSE Raad van Ministers heeft tijdens zijn bijeenkomst in Oslo, op 2 en 3 december 1998, besluiten genomen over Georgië en Moldavië. Deze besluiten beogen een oplossing van de conflicten in Abchazië en Zuid-Ossetië en van de kwestie Transdnjestrië dichterbij te brengen. Zie hierover ook de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 1998 over genoemde OVSE-vergadering. 44 Kan de regering verduidelijken hoe zij de relatie tussen de analyse van de veiligheidssituatie en de maatregelen ziet? (pag. 10) Zie het antwoord op vraag 36. 45 Is de regering van mening dat het gevaar van Rusland niet zozeer gelegen is in herbewapening maar in een ineenstorting van de federatie en het ontstaan van «failed states»? Welke gevolgen kan een dergelijke ontwik- keling hebben voor de veiligheid van Nederland? (pag. 10) Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 17 De instabiliteit van de Russische Federatie vormt een niet te veronacht- zamen risico. Dat zou nog aanzienlijk groter worden in het geval de Russische Federatie ineen zou storten en plaats maken voor een aantal «failed states». Maar het is moeilijk te voorspellen of dat inderdaad zal gebeuren. Zou zo’n ineenstorting zich voordoen, dan kan dat ingrijpende gevolgen hebben op een groot aantal terreinen, zoals de risico’s van onderlinge conflicten en een mogelijk gebrek aan centrale controle op kernwapens. 46 Wat betekent de toetreding van drie nieuwe lidstaten tot de NAVO voor de verdeling van de taken binnen het bondgenootschap? Is er bij die nieuwe lidstaten sprake van een zekere specialisatie, ook in verband met de kosten? (pag. 10) De toetreding tot de Navo van de drie nieuwe lidstaten leidt niet tot een specifieke taakverdeling binnen het bondgenootschap. De nieuwe lidstaten hebben de afgelopen jaren deelgenomen aan programma’s om hun krijgsmacht interoperabel te maken met die van de bondgenoten. Mede om financiële redenen lag daarbij het zwaartepunt op communicatie en informatie-systemen en de inpassing van deze landen in de geïnte- greerde luchtverdediging. Via het systeem van «force goals» zullen de strijdkrachten van de toegetreden landen in de komende jaren steeds dieper worden geïnte- greerd in de Navo-structuren. Zie ook het antwoord op vraag 16. 47 Hoe realistisch is de nucleaire afschrikking van Rusland nog? (pag. 10) Rusland bezit nog steeds een aanzienlijk nucleair strategisch afschrikkingsvermogen. Voor dat doel beschikbare kernwapens en inzetmiddelen worden onderhouden en gemoderniseerd. Daarnaast beschikt de Russische federatie ook over een groot aantal tactische kernwapens. De lopende en nader overeen te komen reducties van (strategische) kernwapens (Start-akkoorden) en de financiële problemen in Rusland zullen ongetwijfeld leiden tot verkleining van het Russische kernwapenarsenaal. Ook in de toekomst zal de Russische Federatie echter een belangrijke nucleaire mogendheid blijven. 48 In de notitie wordt gesteld dat «een aanzienlijke betrokkenheid in deze regio (Balkan) nog jarenlang nodig zal blijven». Hoe lang schat de regering in dat Nederlandse troepen nog aanwezig zullen moeten blijven in Bosnië, Macedonië, Cyprus en wellicht Kosovo? (pag. 10) De praktijk met betrekking tot het Dayton-akkoord heeft geleerd dat het creëren van een duurzame vrede veel tijd vergt. Daarnaast bestaat in veel gevallen het risico van een «spill-over» van een bepaald conflict naar buurlanden, zoals is gebleken uit de gebeurtenissen rond Kosovo. Het is te vroeg om conclusies te trekken over de vorm en de tijdsduur van de Nederlandse militaire betrokkenheid bij dit conflict. Over de betrokkenheid van de internationale gemeenschap bij de ontwikkelingen in Bosnië dient te worden aangetekend dat deze meer en meer uitgaat van een «end-state» en minder van een «end-date». Het wantrouwen tussen de diverse etnische groepen blijft vaak lang bestaan. De regering acht het dan ook niet zinvol in dit verband een tijdstip te noemen. Dit houdt overigens niet in dat er geen zorgvuldige afweging zou worden gemaakt van onze betrokkenheid. De Navo evalueert elke zes Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 18 maanden de voortgang van Sfor en beziet in dat verband of reducties in de troepensterkte mogelijk zijn. De Nederlandse participatie in het Britse VN-contingent op Cyprus is toegezegd voor een periode van drie jaar. 49 Betekent de jarenlange aanwezigheid in de Balkan dat deze inzet beslag legt op de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale missies deel te nemen? (pag. 10) De betrokkenheid van Nederland bij crisisbeheersingsoperaties op de Balkan legt beslag op een deel van de capaciteit om gelijktijdig aan vier internationale missies deel te nemen. Daarnaast wordt ook nog bijge- dragen aan crisisbeheersings-operaties elders in de wereld, zoals op Cyprus in het Midden-Oosten en in de Perzische Golf. Voorts is in beginsel deelname aan een eventuele VN-operatie in de Westelijke Sahara in de plannen opgenomen. De krijgsmachtdelen beschikken tezamen over voldoende parate capaciteit om aan vier internationale missies op het niveau van een bataljon of het equivalent daarvan deel te nemen. 50 en 51 Hoe verhoudt de stelling in de Hoofdlijnennotitie dat buitenlandse troepen nog jarenlang in Bosnië zullen blijven zich met het toetsingskader voor internationale missies dat stelt dat een duidelijke einddatum moet zijn afgesproken? (pag. 10) Betekent de stelling over de nog jarenlange betrokkenheid van troepen in Bosnië dat de regering overweegt het toetsingskader in deze te wijzigen? Zo ja, in welke zin dan en wanneer verwacht de regering hierover een voorstel te doen? (pag. 10) In het in 1995 aan de Kamer gezonden Toetsingskader wordt gesteld dat iedere toezegging tot deelneming aan internationale militaire operaties een termijn dient te bevatten. De duur van de operatie in Bosnië is niet aan een einddatum gebonden, maar aan een te bereiken eindstadium. Wel vormen stapsgewijze reducties van de troepensterkte en aanpassingen van de samenstelling ervan een belangrijk element van de overgangs- strategie. In verband hiermee zal de Navo regelmatig – in beginsel elk half jaar – de voortgang van het vredesproces bespreken en beoordelen of tussentijdse aanpassingen in de omvang of zelfs – op termijn – beëin- diging mogelijk zijn. Over alle aanpassingen wordt de Kamer geïnfor- meerd en wordt met de Kamer overleg gevoerd. Overigens bevat het Toetsingskader geen lijst van strikte voorwaarden waaraan bij deelneming aan internationale operaties moet zijn voldaan. Het Toetsingskader is een overzicht van de aandachtspunten die in de besluitvorming moeten worden meegewogen, zowel voorafgaand aan een operatie als bij veranderingen in de randvoorwaarden gedurende een operatie. Zie ook het antwoord op vraag 79. 52 In hoeverre is volgens de regering de veiligheidssituatie sinds de totstandkoming van de Prioriteitennota verbeterd? (pag. 10) Zoals in de Hoofdlijnennotitie is uiteengezet, hebben de betrekkingen met de Russische Federatie zich relatief gunstig ontwikkeld. Met andere Oost-Europese landen wordt nauw samengewerkt. Ook de relaties tussen Oost-Europese landen hebben zich gunstig ontwikkeld. Polen, Hongarije en Tsjechië zijn lid geworden van de Navo. Enkele andere positieve ontwikkelingen zijn de totstandkoming van het Chemisch Wapenverdrag en de «Comprehensive Test Ban Treaty». Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 382, nr. 2 19 De gebeurtenissen in en om Kosovo tonen echter aan hoe instabiel de politieke en militaire verhoudingen in de periferie van het Navo-verdragsgebied kunnen zijn. 53 Kan een overzicht worden gegeven van het nucleaire arsenaal waarover de Russische krijgsmacht momenteel beschikt? Kan worden aangegeven in hoeverre de TOPOL-M operationeel is? Is de invoering van deze nieuwe raketten te beschouwen als een vervanging van oudere kernwapens? (pag. 10) De Russische strijdkrachten beschikken over ongeveer 7000 strategische en ongeveer 10 000 tactische kernwapens. Het aantal inzetmiddelen (strategische raketten en vliegtuigen) voor strategische kernwapens is onder de 1500 gedaald (in 1990 waren dit er nog 2500). Sinds eind 1998 is een eerste TOPOL-M regiment operationeel. De hiertoe behorende raketten vervangen oudere kernwapens. 54 Welke concrete aanwijzingen zijn er dat nucleaire technologie en nucleair materiaal vanuit Rusland naar andere landen is uitgevoerd? Om welke landen gaat het? (pag. 10) De Russische Federatie heeft in de afgelopen jaren nucleaire kennis en middelen overgedragen aan enkele andere landen, vooral aan Iran en in mindere mate India. Een deel van deze exporten heeft een civiel karakter en wordt gebruikt bij de bouw of afbouw van bijvoorbeeld kerncentrales. Daarnaast worden componenten geleverd voor nucleair onderzoek bij universiteiten. Deze exporten worden aangemeld bij het internationale atoombureau (IAEA) en staan dus buiten verdenking. Dat kan niet in alle gevallen worden gezegd van de levering van «dual-use» onderdelen waarvan in veel gevallen nie