Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
31 332 Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen
Nr. 11 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN ONDERWIJS,
CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 november 2009
Bijgaand bieden wij u onze beleidsreactie op het KNAW-rapport Reken-
onderwijs op de basisschool aan. Het KNAW-rapport is als bijlage bijge-
voegd.1
1. Inleiding
Er is in ons land een breed gedeelde bezorgdheid over de reken-
vaardigheden van kinderen in het basisonderwijs. Die bezorgdheid is
eerder voor dit kabinet aanleiding geweest om fors in te zetten op het
verbeteren van de basisvaardigheden (taal en) rekenen in alle onderwijs-
sectoren. Die bezorgdheid over de kwaliteit van het rekenonderwijs voedt
ongetwijfeld ook een steeds fellere publieke discussie over ons reken-
onderwijs en specifiek over de daarbij gehanteerde rekendidactieken. Ook
de Inspectie van het Onderwijs stelt in haar rapport «Basisvaardigheden
rekenen-wiskunde in het basisonderwijs» (september 2008) de effectiviteit
van het rekenonderwijs aan de orde. Deze signalen waren voor ons aanlei-
ding om te laten onderzoeken wat er bekend is over de effectiviteit van de
verschillende rekendidactieken. Niet omdat wij ons willen bemoeien met
die didactiek, het «hoe», maar omdat de discussie onrust geeft in het
onderwijsveld en wij scholen helderheid willen bieden over wat aantoon-
baar wel en niet werkt in het rekenonderwijs.
Toen bleek dat de KNAW tegelijkertijd een commissie wilde instellen om
deze publieke discussie te voorzien van wetenschappelijk gefundeerde
kennis, is gezamenlijk besloten beide initiatieven te combineren. Wij zijn
bijzonder blij dat de KNAW dit onderzoek naar effectieve rekendidactieken
wilde uitvoeren en bedanken de KNAW voor haar rapport en de daarin
gedane aanbevelingen.
In deze brief zullen wij de voornaamste conclusies en aanbevelingen uit
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- het onderzoeksrapport benoemen en aangeven welke maatregelen OCW
tiepunt Tweede Kamer. de komende tijd, als reactie hierop, zal nemen.
KST136465
0910tkkst31332-11
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 1
2. De belangrijkste KNAW-conclusies
Kern van de opdracht van de KNAW-commissie Rekenonderwijs op de
basisschool was het in kaart brengen van wat er bekend is over de relatie
tussen rekendidactiek en rekenvaardigheid. Dit naar aanleiding van het
vermeende verschil in effect tussen de traditionele en de realistische
rekendidactiek. De commissie heeft studie verricht naar empirisch onder-
zoek dat de laatste twintig jaar in Nederland is uitgevoerd en naar een
beknopte inventarisatie van buitenlands onderzoek. De commissie conclu-
deert dat het bestudeerde materiaal niet leidt tot eenduidige resultaten
over de verschillen in opbrengsten van traditionele en realistische
methoden. Daarbij is het bereik van het wetenschappelijk onderzoek tame-
lijk smal. Daardoor rechtvaardigt het onderzoek geen algemeen weten-
schappelijk gefundeerde uitspraken over de relatie tussen didactiek en
rekenvaardigheid. De KNAW geeft aan dat meer empirisch onderzoek naar
effectieve aanpakken in het rekenonderwijs wenselijk is, zowel in omvang
als in variatie.
De KNAW stelt dat de bezorgdheid over het niveau van het reken-
onderwijs op zijn plaats is. Hoewel Nederland in internationale peilingen
nog steeds een sterke positie inneemt, is dit geenszins reden om rustig
achterover te leunen. Nederland kan het zich niet veroorloven om niet
vooruit te gaan in prestatiepeil, terwijl andere landen wel progressie
boeken en ons op de ranglijst inhalen. Nederland verliest echter niet
alleen in internationale vergelijking terrein. Hoewel de prestaties op het
gebied van getallen en getalrelaties en schattend rekenen de afgelopen
twintig jaar sterk zijn vooruitgegaan, zijn de prestaties op het gebied van
bewerkingen (optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen) sterk
achteruitgegaan. Bovendien blijven de beheersingsniveaus van de leer-
lingen achter bij gestelde standaarden.
De KNAW geeft aan dat wetenschappelijk onderzoek de cruciale rol van de
leraar bij het rekenonderwijs bevestigt. Op het vlak van leerlingprestaties
bestaan namelijk binnen een bepaalde rekendidactiek vaak grotere
verschillen dan tussen de verschillende didactieken. De vakdidactische
kennis van leraren bepaalt hun manier van onderwijzen en de resultaten
van hun leerlingen. De leraar maakt het verschil. Een verhoging van de
kwaliteit van het rekenonderwijs vraagt daarom om goede scholing en
nascholing van leraren. De KNAW spreekt in dit kader haar zorg uit over
de kwaliteit van de pabo’s: het niveau van de vooropleiding van de
instromende studenten neemt af en het aantal contacturen voor rekenen
is gemiddeld genomen laag. De deelname van leraren aan nascholing op
het gebied van rekenonderwijs is laag, ook in internationale vergelijking.
3. OCW-beleidsreactie op de conclusies en aanbevelingen
3.1 Algemene reactie en beleidscontext
Wij herkennen en delen de zorgen van de KNAW over het niveau van het
rekenonderwijs in ons land. De KNAW sluit hiermee aan bij eerdere
(inter)nationale rapporten over het rekenonderwijs als bijvoorbeeld
TIMMS, inspectierapporten en het advies van de Expertgroep Doorlo-
pende Leerlijnen Taal en Rekenen. Zoals aangegeven was die zorg voor
ons eerder al aanleiding om in de kwaliteitsagenda’s voor de verschil-
lende sectoren en voor het lerarenbeleid de focus te leggen op taal en
rekenen. In die kwaliteitsagenda’s worden vele activiteiten aangekondigd,
waarvan de meeste nu volop in uitvoering zijn. We zien de conclusies en
aanbevelingen van de KNAW als een steun in de rug voor die recente
beleidsintensiveringen. Tegelijkertijd maakt de commissie duidelijk dat er
nog meer moet gebeuren, met name rond (scholing van) de leraar. Die
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 2
oproep steunen wij van harte, omdat wij onderschrijven dat de leraar de
spil is in het onderwijs en daarmee zeer bepalend voor de prestaties van
leerlingen. Hierna geven we aan welke activiteiten er al lopen en welke
extra stappen wij willen zetten.
De bevindingen van de KNAW met betrekking tot de rekendidactieken
brengen hopelijk op dit moment wat rust in het publieke debat over het
onderwerp. Dat neemt niet weg dat wij het belangrijk vinden dat de
komende tijd meer gevarieerd empirisch onderzoek plaatsvindt naar het
rekenonderwijs.
Waar het KNAW-rapport zich specifiek richt op het rekenonderwijs, achten
wij veel conclusies en aanbevelingen ook van toepassing op het taalon-
derwijs. Daarom zullen wij hierna, waar relevant, steeds spreken over
rekenen én taal.
Kwaliteitsagenda PO
In het kader van de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs werken momen-
teel 375 scholen in netwerken aan het verbeteren van hun rekenonderwijs,
de zogenaamde rekenverbetertrajecten. In deze trajecten leren scholen
niet alleen van experts, maar ook van elkaar. Binnenkort zullen nog eens
120 scholen in de gelegenheid gesteld worden aan een rekenverbeter-
traject mee te doen. Tevens starten dit jaar 50 extra intensieve reken-
verbetertrajecten, waarbij ter verduurzaming van de resultaten de begelei-
dingsdiensten van de betreffende scholen bij aanvang van het traject
reeds worden betrokken.
Ook scholen die niet mee kunnen doen in een rekenverbetertraject reikt
OCW handvatten aan. Sinds 2 november jl. kunnen scholen via
www.schoolaanzet.nl de website «Alle scholen in beweging» bereiken.
Daar worden succesvolle aanpakken voor het taal- en rekenonderwijs
beschreven. Tevens kunnen besturen via deze website vouchers
aanvragen waarmee hun scholen gebruik kunnen maken van een taalof
rekenaudit, een bezoek van een taal- of rekenbus, of een bezoek aan een
collega-school die een succesvolle aanpak hanteert voor het verbeteren
van haar taal- of rekenonderwijs.
Met de impuls opbrengstgericht werken stimuleert OCW (o.a. via regio-
nale conferenties) leraren, schoolleiders en bestuurders om het onderwijs
te verbeteren door meer gebruik te maken van bestaande informatie over
de taal- en rekenresultaten van hun leerlingen. Waar sta ik nu, waar wil ik
heen en wat moet ik doen om daar te komen zijn vragen die op elk niveau
in de onderwijsketen gesteld moeten worden. Informatie uit bijvoorbeeld
het leerlingvolgsysteem kan daarbij een zeer goed hulpmiddel zijn en het
referentiekader taal en rekenen zal daar de komende jaren in toenemende
mate een rol spelen. Cruciaal blijft echter dat leraren weten welke aanpak,
wanneer en voor welke leerlingpopulatie het beste werkt (en weten hoe ze
deze aanpakken in de praktijk kunnen brengen).
Krachtig Meesterschap
In de kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren Krachtig meester-
schap hebben wij maatregelen aangekondigd ondermeer ter versterking
van de pabo’s en de verdere professionalisering van leraren. Deze agenda
is tot stand gekomen vanwege de zorgen over de kwaliteit van en het
tekort aan leraren. De agenda bevat een aantal speerpunten die nu samen
met de lerarenopleidingen, het afnemend veld en de beroepsgroep
worden uitgevoerd. Hiermee willen wij bereiken dat er meer en beter
opgeleide leraren komen. De speerpunten hebben onder meer betrekking
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 3
op de versterking van de kwaliteit van de lerarenopleidingen. Verderop in
deze brief lichten we een aantal lopende activiteiten toe.
3.2 Onderzoeksprogrammering, rekenmethoden
De KNAW concludeert dat het door haar geraadpleegde onderzoek geen
eenduidig beeld oplevert en geen algemene wetenschappelijke uitspraken
rechtvaardigt over de relatie tussen rekendidactiek en rekenvaardigheid.
Het bereik van het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de
effectiviteit van het rekenonderwijs is smal. Daarom beveelt de KNAW aan
dat OCW maatregelen moet nemen om het wetenschappelijk onderzoek
naar het rekenonderwijs in omvang en variatie te doen toenemen.
Wij nemen die aanbeveling over. In de lopende onderzoeksprogramma’s
(NWO, BOPO, TIER) zijn reeds onderzoeken gepland naar efficiënt en
effectief rekenonderwijs. Mede in antwoord op de KNAW-aanbeveling
zullen wij een onderzoeksprogrammalijn taal en rekenen opzetten om de
komende jaren het empirisch onderzoek naar effectieve aanpakken in het
onderwijs te versterken.
Daarnaast gaan wij een deel van de budgetten die beschikbaar zijn voor
«research-and-development»-activiteiten met betrekking tot rekenen
anders inzetten. Die activiteiten willen wij zoveel mogelijk laten aansluiten
bij de inhoudelijke oriëntatie van de KNAW. Wij zullen hiervoor, te
beginnen met de budgetten voor 2010, een programmeringscommissie
instellen die deze middelen breed aanbesteedt. Indien mogelijk sluiten we
hierbij aan bij een bestaande commissie. Het beschikbare budget zullen
we, ten opzichte van 2009, tevens verhogen.
Met betrekking tot het huidige aanbod van rekenmethoden constateert de
KNAW een toenemende diversiteit voor wat betreft didactiek. Scholen zijn
echter nauwelijks in staat om rekenmethoden met elkaar te vergelijken. De
KNAW vraagt daarom OCW om, in samenwerking met partijen in het veld,
er voor te zorgen dat rekenmethoden objectief worden geanalyseerd,
opdat scholen een verantwoorde keuze kunnen maken.
Wij gaan de mogelijkheden hiertoe bespreken met het Kenniscentrum
Leermiddelen van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), die als regu-
liere taak vanuit de SLOA-middelen al methoden analyseert. Zo heeft de
SLO eerder al een analyse uitgevoerd om in beeld te brengen in hoeverre
de huidige methoden de verschillende domeinen van het referentiekader
taal en rekenen aan bod laten komen. In dat kader zijn wij reeds in gesprek
met uitgevers en de SLO over het laagdrempelig aanbieden van dergelijke
informatie over methoden aan scholen en leerkrachten, zodat scholen
goed geïnformeerd een afgewogen keuze kunnen maken.
3.3 Opleiding en deskundigheidsbevordering van leraren
De KNAW stelt dat de leraar de spil is in het onderwijs; de kwaliteit van de
leraar heeft direct effect op de leerprestaties van de leerlingen. De KNAW
spreekt echter haar grote zorg uit over de scholing (de pabo’s) én de
nascholing van leraren in het primair onderwijs en komt daarom met
stevige aanbevelingen. Wij onderschrijven de belangrijke positie van
leraren. Die is ook meermalen in onderzoeken, waaronder van de
Inspectie van het Onderwijs, bevestigd.
3.3.1. Pabo’s
De KNAW beveelt aan om de situatie op de pabo’s op korte termijn aan
een grondig onderzoek te onderwerpen, met als doel het niveau van
rekenvaardigheid en rekendidactiek van de opleiding te verhogen. De
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 4
KNAW vraagt daarbij aandacht voor de volgende aspecten: de kwaliteit
van de instroom, de balans tussen «het kunnen» en «het kennen», de
onderwijstijd, een landelijke normering, specialisaties binnen de pabo en
de ontwikkeling van academische pabo’s. Wij stellen vast dat er de afge-
lopen tijd op deze gebieden al het nodige in gang is gezet met het oog op
de (mede door de KNAW) gewenste kwaliteitsverbetering. Het rapport van
de KNAW bevestigt de noodzaak van deze maatregelen.
De borging van de kwaliteit van leraren is één van de hoofdpunten van
Krachtig Meesterschap, de beleidsagenda voor het opleiden van leraren
2008–2011. Hierin staan onder meer maatregelen gericht op het verhogen
van het vakinhoudelijk en vakdidactische niveau van de opleiding tot
leraar basisonderwijs.
Wij zijn blij dat de pabo’s de afgelopen jaren duidelijk hebben laten zien
dat zij hun verantwoordelijkheid nemen om de kwaliteit van de opleiding
tot leraar basisonderwijs te verhogen. Zo hebben de pabo’s landelijke
reken- en taaltoetsen ingevoerd om de kwaliteit van de instroom te
borgen en zijn er voor (aankomende) studenten met achterstanden
diverse bijspijkerprogramma’s gemaakt. Uit de «Systeembrede analyse
Hbo-bachelor Opleiding tot leraar basisonderwijs» (14 oktober 2009) van
de NVAO komt naar voren dat er sprake is van een recent verhoogde
uitval in het eerste jaar die wordt toegeschreven aan de landelijke taal- en
rekentoetsen. Verder komt de Onderwijsraad binnenkort met een advies
over de aansluiting mbo-hbo en de vooropleidingseisen van de tweede-
graads lerarenopleiding en de pabo.
Het gaat niet alleen om de kwaliteit van de instroom, maar ook om de
kwaliteit van de uitstroom. Daarom zijn de lerarenopleidingen bezig om
voor alle kennisvakken kennisbases en bijbehorende toetsen te ontwik-
kelen en daarmee het evenwicht tussen «het kennen» en «het kunnen» te
herstellen. Dit zal ertoe leiden dat de lerarenopleidingen in den brede de
kenniscomponent en de tijd die studenten daaraan besteden zullen
verzwaren. De HBO-raad zal de kennisbases «taal» en «rekenen» voor de
Pabo’s aan het eind van dit jaar aanbieden. Het is een goede zaak dat in
deze kennisbases ook gebruik gemaakt wordt van het referentiekader taal
en rekenen. In aansluiting op de kennisbases zullen er ook kennistoetsen
worden ontwikkeld om het gewenste kennisniveau van aanstaande
leraren te borgen. Om de kwaliteit van de kennistoetsen te garanderen zal
er een landelijke commissie voor de examens worden ingericht, zoals u
hebt kunnen lezen in de beleidsreactie van 16 oktober 2009 (kamerstuk
27 923, nr. 89) op het advies «Kwaliteitsborging van het eindniveau van
aanstaande leraren» van de Onderwijsraad. Deze commissie zal er op
toezien dat de toetsen voldoende overeenkomen met de kennisbases en
van voldoende niveau zijn. Daarnaast beoordeelt de commissie of de
beoordelingsvoorschriften en de definitieve normering adequaat zijn.
Met het oog op de discussie over eventuele specialisaties binnen de pabo
zijn de sociale partners gevraagd om een advies uit te brengen over de
wenselijkheid en de mogelijkheden van een flexibeler stelsel met smalle
opleidingen naast de bestaande brede opleidingen en kwalificaties.
Dit alles betekent dat er gericht en hard gewerkt wordt om de kwaliteit van
nieuwe leraren te vergroten. De effecten hiervan op de kwaliteit van de
leraren zullen pas in de loop van de volgende jaren zichtbaar worden. Ook
dan pas zal het afnemend veld hiervan gaan profiteren. Wij zullen de
vernieuwingen binnen de pabo’s nauwgezet volgen en waar nodig intensi-
veren. Zoals u in de brief van 27 oktober 2009 (kamerstuk 27 923/31 288,
nr. 90) hebt kunnen lezen, karakteriseert de NVAO in haar systeembrede
analyse van pabo’s de ontwikkelingen binnen de pabo-sector als «werk in
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 5
uitvoering» gericht op versterking van de kennisbasis en de borging
daarvan. De NVAO is van mening dat de pabo’s zeer responsief zijn voor
de maatschappelijke ongerustheid en de signalen van studenten en
andere betrokkenen bij het onderwijs over het niveau van de afgestu-
deerden. De NVAO constateert dat er belangrijke verbeteringen zijn gerea-
liseerd, onder meer als het gaat om het kennisniveau. Er zijn forse
stappen gezet maar de pabo’s zijn nog niet klaar.
In de brief van 27 oktober is geconstateerd dat we aan de slag moeten
met de diverse signalen over onder meer een eventuele overladenheid
van het programma. Alles overziend is tijdens het Algemeen Overleg van
28 oktober jl. toegelicht dat er de komende maanden gesprekken worden
gevoerd met betrokkenen in het veld en is toegezegd dat de conclusies
hiervan uiterlijk in de tweede week van juni 2010 aan uw Kamer worden
gezonden.
Zoals aangekondigd in Krachtig Meesterschap stimuleren wij de totstand-
koming van academische opleidingsscholen. OCW zal de academische
opleidingsscholen, waar mogelijk, betrekken bij toegepast/praktijkgericht
onderzoek op het gebied van taal en rekenen. Ook het praktijkgericht
onderzoek van hogescholen (met hun lectoren) kan een bijdrage leveren
aan rekenonderwijs dat zowel aansluit bij de leerling als bij de leraar.
Daarnaast willen wij opleiden in de school structureel verankeren in het
onderwijsstelsel. Opleiden in de school houdt in dat scholen voor po, vo,
en mbo onderwijspersoneel voor een belangrijk deel op de (toekomstige)
werkplek opleiden. De scholen doen dat samen met de hbo lerarenoplei-
dingen, de universitaire lerarenopleidingen en de regionale opleidings-
centra (als het gaat om onderwijsassistenten). Binnen opleidingsscholen
is er dus sprake van nauwe samenwerking tussen de opleiding en het
afnemend veld.
3.3.2. Deskundigheidsbevordering en eigentijdse organisatie van het
onderwijs
De KNAW constateert dat nascholing en begeleiding voor rekenen en
wiskunde belangrijk zijn, zeker gezien het niveau van de rekenprestaties.
Tegelijkertijd is de constatering dat de vraag ernaar daalt en internationaal
zelfs opmerkelijk laag is. Daarom beveelt de KNAW aan dat OCW nascho-
ling in rekenen, in combinatie met begeleiding op de werkvloer, krachtig
moet stimuleren.
Ook met betrekking tot nascholing en begeleiding herkennen wij de
conclusies van de KNAW en die vinden wij zorgwekkend. Daarom nemen
wij de aanbeveling zeker over. Het is onze overtuiging dat op het terrein
van deskundigheidsbevordering nog een wereld te winnen is. In de voor-
gaande paragraaf constateren wij dat de pabo’s inmiddels een krachtig
beleid hebben ingezet dat zijn eerste vruchten begint af te werpen.
Hoewel wij ook het beleid met betrekking tot nascholing en begeleiding
stevig hebben neergezet zijn wij het eens met de KNAW dat er extra
stappen moeten worden gezet. Omdat de praktijk weerbarstig blijkt.
Het bevoegd gezag van een school moet volgens de wet zorgen voor
bekwaamheidsonderhoud. Daarvoor hebben ze middelen beschikbaar. Het
zou dus niet zo mogen zijn dat er enerzijds sprake is van een heel duidelijk
bekwaamheidstekort en tegelijkertijd door scholen weinig wordt onder-
nomen om dat tekort weg te nemen. De kwaliteit van het leraarschap is
dan in het geding. Scholen moeten zich dat aantrekken. Daarop aanslui-
tend is een wijziging van de Wet op het Onderwijstoezicht in gang gezet.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 6
De Inspectie kan dan meer expliciet een school aanspreken op het
bekwaamheidsonderhoud.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid en beleidscontext
Wij willen op dit terrein extra stappen zetten. Maar die stappen kunnen wij
niet alleen zetten, daar hebben wij partners als de PO-raad en de
vakbonden, maar ook de schoolbesturen en schoolteams hard bij nodig.
Wij zien dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid, die wij op korte
termijn uit willen werken in gezamenlijke afspraken over de aanpak van
dit probleem. Die afspraken moeten leiden tot een extra offensief richting
het onderwijsveld in het algemeen en scholen in het bijzonder. Dit extra
offensief vindt nadrukkelijk plaats in het verlengde van Krachtig Meester-
schap en de Kwaliteitsagenda PO. Vanuit die agenda’s zijn een aantal
belangrijke ontwikkelingen ingezet die juist nu en de komende jaren een
groot beroep doen op scholen: de invoering van referentieniveaus binnen
de context van opbrengstgericht werken, het investeren in goed
personeelsbeleid, waaronder toepassing van een functiemix en het
versterken van de professionaliteit van de leraren. Die actuele en urgente
bewegingen vormen gezamenlijk het kader voor deze beleidsreactie en de
stappen die wij nodig achten. Hierna geven wij meerdere concrete
stappen aan die wat ons betreft deel uitmaken van genoemd offensief.
Daarnaast geven wij enkele richtingen aan voor mogelijke vervolg-
stappen.
In Krachtig Meesterschap roepen wij scholen op om na te denken over
hun organisatie van de toekomst. Een eigentijdse organisatie van het
onderwijs vraagt van scholen ondermeer een goed personeelsbeleid,
meer functiedifferentiatie en een cultuur die leraren stimuleert tot voort-
durende scholing en ontwikkeling. Zoals gezegd heeft het schoolbestuur
de opdracht en de middelen om ervoor te zorgen dat de leraar zijn
bekwaamheid kan onderhouden. Schoolbesturen ontvangen in de
lumpsum middelen voor het ontwikkelen en onderhouden van de
bekwaamheid van leraren. Uit onderzoek (Nota Werken in het onderwijs
2007, 2008, OCW) blijkt echter dat scholen die middelen niet uitputten.
Daarom zullen wij de Inspectie van het Onderwijs vragen nascholings-
activiteiten van scholen mee te nemen in hun onderzoek betreffende het
automatiseren van bewerkingen bij rekenen/wiskunde in het basisonder-
wijs. Mocht uit dit onderzoek blijken dat er een causaal verband is tussen
de rekenprestaties en de nascholingsactiviteiten, dan zullen wij in overleg
met de PO-raad en de vakbonden bekijken op welke wijze we schoolbe-
sturen hun verantwoordelijkheid kunnen laten nemen op het gebied van
nascholing.
Naast Krachtig Meesterschap, geeft ook de Kwaliteitsagenda PO alle
aanleiding tot een steviger inzet op ontwikkeling en onderhoud van de
bekwaamheden van leraren op het terrein van taal en rekenen. Een
belangrijke doelstelling van die kwaliteitsagenda is het verhogen van de
taal- en rekenprestaties van leerlingen. Eén instrument daarbij is de invoe-
ring van referentieniveaus voor taal en rekenen. Referentieniveaus zijn
een hulpmiddel voor leraren om opbrengstgericht werken vorm te geven.
Er zijn goede leraren nodig om leerlingen tot hogere taal- en reken-
prestaties te brengen. Die leraren moeten dus vakinhoudelijk en
vakdidactisch goed zijn en blijven. Niet voor niets noemt de KNAW, in
navolging van o.a. de Inspectie en de Expertgroep Doorlopende Leer-
lijnen, de leraar de spil van het onderwijs. De leraar maakt het verschil en
dus mag je aan hem/haar hoge eisen stellen. En dus is het onvoorstelbaar
dat, ondanks de breed gedragen focus op taal en rekenen, leraren en hun
werkgevers de mogelijkheden voor nascholing op het gebied van taal en
rekenen onvoldoende benutten.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 7
Daarom willen wij, in overleg en samenwerking met de PO-raad en de
vakbonden, vanaf nu extra inzetten op het stimuleren van een eigentijdse
organisatie binnen scholen en daarbinnen specifiek de nascholing. In het
verlengde van de inzet vanuit Krachtig Meesterschap willen wij daarbij
extra stappen zetten. Die stappen zullen vooralsnog een stimulerend
karakter krijgen in de hoop dat schoolbesturen, schoolleiders en leraren
zelf hun verantwoordelijkheid hierin nemen. Nadrukkelijk willen wij
scholen hierbij waar nodig ook ondersteunen. Omdat de praktijk mogelijk
opnieuw weerbarstig blijkt, willen wij echter ook alvast de mogelijkheden
verkennen om op termijn deze oproep aan scholen en leraren een drin-
gender (of dwingender) karakter te geven. Ons inziens heeft de KNAW
namelijk opnieuw duidelijk gemaakt dat de urgentie groot is: om onze
leerlingen de best mogelijke toekomst te geven, willen wij hen tot een
voor hen zo hoog mogelijk taal- en rekenniveau brengen, en daarvoor
hebben zij optimaal geschoolde leraren nodig.
Voorgenomen aanpak
Wij zullen kennis en praktijkervaring omtrent het eigentijds organiseren
van het onderwijs laten verzamelen, zo nodig ontwikkelen, en actief
verspreiden onder scholen. Bijvoorbeeld rond het vormgeven van een
permanente leer- en verbetercultuur of het uitwerken van functie-
differentiatie. Bij dat laatste kan het bijvoorbeeld gaan om het aanstellen
van een taal- of rekencoach als specialist binnen een school. Dergelijke
functies geven enerzijds mogelijkheden voor loopbaanstappen voor
leraren, anderzijds kan hiermee de specialistische taalen/of rekenkennis
binnen scholen worden vergroot. Her en der zijn al positieve ervaringen
hiermee opgedaan. Nu is het zaak die «best practices» zichtbaar en over-
draagbaar te maken naar andere scholen. Deze slag ligt niet alleen in het
verlengde van Krachtig Meesterschap, maar past ook in de actuele imple-
mentatie van de Kwaliteitsagenda PO waar het «alle scholen in beweging»
en «opbrengstgericht werken» betreft. Nadrukkelijk willen wij aangeven
dat het stimuleren van «specialisten» taal en rekenen niet de urgentie
wegneemt dat alle leerkrachten voldoende geschoold zijn in taal en
rekenen! Bij dit traject zullen wij ook gebruik kunnen maken van het
advies van de Onderwijsraad over «Leraren en onderwijs anders organi-
seren» dat wij binnenkort zullen ontvangen.
Om scholen te ondersteunen bij het in beeld brengen van de behoefte aan
nascholing en begeleiding zullen wij (diagnostische) instrumenten laten
ontwikkelen waarmee enerzijds individuele leraren en anderzijds school-
teams hun vaardigheden op het gebied van taal en rekenen zelf kunnen
evalueren. Mogelijk kunnen de bestaande pabo-toetsen hiervoor worden
gebruikt. Op basis van deze evaluaties kunnen zij dan de juiste keuzes
maken met betrekking tot nascholing en begeleiding.
Wij zijn bereid scholen actief te ondersteunen bij het toepassen van die
instrumenten en het vertalen van de uitkomsten ervan. Wij denken daarbij
aan het inzetten van experts die door een aantal scholen (bijvoorbeeld de
eerste 500 aanmelders) op onze kosten kunnen worden ingezet.
Tegelijkertijd zullen wij nagaan hoe de behoefte aan deskundigheids-
bevordering op het terrein van taal en rekenen eruit ziet, bijvoorbeeld op
grond van de hiervoor genoemde evaluaties op scholen, en in welke mate
het aanbod aan deskundigheidsbevordering daarop aansluit. Waar nodig
en mogelijk zullen wij de ontwikkeling van deskundigheidsbevordering
verder stimuleren. Verder zullen wij met de uitgevers het gesprek voeren
over de vraag hoe zij hun methoden introduceren in het onderwijs zodat
de leraar daarmee onmiddellijk aan de slag kan.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 8
Met de hier genoemde activiteiten willen wij niet de indruk wekken dat
deskundigheidsbevordering als een los instrument kan worden gezien.
Nadrukkelijk zien wij dit als één onderdeel van een integraal organisatie-
en personeelsbeleid binnen scholen. Deskundigheidsbevordering is
daarbij natuurlijk gekoppeld aan functioneringsgesprekken en loopbaan-
ontwikkeling. Daarnaast kan nascholing ten dienste staan van functie-
differentiatie en de toepassing van een functiemix. Ook het pleidooi van
de KNAW om nascholing altijd te combineren met begeleiding binnen de
school bevestigt dit beeld.
Genoemde maatregelen zijn vooral als stimulans en ondersteuning
bedoeld voor de schoolbesturen. Zoals gezegd ligt bij hen de verantwoor-
delijkheid om een leer- en verbetercultuur rond (in ieder geval) taal en
rekenen binnen hun scholen te organiseren, ook als onderdeel van hun
personeelsbeleid. Mocht de komende jaren blijken dat schoolbesturen die
verantwoordelijkheid onvoldoende nemen, dan zijn dwingender maatre-
gelen nodig. Een lerarenregister, op privaatrechtelijke basis, kan leraren
inspireren en motiveren om te blijven werken aan bekwaamheids-
ontwikkeling, kan de beroepskwaliteit duidelijk maken en kan een waar-
borg van die kwaliteit naar de buitenwereld bieden. De beroepsgroep van
leraren is met de registerontwikkeling en met het stellen van voorwaarden
voor herregistratie al ver gevorderd. Wij gaan graag het gesprek met de
beroepsgroep aan om te bekijken of en hoe onze voornemens omtrent het
extra stimuleren van deskundigheidsbevordering kunnen worden
verbonden aan de ontwikkelingen rond het lerarenregister.
Daarnaast zullen wij de mogelijkheden en voor- en nadelen bekijken van
een systematiek van certificering voor scholen die periodiek de taal- en
rekenvaardigheden van hun leraren evalueren (en zonodig overgaan tot
na- en bijscholing). Scholen zouden zich op deze wijze kunnen profileren
als scholen waar de bekwaamheid in taal en rekenen extra goed in orde is.
Ook hierbij geldt natuurlijk dat alle scholen die bekwaamheid in orde
moeten hebben.
Het zal duidelijk zijn dat wij de oproep van de KNAW met betrekking tot
deskundigheidsbevordering bijzonder serieus nemen en bereid zijn tot
verdergaande stappen daarbij. Hiervoor hebben wij enkele concrete acties
én enkele denkrichtingen aangegeven. Ongetwijfeld is er meer mogelijk,
al dan niet gekoppeld aan lopende ontwikkelingen rond taal- en reken-
beleid en/of lerarenbeleid. Die mogelijkheden zullen we de komende tijd
verkennen met de relevante partners en proberen om te zetten in concrete
afspraken.
3.4 Samenvatting van lopende en voorgenomen maatregelen
Alles overziend dragen onderstaande lopende en voorgenomen maatre-
gelen bij aan het verbeteren van het rekenonderwijs op de basisschool
zoals aanbevolen door de KNAW:
– Activiteiten uit de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, zoals reken-
verbetertrajecten, alle scholen in beweging en impuls opbrengst-
gericht werken;
– Activiteiten uit de Kwaliteitsagenda Krachtig Meesterschap, zoals het
invoeren van taal- en rekentoetsen op de Pabo’s, het ontwikkelen van
kennisbases en bijbehorende toetsen, het onderzoek naar de mogelijk-
heden van een flexibel stelsel met smalle opleidingen naast de
bestaande brede opleidingen en kwalificaties en de totstandkoming
van academische opleidingsscholen;
– Het opzetten van een onderzoeksprogrammalijn rekenen en taal om de
komende jaren het empirisch onderzoek naar effectieve aanpakken in
het onderwijs te versterken;
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 9
– Het instellen van een programmeringscommissie voor allocatie van
research-and-development-gelden;
– De mogelijkheid verkennen van het laten uitvoeren van een analyse
van rekenmethoden opdat scholen methoden beter met elkaar kunnen
vergelijken;
– De Inspectie van het Onderwijs vragen nascholingsactiviteiten van
scholen mee te nemen in hun onderzoek betreffende het automati-
seren van bewerkingen bij rekenen/wiskunde in het basisonderwijs.
– Het stimuleren van nascholing binnen scholen door het laten ontwik-
kelen van (diagnostische) instrumenten voor zelfevaluatie op het
gebied van vaardigheden in taal en rekenen en het ondersteunen bij
het toepassen daarvan door de inzet van experts;
– Het analyseren van de aansluiting tussen de behoefte aan deskundig-
heidsbevordering en het aanbod daarvan;
– Het aangaan van een gesprek met de beroepsgroep over de verbinding
tussen deskundigheidsbevordering en de ontwikkelingen rond het
lerarenregister;
– Het onderzoek naar de voor- en nadelen van een systematiek van
certificering van scholen die periodiek de taal- en rekenvaardigheden
van hun leraren evalueren.
4. Tot slot
Wij zien het KNAW-rapport als een steun in de rug voor onze inzet op (taal
en) rekenen en ons lerarenbeleid. Tegelijkertijd zetten met name de aanbe-
velingen rond nascholing van leraren ons aan tot extra stappen. Zoals
gezegd hebben wij daarbij partners als de PO-raad en de vakbonden hard
nodig. Die zijn reeds bij het opstellen van deze beleidsreactie betrokken
geweest. Wij zijn bijzonder verheugd dat zij met ons de urgentie van de
situatie onderschrijven en bereid zijn bij te dragen aan de voorgestelde
aanpak.
Wij zullen uw Kamer via de voortgangsrapportages van de nota Werken in
het Onderwijs (WIO) en de Kwaliteitsagenda PO informeren over de voort-
gang van de aangekondigde activiteiten.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. A. M. Dijksma
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 11 10