Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
31 954 Regels met betrekking tot de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 oktober 2009
I ALGEMEEN
HOOFDSTUK 1. INLEIDING
1.1. Algemeen
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste
commissie voor Nederlands Antilliaanse en Arubaanse Zaken inzake het
voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba) (hierna: WolBES). Verheugd ben ik over
de door leden van de fracties van het CDA en de PvdA uitgesproken steun
voor de met het wetsvoorstel beoogde aansluiting van de eilanden
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba bij Nederland door deze in te richten als
openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Ook bij de
leden van de andere fracties die een inbreng hebben ingeleverd is sprake
van een constructieve benadering. Ik heb goede nota genomen van het
feit dat het voorstel door de leden van de VVD-fractie met gemengde
gevoelens is ontvangen.
In deze nota ga ik in op de vragen en opmerkingen in het verslag, waarbij
zoveel mogelijk de volgorde van het verslag is gevolgd. Waar vragen van
de leden van de verschillende fracties betrekking hebben op hetzelfde
onderwerp heb ik deze evenwel in de beantwoording samen genomen.
Gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag wordt u een
nota van wijziging op het wetsvoorstel aangeboden.
De CDA-fractie is benieuwd naar de opvattingen van Bonaire, Sint Eusta-
tius en Saba over het wetsvoorstel.
De opvattingen van de eilanden kunnen het beste verwoord worden door
de eilanden zelf. Ik heb tijdens het proces van totstandkoming van dit
wetsvoorstel regelmatig contact gehad met de besturen van de drie
eilanden. Ook op ambtelijk niveau is er diverse malen overleg geweest. Er
is eerst gezamenlijk een uitgangspuntennotitie opgesteld1. Hierin staan
1
Kamerstukken II 2007/08, 31 200 IV, nr. 28. met name de afwijkingen ten opzichte van de Gemeentewet. Vervolgens is
KST135619
0910tkkst31954-7
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 1
het wetsontwerp ter consultatie voorgelegd aan de besturen van de
eilanden. Tijdens de consultatieperiode is een Nederlandse ambtelijke
missie naar de eilanden afgereisd om toelichting te geven over de
verschillende wetsontwerpen en vragen te beantwoorden. Naar aanlei-
ding van de reactie van de besturen zijn enkele aanpassingen in het
ontwerp verricht. Na het advies van de Raad van State is in overleg met
de eilanden het nader rapport opgesteld. In de verschillende fasen van het
proces is er zo veel mogelijk rekening gehouden met de opvattingen van
de eilanden, hoewel die overigens niet altijd unaniem waren. De recente
bestuurswisseling op Bonaire heeft niet geleid tot wijzigingen van het
wetsvoorstel.1
De leden van de CDA-fractie willen weten of de regelingen «euro-proof»
zijn. Deze leden missen een algemene beschouwing over de (toekomstige)
verhouding tot de Europese Unie. Waar uitdrukkelijk de mogelijkheid
wordt opengehouden om over vijf jaar de LGO-status in te ruilen voor die
van UPG, is het volgens deze leden goed zicht te hebben op de conse-
quenties die zo’n opschaling heeft voor de openbare lichamen in spe? Wat
zou het betekenen voor bijvoorbeeld de vestiging van Europeanen? Voor
het actieve en passieve kiesrecht? Het verdient aanbeveling, menen deze
leden, om helder in kaart te brengen waar zich fricties met het Europese
recht zouden kunnen voordoen.
In mijn brief van 19 juni 2008 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de
uitkomsten van de onderzoeken naar de juridische en economische impli-
caties van de invoering van de UPG-status voor de eilandgebieden van de
Nederlandse Antillen en Aruba2. In mijn brief van 30 september 2008 heb
ik u geïnformeerd over het kabinetsstandpunt naar aanleiding van deze
onderzoeken3. In deze brief heb ik aangegeven dat de LGO-status voor
Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorlopig gehandhaafd blijft. De relatie
met de Europese Unie zal onderdeel zijn van de voorgenomen evaluatie
van de WolBES vijf jaar na toetreding tot het Nederlandse staatsbestel.
Indien te zijner tijd wordt besloten tot invoering van de UPG-status wordt
het EG acquis van toepassing.
Het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrije
vestiging zijn een belangrijk onderdeel van het EG acquis. In beginsel
krijgen onderdanen van de lidstaten daarmee het recht om zich in het
gebied in kwestie te vestigen als zelfstandige of als werknemer.
Wat betreft het actieve en het passieve kiesrecht zullen op Bonaire, Sint
Eustatius en Saba na invoering van de UPG-status, ook de afspraken gaan
gelden die in Europees verband over het verlenen van kiesrecht zijn
gemaakt. Dat betekent dat te zijner tijd de regels voor wat betreft het
kiesrecht voor de eilandsraden en het Europees Parlement in overeen-
stemming moeten zijn met de geldende EU-regelgeving.
Fricties met het Europees recht bij een eventuele overgang van
LGO-status naar UPG-status kunnen voorkomen worden door de natio-
nale regelgeving op de BES-eilanden tijdig in lijn te brengen met het Euro-
pese recht.
De leden van de PvdA-fractie vragen zich af welke wetgeving, naast de al
ingediende wetgeving, er ten aanzien van de BES-eilanden nog zal volgen.
Kan hiervan een overzicht worden verschaft met daarbij een indicatieve
tijdsplanning, zo vragen deze leden.
Naast de vijf wetsvoorstellen die gezamenlijk in mei jl. bij de Tweede
Kamer zijn ingediend en de Wet bescherming persoonsgegevens BES die
1
De eilandsraad van Bonaire heeft bij besluit op 6 oktober jl. is ingediend, bestaat het voornemen onderstaande wets-
van 14 november 2008 in hoofdlijnen inge-
voorstellen bij de Tweede Kamer in te dienen. Achter de vermelde wets-
stemd met het wetsontwerp.
2
Kamerstukken II 2007/08, 31 200 IV, nr. 56. voorstellen, die verdeeld zijn naar departement, is aangegeven wanneer
3
Kamerstukken II 2008/09, 31 700 IV, nr. 3. de voorstellen naar verwachting bij uw Kamer zullen worden ingediend.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 2
Rijksbrede wetsvoorstellen
Tweede aanpassingswet BES januari 2010
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Veiligheidswet BES oktober 2009
Wetgeving inzake politieonderwijs nog geen planning voor indiening Tweede
Kamer
Financiën
Belastingwet BES november 2009
Wet geldstelsel BES november 2009
Invoeringswet fiscaal stelsel BES november 2009
Douane- en accijnzenwet BES november 2009
Justitie
Wet toelating en uitzetting BES november 2009 (afhankelijk van advisering
door de Raad van State)
Wonen, Wijken en Integratie
Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en mei 2010
milieubeheer BES
Wet drinkwater BES nog geen planning voor indiening Tweede
Kamer
De leden van de fractie van de SP vragen welke maatregelen de regering
heeft genomen om bij de bestuurders op Bonaire gerichtheid op het eigen
belang te beperken en de notie van algemeen belang te versterken. De
SP-fractie verwijst in dit verband naar een analyse van de oud-premier
van de Nederlandse Antillen, de heer Don Martina. Volgens zijn analyse
hebben persoonlijke, familie- en partijpolitieke belangen op Bonaire vaak
voorrang boven algemeen belang en worden impopulaire maatregelen
uitgesteld of niet genomen.
De in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingen van de Gemeentewet
houden in veel gevallen verband met deze omstandigheden, die ook een
gevolg zijn van de kleinschaligheid van de eilanden. Hieronder volgt een
korte opsomming van de relevante afwijkingen:
• Bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk
mag niet bestaan tussen een eilandgedeputeerde en een ander lid van
het bestuurscollege (artikel 41).
• Eilandgedeputeerden en gezaghebbers dienen na benoeming en na
ontslag bij de Rijksvertegenwoordiger een schriftelijke verklaring in
met onder meer een omschrijving van hun zakelijke belangen en privé
vermogen en dat van hun echtgenoten (artikel 49).
• Indien een eilandgedeputeerde een met zijn functie onverenigbare
betrekking vervult en de eilandsraad, naar het oordeel van de gezag-
hebber, ten onrechte nalaat de eilandgedeputeerde ontslag te
verlenen, wordt de eilandgedeputeerde door de gezaghebber van zijn
betrekking als eilandgedeputeerde vervallen verklaard (artikel 57).
• Besluiten van het bestuurscollege tot benoeming, bevordering, schor-
sing en ontslag van eilandambtenaren behoeven de goedkeuring van
de Rijksvertegenwoordiger (artikel 168).
Naast deze maatregelen zal ook de invoering van het dualisme, waarbij de
controlerende taak van de eilandsraad wordt versterkt, de invoering van
een gezamenlijke rekenkamer en een gezamenlijke ombudsvoorziening (of
aansluiting bij de Nationale ombudsman), het openbaar maken van de
nevenfuncties van eilandsraadsleden, eilandgedeputeerden en gezagheb-
bers en de bepaling dat eilandgedeputeerden en gezaghebbers geen
vergoedingen genieten voor werkzaamheden verricht in nevenfuncties die
qualitate qua worden uitgeoefend, bijdragen aan goed bestuur. Voorts
bevat de bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegde nota van
wijziging een regeling inzake de openbaarmaking en verrekening van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 3
inkomsten uit nevenfuncties van de gezaghebber en van de eiland-
gedeputeerden (in navolging van de voorstellen van de commissie-
Dijkstal).
Verder dient de eilandsraad voor zijn leden, alsmede voor de eiland-
gedeputeerden en de gezaghebber een gedragscode vast te stellen.
De regering realiseert zich dat de politieke cultuur niet verandert door
wettelijke maatregelen alleen. In het kader van de implementatie van de
WolBES zullen trainingen worden gegeven in duale bestuurspraktijk en zal
in de opleidingen van bestuurders en ambtenaren uitdrukkelijk aandacht
worden gevraagd voor handhaving van regels. Tevens zal een programma
worden ontwikkeld gericht op omvorming van de ambtelijke organisaties,
zodat burgers en bedrijven centraal komen te staan.
De leden van de fractie van de SP vragen wat de redenen zijn dat de rege-
ring niet heeft gekozen voor een blijvende samenwerking tussen de
bovenwindse eilanden Sint Eustatius, Saba en Sint Maarten.
Deze vraag suggereert twee dingen. Ten eerste dat de keuze voor een
nieuwe status voor Sint-Eustatius en Saba aan de Nederlandse regering is
en ten tweede dat er in de toekomst geen samenwerking meer is tussen
genoemde eilanden en Sint Maarten. Beide veronderstellingen zijn
onjuist. Nederland heeft in 1981 het zelfbeschikkingsrecht van de eilanden
erkend. De keuze voor een nieuwe status van de eilanden ligt in beginsel
bij de bevolking van deze eilanden. Deze hebben bij de in het kader van
het zelfbeschikkingsrecht gehouden referenda niet gekozen voor een
staatsrechtelijk samenwerkingsverband van de bovenwindse eilanden. De
nieuwe status van openbaar lichaam voor Sint Eustatius en Saba staat
echter samenwerking tussen deze eilanden en Sint Maarten niet in de
weg. Zo zal er op het gebied van de rechtspraak, openbaar ministerie en
politie worden samengewerkt tussen de eilanden. Ook op andere
terreinen zal in de toekomst samenwerking mogelijk blijven. Dit geldt ook
in de relatie tussen Bonaire en Curacao.
¸
In het wetsvoorstel wordt de inrichting van de openbare lichamen gere-
geld, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen alsmede het
toezicht op hun besturen en de verhouding tot het Rijk. Dit wetsvoorstel
regelt niet de samenwerking tussen de verschillende eilanden in het Cari-
bische deel van het Koninkrijk bij de uitvoering van taken en al helemaal
niet de samenwerking met andere staten, zoals Venezuela. Eventuele
samenwerking tussen de eilanden en andere staten wordt geregeld bij
verdrag. Samenwerking met andere landen binnen het Koninkrijk kan
door middel van een onderlinge regeling op grond van artikel 38 van het
Statuut plaatsvinden. Zoals gezegd sluit het wetsvoorstel samenwerking
tussen de eilanden onderling of met de andere landen binnen het Konink-
rijk dan wel met andere staten echter niet uit.
De leden van de fractie van de SP willen weten of een «ja» nu voor een
nieuwe status voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba feitelijk het einde van
het land Nederlandse Antillen betekent.
Een «ja» voor een nieuwe status van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de
vorm van het aannemen van het onderhavige wetsvoorstel betekent niet
het einde van het land Nederlandse Antillen. Het opheffen van het land
Nederlandse Antillen en het toetreden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
tot het Nederlands staatsbestel wordt geregeld in de Rijkswet wijziging
Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen. Het
aannemen van het voorliggende wetsvoorstel heeft ook niet tot gevolg
dat Sint Maarten en Curacao de hoedanigheid van land in het Koninkrijk
¸
verkrijgen. Hiervoor is het ook nodig dat het Statuut wordt gewijzigd.
Overigens bestaat de mogelijkheid om Bonaire, Sint Eustatius en Saba te
laten toetreden tot het Nederlands staatsbestel met behoud van het land
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 4
Nederlandse Antillen. Dit land zal in dat geval uit twee eilandgebieden
bestaan: het eilandgebied Curacao en het eilandgebied Sint Maarten. De
¸
regering houdt zich echter aan de afspraken die zijn gemaakt en streeft
daarom naar opheffing van het land Nederlandse Antillen.
De leden van de fractie van de SP hebben met grote teleurstelling kennis-
genomen van de voorstellen over de toekomst van de thans bestaande
economische zones op de BES-eilanden. Daarnaast zijn deze leden van
mening dat Nederland via de openbare lichamen belastingparadijzen
importeert, hetgeen volgens deze leden mede met het oog op de
discussie in Europa ondenkbaar is. De leden vragen dan ook naar speci-
fieke gegevens van alle bedrijven die gevestigd zijn in de economische
zones op Bonaire en Sint Eustatius. Ten slotte vragen deze leden naar de
vormgeving en effecten van het toekomstige fiscale stelsel in de openbare
lichamen.
Voor een reactie op deze vragen wordt verwezen naar de nota naar aanlei-
ding van het verslag inzake het voorstel voor de Aanpassingswet open-
bare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hoofdstuk 5 (Minister van
Economische Zaken). In het verslag inzake dat wetsvoorstel heeft de
fractie van de SP vergelijkbare vragen gesteld.
De leden van de VVD-fractie vragen in algemene zin welke gevolgen er
zijn voor de opvang van asielzoekers nu de openbare lichamen onderdeel
worden van Nederland en of het niet denkbeeldig is dat burgers uit landen
van Zuid-Amerika en het Caribisch gebied asiel aanvragen op de
BES-eilanden. Ook vragen deze leden of diegenen die wel een verblijfs-
status krijgen zich ook in het Europese deel van Nederland mogen
vestigen.
Een wetsvoorstel dat strekt tot aanpassing van de Landsverordening
toelating en uitzetting van de Nederlandse Antillen voor de BES-eilanden
(de wet tot wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES) is thans in
voorbereiding en zal binnenkort bij uw Kamer worden ingediend. De
reikwijdte van de Wet toelating en uitzetting BES zal territoriaal beperkt
blijven tot de openbare lichamen. Het wetsvoorstel zal er, ter voldoening
aan internationale verplichtingen, zoals artikel 3 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrij-
heden en het Verdrag en Protocol betreffende de status van vluchtelingen,
in voorzien dat aanvragen kunnen worden gedaan om internationale
bescherming. De beoordeling of een persoon voldoet aan de voor-
waarden om in aanmerking te komen voor internationale bescherming zal
zo worden ingericht dat de voorzieningen op de eilanden zo min mogelijk
belast worden. Dat betekent dat die beoordeling snel en efficiënt dient te
gebeuren zodat personen die niet in aanmerking komen voor bescher-
ming, zo kort mogelijk op de eilanden verblijven. Een en ander wordt
uitgewerkt in de Circulaire toelating en uitzetting BES. Als gevolg van het
feit dat de wet alleen gelding heeft op de BES-eilanden brengt een toela-
ting op basis van die wet geen recht op vestiging in het Europese deel van
Nederland met zich. Daarmee wordt tevens ingespeeld op het mogelijke
(en onjuiste) denkbeeld dat in Zuid-Amerika en de Caribische regio kan
bestaan dat een verzoek om internationale bescherming in of een toela-
ting tot de openbare lichamen in verband met zodanige bescherming
automatisch zou kunnen leiden tot een verblijfsrecht in het Europees deel
van Nederland en mitsdien toegang tot Europa. Daarvan zal geen sprake
zijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 5
1.2. Voorgeschiedenis
De leden van de fractie van de SP vragen of de regering een «plan B»
heeft ingeval de nieuwe staatkundige verhoudingen door de bewoners
van Bonaire bij een referendum worden afgewezen en of er ook een refe-
rendum te verwachten is op Sint Eustatius. Bovendien vragen deze leden
hoe zij naar het oordeel van de regering de poging van Saba dienen op te
vatten om vervroegd uit het land Nederlandse Antillen te stappen en of
ook in dat geval en in het geval er een referendum wordt gehouden op
Sint Eustatius, in een alternatief is voorzien.
De bevolking van Bonaire heeft in een referendum in 2004 in meerderheid
gekozen voor een directe band met Nederland. Op basis van deze keuze
en de daaropvolgende bestuurlijke afspraken is Nederland samen de
bestuurders van het eilandgebied Bonaire bezig met het vormgeven van
deze nieuwe staatkundige toekomst. De regering gaat ervan uit dat het
concept van openbaar lichaam binnen het Nederlandse staatsbestel
uiteindelijk niet ter discussie zal staan en dat het referendum met name
zal gaan over de uitwerking van dit concept.
De regering verwacht geen referendum op Sint Eustatius. Het signaal dat
Saba onlangs heeft afgegeven geeft aan dat Saba het belang van het
proces dat nu zijn voltooiing moet krijgen nog eens heeft onderstreept en
oproept tot een voortvarende behandeling van onderhavige wetgeving.
1.3. Voorlichting Raad van State van het Koninkrijk en
1.4. Doelstelling en karakter van de wet
De leden van de CDA-fractie vragen waarom geen begin wordt gemaakt
met wijziging van de Grondwet om de openbare lichamen nationaal en
internationaal houvast te geven en de grondwettelijke waarborgen voor
gemeenten (autonomie) voor deze openbare lichamen te verzekeren. Ook
de leden van de VVD-fractie vragen de regering de keuze om nu geen
voorstellen tot wijziging van de Grondwet in te dienen nader te beargu-
menteren. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de
planning in de tijd voor de staatsrechtelijke verankering in de Grondwet
van de nieuwe staatsinrichting. De leden van de SGP-fractie vragen of het
niet beter is om in ieder geval de hoofdlijnen van de staatkundige vorm-
geving zo snel mogelijk in de Grondwet op te nemen en op welke punten
de staatkundige structuur nog te onduidelijk is voor regeling in de
Grondwet.
In het Statuut zal – zo is het voornemen – constitutioneel worden vastge-
legd dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba deel uitmaken van het Neder-
landse staatsbestel. Met deze bepaling in het Statuut en met de WolBES,
op grond van artikel 134 van de Grondwet, de Wet financiën openbare
lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius en de voorgestelde wijziging
van de Kieswet, is de positie van de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba in het Nederlandse staatsbestel (constitutioneel) gere-
geld. Er is dus geen directe noodzaak tot wijziging van de Grondwet.
Bovendien is wijziging van de Grondwet vóór de transitiedatum niet
mogelijk. In het nader rapport heeft de regering al duidelijk gemaakt
waarom zij kiest voor het indienen van een eerstelezingsvoorstel na de
evaluatie. Pas dan kan duidelijkheid geboden worden over een meer defi-
nitieve status van de eilanden en de wijzigingen van de Grondwet die in
verband met die status precies nodig zijn. De regering acht het weinig
efficiënt een eerstelezingsvoorstel in te dienen waarvan de kans groot is
dat het alsnog zal moeten worden gewijzigd.
De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering ook in te gaan op de
vraag waarom nu zo het «tijdelijke» karakter van het voorstel wordt bena-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 6
drukt, ook in het licht van de door de Minister van Justitie recent in de
Eerste Kamer betrokken stelling dat toepassing van artikel 55, derde lid,
van het Statuut niet nodig is.
Artikel 134 van de Grondwet als permanente basis voor decentrale open-
bare lichamen voldoet niet. Indien uit de evaluatie blijkt dat de
BES-eilanden openbare lichamen zouden moeten blijven, dan dienen de
grondwettelijke waarborgen die voor gemeenten gelden – en voor de
openbare lichamen nu geregeld worden in de ingediende wetsvoorstellen
– ook voor de openbare lichamen grondwettelijk te worden verankerd.
Overigens weerspreekt de regering dat met dit wetsvoorstel een keuze in
strijd met de Grondwet wordt gemaakt. Artikel 55, derde lid, van het
Statuut is niet aan de orde.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de bestuurlijke figuur van
openbaar lichaam ook open staat voor andere delen van Nederland,
bijvoorbeeld voor de Waddeneilanden.
Tot nu toe kent Nederland territoriale decentralisatie in de vorm van
gemeenten en provincies. Slechts in enkele uitzonderingsgevallen heeft
de wetgever zijn toevlucht genomen tot de figuur van openbaar lichaam
in de zin van het huidige artikel 134 Grondwet (Elten en Tudderen, de
Zuidelijke IJsselmeerpolders). Het betrof toen gevallen waarvan op voor-
hand vaststond dat sprake was van een tijdelijke situatie. Voor de
Waddeneilanden bestaat geen aanleiding om hun huidige status van
gemeente te heroverwegen. Deze eilanden functioneren al sinds het
ontstaan van het Koninkrijk als gemeenten binnen Nederland (en binnen
een provincie).
De leden van de CDA-fractie en van de SP-fractie hebben vragen gesteld
over het karakter en de reikwijdte van de evaluatie.
Een evaluatie na vijf jaar is wettelijk voorzien om te kunnen beoordelen
hoe de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en
Saba in de praktijk uitwerkt en zonodig aanpassingen door te voeren. Aan
de hand van de evaluatie kan worden bezien wat het staatsrechtelijk eind-
model voor de eilanden zal zijn. De WolBES is niet per definitie het eind-
model. De evaluatie zal niet alleen de technische uitwerking van de voor-
genomen staatkundige hervorming betreffen. Bij de evaluatie zal daarom,
zoals de leden van de fractie van de SP wensen, ook gekeken worden naar
de kwaliteit van het bestuur en de openbare financiën. De evaluatie gaat
overigens niet zo ver dat het feit dat de drie eilanden onderdeel uitmaken
van het Nederlandse staatsbestel, ter discussie wordt gesteld. Een andere
staatkundige positie binnen het Koninkrijk is geen optie.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het toch geen aanbeveling
verdient om de wet tijdelijk te maken door hierin een horizonbepaling op
te nemen. De leden van de fractie van de ChristenUnie betreuren het dat
in dit wetsvoorstel een horizonbepaling ontbreekt en vinden dat het
noemen van een evaluatietermijn geen invulling is van de wens om deze
wet tijdelijk te laten zijn.
De regering merkt op dat een horizonbepaling inhoudt dat een wet op een
bepaald moment ophoudt te gelden. Soms is er een voorwaarde aan
verbonden, in die zin dat de wet op het betreffende tijdstip niet ophoudt te
gelden als aan die voorwaarde is voldaan. In ieder geval houdt een
horizonbepaling het risico in dat de betreffende wet op een bepaald
moment ophoudt te gelden zonder dat daar een andere regeling voor in
de plaats komt. Dat kan in bepaalde situaties de bedoeling zijn, maar dat
is hier niet het geval. De regering beoogt met het wetsvoorstel niet op
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 7
voorhand een tijdelijke regeling te treffen. Pas wanneer de evaluatie
mocht uitwijzen dat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba een ander model
wenselijk is, zoals die van (bijzondere) gemeente, zal het onderhavige
wetsvoorstel worden ingetrokken en worden vervangen door een ander
wettelijk kader. Indien uit de evaluatie echter blijkt dat de status van open-
baar lichaam dient te worden gehandhaafd, dan zou de WolBES – al dan
niet na aanpassing – kunnen worden gehandhaafd. Het opnemen van een
horizonbepaling zou dit evenwel onmogelijk maken. Als de WolBES zou
komen te vervallen zonder dat er iets anders voor in de plaats komt, zou
er geen wettelijke regeling meer bestaan die de inrichting, samenstelling
en bevoegdheden van de besturen van de BES-eilanden regelt, noch de
verhouding tot het Rijk, waaronder het toezicht. Dat is uiteraard ondenk-
baar. Om die reden is er geen horizonbepaling opgenomen.
De leden van de PvdA-fractie vragen of alle Nederlandse wetgeving van
rechtswege van toepassing zou worden op de BES-eilanden indien de
eilanden de status van gemeente zouden krijgen. Ze vragen of het met
behulp van de gekozen staatkundige constructie van openbare lichamen
beter mogelijk is, dan in het geval van gemeenten met een bijzondere
status, om de bestaande Nederlands Antilliaanse regelgeving materieel
voor de BES-eilanden in stand te houden en de eilanden tenminste voor-
lopig voor een deel uit te zonderen van de bestaande Nederlandse regel-
geving.
De keuze voor de inrichting van de eilanden als openbaar lichaam is
hoofdzakelijk ingegeven door het feit dat aldaar van het Europese deel
van Nederland afwijkende regels zullen gelden. Bij aanvang van de
nieuwe positie van de eilanden binnen Nederland zal immers in feite
sprake zijn van twee gescheiden rechtsterritoirs. Via het tevens bij de
Tweede Kamer aanhangige voorstel voor de Invoeringswet BES zal een
groot deel van de Nederlands-Antilliaanse regelgeving bij aanvang van de
nieuwe situatie vooralsnog op de eilanden van toepassing blijven. Ook
volgt uit dat voorstel dat Nederlandse regelgeving alleen van toepassing
zal zijn als dit expliciet is bepaald of daaruit onmiskenbaar volgt. Met de
inrichting als openbaar lichaam wordt deze bijzondere positie van de
eilanden op passende wijze tot uitdrukking gebracht.
De leden van de PvdA-fractie vragen om een reactie op de volgende stel-
ling van wetenschapper H.G. Hoogers: zonder een grondwetswijziging zou
een grondslag ontbreken om Nederlands recht, al dan niet van Europese
oorsprong, niet in de BES-eilanden in te voeren. Volgens deze weten-
schapper zou in de Grondwet expliciet moeten worden vastgelegd dat
sommige delen van het Nederlandse recht niet voor de eilanden gaan
gelden.
De Grondwet zal vanaf het moment van transitie van toepassing zijn op de
BES-eilanden, dus ook artikel 1 van de Grondwet. Met het voorstel van
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Neder-
landse Antillen zal in het Statuut een bepaling worden opgenomen dat de
BES-eilanden deel uitmaken van het staatsbestel van Nederland. Boven-
dien zal die bepaling verhelderen op welke gronden op de BES-eilanden
andere regels kunnen gelden dan in het Europese deel van Nederland.
Naar verwachting zal dit voorstel binnenkort bij de Tweede Kamer worden
ingediend. Met deze bepaling in het Statuut zal voldoende grondslag
worden geboden voor differentiatie. Deze bepaling is – het zij nadrukkelijk
gezegd – dus niet in afwijking van de Grondwet.
De leden van de VVD-fractie vragen of er – en zo ja, welke – andere
bestuursvormen voor de BES-eilanden overwogen zijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 8
Na de verschillende referenda op de drie eilanden (2004 en 2005), het
Hoofdlijnenakkoord en de Start-Ronde Tafelconferentie is in oktober 2006
overeenstemming bereikt over de status van de eilanden. De drie eilanden
krijgen een staatsrechtelijke positie binnen het Nederlandse staatsbestel
door de eilanden in te richten als openbare lichamen in de zin van artikel
134 van de Grondwet. Dit is in overeenstemming met de voorlichting van
de Raad van State van het Koninkrijk van 18 september 2006. Andere
varianten zijn daarna niet overwogen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of en zo ja, in
hoeverre de WolBES maatgevend is voor het (grondwettelijk) eindmodel.
Tot een definitief eindmodel voor de eilanden zal pas kunnen worden
besloten na de evaluatie. Dan zal blijken of het model van de WolBES in
grote lijnen zal blijven bestaan, al dan niet met aanpassingen, of dat toch
de voorkeur uitgaat naar een ander model. Indien de eilanden openbare
lichamen zouden blijven, zou de WolBES – naast de eerder genoemde
noodzakelijke grondwettelijke verankering – vermoedelijk kunnen blijven
bestaan.
De leden van de SGP-fractie vragen zich af wat de consequenties van de
staatkundige hervormingen zijn voor de nationaliteit van de inwoners van
de drie eilanden. Ook vroegen zij welk percentage van de inwoners van de
drie eilanden bestaat uit personen die reeds de Nederlandse nationaliteit
bezitten en of de overige bewoners automatisch het Nederlanderschap
verkrijgen bij de transitie.
De staatkundige hervormingen hebben geen nationaliteitsrechtelijke
gevolgen voor de inwoners van de openbare lichamen. De Nederlandse
inwoners behouden hun Nederlandse nationaliteit. De niet-Nederlandse
inwoners behouden hun vreemde nationaliteit. Zij verkrijgen niet de
Nederlandse nationaliteit van rechtswege. Het verblijfsrecht dat zij in
voorkomend geval ontleenden aan de Landsverordening toelating en
uitzetting van de Nederlandse Antillen wordt geregeld in de overgangsbe-
palingen van de Wet tot wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES.
Hun verblijfsrecht wordt van rechtswege geacht te zijn omgezet in een
verblijfsrecht op grond van de Wet toelating en uitzetting BES. Het desbe-
treffende wetsvoorstel wordt binnenkort bij uw Kamer ingediend.
Op Bonaire heeft 82 procent van de ingeschreven inwoners de Neder-
landse nationaliteit, op Sint Eustatius 60 procent en op Saba 56 procent.
1.5. De plaats van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba in het Nederlandse staatsbestel
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de eilanden, over het geheel
genomen, niet te veel in het gemeentelijke sjabloon worden geperst. Er
zijn – dat is deze leden niet ontgaan – op verschillende plekken (terechte)
afwijkingen van de Gemeentewet. Maar per saldo worden de openbare
lichamen toch wel iets dat sprekend op gemeenten lijkt. Waarom, zo
vragen deze leden, zo veel eenvormig geregeld? Waarom zo veel centraal
geregeld? Waarom niet meer afwijking toegestaan, meer differentiatie
mogelijk gemaakt? Het zou ook voor het Nederlandse gemeentebestuur
een proeftuin kunnen worden. Deze leden willen de regering uitnodigen
met die ogen nog eens naar het voorliggende wetsvoorstel te kijken.
Bij de bestuurlijke inrichting van de openbare lichamen is de Gemeen-
tewet het uitgangspunt, zo is in de Slotverklaring (2006) met de eilanden
overeen gekomen en in 2007 aan de hand van de Uitgangspuntennotitie
met de Tweede Kamer besproken. Het is in dat licht weinig verbazingwek-
kend te noemen dat de openbare lichamen naar uiterlijke vorm veel weg
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 9
hebben van gemeenten. In de Eilandenregeling Nederlandse Antillen
(ERNA) is de bestuurlijke organisatie van de eilandgebieden geregeld. In
de ERNA zijn veel elementen herkenbaar uit de oude Nederlandse
gemeentewet. De bestuurlijke organisatie van de eilanden is daar 58 jaar
op gebaseerd geweest. De structuur waarbinnen de bestuursorganen
straks hebben te functioneren is dan ook – met uitzondering van de duali-
sering – niet nieuw voor hen.
Het voorliggende wetsvoorstel kan en mag niet de «functie van proeftuin»
vervullen voor het Nederlandse gemeentebestuur, zoals de leden van de
CDA-fractie aangeven. De voorliggende wetsvoorstellen beogen de over-
gang van de drie eilanden naar Nederland op een verantwoorde wijze te
laten verlopen. Het wetsvoorstel strekt er mede toe hun houvast te bieden
bij de toch al zo ingrijpende transitie. Het woord «proeftuin» is in dit
verband dan ook niet opportuun. De Gemeentewet is het uitgangspunt bij
de bestuurlijke inrichting van de openbare lichamen. In de praktijk van het
Nederlandse gemeentebestuur is de Gemeentewet een beproefd concept
gebleken voor gemeenten van verschillende pluimage. Indien op onder-
delen meer ruimte zou moeten worden geboden, dan zal dit wel blijken uit
de evaluatie.
Als openbare lichamen binnen Nederland hebben, zo is de leden van de
CDA-fractie opgevallen, Bonaire, Sint Eustatius en Saba minder zeggen-
schap, ook over hun eigen aangelegenheden, dan als eilandgebieden
binnen de Nederlandse Antillen. De «gewaarborgde autonomie» van de
ERNA wordt vervangen door de «autonomie» van de Nederlandse gede-
centraliseerde eenheidsstaat. Was dit niet een uitgelezen kans om te expe-
rimenteren met meer beleidsvrijheid, meer decentralisatie en meer diffe-
rentiatie, zo vragen deze leden.
De relatie land – eilandgebieden is ten principale een andere dan de
relatie Rijk – gemeenten in Nederland. In Nederland is de gedecentrali-
seerde eenheidsstaat het bestuurlijke uitgangspunt. De centrale overheid
heeft de bevoegdheid om onderwerpen aan de eigen huishouding van de
gemeenten te ontrekken en centraal te regelen (artikel 124, tweede lid, van
de Grondwet). In de Nederlandse Antillen hebben de eilandgebieden een
grotere mate van zelfstandigheid. Die zelfstandigheid komt tot uiting in de
ERNA. In de ERNA wordt de bevoegdheidsverdeling land – eiland-
gebieden beschreven, waarbij de regeling de taken van het land limitatief
opsomt; al het andere behoort tot de autonomie van de eilandgebieden. In
het onderhavige wetsvoorstel wordt het regime van de Gemeentewet
gevolgd. In het voorstel zijn, om deze reden, geen lijsten opgenomen
waaruit de taakverdeling tussen het Rijk en de openbare lichamen blijkt.
Niettemin worden in de sfeer van het medebewind zoveel mogelijk zaken
op eilandsniveau besloten en uitgevoerd; het beginsel van decentralisatie
is ook uit de Gemeentewet overgenomen. Bij nieuwe wetsvoorstellen zal
er, net zoals nu voor gemeenten het geval is, op moeten worden toege-
zien dat recht wordt gedaan aan dit uitgangspunt. Dit is echter niet het
kader om daarmee te experimenteren. De eilanden zijn klein en hebben
een beperkte bestuurskracht, zowel politiek als ambtelijk. Het transitie-
proces is een bijzonder ingrijpend en complex geheel. De wetgeving dient
er juist op gericht te zijn hun houvast te bieden en de overgang naar het
Nederlandse staatsbestel – ook voor de burgers en bedrijven – zo soepel
mogelijk te laten verlopen.
De Gemeentewet is leidraad voor de inrichting van het bestuur van de
openbare lichamen, stellen de leden van de CDA-fractie vast. Waar afge-
weken wordt, zo valt hun op, is het bijna steeds ten nadele van de eilande-
lijke zeggenschap. Kan de regering nog eens motiveren waarom de balans
zo is uitgevallen?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 10
Met het onderhavige wetsvoorstel heeft de regering willen waarborgen
dat er een structuur is waarbinnen de bestuursorganen van de
BES-eilanden optimaal kunnen functioneren, gelet op de opgaven waar-
voor zij staan gesteld, en deugdelijke bestuur wordt bevorderd. Kennis
van de praktijk van het bestuur op de BES-eilanden heeft vanzelfsprekend
een rol gespeeld bij de voorgestelde regelingen. De concrete voorstellen
zijn met de eilanden besproken en zij kunnen daarmee instemmen.
1.6. Veranderingen ten opzichte van de positie van eilandgebied
van de Nederlandse Antillen
De leden van de fractie van het CDA wijzen op de voorgenomen invoering
van het dualisme als bestuursvorm voor de BES-eilanden en vragen
waarom de eilanden niet de vrijheid is gelaten om zelf te bepalen wat bij
hen past.
Met de drie eilanden is afgesproken dat het dualisme wordt ingevoerd. De
Slotverklaring stelt dat de wettelijke bepalingen inzake Nederlandse
gemeenten van overeenkomstige toepassing zullen zijn. Het is geen optie
om de keuze voor monisme of dualisme aan de eilanden zelf over te laten.
De dualisering is immers een kernelement van de bestuurlijke inrichting.
Zij gaat uit van scheiding van posities en bevoegdheden, dit in tegenstel-
ling tot een monistisch systeem. De controlerende taak van de eilandsraad
wordt met dit systeem versterkt, terwijl voor de burger de rol- en
verantwoordelijkheidsverdeling duidelijker is. Uit de Staat van de dualise-
ring is gebleken dat het dualisme in Nederland geleidelijk is ingebed en
aanvaard en als zodanig niet langer ter discussie staat1. In het verlengde
daarvan manifesteert zich een even geleidelijke cultuurverandering, zij het
met de nodige verschillen tussen gemeenten onderling. Dit beeld stemt in
zoverre niet tot verbazing dat omvangrijke en ingrijpende structuur-
wijzigingen doorgaans enige tijd nodig hebben om geaccepteerd te
worden en – wellicht belangrijker – in alle opzichten geïntegreerd te
worden in hun functionele omgeving. Gelet op de soms forse kritiek die
eerder wel is geuit op de dualisering, past in dit licht echter vooral de
conclusie dat de dualisering per saldo is geslaagd. Voor de regering is het
derhalve nooit een vraag geweest of de dualisering wel zou moeten
worden ingevoerd. Op termijn mogen voor de BES-eilanden dezelfde
positieve effecten als voor de gemeenten worden verwacht.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de bestuurstaal van de openbare
lichamen wordt. Zij menen dat het Nederlands de bestuurstaal wordt en
vragen hoe de positie van het Papiaments (Bonaire) en het Engels (Sint
Eustatius en Saba) geregeld zal worden.
De bestuurstaal op de BES-eilanden zal door middel van het nog in te
dienen voorstel voor de Tweede Aanpassingswet BES in de al ingediende
Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba2
(Invoeringswet BES) worden opgenomen. Uitgangspunt zal het gebruik
van de Nederlandse taal zijn, maar burgers kunnen ook in het Papiaments
(op Bonaire) en het Engels (op Sint Eustatius en Saba) communiceren met
de bestuursorganen van de openbare lichamen. Zoals eerder in deze nota
aangegeven, zal het voorstel voor de Tweede Aanpassingswet BES naar
verwachting in januari 2010 bij de Tweede Kamer worden ingediend.
1.7. Verhouding tot andere wetgeving
Zowel de leden van de PvdA- als die van de SP- en van de VVD-fractie
1 vragen op welke termijn Nederlandse wetgeving ingevoerd zal worden.
Kamerstukken II 2008/09, 30 902, nr. 15
herdruk. Ook vragen de leden van de PvdA-fractie welke afwijkingen altijd voor de
2
Kamerstukken II 2008/09, 31 957, nr. 1–3. BES-eilanden ten opzichte van de Nederlandse wetgeving zullen blijven
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 11
bestaan, anders dan die al in Bijlage I van het wetsvoorstel zijn opgesomd
ten opzichte van de Gemeentewet. De leden van de SP-fractie vragen ook
of de lijst met de wetten die in de Aanpassingswetten worden genoemd
uitputtend is.
In de Slotverklaring van oktober 2006 is met de BES-eilanden afgesproken
dat bij aanvang van de nieuwe staatsrechtelijke positie de Nederlands-
Antilliaanse regelgeving die op de drie eilanden van kracht is, van kracht
zal blijven en dat Nederlandse regelgeving geleidelijk zal worden inge-
voerd. Deze afspraak is niet nader uitgewerkt. Onduidelijk is bijvoorbeeld
wat «geleidelijk» in houdt en dus op welke termijn en in welk tempo de
Nederlands-Antilliaanse regelgeving zal worden vervangen door Neder-
landse wetgeving. Wel is duidelijk dat niet is afgesproken dat alle Neder-
landse regelgeving op den duur op de BES-eilanden zal worden inge-
voerd.
Conform de Slotverklaring zal bij aanvang van de nieuwe staatsrechtelijke
positie van de BES-eilanden via de Invoeringswet BES in principe de
Nederlands-Antilliaanse regelgeving van toepassing blijven op deze
eilanden. Voor zover het Nederlands-Antilliaanse wetgeving in formele zin
betreft en deze aanpassing behoeft, zal de aanpassing daarvan plaats-
vinden via twee aanpassingswetten (de ingediende Aanpassingswet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba1 (Aanpassingswet
BES) en de nog in te dienen Tweede Aanpassingswet BES).
Behalve de tot Nederlandse regelgeving omgezette Nederlands-
Antilliaanse regelgeving zal bij aanvang van de nieuwe positie ook speci-
fieke Nederlandse BES-wetgeving, zoals de WolBES, van toepassing
worden.
Ook zullen bij aanvang van de nieuwe positie een aantal bestaande Neder-
landse wetten, zoals de Kieswet, van toepassing worden op de
BES-eilanden. De invoering van een aantal, al dan niet specifieke, Neder-
landse wetten op de BES-eilanden met ingang van de transitiedatum is
naar de mening van de regering in lijn met het uitgangspunt dat Neder-
landse regelgeving geleidelijk zal worden ingevoerd.
Gelet op de afspraken in de Slotverklaring, dient naar het oordeel van de
regering als uitgangspunt te worden gehanteerd dat na de transitie een
periode van legislatieve «terughoudendheid» van vijf jaar in acht wordt
genomen. De regering stelt voor dat in beginsel in deze periode alleen
regelgeving zal worden ingevoerd als daar duidelijke noodzaak toe is. Dat
is bijvoorbeeld het geval als een omissie hersteld moet worden, of
wanneer een verdrag moet worden geïmplementeerd. Ook de ontwikke-
lingen in de landen Curacao en Sint Maarten kunnen – met het oog op
¸
concordantie van regelgeving – aanleiding vormen om toch tot (ingrij-
pende) wijziging van de BES-wetgeving over te gaan. Hetzelfde geldt voor
ontwikkelingen op de BES-eilanden of in Nederland. Op bepaalde deel-
terreinen zal al de eerste jaren aan het eindperspectief gewerkt moeten
worden. Zo wil de minister van Financiën binnen één tot twee jaar na de
transitie een eindmodel voor de regulering van de financiële markten
gereed hebben.
Het doel van het voorlopig behouden van de Nederlands-Antilliaanse
regelgeving is dat er niet te veel in één keer moet veranderen op de
BES-eilanden. Er moet ook rekening gehouden worden met de absorptie-
capaciteit.
Hoewel het voorgaande geen moratorium betekent, zal er in beginsel niet
kort na de transitie al worden begonnen met het op grote schaal invoeren
van Nederlandse regelgeving. In de Slotverklaring is afgesproken dat vijf
jaar na de transitie de uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur
door Nederland en de drie eilanden gezamenlijk wordt geëvalueerd. Deze
evaluatie kan gevolgen hebben voor de wet- en regelgeving.
Voor wat betreft de periode na de evaluatie, lijkt het de regering niet goed
1
Kamerstukken II 2008/09, 31 959, nr. 1–3. mogelijk daarover nu al besluiten te nemen, bijvoorbeeld over de vraag of
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 12
Nederlandse wetgeving in één keer wordt ingevoerd door middel van een
grootste wetgevingsoperatie of dat de invoering over langere periode
wordt uitgespreid, of dat er zelfs een langere periode van legislatieve
terughoudendheid gewenst is. Eerst moet er ervaring worden opgedaan
met de BES-eilanden als openbare lichamen van Nederland en met de
BES-wetgeving voordat hierover een weloverwogen standpunt kan
worden ingenomen. Ook kan mogelijk uit de afgesproken evaluatie
worden afgeleid wat wenselijk is qua van toepassing verklaren van regel-
geving die in het Europese deel van Nederland van toepassing is.
Het ligt voorts voor de hand dat de mate en snelheid van invoering van
Nederlandse wetgeving per beleidsonderwerp kunnen verschillen. Ook
hierover kan op vooralsnog geen standpunt worden ingenomen. Mogelijk
kunnen ook uit de evaluatie ten aanzien hiervan conclusies worden
getrokken.
Tot slot speelt nog het kabinetsstandpunt dat de zogenoemde LGO-status
voor de BES-eilanden voorlopig gehandhaafd blijft. Het kabinet heeft met
de BES-eilanden afgesproken de relatie met de Europese Unie onderdeel
te laten worden van de voorgenomen evaluatie. Naar inzicht van het
kabinet kan tegen die tijd beter beoordeeld worden welke relatie met de
Europese Unie het beste past bij de BES-eilanden en de structuur van hun
economie.
Hoewel op den duur de van oorsprong Nederlandse-Antilliaanse wetge-
ving dus zal worden vervangen door Nederlandse wetgeving, zullen er
verschillen optreden tussen wettelijke regelingen die gelden voor de
BES-eilanden ten opzichte van de regelingen die gelden voor het Euro-
pese deel van Nederland. In bepaalde gevallen is het nodig om voor de
BES-eilanden specifieke maatregelen te treffen. Dit kan uiteraard niet
onbeperkt. Het voornemen is om in het Statuut te bepalen dat er regels
kunnen worden gesteld en andere specifieke maatregelen voor de de
BES-eilanden, kunnen worden getroffen met het oog op de economische
en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van
Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsom-
vang, de geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren
waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese
deel van Nederland.
Hierdoor kan een op de specifieke situatie toegesneden differentiatie
worden bereikt in de toepasselijke wetgeving en het gevoerde overheids-
beleid.
Een deel van de specifieke maatregelen houdt overigens verband met de
overgangssituatie waarin de BES-eilanden zich bevinden na de status-
wijziging. De overgangsfase is een van de «andere factoren» waardoor zij
zich wezenlijk van het Europese deel van Nederland onderscheiden. De
verschillen die zijn terug te voeren op de overgangssituatie zijn per defi-
nitie van tijdelijke aard.
Blijvende verschillen zullen zich in elk geval regelmatig voordoen ten
aanzien van bevoegdheidsverdeling. In sommige gevallen is het prakti-
scher om bevoegdheden neer te leggen bij de Rijksvertegenwoordiger of
lokale autoriteiten, in afwijking van de bevoegdheidsverdeling in het Euro-
pese deel van Nederland. Ook bijvoorbeeld op het gebied van sociale
zekerheid en belastingen kan de «gewone» Nederlandse wetgeving niet
onverkort worden toegepast vanwege de ontwrichtende gevolgen die dat
zou hebben. De Raad van State van het Koninkrijk heeft daarop in zijn
voorlichting van september 2006 al gewezen. Een uitputtende opsomming
van terreinen waarop regelgeving blijvend zal verschillen van de wetge-
ving in het Europese deel van Nederland kan vooralsnog niet worden
gegeven.
De zogenaamde IBES-lijst waarop de leden van de SP-fractie kennelijk
doelen, bevat een limitatieve opsomming van de Nederlands-Antilliaanse
regelingen die na de transitie voorlopig voor de BES-eilanden van toepas-
sing blijven als Nederlandse regelgeving. De noodzakelijke aanpassingen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 13
aan de op die lijst genoemde regelingen die de status van (specifiek voor
de BES-eilanden geldende Nederlandse) wet krijgen, vinden plaats in de
Aanpassingswet BES en de (nog bij de Tweede Kamer in te dienen)
Tweede Aanpassingswet BES.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat de status van verdragen is
waarvan bepaald is dat die nu exclusief voor Nederland en dus niet de
Nederlandse Antillen gelden. Gaan die verdragen op het moment dat de
BES-eilanden als openbaar lichaam deel zullen uit maken van Nederland
ook gelden voor de BES-eilanden? Zo ja, aan welke verdragen moeten zij
dan denken? Gelden de overwegingen die ten tijde van de afsluiting van
die verdragen golden om de Nederlandse Antillen niet in het verdrag op
te nemen, nu niet meer? Zijn er verdragen waarvan de regering het ook
nu nog onwenselijk acht dat die voor de BES-eilanden zullen gelden? Zo
ja, welke zijn dat en hoe wordt de werking van die verdragen voor de
BES-eilanden voorkomen?
Voor de beantwoording van deze vragen wil de regering ook verwijzen
naar het onlangs ingediende wetsvoorstel ter goedkeuring van verdragen
met het oog op het voornemen deze toe te passen op Bonaire, Sint Eusta-
tius en Saba, en van het voornemen tot opzegging van verdragen voor
Bonaire, Sint Eustatius en Saba1. In de desbetreffende goedkeurings-
stukken worden, onderverdeeld naar diverse terreinen, verdragen
genoemd die thans voor Nederland gelden en waarvan de regering het
voornemen heeft om de toepassing ervan uit te breiden tot de
BES-eilanden. Met betrekking tot deze verdragen is destijds aangegeven
dat medegelding voor de Nederlandse Antillen niet aan de orde was of
ingeval van medegelding de Nederlandse Antillen verzochten deze
verdragen nog niet te laten bekrachtigen in afwachting van uitvoerings-
wetgeving. Voor wat de keuze betreft om deze verdragen toe te passen op
de BES-eilanden, is onder meer als uitgangspunt genomen de internatio-
nale verplichtingen van het Koninkrijk, in het bijzonder die van Nederland
waarvan de BES-eilanden een onderdeel gaan vormen. Dit is aangegeven
in paragraaf 4 van de memorie van toelichting bij het voornoemde wets-
voorstel. Daarnaast is tevens vermeld dat de aansluiting van de
BES-eilanden bij Nederland niet betekent dat alle thans voor Nederland,
maar niet voor de Nederlandse Antillen, geldende verdragen van toepas-
sing moeten worden op de BES-eilanden.
Ten aanzien van de verdragen waarvan de regering het thans onwenselijk
acht dat zij voor de BES-eilanden zullen gaan gelden, hebben voor het
besluit terzake de onderstaande omschreven criteria als grondslag
gediend. Door deze verdragen niet in het voornoemde wetsvoorstel op te
nemen, kunnen zij niet toegepast worden op de BES-eilanden. Ten eerste
gaat het om een groep verdragen die door hun inhoud alleen toegepast
kunnen worden op het Europese grondgebied van het Koninkrijk, zoals
het in 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzame-
ling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996,
293). Verder betreft het verdragen die gelet op de strekking niet uit te
voeren zijn op de BES-eilanden vanwege hun eilandelijke omstandig-
heden in het Caribisch gebied. Hierbij kan als voorbeeld worden genoemd
het op 17 maart 1992 te Helsinki tot stand gekomen Verdrag inzake de
bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en
internationale meren (Trb. 1992, 199). De derde groep omvat verdragen
waarvoor ten behoeve van de eilanden nog geen uitvoeringswetgeving
tot stand is gebracht. Het is overigens wel de bedoeling dat er verder
gewerkt wordt aan uitvoeringswetgeving. Zodra op een bepaalde terrein
uitvoeringswetgeving gereed is, zouden de bijbehorende verdragen
alsnog op de BES-eilanden van toepassing kunnen worden. De vierde
groep heeft betrekking op een aantal verdragen waarover nog geen defini-
1
Kamerstukken II 2008/09, nr. 32 047, nr. 1–3. tieve beslissing is genomen. Dit komt omdat terzake de beleidsmatige
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 954, nr. 7 14
invulling nog niet is afgerond. Ook voor deze verdragen geldt dat zij
alsnog toegepast kunnen gaan worden op de BES-eilanden. Ten aanzien
van deze laatste twee categorieën verdragen wordt in de eerdergenoemde
paragraaf 4 aangegeven dat het betreffende wetsvoorstel gevolgd kan
worden door een of meer andere goedkeuringsvoorstellen. Indien
derhalve naderhand nog een besluit over toepassing van verdragen op de
BES-eilanden genomen wordt, zal een voornemen tot deze toepassing ter
parlementaire goedkeuring worden aangeboden.
De leden van de SP-fractie vragen voorts welke soort van belasting-
verordening de regering voor ogen staat in het geval van de overgangspe-
riode.
De regering zal binnenkort een invoeringswet fiscaal stelsel BES naar de
Kamer zenden. Daarin wordt uiteengezet hoe omgegaan wordt met fiscale
zaken gedurende de overgangsperiode.
De leden van de fractie van de SP vragen welke mogelijke alternatieven de
regering ziet voor het staatsrechtelijke eindmodel na de evaluatie.
Uitkomst van de evaluatie zou kunnen zijn dat de eilanden openbare
lichamen dienen te blijven. Dit zal