Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
32 290 Vaststelling van regels over referentieniveaus
voor de taal- en rekenvaardigheden van
leerlingen (Wet referentieniveaus Nederlandse
taal en rekenen)
Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 19 februari 2010
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met
het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt
verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde
vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht
de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoeg-
zaam voorbereid.
1
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Depla (PvdA),
Remkes (VVD), De Vries (CDA), Joldersma
(CDA), Van Bochove (CDA), voorzitter, Van
Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA),
Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink
(VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs
(PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk),
Langkamp (SP), Pechtold (D66), Besselink
(PvdA), Dibi (GL), Biskop (CDA), Van Leeuwen
(SP), Ouwehand (PvdD), Bosma (PVV), Van
Dijk (SP), Anker (CU), Smits (SP) en Harbers
(VVD).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Yücel (PvdA),
Van Miltenburg (VVD), Uitslag (CDA), Ferrier
(CDA), Atsma (CDA), Vietsch (CDA), Schinkels-
hoek (CDA), Jacobi (PvdA), Elias (VVD),
Timmer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg
(VVD), Van Bommel (SP), Van der Ham (D66),
Bouchibti (PvdA), Peters (GL), Jonker (CDA),
Gesthuizen (SP), Thieme (PvdD), Fritsma
(PVV), Leijten (SP), Ortega-Martijn (CU),
Gerkens (SP) en Ten Broeke (VVD).
KST141069
0910tkkst32290-5
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 1
Inhoudsopgave
I ALGEMEEN 3
1. Doel en inhoud 3
2. Achtergrond van het wetsvoorstel 4
2.1 Taal en rekenen centraal in onderwijsbeleid 5
2.2 Expertgroep 6
2.3 Referentiekader taal en rekenen 6
Draagvlak in het onderwijs 6
2.4 Wettelijke verankering 7
2.4.1 Basisonderwijs 8
Referentieniveaus als hulpmiddel voor betere leerresultaten 8
Verplichte verzameling gegevens eindniveau 9
2.4.2 Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs 9
2.4.3 Voortgezet onderwijs 10
Eindexamenprogramma’s Nederlandse taal/Nederlandse
taal en literatuur 10
Rekentoets voortgezet onderwijs 10
Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen 11
2.4.4 Middelbaar beroepsonderwijs 11
2.5 Balans tussen ambitie en haalbaarheid; implementatie 12
2.6 Verhouding tot vrijheid van onderwijs 13
3 Administratieve lasten 13
4 Advies Onderwijsraad 14
II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 14
Artikel 3 14
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 2
I ALGEMEEN
1. DOEL EN INHOUD
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van het wetsvoorstel Vaststelling van regels over referentieniveaus voor
de taal en rekenvaardigheden van leerlingen (Wet referentieniveaus
Nederlandse taal en rekenen). Al bij de bespreking van het rapport van de
commissie-Dijsselbloem1 hebben deze leden aandacht besteed aan de
noodzaak tot het herstel van vertrouwen in het onderwijs. Een van de
dimensies waar dit tot uitdrukking zou moeten komen, is het vertrouwen
dat de aanleverende en ontvangende scholen in elkaar moeten hebben als
het gaat om wat ze de leerlingen moeten hebben bijgebracht op het
gebied van rekenen en taal. Daartoe is het instrument van de doorlopende
leerlijnen een uitstekend instrument en staan deze leden ook positief
tegenover dit wetsvoorstel.
Als extra ondersteuning van dit wetsvoorstel komt nog eens het belang
van een goede kennis van taal en rekenen voor een goed functioneren in
de Nederlandse samenleving bij. De leden menen dat dit belang niet
gemakkelijk overschat kan worden en zien dit niet alleen als een noodza-
kelijke voorwaarde voor een goed functioneren in de huidige samenle-
ving, maar ook in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van het onderhavige wetsvoorstel. Zij zijn voorstander van leerstan-
daarden en vinden dat zeker voor rekenen en taal moet worden vastge-
legd wat leerlingen moeten kennen en kunnen op verschillende
momenten van hun schoolloopbaan. Het vastleggen van referentieni-
veaus zou niet alleen moeten werken als een meetlat voor de bereikte
niveaus bij rekenen en taal, maar ook als een stimulans voor verscherpte
aandacht voor taal- en rekenvaardigheid.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de vaststelling
van regels over referentieniveaus voor de taalen rekenvaardigheden van
leerlingen. De leden van deze fractie zijn het ermee eens dat de prestaties
van leerlingen op het gebied van taal en rekenen omhoog moeten. Zij zien
de referentieniveaus als een mogelijke verbetering van het taalen reken-
onderwijs.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-
nomen van de vaststelling van regels over referentieniveaus voor de taal-
en rekenvaardigheden van leerlingen (Wet referentieniveaus Nederlandse
taal en rekenen). De leden onderschrijven het belang om minimumeisen
te stellen aan taal- en rekenvaardigheden van leerlingen. Duidelijke leer-
standaarden moeten zorgen voor het verbeteren van het niveau van taal-
en rekenvaardigheden en voor goede overgangen tussen de onderwijs-
sectoren. Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het een goede zaak dat er
aandacht is voor een vloeiende ontwikkeling van de leerlijn. Bijzondere
aandacht voor taal en rekenen daarin achten zij, gezien de omstandig-
heden, gerechtvaardigd. Zij beschouwen de referentieniveaus als een
middel ter ondersteuning van het onderwijs. Het verheugt hen daarom dat
de regering de referentieniveaus als een hulpmiddel betitelt. Zij betwij-
felen echter of de invulling van het wetsvoorstel aansluit bij deze classifi-
catie. Ook hebben zij bedenkingen ten aanzien van de vraag of het wets-
voorstel past bij het op dit moment bestaande wettelijk kader.
1
Kamerstuk 31 007, nr. 6.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 3
2. ACHTERGROND VAN HET WETSVOORSTEL
De leden van de CDA-fractie achten het herstel van vertrouwen een van de
belangrijkste doelstellingen van dit wetsvoorstel. Ofschoon ouders in
overgrote meerderheid positief oordelen over de school waar hun
kinderen naar toe gaan, oordeelt de publieke opinie kritischer over de
resultaten van het Nederlandse onderwijs. Vooral de gebrekkige kennis
van taal en rekenen is velen een doorn in het oog. Deze kritiek schaadt het
vertrouwen in het Nederlandse onderwijs. In dat kader kan worden
gewezen op recente cijfers die duidelijk maken dat er aan het einde van
groep 8, 10 tot 15% van de kinderen een taalachterstand van een half jaar
tot twee jaar heeft opgelopen. Ook in het voortgezet onderwijs neemt het
percentage 15-jarigen met een lage lees- en rekenvaardigheid toe. Voor
het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) geldt dat het beginniveau voor
veel leerlingen dermate laag is dat deze niet meer in te halen is. Dit zijn
zorgelijke cijfers die omgebogen moeten worden. Deze leden zijn van
mening dat de referentieniveaus hierbij een belangrijke rol kunnen spelen.
Door de vaststelling van de referentieniveaus wordt helder voor de
samenleving, docenten, ouders en leerlingen wat men verondersteld
wordt te beheersen, afhankelijk van het opleidingsniveau. Dat levert in de
ogen van deze leden, een belangrijke bijdrage aan het herstel van het
vertrouwen in het onderwijs. Ook wordt met de invoering van de referen-
tieniveaus beoogd een kwaliteitsverbetering tot stand te brengen. Deze zal
zeker gezien de toenemende concurrentie vanuit het Verre Oosten en de
ambitie die Nederland heeft om een kenniseconomie te blijven noodza-
kelijk zijn. In dit kader willen de leden gaarne wijzen op de goede resul-
taten van het Enschedese Leesverbeterplan. De gegevens laten zien dat na
groep 8 slechts 2% van de kinderen als niet goede technische lezer de
basisschool verlaat. Landelijk ligt dat cijfer rond de 25%. Ook de resultaten
op het gebied van begrijpend lezen liggen boven het landelijk gemid-
delde. Zou dit plan landelijk navolging kunnen vinden, zo willen deze
leden weten.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het stellen van referen-
tiekaders bijdraagt aan enerzijds het optrekken van de resultaten van
zwakke scholen en anderzijds het stimuleren van scholen die al boven de
norm zitten. Geeft de ondergrens in gewenste leerresultaten ook een
remmend effect? Op welke manier worden leerlingen die al boven het
gewenste niveau zitten niet onnodig belast of afgeremd, zo vragen de
leden.
De leden van de SGP-fractie merken op dat de cijfers over dalende leer-
lingprestaties belangrijke beweegredenen zijn voor het wetsvoorstel. Zij
vragen of de genoemde cijfers voldoende basis en rechtvaardiging bieden
voor het wetsvoorstel. Deze leden vragen een reactie op de constatering
dat over de interpretatie van dergelijke gegevens bijzonder veel onenig-
heid bestaat. De leden begrijpen dat het wetsvoorstel ook tot betere resul-
taten op het gebied van rekenen en taal moet leiden. Deze leden vragen
om een kritische reflectie op de vooronderstelling die eigenlijk in het
wetsvoorstel besloten ligt dat invoering van referentieniveaus min of
meer als vanzelf tot betere opbrengsten leidt. Deze leden constateren
echter dat met het enkele vaststellen van ijkpunten nog geen stap gezet is
tot feitelijke verbetering van het taal- en rekenonderwijs. Zij veronder-
stellen zelfs dat de komende jaren vooral veel energie gestoken zal
worden in het organiseren van een uniform systeem alvorens er resul-
taten te verwachten zijn. Zij vragen of voldoende alternatieven zijn over-
wogen die minder intensief zijn en die ook tot het beoogde doel kunnen
leiden.
De leden van deze fractie vinden voorts in de toelichting vooral een
beschrijving van de voordelen die ijkpunten en referentieniveaus met zich
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 4
brengen. Graag zien deze leden dat de regering zich in de toelichting er
ook van had vergewist dat standaardisering negatieve effecten met zich
brengt. Ervaring uit het buitenland leert bijvoorbeeld dat een grotere mate
van standaardisering en uniformering tot sterkere verstarring van het
onderwijs kan leiden. Deze leden vragen of de regering dit gevaar onder-
kent. Zij vragen ook op welke wijze dit wetsvoorstel de genoemde nega-
tieve effecten vermijdt en welke waarborgen met het oog op de toekomst
worden gecreëerd.
De leden hebben de indruk dat de invoering van referentieniveaus vooral
als een op objectieve basis gelegitimeerde wijziging worden voorgesteld.
Deze leden constateren echter dat in dit verband ook het woord cultuur-
omslag gebruikt wordt. Tijdens het rondetafelgesprek dat de Kamer op
18 november 2009 voerde, werd bovendien breed aangegeven dat het
werken met referentieniveaus voor docenten zonder verdere scholing
eigenlijk moeilijk is. Deze signalen lijken er dus op te wijzen dat invoering
van de referentieniveaus ook een didactische wijziging omhelst. De leden
vragen de regering daarom in hoeverre zij de referentieniveaus
beschouwt als een onderwijsvernieuwing.
2.1 Taal en rekenen centraal in onderwijsbeleid
De leden van de CDA-fractie menen dat met de vaststelling van de doorlo-
pende leerlijnen een stap op weg naar verbetering van de kwaliteit van
het rekenen en taal is gezet, maar dat aan enkele belangrijke voorwaarden
nog niet is voldaan. Volgens deze leden kan slechts een verbetering van
de kwaliteit van het Nederlands en rekenen worden bereikt indien deze
verantwoordelijkheid integraal wordt gedeeld binnen de onderwijsinstel-
lingen. Indien de verantwoordelijkheid voor het bereiken van de referen-
tieniveaus uitsluitend bij de docenten Nederlands en wiskunde wordt
gelegd, zal óf het gewenste niveau niet worden gehaald, óf zal dit ten
koste gaan van andere onderdelen van het vak Nederlands of wiskunde.
Ook de docenten voor andere vakken zoals economie, geschiedenis, aard-
rijkskunde, scheikunde en biologie zullen hun bijdrage moeten geven aan
de versterking van het niveau van Nederlands en rekenen. Op welke
manier wil de regering de integraliteit binnen de onderwijsinstellingen
bevorderen, zo willen deze leden weten. Daarnaast moet de deskundig-
heid van de docent boven elke twijfel verheven zijn. Waarom heeft de
regering er niet voor gekozen om de referentieniveaus wettelijk in het
curriculum van de lerarenopleidingen en pabo’s vast te leggen of te veran-
keren in dit wetsvoorstel? Indien docenten onvoldoende kennis hebben
van taal en rekenen zullen hun leerlingen automatisch ernstige tekortko-
mingen in deze vakken oplopen. De leden willen ook weten welke stappen
de regering wil treffen teneinde de kennis van taal en rekenen op een
voldoende peil te houden. Voorts vragen zij naar de reden dat de
HBO-raad niet betrokken was bij de kennisbasis. En hoe zit het met de PO-
en VO-raad, waren zij betrokken? Zo neen, waarom niet? Aangezien op de
lerarenopleiding wordt gewerkt met de Kennisbasis, is het dan niet
vreemd dat de inhoud van de kennisbasis niet gekoppeld is aan de inhoud
van de referentieniveaus? De leden vernemen graag een reactie op dit
punt.
De leden van de SP-fractie verwijzen naar het advies van de Raad van
State bij dit wetsvoorstel. De Raad merkt op dat omdat het wetsvoorstel
geen verband legt tussen referentieniveaus primair onderwijs en de kern-
doelen van het primair onderwijs, het niet gewaarborgd is dat leraren-
opleidingen voor het primair onderwijs wat betreft rekenen en taal
voldoen aan de referentieniveaus. Door inrichting van de gemeenschap-
pelijke kennisbasis voor deze lerarenopleidingen, vindt een verankering
van de referentieniveaus in het curriculum van de lerarenopleidingen voor
het primair onderwijs plaats. Hoe gaat de regering garanderen dat zittend
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 5
personeel ook gaat voldoen aan de nieuwe eisen? Zijn hiervoor genoeg
middelen voorhanden, zo willen deze leden weten.
De leden van de ChristenUnie-fractie erkennen het belang van een
voldoende niveau van rekenen en taal op alle niveaus. Wel vragen zij of
op bijvoorbeeld ambachtsscholen de aandacht niet teveel wordt afgeleid
van ambachtsvakken door het stellen van hoge eisen aan reken- en taal-
vaardigheid. De leden van deze fractie wijzen op de beperkingen van het
stellen van kwantitatieve eisen aan leerlingen. Bovendien geldt dat één
vast toetsmoment soms een onjuist of oneerlijk beeld schept van de capa-
citeiten van de leerling. Op welke manier wordt hier rekening mee
gehouden? Wordt het uitgangspunt dat leerlingen beoordeeld moeten
worden op wat zij goed kunnen niet beperkt door het stellen van deze
eisen?
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering van mening is dat
alleen rekenen en taal zich lenen voor het ontwikkelen van referentieni-
veaus. Zij vernemen graag of de regering het onwenselijk vindt om in de
toekomst ook voor andere gebieden referentieniveaus op te stellen. Zij
vinden het belangrijk dat referentieniveaus tot het strikt noodzakelijke
worden beperkt.
2.2 Expertgroep
De leden van de SGP-fractie lezen dat het beheersingsniveau van taal en
rekenen volgens de regering iets gedaald en mogelijk zelfs stabiel
gebleven is. Deze leden vragen hoe de regering voor ogen ziet dat het
beheersingsniveau de komende jaren blijft stijgen, als eis van een verste-
vigde kenniseconomie. Acht de regering het realistisch om een hoger
beheersingsniveau te bewerkstelligen dan de afgelopen decennia kenne-
lijk gerealiseerd en afdoende gebleken is, zo vragen zij.
2.3 Referentiekader taal en rekenen
Draagvlak in het onderwijs
De leden van de CDA-fractie stellen dat, ofschoon de discussie over de
referentieniveaus niet van gisteren is en er al vanaf 2008 gewerkt is aan de
invoering hiervan in het onderwijs, bij diverse docenten grote zorgen
bestaan over het invoeringstraject. Ze menen dat ze zich onvoldoende
hebben kunnen bijscholen en op de hoogte kunnen stellen van de nieuwe
eisen waaraan hun onderwijs moet voldoen. Over het algemeen leeft het
invoeren van de referentieniveaus nauwelijks in het veld. De leden van
deze fractie menen dat alleen een zorgvuldige invoering van de referentie-
niveaus uiteindelijk tot een succes kan leiden. In hoeverre is daar nu aan
voldaan? Is de invoering per 1 september a.s. realistisch in het licht van
het voorgaande? Hebben scholen voldoende tijd om hun lesstof aan de
invoering van de referentieniveaus aan te passen, willen de leden weten.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat het rapport van de
commissie-Dijsselbloem heeft gewezen op het onvoldoende doorklinken
van het geluid van vakdocenten bij de grote onderwijsvernieuwingen. Zijn
de Landelijke Vereniging van Neerlandici (LVVN), het Sectiebestuur Neder-
lands van Levende Talen, de Nederlandse Vereniging tot Ontwikkeling van
het Reken Wiskunde Onderwijs (NVORWO) en de Nederlandse Vereniging
van Wiskundeleraren (NVvW) ook gehoord bij de totstandkoming van dit
wetsvoorstel? Zo ja, wat was dan hun oordeel over de uitvoerbaarheid, zo
willen deze leden weten.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 6
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de aanknopings-
punten voor afspraken tussen de onderwijssectoren over wat men van
elkaar mag verwachten. Hoe komen deze afspraken tot stand, zo vragen
zij.
2.4 Wettelijke verankering
De leden van de CDA-fractie menen dat dit wetsvoorstel aan de ene kant
belangrijk is voor de toekomst van het Nederlandse onderwijs. Het maakt
duidelijk wat verwacht mag worden van de onderwijsinstellingen van wat
zij leerlingen hebben bijgebracht op het terrein van rekenen en taal. Aan
de andere kant gaan deze leden er vanuit dat na verloop van tijd het effect
van de wet uitgewerkt zal zijn, omdat de doorlopende leerlijnen dan
dusdanig zijn doorgevoerd dat de nu nog bestaande tekortkomingen dan
zijn weggewerkt. Ook gaan de leden er vanuit door een consequente
uitvoering en handhaving het onderlinge vertrouwen tussen de diverse
onderwijssectoren en in het onderwijs weer herstelt. Onderschrijft de
regering de mening van deze leden dat deze wet derhalve eigenlijk een
tijdelijk karakter zou moeten hebben en moet worden ingetrokken zodra
het doel is bereikt?
Een van conclusies van het rapport van de commissie-Dijsselbloem was
dat de overheid over het «wat» gaat en de scholen over het «hoe». De
leden onderschrijven deze lijn volledig, zij het dat bedacht moet worden
dat naarmate de doelen (het wat) strakker worden omschreven, de over-
heid de grens nadert van het zich ongeoorloofd inmengen in de manier
(het hoe) waarop het onderwijs wordt gegeven. Dat vraagstuk dient zich
zeker aan bij de formulering van de doorlopende leerlijnen met de vast-
stelling van de referentieniveaus voor rekenen en taal. Het gaat namelijk
niet om bepalingen die binnen een school of door een individuele docent
moeten worden vastgelegd, maar juist hier moeten alle toeleveranciers
(po naar vo, vo naar ho) de afnemende scholen kunnen garanderen dat
kinderen het fundamentele niveau hebben bereikt. Die bovensectorale
aanpak noodzaakt een nauwkeurige omschrijving wat leerlingen voor
rekenen en taal moeten kunnen en kennen aan het einde van een
bepaalde opleiding. Onderschrijft de regering de mening van de leden dat
de referentieniveaus bedoeld zijn om individuele leerlingen te beoordelen
en niet de school?
Voordat deze leden kunnen vaststellen dat de grens van het toelaatbare bij
de invulling van de «wat»- en «hoe» -vraag niet overschreven wordt,
hebben zij nog een aantal vragen. De leden van deze fractie zijn weliswaar
van mening dat het bij de referentieniveaus gaat om vaststelling van
regels die de individuele school overstijgen. Toch, kan de «wat»-vraag zo
gedetailleerd worden ingevuld dat de «hoe»-vraag tevens wordt ingevuld.
In zekere zin zit hier tussen de «wat» en «hoe» vraag ook een spannings-
veld ten opzichte van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Ook
hebben zij nog vragen over de keuze van een bovensectorale wet in plaats
van aanpassing in de diverse sectorwetten. Zij ontvangen graag een uitge-
breide toelichting op deze punten.
De leden van de SP-fractie verwijzen naar het advies van de Raad van
State bij dit wetsvoorstel. De Raad heeft geadviseerd het afnamemoment
van eindtoetsen in het primair onderwijs te verschuiven naar het einde
van het schooljaar, zodat de onderwijstijd optimaal kan worden gebruikt.
Mede daarom wordt op dit moment een pilot uitgevoerd. Waarom kiest de
regering er niet voor om eerst de resultaten van de pilots en invoering van
het referentiekader na een aantal jaren te evalueren, voordat sprake is van
een wettelijke verankering, zo vragen deze leden.
De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat er verschil bestaat in de
doorwerking van de referentieniveaus voor voorgezet en basisonderwijs.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 7
Terwijl in het voortgezet onderwijs sturing plaats vindt op eindniveau,
door controle op de inhoud van de examenprogramma’s, wordt in het
basisonderwijs het onderwijs in bredere zin gecontroleerd op verenigbaar-
heid met de referentieniveaus. De referentieniveaus hebben voor het
basisonderwijs aldus een verstrekkender invloed. Deze leden vragen
waarom de regering niet heeft volstaan met de eis dat ook in het basison-
derwijs de gebruikte toets overeen moet komen met de referentieniveaus.
Zij vragen hoe dit verschil te rechtvaardigen is.
2.4.1 Basisonderwijs
De leden van de SGP-fractie begrijpen uit de toelichting dat de beheer-
singsgraad van rekenen en taal door leerlingen volgens de regering aan
het dalen is. Geconcludeerd kan dus worden dat leerlingen in het verleden
kennelijk een hogere beheersingsgraad wisten te bereiken terwijl er in het
onderwijs minder sprake was van ijkpunten en referentieniveaus. Gezien
deze situatie hebben deze leden vragen bij de voorgestelde oplossings-
richting. Zij constateren de paradoxale situatie dat de regering meer kwali-
teit wil genereren door meer sturing terwijl hogere kwaliteit in het
verleden juist met minder sturing tot stand kwam. Zij vragen in dit licht
een toelichting op de voorgestane koers van de regering. Eveneens
vragen zij hoe het komt dat scholen, naar de mening van de regering,
onvoldoende raad weten met de kerndoelen, terwijl dit voorheen geen
wezenlijk probleem opleverde.
De leden vragen vervolgens naar een toelichting op de reactie van de
regering ten aanzien van onderdeel 3d van het advies van de Raad van
State. Zij hebben het advies van de Raad van State aldus begrepen, dat
geen dubbele informatie dient te bestaan op het niveau van de toetsing.
Het wordt in die opvatting niet wenselijk geacht dat scholen naast bijvoor-
beeld de Cito-toets ook een eindtoets op basis van referentieniveaus
hanteren en de resultaten aanleveren. De regering heeft de dubbele infor-
matie echter opgevat als een dubbele informatiestroom, waarbij de toets-
resultaten afzonderlijk van het onderwijskundig rapport worden geleverd.
Naar aanleiding hiervan heeft de regering een integratie van de toetsre-
sultaten in het onderwijskundig rapport voorgesteld. De leden vragen of
de regering naast dit voorstel ook de eerder beschreven opvatting van de
Raad van State deelt.
De leden merken vervolgens op dat er een merkwaardige relatie dreigt te
ontstaan tussen de kerndoelen en de referentieniveaus. Deze leden
constateren namelijk dat de regering de referentieniveaus beschouwt als
uitwerking van de kerndoelen voor rekenen en taal. Naar de mening van
deze leden gaan deze kerndoelen feitelijk als een soort grondslag functio-
neren, aangezien de kerndoelen zeer globaal zijn. Dat is een nieuwe situ-
atie, aangezien voorheen alle eisen in en op grond van de kerndoelen
geformuleerd zijn. Zij vragen naar een rechtvaardiging hiervoor. Ook
vragen deze leden naar een rechtvaardiging voor de scheiding die binnen
de kerndoelen ontstaat, namelijk dat sommige kerndoelen als grondslag
dienen en sommige de volledige uitwerking behelzen. Eveneens ontstaat
de onwenselijke situatie dat, hoewel de kerndoelen en de referentieni-
veaus inhoudelijk niet te scheiden zijn, er in de sfeer van het toezicht wel
degelijk een scheiding ontstaan door het verschil in status dat beide
criteria hebben. Wil de regering op grond van deze bezwaren alterna-
tieven overwegen, zo vragen deze leden. De leden van deze fractie vragen
voorts of de regering erop wil toezien dat binnen de voorgestelde ijking
van toetsen aan de referentieniveaus zoveel mogelijk van de reeds
bestaande en erkende toetsen gebruikt kunnen blijven worden.
Referentieniveaus als hulpmiddel voor betere leerresultaten
De leden van de CDA-fractie constateren dat in het primair onderwijs in
het laatste leerjaar een aparte toets voor rekenen en taal worden afge-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 8
nomen. De leden zijn een voorstander van een dergelijke toets. Wel
vragen zij of de huidige Cito-toets een adequate invulling is van de wette-
lijke verplichting in dit wetsvoorstel. Welke instantie zal de toetsen ijken,
zo willen zij weten. Voor de spreek- en schrijfvaardigheid zijn geen objec-
tieve en valide toetsen beschikbaar. Op welke manier kan het niveau dan
objectief worden vastgesteld om daarmee duidelijkheid te verschaffen of
de referentieniveaus zijn behaald, zo vragen de leden van deze fractie.
Verplichte verzameling gegevens eindniveau
De leden van de CDA-fractie menen dat de referentieniveaus een belang-
rijke functie kunnen spelen bij het versterken van het onderling vertrou-
wen binnen het onderwijs. Daarnaast kan het in de ogen van deze leden
ook een rol spelen bij de beoordeling van de kwaliteit van een school,
zoals geformuleerd in het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur1.
Bij de behandeling van de wet werd door deze leden grote waarde
gehecht aan het objectief kunnen formuleren van eisen op rekenen en taal
teneinde de kwaliteit van een school te kunnen beoordelen. In de ogen
van deze leden werd specifiek gedacht aan de onderhavige referentieni-
veaus. Wel vragen zij wat nu precies de relatie is tussen de kerndoelen en
de referentieniveaus. De kerndoelen zijn een bekostigingsvoorwaarde,
geldt dit ook voor de referentieniveaus? Welke sanctionering is er moge-
lijk en in hoeverre verschilt deze van de sanctionering voor de kern-
doelen? Deze wens de school beter op kwaliteit te kunnen beoordelen lijkt
haaks te staan op de huidige cultuur binnen het onderwijs. Er lijkt een
grote angst voor afrekenen in het onderwijs te heersen. De onderwijsin-
spectie zou het onvoldoende bereiken van de gestelde niveaus kunnen
aangrijpen om scholen aan te pakken. Dat mocht volgens velen niet
gebeuren. De regering meent dat dit bij de evaluatie van de wet Goed
onderwijs, goed bestuur beoordeeld zou moeten worden. Toch wensen de
leden een meer richtinggevend antwoord op deze vraag. Zeker ook in het
licht van het wetsvoorstel Goed bestuur, goed onderwijs, zo merken zij op.
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat over
een aantal jaren de invoering van de referentieniveaus enerzijds en het
wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur anderzijds wordt geëvalu-
eerd. Op basis van dit onderzoek kan dan worden bepaald of scholen in
voldoende mate hebben leren werken met de referentieniveaus. Wat zijn
de consequenties voor zowel dit wetsvoorstel, alsmede de scholen, als
blijkt dat scholen en leraren niet in voldoende mate hebben leren werken
met de referentieniveaus? Is de regering voornemens de resultaten die
scholen de komende jaren boeken, te betrekken bij de beoordeling van
scholen, zo vragen deze leden.
2.4.2 Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs
De leden van de PvdA-fractie vinden dat ook in het speciaal onderwijs
leerresultaten moeten worden geboekt en hechten eraan dat ook leer-
lingen in het speciaal onderwijs zoveel mogelijk de fundamentele niveaus
bereiken voor rekenen en taal, ook al zal dit voor sommigen niet haalbaar
blijken. Voor het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs komt er
nog een sectorspecifiek invoeringsplan. Wanneer verwacht de regering
dat de invoering zover is dat de onderwijsinspectie de betrokken scholen
kan gaan beoordelen op hun leerresultaten voor rekenen en taal, zo
vragen de leden.
1
Kamerstuk 31 828.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 9
2.4.3 Voortgezet onderwijs
Eindexamenprogramma’s Nederlandse taal/Nederlandse taal en literatuur
De leden van de PvdA-fractie constateren dat er geen aparte taaltoets
naast het eindexamen Nederlands komt omdat daarmee dezelfde stof zou
worden getoetst. Bij de invoering van de Tweede fase is echter met het
verdwijnen van de stelopdracht uit de examinering voor het vak Neder-
lands, de toetsing van de stelvaardigheid naar de achtergrond verdwenen.
Dit terwijl jongeren in het vervolgonderwijs toch ernstige problemen
ondervinden als zij onvoldoende in staat zijn om zelfstandig een cohe-
rente tekst te formuleren in correct Nederlands. Kan de regering toelichten
of en hoe de stelvaardigheid in de toekomst binnen de eindexamens aan
bod zal komen? Nu komen bij het vak Nederlands ook onderdelen aan bod
die niet direct te maken hebben met de taalvaardigheid. Dat betekent dat
er binnen het vak Nederlands zelf compensatiemogelijkheden bestaan,
zodat sommige taalzwakke leerlingen toch een voldoende kunnen behalen
voor Nederlands. Hoe beoordeelt de regering de consequenties hiervan
voor het behalen van de beoogde referentieniveaus? Taalvaardigheid is
een zaak die van belang is bij méér vakken dan alleen bij het vak Neder-
lands. Zouden taalfouten daarom ook bij andere vakken dan Nederlands
moeten leiden tot een lagere beoordeling? Niet alle docenten van de
andere vakken beheersen hun Nederlands vanzelfsprekend in een
voldoende mate. Taalvaardigheid omvat natuurlijk meer dan alleen spel-
ling. Alleen al door de spellingswijzigingen van de afgelopen tijd, zullen
docenten niet altijd correct spellen. Deze leden wijzen op het gevaar dat
leerlingen bij bepaalde vakken taalfouten als gewoon gaan beschouwen,
terwijl deze bij het vak Nederlands juist worden afgeleerd. De leden willen
weten wat de regering doet om de taalvaardigheid van alle docenten
verder op niveau te brengen.
Rekentoets voortgezet onderwijs
De leden van de CDA-fractie hechten aan de integrale verantwoordelijk-
heid van alle docenten bij het verhogen van het kennisniveau van taal en
rekenen. De discussie over referentieniveaus is begonnen met rekenen en
taal en is in de praktijk verworden tot alleen Nederlands en wiskunde. Dat
is in de ogen van deze leden een ongewenste ontwikkeling.
In dat kader is het opvallend dat in het voortgezet onderwijs een nieuw
vak lijkt te worden geïntroduceerd, het vak rekenen. Ook komt er een extra
zelfstandig examenonderdeel, de rekentoets. De argumentatie hiervoor is
gelegen in de verschillende inhoud van het vak wiskunde en de inhoud
van de referentieniveaus voor rekenen. De leden menen dat het verbe-
teren van het niveau van het rekenen niet alleen de verantwoordelijkheid
van de docenten wiskunde mag zijn: het moet integraal worden opgepakt.
Waarom is voor een aparte rekentoets gekozen, zo vragen deze leden.
Waarom is voor taal niet een aparte toets in het leven geroepen? Waarom
moet de toets aan het einde van de opleiding worden gedaan als het
kennisniveau al aan het einde van het tweede jaar is bereikt? De leden
vrezen dat deze extra tijd die aan taal en rekenen gaat worden besteed,
ten koste zal gaan van tijd die aan overige vakken kan worden besteed.
Wat is de mening van de regering? Kan ook een toelichting worden
gegeven op de zak/slaagregeling? Is het mogelijk alleen te zakken op de
rekentoets? Hoe zit het met de leerlingen die in het kader van de basisbe-
roepsgerichte leerweg vier dagen werken en één dag op school zijn?
Moeten zij op deze ene dag op rekenen en taal worden bijgespijkerd, blijft
er dan genoeg tijd over voor andere vakken op die dag, zo vragen de
leden.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het voortgezet onderwijs
alle leerlingen het vak Nederlands volgen, maar niet alle leerlingen volgen
rekenen/wiskunde. De leden vragen hoe de rekentoets te zijner tijd moet
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 10
gaan meewegen bij de zak/slaagregeling. Eerder werd bepaald dat er voor
de vakken Nederlands, Engels en wiskunde maximaal één onvoldoende
mag worden behaald. Nu zou men zich kunnen afvragen of een leerling
die slaagt met een (zware) onvoldoende voor de rekentoets zinvol aan de
pabo kan beginnen. Kunnen bepaalde vervolgopleidingen eventueel ook
een voldoende resultaat voor de rekentoets hanteren als toelatingseis, zo
willen zij weten.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil overwegen de
rekentoets alleen te verplichten voor die leerlingen waarvan geconsta-
teerd kan worden dat zij in hun vervolgopleiding baat hebben bij een
goede rekenbasis. Deze leden zijn van mening dat voor veel leerlingen
een rekentoets geen absolute noodzaak is wanneer gebleken is dat zij in
het verleden het vereiste minimumniveau wel hebben behaald. Zij vragen
of de regering het belang van rekenen voor de maatschappelijke partici-
patie van veel leerlingen niet overschat.
Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de wet is een voorziening
getroffen om eventueel per AMvB diagnostisch toetsen als werkmethode
te gaan hanteren. De regering is tot nu toe afhoudend om deze werkme-
thode dwingend op te leggen. De leden van deze fractie ondersteunen die
voorzichtigheid, zeker gezien het eerder genoemde onderscheid in verant-
woordelijkheden tussen het hoe (bij de onderwijsinstelling) en het wat (bij
de overheid). Om die reden willen deze leden weten waarom deze wette-
lijke voorziening reeds nu in de wet is opgenomen. Is het niet aan de
onderwijsinstellingen zelf om te bepalen welke instrumenten zij gebruiken
voor het behalen van de verlangde referentieniveaus, zo vragen de leden.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het onderscheid tussen
«hoe» en «wat» en de discussie erover inmiddels behoorlijk zijn vervaagd.
Deze leden hebben tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Goed
onderwijs, goed bestuur uitgebreid aangegeven dat de regering met het
verheffen van leerresultaten tot deugdelijkheidseisen voor het eerst slui-
penderwijs de invulling van het begrip deugdelijkheidseis heeft gewijzigd.
Verbaasd zijn deze leden nu vooral dat de regering aangeeft zich in de
toekomst mogelijk zelfs expliciet bezig te gaan houden met didactiek en
dat zij daarvoor nu al de nodige bevoegdheden wil creëren1. Deze leden
vragen de regering af te zien van de mogelijke verleiding zich in te laten
met didactiek, zoals die in de vorm van een bevoegdheid ten aanzien van
diagnostische toetsen is voorgesteld.
2.4.4 Middelbaar beroepsonderwijs
De leden van de CDA-fractie stemmen in met de op het onderwijsniveaus
bepaalde referentieniveaus. Dat sluit beter aan bij de praktijk en mogelijk-
heden van de leerlingen dan een op leeftijd gebaseerd systeem. Ofschoon
in de memorie van toelichting wordt gesproken over het hbo, blijkt dat dit
uitsluitend betrekking heeft op de lerarenopleiding. Waarom wordt voor
het mbo wel de kennis van taal en rekenen apart getoetst en wordt deze
verplichting voor het hbo en wo niet opgelegd. De leden van voornoemde
fractie menen dat ook daar nog een kwaliteitsslag gemaakt kan worden.
De leden van de PvdA-fractie vinden het niet per se nodig dat in het mbo
examens maar op één moment in het jaar mogen worden gemaakt en zij
maken daarom een onderscheid tussen centrale en gestandaardiseerde
examens. Deelt de regering de mening dat voor Nederlands wel gestan-
daardiseerde examens, maar niet centrale examens wenselijk zijn?
Het College van Examens was tegen een geheel centraal examen rekenen
1
Kamerstuk 32 290, nr. 4, p. 10. in het mbo. Kan de regering uitleggen welke bezwaren dit college precies
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 11
had en waarom deze bezwaren haar niet overtuigde? Het Examenbesluit
beroepsopleiding WEB1 heeft uitsluitend betrekking op mbo-4-
opleidingen. Wanneer, zo vragen de leden, volgt er een dergelijk besluit
voor de mbo-2en mbo-3-opleidingen?
2.5 Balans tussen ambitie en haalbaarheid; implementatie
De leden van de CDA-fractie merken op dat voor het speciaal (basis)onder-
wijs geldt maatwerk bij de beantwoording van de vraag of het referentie-
niveau 1F als uitgangspunt moet worden gehanteerd. De leden zouden
graag willen weten wie de maatwerkbehandeling bepaalt: de school, het
indicatie-orgaan, de ouders of nog anderen? Ook vragen deze leden hoe
dat zal gaan in het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en het niveau
2F, zeker nu het Cito heeft aangegeven dat slechts 13% van de vmbo-bb-
leerlingen2 het referentieniveau rekenen haalt en slechts 21% niveau 2F
van taal behaalt. Zijn er mogelijkheden om voor rekenen of taal een hoger
of lager niveau dan het referentieniveau passend bij het onderwijsniveau
te behalen? Gaarne zien de leden ook nog een uitgebreidere toelichting op
de vermeende effecten van de twee referentieniveaus voor vroegselectie.
Wordt er ook naar toe gewerkt dat kinderen van het fundamentele niveau
naar het streefniveau doorgroeien? Werkt het hanteren van twee niveaus
niet stigmatiserend, ook in de visie van de leerkracht richting het kind, zo
vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie onderkennen dat basisschoolleerlingen
onderling verschillen in hun capaciteiten, maar zij willen dat iedere school
uit elke leerling het beste haalt. Recht doen aan hun verscheidenheid is
daarom iets anders dan «vrijheid-blijheid», «u vraagt, wij draaien» of
«voor elk wat wils». Daarom hechten de leden eraan dat er maatwerkpro-
gramma’s komen niet alleen voor leerlingen voor wie het fundamentele
niveau te hoog gegrepen is, maar ook voor leerlingen voor wie het streef-
niveau eigenlijk al te makkelijk is. Hoe staat de regering tegenover deze
gedachte, willen deze leden weten.
Het fundamentele niveau 2F is in het wetsvoorstel bedoeld als eindniveau
voor vmbo bb/kb3 en mbo 1/2. Dat mag echter niet betekenen dat leer-
lingen op mbo 1/2 na het vmbo bb/kb op het gebied van rekenen en taal
na het vmbo niets meer doen aan rekenen en taal. Er bestaan ook op
mbo-3-niveau leerlingen die willen doorstromen naar mbo-4. Kan de
regering uitleggen wat er gaat worden geregeld voor de referentieniveaus
voor mbo-3?
De leden merken op dat voor leerlingen met dyslexie in het voortgezet
onderwijs een regeling bestaat dat zij wel extra tijd krijgen bij de examine-
ring, maar dat zij niettemin aan dezelfde eisen moeten voldoen. Kan de
regering toelichten of het haar bedoeling is dat ook leerlingen met dyscal-
culie aan dezelfde eisen moeten voldoen? In hoeverre voorspelt een
onvoldoende resultaat voor de rekentoets ten gevolge van dyscalculie dat
ook de succeskansen in het vervolgonderwijs te zeer beperkt zijn? Is de
regering het met de leden eens dat ook voor de leerlingen met dyscalculie
de ambitie hoog moet worden gehouden?
De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de implementatie van
de voorliggende wet. De referentieniveaus zullen worden vastgelegd in
een Algemene Maatregel van Bestuur. De leden vragen waarom er voor
dit traject gekozen is. Het gevaar dreigt dat op den duur blijkt dat het
systeem van referentieniveaus niet aansluit bij de behoeften van het
onderwijs, maar dat het wel wordt verankerd in de wet. Zijn er genoeg
mogelijkheden om de referentieniveaus op een later moment bij te
1 stellen, zo vragen zij.
Wet educatie en beroepsopleiding.
2
Basisberoepsgerichte leerweg. De leden wijzen op de passage in de memorie van toelichting waarin
3
Kaderberoepsgerichte leerweg. wordt vermeld dat de in de examenprogramma’s opgenomen referentieni-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 12
veaus worden vertaald naar examenopgaven en toetsen. De examenma-
kers zijn derhalve verplicht aan de vragen en opgaven zodanig invulling te
geven dat deze inzicht geven of de leerling het desbetreffende referentie-
niveau minimaal beheerst. Is het oordeel van docenten over deze opzet
gemeten? Zo ja, wat is hier de uitkomst van, zo willen deze leden weten.
De leden maken zich zorgen over de hoge werkdruk in het onderwijs. In de
memorie van toelichting staat dat in het basisonderwijs leerlingen zitten
met verschillende cognitieve capaciteiten. Niet alle leerlingen zullen het
streefniveau halen. Verder staat dat leraren iedere leerling een onderwijs-
aanbod aanbieden dat past bij zijn capaciteiten. Gegevens over het
behaalde eindniveau worden in het basisonderwijs door scholen toege-
voegd aan het onderwijskundig rapport. In hoeverre zullen de referentieni-
veaus en het individuele karakter daarvan, leiden tot extra werk voor
leraren? Is er sprake van meer bureaucratie omdat scholen gedwongen
worden meer gegevens te verzamelen? Welke maatregelen neemt de
regering om de eventuele toename aan bureaucratie als gevolg van de
invoering van de referentieniveaus in te dammen? Welke ruimte hebben
scholen binnen het huidige programma voor de implementatie van de
referentieniveaus?
Voorts verwijzen de leden naar het advies van de Raad van State bij dit
wetsvoorstel. De Raad constateert dat door te werken met twee referentie-
niveaus, minder presterende scholen zouden kunnen volstaan met het
aanbieden van het basisniveau. Deelt de regering deze mening? En is de
regering van mening dat scholen en leraren in staat zouden moeten zijn
om alle leerlingen genoeg aandacht te geven zodat zij het streefniveau
halen, zo vragen deze leden.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de haalbaarheid
van referentieniveaus voor leerlingen van verschillende onderwijssoorten.
Zo heeft het Cito laten weten dat 13% van de vmbo-bb leerlingen het
referentieniveau rekenen haalt. Enerzijds kan dat wijzen op de noodzaak
voor het verbeteren van de prestaties, anderzijds kan het effect ook zijn
dat de lat nog te hoog ligt. Hoe beoordeelt de regering dit percentage, zo
willen de leden weten. De leden vragen voorts op welke manier rekening
wordt gehouden met leerlingen met dyslexie of cijferblindheid.
2.6 Verhouding tot vrijheid van onderwijs
De leden van de ChristenUnie-fractie erkennen dat nu al bij de meeste
basisscholen een Cito-toets wordt afgenomen en dat een onderwijskundig
rapport moet worden opgesteld. De regering laat weten dat de referentie-
niveaus nieuwe examenstof oplevert en daarmee een geringe beperking
van de vrijheid van inrichting opwerpt. De leden wijzen op het gegeven
dat ook de lesstof mogelijk aan verandering onderhevig is door het stellen
van referentiekaders. Welke beperking aan de vrijheid van inrichting levert
dit op? In hoeverre zijn deze beperkingen noodzakelijk en evenredig, zo
vragen de leden.
3. ADMINISTRATIEVE LASTEN
De leden van de CDA-fractie merken op dat in de afgelopen periode stevig
geïnvesteerd is in de verbetering van taal- en rekenvaardigheden. Via
aparte projecten vanuit de kwaliteitsagenda’s po en vo hebben scholen
aanvragen kunnen indienen voor het uitvoeren van deze projecten. In de
praktijk blijkt dat scholen steeds terughoudender worden om deel te
nemen aan dergelijke projecten, vanwege de hoge administratieve lasten
en hoge kosten die gemaakt moeten worden voor de verantwoording en
begeleiding. De leden vragen daarom of deze middelen niet beter recht-
streeks via de lumpsum aan de scholen aangeboden kunnen worden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 13
4. ADVIES ONDERWIJSRAAD
De leden van de CDA-fractie vragen een reactie op de 75% van de leer-
lingen die nu in 2F staat en de 90% die de Onderwijsraad bepleit.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Onderwijsraad vindt dat er
vanuit moet worden gegaan dat niet 75% maar 90 tot 95% van de leer-
lingen (dus bijna alle leerlingen) een bepaald minimumniveau zou moeten
kunnen bereiken. Anders zou dreigen dat scholen een substantiële groep
leerlingen uitsluiten. De leden v vragen of de regering deze analyse deelt
en welke ambitie zij heeft om de komende tijd het percentage te
verhogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen aandacht voor de door de
Onderwijsraad geschetste mogelijkheid dat vo-scholen het behalen van de
referentieniveaus als toelatings- of weigeringsgrond gaan gebruiken.
Hoewel het kabinet stelt dat dit wettelijk niet mogelijk is, zal het in de
praktijk wel kunnen voorkomen. Welke inschatting heeft het kabinet? Hoe
wordt voorkomen dat de geschiktheid van een leerling wordt beperkt tot
de score op referentieniveau?
II ARTIKELSGEWIJS
Artikel 3
De leden van de SGP-fractie vragen een nadere toelichting en uitwerking
van de gebezigde term «uitgangspunt» ten aanzien van de referentieni-
veaus. Zij brengen onder de aandacht dat er in het kader van de imple-
mentatie van de canon een verwarrende discussie is ontstaan over de
interpretatie van gebezigde begrippen als uitgangspunt en inspiratiebron.
Deze leden vragen in hoeverre scholen ruimte hebben om af te wijken in
de inrichting van het onderwijs en de mate waarin de referentieniveaus
expliciet aanwezig zijn.
De leden vragen ook welke status de referentieniveaus krijgen in het
toezicht door de onderwijsinspectie. Zij vragen of deze status te verge-
lijken is met de kwaliteitsaspecten uit de Wet op het onderwijstoezicht
(WOT). Indien dat het geval is, vragen zij tevens waarom dit toezicht niet
expliciet in de WOT wordt verankerd gezien de waarde die eraan wordt
toegekend.
De voorzitter van de commissie,
Van Bochove
Adjunct-griffier van de commissie,
Boeve
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 290, nr. 5 14