Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2007–2008
31 200 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het
Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2008
Nr. 169 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 juni 2008
Tijdens de Regeling van werkzaamheden van 10 juni jl. (Handelingen der
Kamer II, vergaderjaar 2007–2008, nr. 94) heeft het lid van uw Kamer de
heer Van der Ham (D66) mede namens de heer Bosma (PVV) en de heer
Teeven (VVD) verzocht om een vervolg op mijn brief van 9 juni jl. (31 200
VI, nr. 162).
De genoemde leden willen een antwoord op de volgende vragen. Aller-
eerst willen deze leden weten wat precies de status en de rol van de
«cartoonwerkgroep» is, alsmede (gespreks)verslagen.
Ten tweede vragen de leden of het juist is dat de vorige ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tegen het
aanhouden en vervolgen van cartoonisten zoals Gregorius Nekschot
waren en of dat beleid is gewijzigd. Ten derde vragen zij naar de briefwis-
seling tussen het College van procureurs-generaal (het College) en de
betrokken ministers en de inhoud van de gevoerde gesprekken. Ten slotte
is gevraagd om een relaas van de feiten sinds het moment van aangifte in
april 2005, en om nadere informatie over de rol van het Meldpunt Discri-
minatie Internet.
Ten aanzien van de vragen met betrekking tot de zogenaamde «cartoon-
werkgroep» merk ik het volgende op. In 2006 had Denemarken voor het
eerst te maken met felle internationale reacties vanwege de publicatie
van, inmiddels wereldwijd bekende, spotprenten. Als direct uitvloeisel
daarvan is door het toenmalige kabinet een werkgroep in het leven
geroepen om veiligheidsvraagstukken en scenario’s rond dergelijke inci-
denten in kaart te brengen en mogelijk noodzakelijke bestuurlijke maatre-
gelen voor te bereiden. De gevolgen voor Denemarken zijn bekend. Begin
februari 2006 werden ambassades van Denemarken bedreigd in enkele
landen in het Midden-Oosten en kwamen daar daadwerkelijk mensenle-
vens in gevaar. Denemarken heeft in de periode daarna te maken gehad
met tastbare economische gevolgen en veiligheidsrisico’s als gevolg van
de (her)publicatie van de spotprent.
KST119808
0708tkkst31200VI-169
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2008 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VI, nr. 169 1
Door de Deense, maar ook door de Nederlandse overheid, is lering
getrokken uit de genoemde ervaring. In de vierde voortgangsrapportage1
terrorismebestrijding van 16 mei 2006 is gemeld dat door de meest
betrokken ministeries maatregelen in kaart worden gebracht die kunnen
worden genomen om escalatie te voorkomen en spanningen te vermin-
deren wanneer Nederland zou worden geconfronteerd met een situatie
vergelijkbaar met die in Denemarken. Ook in de vijfde voortgangsrappor-
tage2 terrorismebestrijding dd. 20 december 2006 wordt dit onder de
aandacht van de Kamer gebracht.
De lessen uit de incidenten rond de Deense spotprenten betreffen de wijze
waarop de overheid met dergelijke, potentieel explosieve, incidenten zou
moeten omgaan. Het betreft immers een geheel nieuwe vorm van een
internationale crisis waarbij een land het mikpunt wordt van heftige
verontwaardiging als gevolg van een uiting. Dit fenomeen laat zich
kenmerken door een hoge snelheid van (internationale) communicatie,
een grote samenhang van binnen- en buitenlandse actoren en factoren,
bewuste agitatie door een aantal personen of groeperingen en grote
persoonlijke en collectieve veiligheidsrisico’s. Daaruit leidde de Neder-
landse overheid af dat er behoefte bestond aan een structuur om in soort-
gelijke situaties adequate inschattingen te maken van de risico’s en
adequaat te kunnen reageren in het geval Nederland in een dergelijke
situatie verzeild zou raken. Die structuur is daarom in 2006 ingericht en is
vernoemd naar het oorspronkelijke incident dat aan de inrichting ervan
ten grondslag lag: «de werkgroep Deense spotprenten». De werkgroep,
die onder voorzitterschap staat van de NCTb, kent een zeer brede samen-
stelling, met vertegenwoordigers van Algemene Zaken, Buitenlandse
Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie, Wonen,
Werken en Integratie, Economische Zaken, de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheids Dienst, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheids Dienst, het
Korps Landelijke Politie Diensten en het Openbaar Ministerie (OM). De
werkgroep denkt na over strategieën voor het geval Nederland middel-
punt zou worden van een crisis vergelijkbaar met die in Denemarken en
buigt zich over veiligheidsvraagstukken en bestuurlijke maatregelen rond
mogelijke incidenten en potentiële crises. Dezelfde werkgroep speelde een
rol bij de veiligheids- en bestuurlijke voorzorgsmaatregelen die zijn getrof-
fen in binnen- en buitenland rond het uitkomen van de internetfilm van de
fractievoorzitter van de PVV. De werkgroep heeft geen rol in inhoudelijke
afwegingen, bijvoorbeeld over strafrechtelijke vervolging. Ook in verband
met de tekeningen van Gregorius Nekschot heeft deze werkgroep geen
inhoudelijke betrokkenheid gehad bij de afwegingen van het OM. In de
wandelgangen is de «werkgroep Deense spotprenten» de «Cartoon-
werkgroep» gaan heten. Gezien de aard van de werkzaamheden van deze
werkgroep op het terrein van veiligheidsvraagstukken is het belang van de
Staat in het geding en ligt openbaarmaking van stukken niet in de rede.
Met betrekking tot de vraag of het juist is dat in het vorige kabinet de
ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
tegen het aanhouden en vervolgen van cartoonisten zoals Gregorius
Nekschot waren en dat onder het huidige kabinet het beleid is gewijzigd,
breng ik het volgende onder de aandacht. Zoals ik ook in mijn brief van
9 juni jl. heb geschreven heeft het College mij voor het eerst geïnformeerd
over de aangifte met betrekking tot de tekeningen op de site van Grego-
rius Nekschot bij brief van 18 december 2006. Er hebben zich over deze
strafzaak met mijn ambtsvoorganger dus geen contacten voorgedaan. Het
voornemen tot strafvervolging is vervolgens bovendien aan de orde
geweest in het Bewindsliedenoverleg Terrorismebestrijding van onderge-
1
tekende en de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Konink-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006,
rijksrelaties op 8 februari 2007. De beide ministers waren van mening dat
29 754, nr. 73.
2
Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, het voornemen van het OM geen aanleiding gaf tot een afwijkend stand-
29 754, nr. 94.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VI, nr. 169 2
punt. Evenmin is er een verschil in beleid tussen het huidige en het vorige
kabinet.
Van een beleidswijziging met betrekking tot het aanhouden en vervolgen
van cartoonisten zoals Gregorius Nekschot is geen sprake. Het openbaar
ministerie heeft reeds vele jaren het beleid dat bij overtreding van de
discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte straf-
baar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt (dagvaarding of transactie),
gelet op de negatieve werking bij onvoldoende handhaving en de voor-
beeldfunctie die van een strafvervolging uitgaat. In discriminatiezaken is –
behoudens bijzondere gevallen – de regel derhalve dat vervolging oppor-
tuun is. Dit volgt uit de Aanwijzing discriminatie. Er was en is geen beleid
dat specifiek gericht is op de hoedanigheid van degene die een uiting doet
(cartoonist of anderszins). Het algemeen geldende beleid geldt ook voor
cartoonisten. Het belang dat het OM hecht aan de bestrijding van discrimi-
natie wordt onderstreept door het feit dat het OM de aanpak van discrimi-
natie als een van de zes speerpunten heeft aangewezen in het meerjaren-
plan Perspectief op 2010.
De vraag of de Kamer inzicht kan krijgen in de briefwisseling tussen het
College en de betrokken ministers, beantwoord ik samen met het verzoek
om een overzicht van de feiten.
In mijn brief van 9 juni jl. ben ik reeds op het overleg tussen het College
en mij over deze zaak ingegaan. Ik zal hieronder de gedachtewisseling met
het College nader toelichten en daarbij tevens ingaan op de rol van het
Meldpunt Discriminatie Internet.
Op 21 april 2005 heeft het Meldpunt Discriminatie Internet aangifte
gedaan tegen Gregorius Nekschot wegens plaatsing van cartoons op
bovengenoemde website en een aantal teksten daarop. Dat is de enige rol
die het Meldpunt heeft gespeeld.
Bij brief van 18 december 2006 heeft het College mij voor het eerst op de
hoogte gesteld van de aangifte. Gezien het feit dat het om meerdere
cartoons gaat die een tweedeling in onze samenleving scheppen, waarbij
groepen systematisch worden beledigd, achtte het College vervolging
opportuun om de publicatie van (soortgelijke) strafbare feiten te stoppen.
Voorts achtte het College vervolging terzake van een aantal tekeningen op
bovengenoemde site opportuun, aangezien het om een site ging waar
dagelijks soortgelijke nieuwe cartoons worden gepubliceerd. De publicatie
van deze cartoons leveren op hun beurt reacties op van discriminatoire
aard, die worden geplaatst op dezelfde site.
Op 24 januari 2007 heeft het College mij schriftelijk zijn overwegingen ten
aanzien van strafbaarheid en opportuniteit nader toegelicht. Bij brief van
22 mei 2007 heeft het College mij desgevraagd een toelichting gegeven
ten aanzien van de afweging die gemaakt was met betrekking tot een
aantal overige tekeningen die eveneens op bovengenoemde site te vinden
was. Op verschillende momenten, bij brieven van 15 maart 2007,
21 augustus 2007, 25 oktober 2007, 1 november 2007 en 7 maart 2008,
heeft het College mij geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek
en de stappen die het OM en de politie van plan waren te nemen ten
aanzien van de opsporing en vervolging. Ten slotte ben ik bij brief van
13 mei jl. geïnformeerd over de doorzoeking en de aanhouding die die
dag had plaatsgevonden.
De gesprekken die ik met de voorzitter van het College heb gevoerd
betroffen geen andere onderwerpen dan ik hierboven heb aangegeven.
Openbaarmaking van ambtsberichten van het College in individuele straf-
zaken acht ik niet gewenst.
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VI, nr. 169 3