Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
31 332 Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen
Nr. 10 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN ONDERWIJS,
CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 oktober 2009
1. Inleiding
Met deze brief willen wij u informeren over de voortgang van de imple-
mentatie van het referentiekader taal en rekenen. De belangrijkste
uitgangspunten, acties en invoeringsstrategie daarbij zijn beschreven in
onze twee eerdere brieven over dit onderwerp (Kamerstuk 2007–2008,
31 332, nr. 2 en Kamerstuk 2008–2009, 31 332, nr. 7). Inmiddels zijn we in
een nieuwe fase beland. Een fase waarin we – door het vastleggen van de
referentieniveaus – het fundament leggen voor een structurele verhoging
van het niveau van de basisvaardigheden van onze leerlingen en studen-
ten. Om dit te bereiken formuleren we heldere criteria voor taal en
rekenen. Voor alle opleidingsniveaus wordt op basis van de referentie-
niveaus van Meijerink vastgelegd wat leerlingen en studenten op strategi-
sche momenten in hun schoolloopbaan moeten kennen en kunnen op het
gebied van taal en rekenen. Voor leraren zijn de referentieniveaus van
groot belang om opbrengstgericht te werken en het maximale uit hun
leerlingen te halen.
We hebben al veel activiteiten in het onderwijs in gang gezet of onder-
steund op het gebied van de verbetering van taal- en rekenprestaties (bv.
taalen rekenverbetertrajecten in het po, (sectoroverstijgende) pilots, het
project PAL in het vo, diagnostische toetsen in het vo en mbo en de
kennisbases rekenen en taal bij de lerarenopleidingen basisonderwijs).
Toch is er in het onderwijs nog veel winst te boeken. Zo heeft recent
onderzoek van de inspectie aangetoond dat op basisscholen waar leer-
lingen slecht presteren voor taal, leraren daar minder gericht zijn op
goede prestaties, minder nagaan of leerlingen hun uitleg wel begrijpen,
minder tijd aan taalonderwijs besteden en het onderwijs minder goed
afstemmen op verschillen tussen leerlingen. In het voortgezet onderwijs
hebben leraren Nederlands of wiskunde soms onvoldoende inzicht in het
prestatieniveau van hun leerlingen op de basisschool, ondanks dat op
veel scholen deze gegevens wel beschikbaar zijn. Scholen zijn er nog niet
KST135472
0910tkkst31332-10
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 1
erg op gericht om achterstanden bij taal of rekenen weg te werken (bron:
Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsverslag 2007/2008).
Om deze problemen aan te pakken is het beleid erop gericht dat scholen
opbrengstgericht gaan werken aan de hand van de referentieniveaus en
dat er meer aandacht wordt besteed aan informatieoverdracht op het
gebied van de basisvaardigheden. We zetten eveneens in op het onder-
houden van de basisvaardigheden.
In gesprekken met leraren en schoolleiders valt ons op dat het onderwijs-
veld behoefte heeft aan duidelijkheid en daadkracht als het gaat om taal
en rekenen. In deze nieuwe beleidsfase nemen we daarom twee belang-
rijke stappen. Ten eerste werken we er naartoe het referentiekader taal en
rekenen per 1 augustus 2010 vast te leggen in wet- en regelgeving.
Hiermee wordt het referentiekader een leidraad voor de scholen en de
onderwijsprogramma’s. Ten tweede worden de referentieniveaus vertaald
naar de onderwijspraktijk. Dit gaan we zorgvuldig doen: we nemen hier
tot en met 2014 de tijd voor én het gebeurt in overleg met alle betrok-
kenen. Daarbij houden we goed in de gaten hoe leerlingen in deze periode
aan de hand van de referentieniveaus presteren. We willen daarmee tot
een verantwoorde invoering komen. In bijlage 2 wordt dit invoerings-
traject per sector in detail beschreven.1 Het is daarmee een verdere
uitwerking van de globale invoeringsstrategie zoals wij die eerder
schetsten in onze brief van 20 februari 2009 (Kamerstuk 2008–2009,
31 332, nr. 7, paragraaf 3.4)
De sectororganisaties en vakbonden kunnen zich op hoofdlijnen vinden in
deze invoeringsstrategie. Zij benadrukken daarbij dat het helder moet zijn
dat referentieniveaus binnen een opbrengstgerichte en lerende cultuur
moeten worden ingevoerd. Wanneer de indruk zou ontstaan dat de
niveaus worden gebruikt als afrekenmiddel op de kwaliteit van het onder-
wijs zou dit een succesvolle invoering in de weg kunnen staan. In afstem-
ming met deze organisaties zijn ook invoeringsplannen opgesteld, waarin
we het volgende aangeven: a) hoe scholen en leraren ondersteund
worden bij het werken met de referentieniveaus; b) hoe lerarenoplei-
dingen hun studenten goed kunnen voorbereiden op de uitdaging die hen
te wachten staat en c) hoe de referentieniveaus in de praktijk ingepast
kunnen worden (tussendoelen, leerlijnen, leerlingvolgsystemen, (eind-
)toetsen en examens).
In paragraaf 2 laten wij zien hoe wij de balans hebben gevonden tussen
een stevige én een realistische ambitie om de taal- en rekenprestaties van
leerlingen op afzienbare termijn structureel te verbeteren. In paragraaf 3
worden de invoeringsplannen op hoofdlijnen en per sector nader toege-
licht.
2. Een evenwichtige ambitie
Naar aanleiding van de gehouden veldraadplegingen over het referentie-
kader taal en rekenen is de voorzitter en enkele leden van de voormalige
Expertgroep Doorlopende leerlijnen taal en rekenen gevraagd over enkele
punten een aanvullend advies uit te brengen. Het aanvullend advies en
het op basis daarvan bijgestelde referentiekader zijn in bijlage 1 opgeno-
men.1
Het bijgestelde referentiekader taal en rekenen stellen wij nu, met instem-
ming van de sectororganisaties en vakbonden, definitief vast. Het vormt
de basis van het wetsvoorstel «Referentieniveaus Nederlandse taal en
rekenen». We streven ernaar dit wetsvoorstel vóór het kerstreces van 2009
bij de Tweede Kamer in te dienen. Intussen zijn ook de referentieniveaus
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- in overleg met de sectororganisaties gekoppeld aan de verschillende
tiepunt Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 2
onderwijstypen en leerwegen. Dit vormt vooralsnog het uitgangspunt
voor de AMvB die onder de genoemde wet hangt.
Mede naar aanleiding van adviezen van de Onderwijsraad en de Inspectie
van het Onderwijs en de betrokken veldorganisaties is voldoende ruimte
ingebouwd om de referentieniveaus stap voor stap in te voeren en het
juiste moment te kiezen voor het verbinden van consequenties voor vo-
en mbo-leerlingen aan het niet behalen van het gewenste referentie-
niveau. Tijdens de invoeringsperiode worden nog keuzen gemaakt over de
normering, de vorm en inhoud van het examen, de slaag/zakregeling
(mbo) en de mogelijkheden voor maatwerk. Dit is met name van belang
voor leerlingen met een extra zorgvraag. Hierbij leggen we de nadruk op
wat ze wél kunnen in plaats van wat ze niet kunnen.
Over de haalbaarheid van de referentieniveaus voor specifieke groepen
leerlingen is voorlopig nog geen eenduidige conclusie te trekken. Cito
heeft aan de hand van bestaande informatiebronnen (onder andere de in
het schooljaar 2008/2009 afgenomen diagnostische toetsen in het vo en
mbo) een nulmeting uitgevoerd en daarin een eerste indicatie gegeven
van de taal- en rekenprestaties van leerlingen in termen van het referen-
tiekader (zie bijlage 3).1 Vanwege methodologische beperkingen en het
expliciete karakter van de referentieniveaus zijn de resultaten op dit onder-
zoek nog niet te vergelijken met het niveau van leerlingen aan het einde
van hun schooltype2. Het onderzoek verschaft dus nog een onduidelijk en
onvoldragen beeld, maar het geeft wel goed aan dat er nog een stevige
weg te gaan is om onze ambitie – het in voldoende mate verhogen van de
taal- en rekenprestaties van leerlingen – te verwezenlijken. Daarvoor
zetten we alles op alles.
Nader onderzoek, monitoring en evaluatie van de ontwikkeling van
leerlingprestaties blijven eveneens noodzakelijk. Door CVE te betrekken bij
dit proces gaan wij ervoor zorgen dat de toekomstige resultaten beter te
vergelijken zijn met de reguliere toetsen en examens in het po, vo en
mbo. In de sectorale invoeringsstrategieën is eveneens veel aandacht
voor het monitoren van de leerprestaties en de evaluatie daarvan.
Kortom: we zetten in op een zorgvuldige en beheerste invoering. Tegelij-
kertijd is er sprake van een stevige ambitie, omdat we op zo kort moge-
lijke termijn de kwaliteit van de taal- en rekenprestaties van leerlingen
willen verhogen. De verwachting is dat naarmate in alle sectoren gerichter
(onderwijs) inspanningen worden geleverd, leerlingen beter zullen gaan
presteren. Scholen en onderwijsinstellingen worden hierin financieel en
inhoudelijk ondersteund.
3. Invoeringsplannen
Ondersteuning van leraar en school
Leraren worden beter in staat gesteld om het ontwikkelingsperspectief
van hun leerlingen in kaart te brengen, de taal- en rekenprestaties te
analyseren en gericht te verbeteren. In de komende periode worden (eind)-
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- toetsen en examens geijkt aan de referentieniveaus en beter op elkaar
tiepunt Tweede Kamer. afgestemd, zodat de leraar ze ook in samenhang kan benutten. Bovendien
2
De noodzakelijke keuze voor een invulling worden tussendoelen, leerlijnen en leerlingvolgsystemen aangepast aan
van de cesuur in de nulmeting van Cito (bv.
de referentieniveaus, zodat leraren de resultaten van leerlingen ten
75% van de havo-5 leerlingen haalt het 3F-
niveau), maakt dat de resultaten van dit onder- opzichte van de referentieniveaus tijdig in beeld kunnen brengen. De
zoek eveneens niet eenvoudig te vergelijken inspectie gebruikt deze tussendoelen en leerlingvolgsystemen niet om
zijn met de resultaten op andere toetsen, zoals zich een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs te vormen. Voor
de examens in het vo en de WISCAT toets op
leermiddelen worden door uitgeverijen additioneel materiaal en leeswij-
de pabo. Het geeft wel een beeld van hoe de
huidige prestaties zich naar onderwijssoort nu zers ontwikkeld op basis van de referentieniveaus. Zo wordt zichtbaar
tot elkaar verhouden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 3
welke onderdelen van de referentieniveaus terug te vinden zijn in welk
leermiddel.
De PO- en VO-raad hebben, in samenwerking met AVS en Cito, het initia-
tief genomen om een impuls te geven aan de soepele overgang tussen
het primair en het voortgezet onderwijs. Wij waarderen dit initiatief en zijn
bereid nader te bekijken hoe wij dit kunnen ondersteunen.
Om de doorlopende leerlijn taal en rekenen te verbeteren worden best
practices verzameld voor de overdracht van leerlingen vanuit de voor-
schoolse educatie naar het po en vanuit het po en so naar het vo en vso.
Zo snel als dat verantwoord is worden scholen in het po en so verplicht
om gegevens over het behaalde eindniveau taal en rekenen, gerelateerd
aan de referentieniveaus, over te dragen aan het vo. Voordat deze verplich-
ting in kan gaan, moeten namelijk goede taal- en rekentoetsen beschik-
baar zijn, die geijkt zijn op de referentieniveaus. Dit vereist een zorgvul-
dige procedure die in samenwerking met de PO-raad wordt ontwikkeld.
In het primair en voortgezet speciaal onderwijs wordt vanuit de kwaliteit-
sagenda’s volop ingezet op een sterkere focus op taal en rekenen. Er zijn
daarbij meerjarig extra middelen ingezet, onder andere voor taal- en
rekenverbetertrajecten waaraan inmiddels bijna 2000 scholen meedoen. In
het vo krijgen scholen vanuit de kwaliteitsagenda extra middelen om in
hun onderwijs extra aandacht te besteden aan taal en rekenen. In het mbo
zorgt vanaf 2010 een Regeling Intensivering taal- en rekenonderwijs
ervoor dat instellingen financieel ondersteund worden bij het versterken
van het taalen rekenonderwijs op het gebied van a) het vertalen van het
beleid naar de didactiek en pedagogiek van beroepsopleidingen;
b) diagnostische toetsing van studenten; c) extra leertijd; d) nieuwe of
aangepaste faciliteiten, zoals een talencentrum of (zelf)studiematerialen
en e) professionalisering van docenten en managers.
Bovengenoemde sectorale inzet op taal en rekenen gebeurt vanuit die
gemeenschappelijke taal: het referentiekader taal en rekenen.
Daarnaast krijgen scholen en leraren in alle sectoren hulp van verschil-
lende steunpunten. Voor het po en het (v)so is dat het Projectbureau
Kwaliteit (van de PO-raad), voor het mbo het Steunpunt taal en rekenen
en voor het vo wordt op dit moment ook een steunpunt ingericht, in
nauwe samenwerking met het steunpunt voor het mbo. Deze steunpunten
zijn bedoeld om kennisdeling en de ontwikkeling van instrumenten op het
gebied van taal en rekenen te stimuleren, het onderwijsaanbod te
ontsluiten en een bijdrage te leveren aan pilots.
Lerarenopleidingen
Ook in de lerarenopleidingen zal meer aandacht komen voor taal en
rekenen. Voor studenten wordt duidelijk wat hun kennisbasis taal en
rekenen/wiskunde moet zijn en zij zullen hierop ook getoetst worden. Deze
kennisbases beschrijven wat een leraar zelf moet beheersen én wat de
vakdidactiek voor taal- en rekenonderwijs is, waarvan alle startbekwame
leraren kennis moeten hebben. Dit geldt ongeacht de instelling waaraan
ze hebben gestudeerd en los van het surplus aan kennis dat wordt
verworven in differentiaties en specialisaties. Het gaat dus zowel om
kennis van taal en rekenen/wiskunde als om de kennis van het onder-
wijzen van taal en rekenen/wiskunde, waarbij de referentieniveaus taal en
rekenen als richtsnoer dienen. Studiejaar 2009/2010 zal worden benut
voor de invoering van de kennisbasis voor de vakken taal en rekenen/
wiskunde op de pabo. Per 1 september 2010 worden de vereisten ook
vastgelegd in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) van de opleidingen
en volgt de formele invoering.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 4
Totdat de diploma’s uit het vo en mbo het gewenste niveau garanderen
zal door de lerarenopleidingen aandacht besteed worden aan het bijspij-
keren van studenten die dat nodig hebben. De instroomtoetsen zijn een
belangrijk middel om de aankomende leraren basisonderwijs te toetsen
op het minimaal wenselijke instroomniveau voor taal en rekenen. Deze
toetsen blijven tot 2014 gehandhaafd. Verder zetten opleidingen in op het
aanbieden van summercourses aan (aankomend) studenten. Daarnaast
hebben alle tweedegraads lerarenopleidingen en pabo’s de beschikking
over aanvullende middelen voor extra remediëring op het gebied van taal
en rekenen.
Primair onderwijs
Voor verschillende leerling-groepen (excellente leerlingen, leerlingen met
een (geïndiceerde) beperking en leerlingen met een taal- en/of reken-
achterstand) zullen bestaande maatwerkactiviteiten worden benut en waar
nodig nieuwe worden ontwikkeld. Gedacht kan worden aan versnellings-
trajecten voor excellente leerlingen, leerroutes richting het praktijk-
onderwijs, een leerwerktraject in het voortgezet speciaal onderwijs en de
schakel- en kopklassen voor leerlingen die met wat extra onderwijs-
inspanning toch het gewenste referentieniveau kunnen behalen.
Voor zorgleerlingen in het primair onderwijs geldt dat de nadruk komt te
liggen op wat leerlingen wél kunnen in plaats van wat ze niet kunnen. Het
percentage leerlingen dat het fundamentele en het streefniveau haalt zal
niet eerder bij de beoordeling van de leerresultaten door de inspectie
worden meegenomen dan nadat er een zorgvuldig en succesvol invoe-
ringstraject is doorlopen. In overleg met de sector zal hierover nadere
besluitvorming plaatsvinden.
Speciaal onderwijs
In het speciaal onderwijs bevindt zich, net als in het basisonderwijs, een
zeer heterogene groep leerlingen. In het speciaal onderwijs zitten leer-
lingen die met gemak een vwo-diploma kunnen behalen naast leerlingen
die na het funderend onderwijs direct de arbeidsmarkt op zullen gaan. Om
meer zicht te krijgen op de verschillende niveaus binnen het so en sbo zal
in januari 2010 een eerste nulmeting plaatsvinden. Deze meting zal jaar-
lijks worden herhaald. De gegevens hieruit zullen, met een analyse en
aanbevelingen, aan de scholen ter beschikking worden gesteld. Scholen
kunnen deze gegevens gebruiken om, waar nodig, hun opbrengsten te
verbeteren.
Voor de leerlinggroepen binnen het speciaal onderwijs en speciaal basis-
onderwijs worden instrumenten en hulpmiddelen ontwikkeld die maat-
werk mogelijk maken. Zo komen er leerroutes voor leerlingen die naar het
praktijkonderwijs, de lagere niveaus van het vmbo en het vso-arbeids-
marktgericht gaan, worden handicapspecifieke leerroutes ontwikkeld voor
bijvoorbeeld dove leerlingen en worden leerroutes afgestemd op leer-
lingen met bijvoorbeeld dyslexie of dyscalculie. Er komt een op de doel-
groepen afgestemd leerlingvolgsysteem waardoor leraren beter dan nu in
staat zullen zijn de resultaten van hun leerlingen in kaart te brengen. Die
resultaten zullen niet eerder bij de beoordeling van de leerresultaten door
de inspectie worden meegenomen dan na een zorgvuldig en succesvol
invoeringstraject. In overleg met de sector zal hierover nadere besluitvor-
ming plaatsvinden.
Voortgezet onderwijs
In het vo worden de examens aan het referentiekader geijkt om te borgen
dat leerlingen daadwerkelijk aan de gestelde referentieniveaus voldoen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 5
Leerlingen die in schooljaar 2013–2014 examen afleggen, zullen voor het
eerst met deze geijkte examens te maken krijgen. Eveneens zullen alle
leerlingen een rekentoets afleggen als onderdeel van het eindexamen.
Vanaf schooljaar 2010–2011 zullen proefafnames van deze rekentoets
plaatsvinden. Aan de hand van de resultaten hiervan zal besloten worden
hoe de toets zal meewegen in de slaag/zakbeslissing.
Middelbaar beroepsonderwijs
In het mbo worden de referentieniveaus vanaf studiejaar 2010/2011 opge-
nomen in alle kwalificatiedossiers. Daarnaast worden centraal ontwikkelde
examens voor taal en rekenen ingevoerd. De invoering vindt stapsgewijs
plaats, waarbij het veld intensief betrokken wordt zodat centrale examens
worden ontwikkeld die uitvoerbaar zijn en op draagvlak kunnen rekenen.
In 2012 legt een substantieel aantal mbo-4 studenten een centraal proef-
examen Nederlands en rekenen af. Het jaar daarop volgen zoveel mogelijk
mbo-4 studenten. Na twee jaar proefexamens en momenten van tussen-
tijdse evaluatie zullen vanaf 2013/2014 de referentieniveaus voor alle
mbo-4 studenten centraal worden geëxamineerd.
De invoering van de referentieniveaus taal en rekenen vraagt van instel-
lingen de nodige voorbereidingstijd. Over de invoering van centraal
ontwikkelde examens voor de lagere mbo-niveaus wordt dit najaar nog
een besluit genomen. Ook dit invoeringstraject zal gekenmerkt worden
door een gefaseerde aanpak met proefexamens en tussentijdse evalua-
ties.
Aandacht voor zorgleerlingen in het vo en mbo
Het is denkbaar dat zorgleerlingen of leerlingen met achterstanden in het
vo en mbo ondanks aanvullende maatregelen en extra inspanningen de
voor hen bedoelde niveaus niet halen. Er zal daarom in de periode 2010–
2014 jaarlijks geëvalueerd worden hoe leerlingen afgemeten aan het refe-
rentiekader presteren. De evaluaties zullen moeten uitmaken óf en in
welke mate scholen en leerlingen vooruitgang weten te boeken en wat
achterliggende oorzaken zijn van het al dan niet behalen van de gestelde
doelen. Wanneer blijkt dat de prestaties van (bepaalde groepen) leerlingen
te weinig toenemen dan zullen, in overleg met de sector passende maat-
regelen genomen worden.
4. Tot slot
Het verhogen van de taal- en rekenprestaties bij leerlingen vergt een lange
adem van alle betrokkenen. De komende jaren zullen we echter, samen
met het onderwijsveld, de gestelde ambitie waarmaken. De invoering van
het referentiekader taal en rekenen is een eerste betekenisvolle stap op
weg naar een doorlopende leerlijn gericht op onderhoud en verbetering
van de basisvaardigheden. Het verstevigen en uitbreiden van de kennis en
vaardigheden van (aankomende) leraren om met de referentieniveaus te
leren werken is de tweede belangrijke stap die in de komende periode
centraal staat. Scholen en leraren krijgen financiële en inhoudelijke onder-
steuning om het taal- en rekenonderwijs te intensiveren en om meer
opbrengstgericht te gaan werken, met behulp van de referentieniveaus.
Intussen houden we door middel van diagnostische toetsen, proef-
examens en andere metingen in iedere sector goed in de gaten hoe leer-
lingen presteren ten opzichte van de referentieniveaus. Net als de sector-
organisaties en de vakbonden hebben wij voldoende vertrouwen in de
geformuleerde invoeringsstrategie en ambitie. Samen met hen en het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 6
onderwijsveld gaan wij met grote inzet de ambitie aan om de prestaties
van alle leerlingen op taal en rekenen te verhogen.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. A. M. Dijksma
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10 7