Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2007–2008
31 239 Stimulering duurzame energieproductie
Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 januari 2008
Inleiding
Op 25 april 2007 sprak ik met uw Kamer over de opvolger van de subsidie-
regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) (Kamerstuk 28 665,
nr. 92). In dat overleg hebben wij gesproken over het tijdschema tot inwer-
kingtreding van deze nieuwe regeling. Uw Kamer sprak toen de wens uit
de nieuwe subsidieregeling zo snel mogelijk in 2008 van start te willen
laten gaan. Ik heb u toen toegezegd mij hiervoor in te zullen spannen en
aangekondigd ernaar te streven om de regeling vóór het zomerreces 2007
door de Ministerraad te laten behandelen. Ook heb ik u toegezegd de
advisering door de Raad van State en de steunmelding bij de Europese
Commissie parallel te zullen laten lopen. Met deze maatregelen is een
spoedige inwerkingtreding mogelijk gemaakt.
Het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) is een Alge-
mene Maatregel van Bestuur die is geplaatst onder de Kaderwet
EZ-subsidies. De Kaderwet EZ-subsidies kent geen voorhangprocedure.
Uw Kamer heeft echter aangegeven met mij te willen spreken over het
Besluit SDE en de onderliggende regelgeving vóórdat deze van kracht
wordt.
Op 30 oktober 2007 is het Besluit SDE gepubliceerd in het Staatsblad1. Op
6 november 2007 vond een algemeen overleg (AO) plaats in de Tweede
Kamer waar we hebben gesproken over dit Besluit (Kamerstuk 31 239,
nr. 6). Dit overleg gaf geen aanleiding tot wijziging van het Besluit. Omdat
een gedeelte van de relevante regelgeving is opgenomen in lagere regel-
geving die volgt uit dit Besluit heb ik u op 6 november toegezegd dat ik u
voor de eerste openstelling van de SDE in de gelegenheid zou stellen over
deze lagere regelgeving met mij van gedachten te wisselen. Deze brief
strekt hiertoe.
Als bijlagen bij deze brief treft u de concept ministeriële regelingen aan,
1
STB. 410, 2007. waarmee ik voor het jaar 2008 invulling geef aan de mogelijkheid tot
KST114906
0708tkkst31239-7
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2008 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 239, nr. 7 1
stimulering van hernieuwbare energie op basis van het Besluit SDE. Het
gaat om de volgende regelingen1:
1. Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008
2. Regeling vaststelling correcties voorschotverlening duurzame energie-
productie 2008
3. Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energie.
De aanvulling van de regelingen op het punt van nieuw te bouwen warm-
tekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) zal u eind februari aangeboden
worden. De beoogde publicatiedatum voor dit onderdeel van de SDE
wordt daardoor eind maart. De reden voor deze latere toezending is dat
ECN pas in februari advies zal uitbrengen ten aanzien van de onrendabele
toppen en subsidiebedragen voor verschillende categorieën WKK. Dit is
ook aan de orde geweest tijdens het AO over de SDE op 6 november 2007.
Conform afspraak heb ik gelijktijdig met de verzending van deze brief aan
uw Kamer de conceptregelingen voor een beoordeling op het aspect
administratieve lasten naar Actal gezonden.
Het is mijn bedoeling om de ministeriële regelingen begin maart in de
Staatscourant te publiceren. Voor WKK streef ik naar publicatie eind
maart. Met deze voorgenomen publicatie zal de SDE voor de eerste keer
worden geopend. Daarmee wordt een start gemaakt met de invulling van
de ambities op het gebied van duurzame energie, zoals verwoord in werk-
programma Schoon en Zuinig (TK 2007–2008, 31 209, nr. 1).
Subsidiabele categorieën
Bij het ontwerp van de SDE is gebruik gemaakt van de ervaringen die zijn
opgedaan met de MEP. Ook heb ik voor het ontwerp van deze regeling
goed gekeken naar de ervaringen in andere EU-landen zoals Duitsland en
Spanje. De systematiek van de regeling ligt vast in het Besluit SDE. In de
bijgevoegde concept ministeriële regelingen zijn de in 2008 te subsidiëren
categorieën opgenomen met de bijbehorende basisbedragen. Tevens zijn
regels opgenomen voor bijvoorbeeld de aanvraag, bevoorschotting en
vaststelling van de SDE-subsidie. Voor wat betreft het verdelingsmecha-
nisme van de subsidie heb ik voor 2008 voor alle categorieën gekozen
voor verdeling op volgorde van binnenkomst. De daarbij gehanteerde
overwegingen zijn opgenomen in de Nota van Toelichting bij de regeling
aanwijzing categorieën duurzame energieproductie. In 2009 zal ik
wederom bezien welk verdelingsmechanisme ik het meest wenselijk acht
om de doelstellingen te bereiken.
In onderstaande tabel treft u een opsomming aan van de categorieën
productie-installaties waarvoor ik in 2008 de mogelijkheid tot het aan-
vragen van subsidie wil openstellen. Daarbij zijn voor 2008 tevens de
basisbedragen en de verwachtingen omtrent de correctiebedragen, de
subsidiebedragen en de te committeren vermogens opgenomen. Daar-
naast zijn ook de verwachtte structurele uitgaven als gevolg van de in
2008 te committeren vermogens vermeld.
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa-
tiepunt Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 239, nr. 7 2
Categorie Basisbedrag1 Verwacht Verwacht Vermogen Indicatief: Verwachtte
correctiebedrag2 subsidiebedrag3 2008 Vermogen structurele
(MW) 2008–2011 uitgaven per
(MW) jaar op grond
van in 2008 af
te geven
beschikkingen
(x € 1 mln.)
1 Wind op land € 0,088 per kWh €0,060 per kWh €0,028 per kWh 500 2 070 31,2
2 Elektriciteitsopwekking € 0,058 per kWh €0,067 per kWh €0 per kWh 8 30 0
met behulp van
RWZI/AWZI/Stortgas
3 Groengasproductie met € 0,277 per Nm3 €0,21 per Nm3 €0,07 per Nm3 54 10 0,6
behulp van RWZI/AWZI/ gas gas gas
Stortgas
4 AVI’s met een energe- Basisbedrag €0,067 per kWh €0 per kWh 70 160 0
tisch rendement hoger loopt per
dan 22%5 procentpunt op
naar rato van het
energetisch
rendement
5 Verbranding van vaste € 0,12 per kWh €0,067 per kWh €0,053 per kWh 40 160 17,0
biomassa, vergisting
van GFT en
co-vergisting van mest
6 Kleinschalige Zon-PV- € 0,564 per kWh €0,234 per kWh €0,33 per kWh 10 80 2,8
installaties (0,6 kWp –
3,0 kWp)
1
Hier genoemde basisbedragen kunnen afwijken van de basisbedragen in de tekst van de regeling. Voor een toelichting wordt verwezen naar de
NvT bij de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008
2
Het correctiebedrag wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de in dat jaar gerealiseerde elektriciteit- of gasprijs. De correctiebedragen in de tabel
zijn gebaseerd op de huidige verwachtingen voor de prijs van gas en elektriciteit op de lange termijn.
3
Het subsidiebedrag wordt berekend door het basisbedrag te verminderen met het correctiebedrag.
s4 Het opgesteld vermogen bij gas is voor de vergelijkbaarheid omgerekend naar een equivalent elektrisch vermogen.
s5 Genoemde vermogen betreft het totaal opgestelde vermogen (2006: 48% biogeen)
Bij de keuze voor de basisbedragen heb ik mij gebaseerd op het advies
dat ECN en KEMA op mijn verzoek hebben uitgebracht1. Dit advies heb ik
overgenomen, met uitzondering van het basisbedrag voor de bij punt 6
genoemde categorie. Hieronder ga ik in op de keuze voor de subsidiabele
categorieën. Ook leg ik uit waarom ik het advies van ECN en KEMA voor
de categorie verbranding van vaste biomassa, vergisting van GFT en
co-vergisting van mest niet heb overgenomen.
Bij de keuze voor subsidiabele categorieën heb ik drie selectiecriteria
gehanteerd te weten kosteneffectiviteit, toekomstperspectief en innovati-
viteit.
Technieken met de hoogste kosteneffectiviteit betreffen wind op land,
afval- en rioolwaterzuiveringsinstallaties (AWZI respectievelijk RWZI),
stortgas en afvalverbrandingsinstallaties met een rendement van meer
dan 22% (AVI’s). Deze technieken zullen in 2008 in de SDE worden gesub-
sidieerd. Voor wind op land wordt in 2008 500 MW aan nieuw windver-
mogen subsidiabel gesteld. Dit is de eerste stap naar de doelstelling van
2000 MW nieuw vermogen in deze kabinetsperiode.
Fotovoltaïsche zonne-energie (zon-PV) en wind op zee scoren relatief
hoog op toekomstperspectief en innovativiteit, maar zijn nog wel relatief
duur. Zon-PV wordt in 2008 voor 10 MW gestimuleerd. Met dit vermogen
kan het «lerend implementeren» van Zon-PV door de sector op gang
komen. Meer vermogen stimuleren zou relatief kostbaar worden zonder
dat dit significant meer «leren» oplevert.
Ten aanzien van wind op zee is de doelstelling, zoals geformuleerd in het
werkprogramma Schoon en Zuinig, om gedurende deze kabinetsperiode
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- 450 MW te realiseren, bovenop de 228 MW van de windparken Offshore
tiepunt Tweede Kamer. Windpark Egmond aan Zee en Q-7 die eind dit jaar volledig in bedrijf
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 239, nr. 7 3
zullen zijn. In overleg met de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
(V&W) en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer (VROM) heb ik afspraken gemaakt die er toe dienen te leiden
dat in 2009 een aantal nieuwe vergunningen voor wind op zee kan worden
verleend. Aangezien in 2008 naar alle waarschijnlijkheid geen initiatieven
zullen komen die in het bezit zijn van de voor de SDE noodzakelijke
vergunningen, zal wind op zee in 2008 niet worden opengesteld binnen de
SDE. Deze beslissing is niet om budgettaire redenen genomen. Gelet op
de genoemde afspraken met V&W en VROM zal de categorie wind op zee
in 2009 wel opengesteld worden. Ik richt me daarbij op realisatie van 200
MW. Daarnaast zet ik in op de realisatie van additioneel 250 MW wind op
zee in 2011. Daarmee geef ik invulling aan twee tranches wind op zee.
Voor wat betreft de inzet van biomassa blijkt uit het ECN-advies dat de
benodigde basisbedragen voor biomassa-inzet relatief hoog zijn. Op
grond van het voorgaande ben ik tot de conclusie gekomen dat het
gerechtvaardigd is om in 2008 de basisbedragen voor deze opties te maxi-
meren. Daarbij heb ik gekozen voor € 0,12 per kWh en een gelijkwaardig
bedrag voor gas, t.w. € 0,44 per Nm3 aardgasequivalent. De grens van
€ 0,12 is gekozen, omdat de meest kosteneffectieve opties op basis van de
ECN-berekeningen rond dit bedrag liggen.
Verder speelt bij de inzet van biomassa in toenemende mate een discussie
over de risico’s ten aanzien van de duurzaamheid. Ik ben met u van
mening dat dit een belangrijk aspect is dat ook mijn volle aandacht heeft.
Dit heb ik ook aangegeven bij de recente in ontvangst name van het
rapport Helder Groene Biomassa van Stichting Natuur en Milieu en de
Provinciale Milieufederaties.
Voor de bepaling van de duurzaamheid van biomassa kan ik binnen de
SDE op dit moment helaas nog geen gebruik maken van certificering van
biomassabrandstoffen, omdat deze certificeringssystemen er nog niet zijn
of op zijn minst onvoldoende zijn uitgewerkt. Bij de openstelling voor
2008 van categorieën waarbij biomassa wordt ingezet, is getracht om
zoveel mogelijk te voorkomen dat de inzet van biomassa via stimulering
door de SDE leidt tot risico’s ten aanzien van de duurzaamheid. Om deze
reden heb ik ervoor gekozen om de inzet van vloeibare biomassa uit te
sluiten.
Daarnaast geldt voor veel biomassa-opties dat ze effectiever worden als
ook de geproduceerde warmte nuttig wordt gebruikt. In een aantal
gevallen kan daarnaast ook nog de afweging worden gemaakt tussen
warmte- en elektriciteitsproductie versus hernieuwbaargasproductie. Dit
geldt bijvoorbeeld voor stortgas, biogas uit afval- en rioolwaterzuivering,
maar ook voor co-vergisting van mest. Dit jaar wil ik benutten om te leren
van de toepassing van hernieuwbaar gas en om beleid te ontwikkelen ten
aanzien van duurzame warmte. Keuzes moeten gemaakt worden ten
aanzien van budget in relatie tot energetische efficiëntie, overige milieu-
voordelen en toekomstperspectief. Daarvoor moet een goede methodiek
ontwikkeld worden. Vervolgens kan worden besloten om bepaalde opties
al dan niet via de SDE te stimuleren.
Tot besluit speelt bij biomassa ook het feit dat de rentabiliteit gevoelig is
voor schommelingen in de biomassaprijs. Zolang er geen goede en
betrouwbare prijsindices voor biomassa zijn, is het niet mogelijk om de
basisbedragen jaarlijks te corrigeren voor deze schommelingen. In
overleg met de sector zal ik hiervoor in 2008 een oplossing trachten te
vinden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 239, nr. 7 4
Toekomstperspectief
In het werkplan Schoon en Zuinig worden duurzame-energiedoelstel-
lingen genoemd voor deze kabinetsperiode1. Met de SDE-regeling zoals
nu aan u gepresenteerd zijn deze doelstellingen in beeld. Hieronder schets
ik voor de jaren 2008–2011 waar ik per categorie met de SDE op aanstuur.
Het gaat hierbij om een indicatief beeld. Het feitelijk committeerbare
vermogen wordt begrensd door de budgettaire mogelijkheden2. In de
hierna volgende meerjarige indicatie worden die mogelijkheden maximaal
benut. Dit betekent dat een wijziging ten opzichte van deze planning
binnen het totaal van deze budgettaire mogelijkheden gezocht moet
worden.
Ter vergelijking zijn in de tabel ook de op dit moment opgestelde en in het
kader van de MEP gecommitteerde vermogens genoemd.
Categorie Huidig opgesteld + Te committeren vermogen vanuit SDE (MW) Totale structurele
vanuit de MEP e.a. uitgaven per jaar2
gecommitteerd (x € 1 mln.)
vermogen (MW)1
2008 2009 2010 2011
Wind op land 2000 500 600 450 520 129
Wind op zee 228 – 200 – 250 1193
Elektriciteitsopwekking met behulp van 62 8 8 7 7 04
RWZI/AWZI/Stortgas
Groengasproductie met behulp van RWZI/ – 5 – 5 – 1
AWZI/Stortgas
AVI’s met een energetisch rendement hoger 429 70 60 30 – 012
dan 22%5
Verbranding van vaste biomassa, vergisting 152 40 40 40 40 68
van GFT en co-vergisting van mest
Kleinschalige Zon-PV-installaties (0,6 kWp – 52 10 15 20 25 19
3,0 kWp)
Totaal 336
1
Bronnen: CBS, EnerQ (MEP), SenterNovem (co-vergisters).
2
Deze uitgaven zijn gebaseerd op de huidige inschattingen van de basisbedragen en de verwachtingen omtrent de langetermijnenergieprijs. Het
structurele uitgavenniveau wordt bereikt in 2014.
3
Het bedrag voor wind op zee is in tegenstelling tot de andere bedragen in deze tabel niet gebaseerd op gevalideerde adviezen van ECN. Voor de
berekening van het bedrag is gebruikt gemaakt van concept-berekeningen en een inschatting van de prijsontwikkeling.
4
Bedrag staat op nul, omdat bij de huidige verwachting van de elektriciteitsprijs en het nu vastgestelde basisbedrag geen subsidie zal worden
verstrekt.
5
Genoemde vermogen betreft het totaal opgestelde vermogen (2006: 48% biogeen).
Bij de herijking van het werkprogramma Schoon en Zuinig in 2010 zal
worden bezien in hoeverre het programma op koers ligt. Dan wordt ook
bepaald of en in welke mate aanvullende maatregelen en of middelen
noodzakelijk zijn. Verder zal ik jaarlijks met uw Kamer overleggen over de
financiële parameters en de eventuele consequenties voor de haalbaar-
heid van de doelstellingen. In het Energierapport dat komend voorjaar zal
verschijnen, zal ik mijn visie voor de langere termijn ten aanzien van duur-
zame energie presenteren, met name van die opties die een belangrijke
bijdrage aan de duurzame energie doelstelling van 2020 moeten leveren.
De minister van Economische Zaken
M. J. A. van der Hoeven
1
2000 MW wind op land, 450 MW wind op
zee, 500 MW biomassa en Zon-PV regeling.
2
In de regeling aanwijzing categorieën
duurzame energieproductie 2008 worden de
subsidieplafonds per categorie productie-
installatie voor het jaar 2008 vastgelegd.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 239, nr. 7 5