Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
32 127 Regels met betrekking tot versnelde
ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke
en infrastructurele projecten (Crisis- en
herstelwet)
Nr. 139 VOORSTEL VAN WET ZOALS HET LUIDT NA DE DAARIN TOT EN
MET 17 NOVEMBER 2009 AANGEBRACHTE WIJZIGINGEN
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is bijzondere
wettelijke voorzieningen te treffen voor een versnelde ontwikkeling en
verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, teneinde bij
te dragen aan de bestrijding van de economische crisis alsmede met dat
doel diverse wettelijke bepalingen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1 BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PROJECTEN
AFDELING 1 TOEPASSINGSBEREIK VAN DIT HOOFDSTUK
Artikel 1.1
1. Afdeling 2 is van toepassing op:
a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor
de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet
bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel
voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele
projecten;
b. gebiedsontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid,
alsmede de voor de uitvoering van de projecten waarop die gebiedsont-
wikkelingsplannen betrekking hebben vereiste besluiten en de voor de
uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede
lid, onderdelen b en c, vereiste besluiten, en
c. projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.
2. Afdeling 3 is van toepassing op de in bijlage II bij deze wet bedoelde
ruimtelijke en infrastructurele projecten en op krachtens artikel 2.18
aangewezen projecten.
KST137201
0910tkkst32127-139
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 1
Artikel 1.2
Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of
Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke
en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze
wet, kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd
aan bijlage II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden
toegevoegd aan bijlage III bij deze wet.
AFDELING 2 PROCEDURES
§ 2.1 Voorbereiding besluiten
Artikel 1.3
Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.
§ 2.2 Beperking beroepsrecht
Artikel 1.4
In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-
recht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die
krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid
behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien
dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die
rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de
rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.
§ 2.3 Passeren gebreken
Artikel 1.5
1. Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan
ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of
algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep
beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belangheb-
benden daardoor niet zijn benadeeld.
2. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten
toepassing.
§ 2.4 Beroep en hoger beroep
Artikel 1.6
1. De administratieve rechter behandelt het beroep met toepassing van
afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het
beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid,
onderdeel d, van die wet.
3. Indien de administratieve rechter het advies van de Stichting
advisering bestuursrechtspraak inwint, brengt de Stichting binnen twee
maanden na het verzoek advies uit.
4. De administratieve rechter doet uitspraak binnen zes maanden na
afloop van de beroepstermijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 2
Artikel 1.6a
Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen
beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Artikel 1.7
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien artikel 8:51a van
de Algemene wet bestuursrecht, dan wel artikel 36, zesde lid, of artikel 39,
zesde lid, van de Wet op de Raad van State of artikel 19, zesde lid, of
artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
wordt toegepast.
2. In dat geval doet de administratieve rechter:
a. binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn een tussenuit-
spraak, en
b. binnen zes maanden na de verzending van de tussenuitspraak een
einduitspraak.
Artikel 1.8
1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien de administra-
tieve rechter met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap prejudiciële vragen stelt.
2. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na afloop van de
beroepstermijn bij tussenuitspraak gesteld.
3. In de tussenuitspraak beslist de rechter zoveel mogelijk ook op de
beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.
4. Tegen een tussenuitspraak van de rechtbank kan hoger beroep
worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Artikel 1.9
De administratieve rechter vernietigt een besluit niet op de grond, dat
het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een
algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet
strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop
beroept.
Artikel 1.9a
De artikelen 1.5 tot en met 1.9 zijn van overeenkomstige toepassing in
hoger beroep.
§ 2.5 Na vernietiging
Artikel 1.10
1. Indien een bestuursorgaan na vernietiging van een besluit door de
administratieve rechter een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit
baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens
voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten
een grond voor de vernietiging was.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een nieuw
besluit wordt genomen ter uitvoering van een tussenuitspraak als bedoeld
in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 3
AFDELING 3 MILIEUEFFECTRAPPORT
Artikel 1.11
Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieuef-
fectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is:
a. artikel 7.10 van die wet voor zover dat regels stelt over alternatieven
voor de voorgenomen activiteit, niet van toepassing;
b. artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.
AFDELING 4 LEX SILENCIO POSITIVO
Artikel 1.12
1. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de wettelijke
voorschriften, genoemd in bijlage III bij deze wet, is paragraaf 4.1.3.3 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing is op de voorbereiding van een besluit omtrent verlening van
een vergunning, is op de aanvraag ervan paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 4:20b, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is artikel 3.16, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening
van toepassing indien een aanlegvergunning van rechtswege is verleend.
4. Een bevoegde instantie bevestigt de ontvangst van een aanvraag om
een vergunning als bedoeld in de wettelijke voorschriften, bedoeld in
bijlage III, zo snel mogelijk. De ontvangstbevestiging bevat de volgende
informatie:
a. de bij wettelijk voorschrift met betrekking tot die vergunning
bepaalde termijn waarbinnen de beschikking wordt gegeven;
b. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te
komen.
5. Indien paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht op een
aanvraag van toepassing is, vermeldt de ontvangstbevestiging tevens dat
de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op
de aanvraag is beslist.
HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE VOORZIENINGEN
AFDELING 1 ONTWIKKELINGSGEBIEDEN
Artikel 2.1
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. milieugebruiksruimte: binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige
marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied
geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelas-
tende activiteiten;
b. milieukwaliteitsnorm: bij wettelijk voorschrift gestelde norm ten
aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu.
Artikel 2.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming
met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan bij wijze
van experiment een gebied, zijnde bestaand stedelijk gebied of bestaand
bedrijventerrein, voor de duur van ten hoogste tien jaar worden aange-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 4
wezen als ontwikkelingsgebied, indien dat met het oog op het versterken
van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied
bijzonder aangewezen is.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer zendt uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een
experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan,
alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als
experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 2.3
1. Voor een ontwikkelingsgebied stelt de gemeenteraad een gebieds-
ontwikkelingsplan vast dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het
bestemmingsplan en het exploitatieplan worden overeenkomstig met het
gebiedontwikkelingsplan gewijzigd en worden tegelijkertijd met het
gebiedsontwikkelingsplan vastgesteld. Het gebiedsontwikkelingsplan is
gericht op een optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog
op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische
ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het totstandbrengen van
een goede milieukwaliteit. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld, zo nodig per aangewezen gebied als
bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, over de wijze waarop de optimalisering
van de milieugebruiksruimte plaats kan vinden.
2. Een gebiedsontwikkelingsplan bevat:
a. de vanwege het optimaliseren van de milieugebruiksruimte door de
gemeenteraad voorgenomen projecten in het ontwikkelingsgebied;
b. de voorgenomen maatregelen en werken in het gebied ten behoeve
van een goede milieukwaliteit;
c. de in het gebied noodzakelijke maatregelen en werken ter compen-
satie van het beslag op milieugebruiksruimte door de in het gebiedsont-
wikkelingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;
d. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in
de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en werken;
e. een raming van de kosten van uitvoering van het gebiedsontwikke-
lingsplan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden
voorzien, en een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de
met het gebiedsontwikkelingsplan beoogde resultaten zal worden
nagestreefd;
f. een overzicht van de tijdstippen waarop aan de gemeenteraad een
rapportage zal worden uitgebracht over de voortgang en de uitvoering
van de in de onderdelen a, b en c bedoelde projecten, maatregelen en
werken, die op verzoek tevens wordt verstrekt aan Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
4. Tegen een gebiedsontwikkelingsplan kan beroep worden ingesteld
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestem-
mingsplan, het exploitatieplan en het gebiedsontwikkelingsplan worden
voor de behandeling en uitspraak op het beroep aangemerkt als één
besluit.
5. Indien voor de uitvoering van maatregelen of werken als bedoeld in
het tweede lid, onderdelen b en c, enig besluit is vereist, kunnen burge-
meester en wethouders, met inachtneming van desbetreffende bindende
besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement
en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeen-
schappen, dat besluit nemen, mits het gebiedsontwikkelingsplan waarin
de maatregel of werken zijn opgenomen onherroepelijk is geworden en
voor zover nodig in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur
aangegeven bepalingen bij of krachtens:
a. de Flora- en faunawet;
b. de Natuurbeschermingswet 1998;
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 5
c. de Ontgrondingenwet;
d. de Wet ammoniak en veehouderij
e. de Wet bodembescherming;
f. de Wet geluidhinder;
g. de Wet geurhinder en veehouderij;
h. de Wet inzake de luchtverontreiniging;
i. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2, met
dien verstande dat na vaststelling van het plan uiterlijk na tien jaar alsnog
wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteits-
normen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwa-
liteitsnorm geven burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog
aan die norm zal worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwa-
liteitsnormen.
6. Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van
bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in
het vijfde lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken
wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen
bedenkingen heeft.
7. De verklaring, bedoeld in het zesde lid, kan slechts worden
geweigerd met het oog op het belang dat de betrokken wet beoogt te
beschermen.
8. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp van de verklaring binnen acht
weken aan burgemeester en wethouders. In een geval als bedoeld in
artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen
burgemeester en wethouders deze termijn met een bij hun besluit te
bepalen redelijke termijn verlengen.
9. De artikelen 2.27, tweede, vierde en vijfde lid, en 3.11, eerste, tweede,
vijfde en zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor
«omgevingsvergunning» telkens wordt gelezen «een besluit als bedoeld
in artikel 2.3, vijfde lid, van de Crisis- en herstelwet» en voor «verklaring»
telkens wordt gelezen: verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van
de Crisis- en herstelwet.
10. De gemeente draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of
werken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, binnen een in het
plan te noemen termijn.
11. Werken opgenomen in het gebiedsontwikkelingsplan worden
aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de
Belemmeringenwet Privaatrecht.
12. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid,
onderdelen b en c toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht
noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat:
a. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3,
tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
b. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is,
en
c. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel
3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt
totdat de beroepstermijn is verstreken.
13. Voor zover een besluit als bedoeld in het vijfde lid zijn grondslag
vindt in een gebiedsontwikkelingsplan, kunnen de gronden in beroep
daarop geen betrekking hebben.
Artikel 2.3a
1. Indien voor een ontwikkelingsgebied een provinciaal inpassingsplan
wordt vastgesteld, stellen, in afwijking van artikel 2.3, eerste lid, voor dat
gebied provinciale staten een gebiedsontwikkelingsplan vast.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 6
2. Artikel 2.3 is van overeenkomstige toepassing op een ingevolge het
eerste lid vastgesteld gebiedsontwikkelingsplan, met dien verstande dat:
a. in het eerste en tweede lid in plaats van «de gemeenteraad» wordt
gelezen: provinciale staten;
b. in het eerste en vierde lid in plaats van «bestemmingsplan» telkens
wordt gelezen: inpassingsplan;
c. in het vijfde en achtste lid in plaats van «burgemeester en
wethouders» telkens wordt gelezen: gedeputeerde staten;
d. in het zesde lid in plaats van «Burgemeester en wethouders» wordt
gelezen: Gedeputeerde staten;
e. in het tiende lid in plaats van «gemeente» wordt gelezen: provincie.
AFDELING 2 INNOVATIE
Artikel 2.4
1. Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming
met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met
inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie,
van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, bij wege van experiment worden
afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
a. de Elektriciteitswet 1998;
b. de Warmtewet;
c. de Wet ammoniak en veehouderij;
d. de Wet bodembescherming;
e. de Wet geluidhinder;
f. de Wet geurhinder en veehouderij;
g. de Wet inzake de luchtverontreiniging;
h. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;
i. de Wet ruimtelijke ordening, of
j. de Woningwet.
2. Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid
indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en
voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden
van de economische crisis en aan de duurzaamheid.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid,
wordt bepaald:
a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid
genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;
b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen,
en
c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel
beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.
4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer of Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zendt
uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een experiment een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten ervan, alsmede een standpunt
inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment, aan de beide
kamers der Staten-Generaal.
AFDELING 3 RADARZONERING
Artikel 2.5
In deze afdeling wordt:
a. verstaan onder bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in
artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede een wijzigings- of
uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a of b, van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 7
die wet, een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27 en 3.29
van die wet, een inpassingplan als bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.28 van
die wet, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet en
een besluit als bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet
alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van die wet;
b. onder toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan de
onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in de artikelen 3.10, 3.27
en 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in de
artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van die wet;
c. verstaan onder radarstation: voor de beveiliging van het nationaal
luchtruim en de veilige afhandeling van het militair en burgerluchtverkeer
essentieel radarstation, en
d. verstaan onder radarverstoringsgebied voor een radarstation: gebied
waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten
behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation.
Artikel 2.6
1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen in
een radarverstoringsgebied voor een radarstation bevat geen bestem-
mingen of regels omtrent het gebruik van de grond die het oprichten van
bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare
gevolgen kunnen hebben voor het beeld van de radar op het radarstation.
2. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Defensie, in overeen-
stemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, worden:
a. de radarstations aangewezen;
b. de begrenzingen van het radarverstoringsgebied voor een radar-
station aangewezen;
c. de maximale hoogte van bouwwerken binnen het radarverstorings-
gebied vastgesteld.
3. Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, waarbij wordt overwogen bestemmingen aan te
wijzen of regels te geven omtrent het gebruik van de grond die het
oprichten van bouwwerken mogelijk maken die de maximale hoogte,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden, wordt een
beoordeling gemaakt van gevolgen van die bouwwerken voor het zenden
of ontvangen van radiogolven door het radarstation. Onze Minister van
Defensie kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot de
wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het eerste lid, bij die beoordeling
worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede betreffen de
wijze van de totstandkoming van de beoordeling.
4. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat de uitkomsten van de
beoordeling, bedoeld in het derde lid, alsmede het oordeel van Onze
Minister van Defensie over de toereikendheid van de beoordeling en over
de aanvaardbaarheid van de in de beoordeling beschreven gevolgen.
5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de
voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een ontheffing als
bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22 en 3.23 van de Wet
ruimtelijke ordening ter zake van het oprichten van bouwwerken die de
maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, overschrijden.
6. Op een besluit als bedoeld in het tweede lid is het krachtens artikel
3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde omtrent de
voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van
bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing. Op de ministe-
riële regeling, bedoeld in het derde lid, zijn de krachtens artikel 4.3, eerste
lid, in samenhang met artikel 4.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke
ordening gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 8
7. De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn niet van
toepassing op bouwwerken:
a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds in het
radarverstoringsgebied, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanwezig
waren;
b. waarvoor de bouwvergunning vóór dat tijdstip is verleend, of
c. waarvan de bouw in het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan is
toegestaan.
AFDELING 4 [VERVALLEN]
Artikel 2.7
[vervallen]
AFDELING 5 TIJDELIJKE VERHUUR TE KOOP STAANDE WONINGEN
Artikel 2.8
In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Leegstandwet is artikel 247
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op vergunningen
voor huur en verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
onderdeel b, van de Leegstandwet. Artikel 16, negende lid, van de
Leegstandwet is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet inzake zodanige woonruimte.
AFDELING 6 VERSNELDE UITVOERING VAN BOUWPROJECTEN
Artikel 2.9
1. Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van:
a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten
minste 12 en ten hoogste:
1°. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeers-
verdeling: 2 000 nieuwe woningen, dan wel
2°. in geval van één ontsluitingsweg: 1 500 nieuwe woningen, alsmede
b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming
met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen
categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.
2. Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die in elkaars
nabijheid liggen of zullen zijn gelegen, vallen uitsluitend onder het
toepassingsbereik van deze afdeling, indien de aantallen woningen in die
projecten gezamenlijk onder het toepasselijke maximum aantal woningen
als bedoeld in dat onderdeel blijven.
3. Deze afdeling is niet van toepassing:
a. indien voor de uitvoering van een project als bedoeld in het eerste lid
een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbe-
schermingswet 1998 is vereist;
b. op projecten als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen
krachtens artikel 2.18;
c. indien het project ziet op de bouw van woningen op minder dan 100
meter van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c,
van de Tracéwet, gemeten vanaf de as van die weg, of van een weg die
overeenkomstig een daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994
aangewezen model is aangeduid als route voor het vervoer van gevaar-
lijke stoffen dat niet is toegestaan door de krachtens artikel 3 van de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen tunnels, gemeten vanaf de as van
die weg;
d. indien het project ziet op de bouw van woningen binnen 30 meter
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 9
van een krachtens artikel 2 van de Spoorwegwet aangewezen hoofd-
spoorweg, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor;
e. indien het project ziet op de bouw van woningen in of op rijkswa-
teren of regionale wateren waaraan krachtens de artikelen 4.1 of 4.4 van
de Waterwet de functie vaarweg is toegekend en die geschikt zijn voor
gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 400 ton.
Artikel 2.10
1. Op verzoek of ambtshalve kan de gemeenteraad ten aanzien van een
project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit
vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het
project van toepassing is.
2. Op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in
artikel 2.9, eerste lid, ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is
vastgesteld, zijn de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een
vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet
van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V,
paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van
de Waterwet.
3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de besluiten
die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde
wettelijke voorschriften.
4. Uit het projectuitvoeringsbesluit en de daarbij behorende toelichting
blijkt welke gevolgen aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze
rekening is gehouden met de daarbij betrokken belangen, waaronder in
elk geval de belangen ter bescherming waarvan de wettelijke
voorschriften strekken die ingevolge het tweede lid niet van toepassing
zijn en, voor zover van toepassing, hoofdstuk V, paragraaf 1, van de
Monumentenwet 1988.
5. Bij een projectuitvoeringsbesluit worden de bij of krachtens wet of
verordening vastgestelde toetsingskaders toegepast en normen in acht
genomen. Voor zover de wet of verordening afwijking van die toetsings-
kaders of normen toestaat, kan het projectuitvoeringsbesluit daarin
voorzien.
6. Aan het projectuitvoeringsbesluit kunnen ter bescherming van de in
het vierde lid bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.
7. Indien een projectuitvoeringsbesluit er toe strekt een vergunning als
bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 te vervangen:
a. legt de gemeenteraad, indien het een archeologisch monument
betreft als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Monumentenwet 1988
en in de gevallen, bedoeld in artikel 16 van die wet, het voornemen tot
een projectuitvoeringsbesluit voor advies voor aan Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die binnen vier weken na ontvangst
van de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van de Algemene wet bestuurs-
recht, advies uitbrengt, en
b. zendt de gemeenteraad aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en, voorzover het monument gelegen is buiten de bebouwde
kom, aan gedeputeerde staten:
1°. het ontwerpbesluit, en
2°. onmiddellijk na de vaststelling een afschrift van het projectuitvoe-
ringsbesluit.
8. Indien een projectuitvoeringsbesluit betrekking heeft op een
beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g,
van de Monumentenwet 1988 zendt de gemeenteraad onmiddellijk na de
vaststelling hiervan een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
9. Het tweede lid en het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van
toepassing op de wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens
de Wet luchtvaart, de Luchtvaartwet en de wet van 18 december 2008,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 10
houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de
regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de
decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het
provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire
luchthavens) (Stb. 561) omtrent ruimtelijke beperkingen in de omgeving
van luchthavens in verband met geluidbelasting, externe veiligheid en
vliegveiligheid. Voor de toepassing van de Wet luchtvaart wordt het
projectuitvoeringsbesluit gelijkgesteld aan een projectbesluit als bedoeld
in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 2.10a
Indien sprake is van provinciale belangen, kunnen provinciale staten ten
behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9,
eerste lid, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit
vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze
afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel
2.17.
Artikel 2.11
Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projec-
tuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een
ieder.
Artikel 2.12
Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met
het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoe-
ringsbesluit als een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als een
besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet.
Artikel 2.13
Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State.
Artikel 2.14
Een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, treedt in werking daags
na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep
wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist.
Artikel 2.15
Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 3.8, zesde lid;
b. afdeling 6.1;
c. afdeling 6.4, met dien verstande dat voor aanvang van de bouw van
bouwplannen als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van die wet een
melding aan burgemeester en wethouders wordt gedaan en dat burge-
meester en wethouders een beschikking met de inhoud van artikel 6.17
van die wet geven bij de start van de bouw, gericht aan een eigenaar van
gronden waarop gebouwd wordt.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 11
Artikel 2.16
Het is verboden in strijd te handelen met een projectuitvoeringsbesluit
of een daaraan verbonden voorschrift.
Artikel 2.17
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
afdeling zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders
aangewezen ambtenaren.
AFDELING 7 VERSNELDE UITVOERING VAN LOKALE EN
(BOVEN)REGIONALE PROJECTEN MET NATIONALE BETEKENIS
Artikel 2.18
Deze afdeling is van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur
op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene
Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het
mede aangaat, aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met
nationale betekenis.
Artikel 2.19
1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen lokaal project
met nationale betekenis stelt de gemeenteraad een structuurvisie als
bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening
vast.
2. De structuurvisie, bedoeld in het eerste lid, bevat onverminderd het
elders omtrent de inhoud van een structuurvisie bepaalde, tevens:
a. een concretisering van de hoofdlijnen van de voorgenomen
ontwikkeling van het betrokken gebied;
b. een beschrijving van de voorgestelde wijze van verwezenlijking van
de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit in ieder geval de volgende
onderdelen:
1°. een voorlopig overzicht van de voor de uitvoering van het project
benodigde besluiten, alsmede het daarbij voorgenomen tijdpad;
2°. een financiële onderbouwing en een voorlopige opzet van de
grondexploitatie;
3°. een analyse van de risico’s ten aanzien van verplichtingen tot het
toekennen van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1
van de Wet ruimtelijke ordening;
4°. eventuele voornemens inzake verwerving van gronden;
5°. de vermelding dat ten aanzien van de voor de verwezenlijking van
het project noodzakelijke besluiten ingevolge artikel 2.21 toepassing zal
worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in
paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening;
c. een samenvatting van de uitkomsten van het overeenkomstig artikel
2.20, eerste lid, gevoerde bestuurlijk overleg.
Artikel 2.19a
1. Ten aanzien van een krachtens artikel 2.18 aangewezen (boven)regi-
onaal project met nationale betekenis stellen provinciale staten een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening vast.
2. Op projecten als bedoeld in het eerste lid is deze afdeling van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in de artikelen 2.19, tweede lid, onder b, onder 5°, en 2.21 in plaats
van «de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 12
de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: de provinciale coördinatiere-
geling, bedoeld in paragraaf 3.6.2 van de Wet ruimtelijke ordening;
b. in artikel 2.20, eerste lid, in plaats van «die diensten van provincie en
Rijk» wordt gelezen: die diensten van Rijk;
c. in artikel 2.20, derde lid, in plaats van «de eerstverantwoordelijke
gemeente» wordt gelezen: de eerstverantwoordelijke provincie;
d. in artikel 2.21 in plaats van «In afwijking van artikel 3.30, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening» wordt gelezen: In afwijking van artikel
3.33, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
e. in artikel 2.22 in plaats van «een gemeentelijke verordening» wordt
gelezen: een provinciale of gemeentelijke verordening;
f. in artikel 2.23, eerste lid, in plaats van «artikel 3.10» wordt gelezen
«artikel 3.27», in plaats van «kan de gemeenteraad» wordt gelezen
«kunnen provinciale staten» en in plaats van «gemeentebestuur» wordt
gelezen «provinciebestuur».
Artikel 2.20
1. Bij de voorbereiding van een structuurvisie als bedoeld in artikel
2.19, eerste lid, plegen burgemeester en wethouders overleg met de
besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die
diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de
ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in
de structuurvisie in het geding zijn.
2. In afwijking van hoofdstuk 2 van de Wet ruimtelijke ordening,
worden, voor zover het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
vaststelling van een structuurvisie waarmee de bestuursorganen van de
betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk instemmen, aan
die structuurvisie verklaringen gehecht houdende instemming van die
bestuursorganen met de in de structuurvisie voorgestelde wijze van
verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling.
3. Ter uitvoering van de in de structuurvisie voorgestelde wijze van
verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling wordt ten behoeve van
een goede begeleiding en tijdige afronding van het project een project-
commissie ingesteld. In de commissie zijn de betrokken bestuursorganen,
bedoeld in het tweede lid, vertegenwoordigd. De commissie staat onder
voorzitterschap van een bestuurder van de eerstverantwoordelijke
gemeente.
Artikel 2.21
In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening
wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die
noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18
aangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördina-
tieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 2.22
Voor zover de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aange-
wezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan
niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn
vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de
besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om dringende redenen buiten
toepassing worden gelaten.
Artikel 2.23
1. Indien voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18
aangewezen project een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 13
Wet ruimtelijke ordening wordt genomen, kan de gemeenteraad met het
oog op de invordering van rechten terzake van door of vanwege het
gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met dat
projectbesluit aan dat projectbesluit voorschriften verbinden, die de
verplichting inhouden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het
nakomen van de ingevolge dat besluit verschuldigde rechten.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in ieder
geval het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet
worden gehouden.
3. Bij het besluit kunnen voorschriften worden gesteld voor gevallen
waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en
in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden
met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.
HOOFDSTUK 3 WIJZIGING VAN DIVERSE WETTEN
Artikel 3.1
In onderdeel J, onder 2, van de bijlage bij de Algemene wet
bestuursrecht wordt «9b, derde lid» vervangen door «9b, vierde lid» en
wordt na «9d, tweede en derde lid,» ingevoegd: 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid,.
Artikel 3.2
De Elektriciteitswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 9b wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De procedure, bedoeld in
artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke
ordening, is van toepassing op de aanleg en uitbreiding van:.
2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en
vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet ruimtelijke ordening is eveneens van toepassing op de
uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van andere
dan duurzame elektriciteit, met inbegrip van de aansluiting van die
installatie op een net, indien door die uitbreiding de capaciteit van die
productie-installatie wordt vergroot tot ten minste 500 MW.
3. In het derde lid (nieuw), aanhef, wordt «eerste lid» vervangen door:
eerste of tweede lid.
4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:
4. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
installatie als bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede het aantal voor
de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten, redelij-
kerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld
in het eerste of tweede lid, de besluitvorming in betekenende mate zal
versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden,
kan Onze Minister bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 14
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op
de aanleg of de uitbreiding van die installatie. Onze Minister hoort de
producent en de betrokken bestuursorganen over een voornemen
toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
B
In de artikelen 9d, eerste, tweede en derde lid, en 20c, eerste, tweede en
derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a» vervangen door: 3.35,
eerste lid, onderdeel b.
C
Na artikel 9d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 9e
1. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een
productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met
behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet
meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op
een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als
bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te
stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de vaststelling
van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestem-
mingsplan vast te stellen.
2. Provinciale staten geven in ieder geval toepassing aan de
bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een
voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als
bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken
gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel
wijziging van een bestemmingplan met betrekking tot de gronden,
bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen. Voor het doen van de melding
en de daarbij te verstrekken gegevens kunnen provinciale staten een
formulier vaststellen.
3. Artikel 3.26, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is
van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
4. Ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in
artikel 3.3, in samenhang met § 3.4.1 en § 3.4.2, of in artikel 3.6, eerste lid,
van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel in Hoofdstuk IV, afdeling 1, van
de Woningwet, met uitzondering van artikel 57 van die wet, treden
gedeputeerde staten in de plaats van burgemeester en wethouders.
Artikel 3.26, vierde lid, tweede tot en met vierde volzin, is van overeen-
komstige toepassing.
5. Provinciale staten kunnen, zo nodig in afwijking van het tweede lid,
besluiten geen toepassing te geven aan het eerste lid indien:
a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, redelijkerwijs niet valt te
verwachten dat toepassing van dit artikel de besluitvorming in beteke-
nende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen
zijn verbonden; en
b. is voldaan aan de voor die provincie gestelde minimum realisa-
tienorm.
6. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister wordt per provincie een minimum realisatienorm vastgesteld. De
voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 15
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-
Generaal is overgelegd.
Artikel 9f
1. Gedeputeerde staten coördineren de voorbereiding en bekend-
making van de besluiten, aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid,
ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als
bedoeld in artikel 9e, eerste lid.
2. Gedeputeerde staten nemen de in het eerste lid bedoelde besluiten
met uitsluiting van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, tenzij
dit een bestuursorgaan van het Rijk is.
3. Gedeputeerde staten geven ten aanzien van de ontwerpen van de
besluiten, bedoeld in het eerste lid, gezamenlijk toepassing aan artikel
3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voegen de
kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, samen in een
kennisgeving die door hen wordt gedaan.
4. Voor zover de aanleg of de uitbreiding, bedoeld in het eerste lid,
onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die – al dan niet
krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een gemeente of
waterschap zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen of
uitvoeren van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, om dringende
redenen buiten toepassing worden gelaten.
5. Artikel 3.33, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet
ruimtelijke ordening is van overeenkomstige toepassing.
6. Onze Minister kan op verzoek van gedeputeerde staten bepalen dat
het eerste lid niet van toepassing is op een productie-installatie als
bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien:
a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de
desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten
dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate
zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn
verbonden, of
b. gedeputeerde staten anders dan ter uitvoering van het eerste lid
reeds voldoende bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het
Rijk met betrekking tot de opwekking op land van duurzame elektriciteit
met behulp van windenergie.
Artikel 9g
De aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in
artikel 9e, eerste lid, wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet
Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut. Artikel
3.36a, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is van overeenkomstige
toepassing.
D
Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, komt artikel 9e, vierde lid, als volgt
te luiden:
4. Gedeputeerde staten oefenen de bevoegdheden en voeren de
verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, uit en beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder a, b, c of g, van die wet. Gedeputeerde staten zenden terstond
een afschrift aan burgemeester en wethouders van beschikkingen die zijn
gegeven met toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de eerste
volzin.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 16
E
Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende
voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van
diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (31 953) tot wet is of wordt verheven en artikel 9.13,
onderdeel R, van die wet in werking treedt, wordt in artikel 9f, vijfde lid,
«vierde tot en met zevende lid» vervangen door: vierde tot en met zesde
lid.
F
Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De procedure bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op een uitbreiding
van het landelijke hoogspanningsnet, voor zover het betreft de van dat net
deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit op
een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden
bedreven, en de van dat net deel uitmakende landsgrensoverschrijdende
netten op een spanningsniveau van 500 V of hoger, met inbegrip van de
aansluitingen op die netten.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
net als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of
uitbreiding van dat net benodigde besluiten, redelijkerwijs niet valt te
verwachten dat toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de
besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins
aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op
de uitbreiding van dat net. Onze Minister hoort de beheerder van het net
en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te
geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 3.3
De Gaswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 39b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:
a. een uitbreiding van het landelijk gastransportnet, voor zover het
betreft de van dat net deel uitmakende leidingen met een druk van ten
minste 40 bar en een diameter van ten minste 45,7 centimeter, met
inbegrip van de aansluitingen op die leidingen;
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 17
b. de aanleg of uitbreiding van een landsgrensoverschrijdend gastrans-
portnet als bedoeld in artikel 18h, met inbegrip van de aansluitingen op
zo’n net;
c. de aanleg of uitbreiding van een LNG-installatie met een capaciteit
van ten minste 4 miljard m3, met inbegrip van de aansluiting van de
installatie op een net.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
net of een deel daarvan of een installatie als bedoeld in het eerste lid,
alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van dat net of die
installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat
toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming
in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke
voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op
de aanleg of uitbreiding van dat net of die installatie. Onze Minister hoort
de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een
voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de
eerste volzin.
B
In artikel 39d, eerste en derde lid, wordt «3.35, eerste lid, onderdeel a»
vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3.4
De Interimwet stad-en-milieubenadering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.
b. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of krachtens
artikel 5.2b of titel 5.2 van de Wet milieubeheer;.
2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door: ,
en.
b. Onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel b door een
punt vervalt onderdeel c.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 18
B
In artikel 10, tweede lid, aanhef wordt «12, derde lid, onderdelen a tot en
met d, 13, eerste en tweede lid, 14, 15 en 17, eerste tot en met derde lid,»
vervangen door: 14 en 15.
C
Artikel 12, tweede en derde lid, wordt vervangen door een lid, luidende:
2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het
besluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of 9, zijn artikel 3.8 van de Wet
ruimtelijke ordening en de krachtens die wet gestelde voorschriften
omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de terinzagelegging van
het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het bevoegd gezag in
de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit,
tenzij een orgaan van de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is
aangewezen;
b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van het
ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de gelegenheid
stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan
van de provincie als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de bestuurs-
organen betrekt, die ingevolge wettelijk voorschrift zijn aangewezen om
hem terzake van advies te dienen;
d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit,
bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags na afloop
van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze Minister en
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden
gestuurd.
D
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:
1. Een besluit als bedoeld in artikel 9 behoeft de goedkeuring van Onze
Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Het derde tot en met zesde lid worden vervangen door een lid,
luidende:
3. Op een besluit van provinciale staten tot wijziging of intrekking van
een besluit als bedoeld in artikel 9 zijn het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
E
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en tweede
lid, onderdelen a, c en d.
2. In het tweede lid wordt «12, 13» vervangen door: 12, eerste en
tweede lid, onderdelen a, c en d.
F
Paragraaf 6 vervalt.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 19
G
Artikel 18 komt te luiden:
Artikel 18
Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 kan een belangheb-
bende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State.
H
Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:
Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2014.
Artikel 3.5
Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2009 ingediende
voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging
van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht) (31 953) tot wet is of wordt
verheven:
1. vervallen de artikelen 1.1, onderdeel J en onderdeel AA, onder 1, 8.2,
onderdeel B, onder 5, 8.3, onderdeel A, onder 5, 8.5, onderdeel B, 9.10,
onderdeel KKK, en 9.14, onderdeel E, onder 1, van die wet,
2. wordt artikel 6.2, onderdeel D, van die wet, als volgt gewijzigd:
a. in artikel 46b, derde lid, tweede volzin, wordt «tweede en derde lid»
vervangen door: tweede lid,
b. in artikel 47b, derde lid, wordt na «19g» ingevoegd «, 19ia en 19kd,»
en wordt na «en 19k, eerste en derde lid» ingevoegd: en het bepaalde
krachtens artikel 19kb, en
3. wordt artikel 9.13 van die wet als volgt gewijzigd:
a. de onderdelen E, onder 2, F tot en met I, N en P vervallen,
b. onderdeel S wordt als volgt gewijzigd:
1°. in onderdeel 1 wordt «het eerste lid, onderdeel b» vervangen door:
het eerste lid, onderdeel c,
2°. de onderdelen 3, 4 en 5 vervallen, en
c. de onderdelen U, Y en Z vervallen.
Artikel 3.6
Aan artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwver-
gunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met
een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.7
De Mijnbouwwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 141a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op:
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 20
a. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van
koolwaterstoffen in of onder een gebied dat is aangewezen op grond van
de artikelen 10 of 10a van de Natuurbeschermingswet 1998;
b. een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen;
c. pijpleidingen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd voor het
vervoer van delfstoffen respectievelijk het vervoer van stoffen in verband
met het opsporen of winnen van delfstoffen respectievelijk het opslaan
van stoffen met behulp van een mijnbouwwerk als bedoeld in onderdeel a
respectievelijk onderdeel b.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een
mijnbouwwerk of een pijpleiding als bedoeld in het eerste lid, alsmede het
aantal voor de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding
benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat
toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluit-
vorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins
aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
a. geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid,
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel a,
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel
a, gevolgd door de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing zijn of is op
de aanleg of de uitbreiding van dat werk of die leiding. Onze Minister
hoort de mijnbouwondernemer en de betrokken bestuursorganen over
een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de
eerste volzin.
B
In artikel 141c, eerste, tweede en derde lid, wordt «3.35, eerste lid,
onderdeel a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 3.8
De Natuurbeschermingswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid vervalt.
2. In het vijfde lid wordt «beheersplan» vervangen door: beheerplan.
B
Artikel 19a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de eerste volzin wordt na «instandhoudingsdoelstelling»
ingevoegd: , met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel
10a, derde lid,.
b. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het beheerplan kan zulks
ook doen ten aanzien van bij of krachtens algemene maatregel van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 21
bestuur aangewezen categorieën projecten en andere handelingen van
nationaal belang in het gebied en daarbuiten.
c. [vervallen]
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
9. Gedeputeerde staten kunnen in het beheerplan beschrijvingen als
bedoeld in het eerste lid opnemen die betrekking hebben op de doelstel-
lingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
10. Voor zover er in een beheerplan projecten worden opgenomen die
niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een
Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere
plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het
desbetreffende gebied, wordt het beheerplan eerst vastgesteld nadat
gedeputeerde staten een passende beoordeling hebben gemaakt van de
gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de
instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de
voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.
C
In artikel 19b, vierde lid, wordt «tweede» vervangen door «eerste lid,
tweede en derde volzin, tweede» en wordt «en zevende lid» vervangen
door: , zevende, negende en tiende lid.
D
Artikel 19c wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «In de periode totdat het eerste beheerplan
voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden
draagt Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd gezag draagt.
2. In het tweede lid wordt «Onze Minister» telkens vervangen door «het
bevoegd gezag» en vervalt: in de periode totdat het eerste beheerplan
voor het desbetreffende Natura 2000-gebied onherroepelijk is geworden,.
3. In het derde lid wordt «Onze Minister» vervangen door: Het bevoegd
gezag.
4. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
5. Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid, wordt verstaan:
a. Onze Minister, indien:
1°. voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen onherroepelijk
geworden beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b is vastge-
steld, of
2°. het gebruik een krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen project
of andere handeling is, of het gebruik plaatsvindt in of gevolgen heeft
voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;
b. gedeputeerde staten, in andere gevallen dan die, bedoeld in
onderdeel a.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op
bestaand gebruik dat overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de
artikelen 19a of 19b wordt uitgeoefend.
E
Artikel 19d wordt als volgt gewijzigd:
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 139 22
1. In het eerste lid wordt na «instandhoudingsdoelstelling» ingevoegd: ,
met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.
2. In het derde lid vervalt: gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c,
eerste lid.
F
In de artikelen 19e, onderdeel a, en 19f, eerste lid, wordt na «instand-
houdingsdoelstelling» ingevoegd: , met uitzondering van de doelstel-
lingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid,.
G
Na artikel 19i wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 19ia
1. Ingeval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied
mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde
lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige
toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuur-
schoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura
2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel
10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied
ontsieren, met dien verstande dat:
a. in het vierde lid in plaats van «het besluit tot aanwijzing als
beschermd nat