Tekst
TWEEDE KAMER DER STATEN- 2
GENERAAL
Vergaderjaar 2009-2010
32 454 Wijziging van een aantal wetten ter invoering van de van rechtswege
verleende vergunning (Verzamelwet van rechtswege verleende
vergunning)
Nr. 3 Memorie van toelichting
ALGEMEEN
1. Inleiding
Het wetsvoorstel strekt tot invoering van de van rechtswege verleende vergunning (ook wel aangeduid
als lex silencio positivo) in diverse wetten. Het wetsvoorstel vormt de uitwerking van het
kabinetsstandpunt lex silencio van 18 december 2007 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 515, nr. 224)
en de motie Van Dijk c.s., (Kamerstukken II, 31 579, nr. 18). In het kabinetsstandpunt is gesteld dat
het kabinet tijdige besluitvorming op vergunningaanvragen wil bevorderen. De van rechtswege
verleende vergunning is één van de middelen waarmee dit kan. De van rechtswege verleende
vergunning houdt in dat de overschrijding van een beslistermijn door een bestuursorgaan van
rechtswege leidt tot een positieve beslissing op de vergunningaanvraag. In paragraaf 2 van deze
toelichting wordt nader ingegaan op de figuur van de stilzwijgende vergunningverlening. Indien hierna
sprake is van aanvragen van een vergunning kan daarmee ook worden bedoeld het geven van
toestemming, het doen van een aanwijzing, het toestaan van een vrijstelling, het verlenen van
ontheffing enz.
In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, met de in december 2009 in werking getreden
Dienstenwet, een algemene regeling voor de van rechtswege verleende vergunning opgenomen. Het
thans voorliggende wetsvoorstel sluit aan bij de regeling in de Awb. In verschillende wetten wordt de
regeling van de van rechtswege verleende vergunning in de Awb van toepassing verklaard.
Om tot een selectie te komen van de vergunningstelsels in wetten waar de van rechtswege verleende
vergunning wordt ingevoerd, zijn de vergunningstelsels doorgelicht. Bij elk van deze stelsels is
gekeken of de van rechtswege verleende vergunning daadwerkelijk wordt ingevoerd, of dat andere
maatregelen de voorkeur hebben. In een aantal gevallen is besloten de van rechtswege verleende
vergunning niet in te voeren omdat sprake is van een lopend wetgevingstraject, er sprake is van
specifieke maatschappelijke risico’s of omdat vergunningen reeds per ommegaande of binnen zeer
korte tijd worden verleend. Voor een overzicht van deze stelsels en nadere informatie over het
onderzoek en de selectie, wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Economische
Zaken van 3 december 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 515, nr. 274).
In aanvulling op het voornoemde onderzoek heeft de Tweede Kamer via de motie van Dijk c.s.
(Kamerstukken II, 31 579, nr. 18) het kabinet verzocht opnieuw te bekijken of er extra mogelijkheden
zijn voor de invoering van LSP bovenop de resultaten genoemd in de brief van de Staatssecretaris van
Economische Zaken.
Uitgangspunt voor de heroverweging waren de ruim 500 vergunningstelsels waarvoor het kabinet in de
brief van 3 december 2008 op basis van een rapport van de B&A-groep had geconcludeerd dat
toepassing van de LSP juridisch-technisch onmogelijk was en die buiten de Dienstenwet vallen.
Het kabinet geeft met het oog op de gewenste vermindering van de regeldruk de voorkeur aan het laten
vervallen van een vergunningstelsel of het omzetten in algemene regels met eventueel een
meldingsplicht, boven het in stand houden van een vergunningstelsel met de invoering van lex silencio
positivo. Daarom heeft heroverweging zich niet beperkt tot de mogelijkheden voor toepassing van
LSP, maar is ook bekeken of de vergunningstelsels alsnog konden worden afgeschaft of omgezet in
algemene regels.
Bij de heroverweging is zoveel mogelijk ruimte gelaten voor toepassing van LSP door alleen de
volgende harde criteria als kader te hanteren:
· Geen LSP als Europese regelgeving, internationale regelgeving en verdragen hieraan in de weg
staan.
· Geen LSP als voor een vergunningsstelsel een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op
grond van de Awb moet worden gevolgd.
Deze verzamelwet bevat een deel van de uit voornoemde doorlichtingen voortvloeiende
vergunningstelsels waarbij de van rechtswege verleende vergunning wordt ingevoerd. Via de
Aanpassingswet dienstenrichtlijn (Kamerstukken II, 31 859, nr. 2) worden vier vergunningstelsels
aangepast. Ook via departementale wetgeving is of wordt op een aantal terreinen de van rechtswege
verleende vergunning ingevoerd. In het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt inhoudelijk
ingegaan op de wijzigingen van de vergunningstelsels.
2. De van rechtswege verleende vergunning
De figuur van de van rechtswege verleende vergunning is geregeld in paragraaf 4.1.3.3 in afdeling
4.1.3 van de Awb. Afdeling 4.1.3 heeft betrekking op de beslistermijn. In paragraaf 4.1.3.1 worden
algemene bepalingen gegeven over beslistermijnen en in paragraaf 4.1.3.2 worden bepalingen gegeven
over de verbeurte van dwangsommen bij niet tijdig beslissen. Een beschikking die van rechtswege
wordt verleend voldoet op een aantal punten niet aan de Awb. Zo zal deze beschikking in strijd met
hetgeen in afdeling 3.7 is bepaald, niet zijn gemotiveerd. Ook kan de van rechtswege verleende
beschikking in strijd zijn met artikel 3:2. In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de nodige
kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Denkbaar is overigens ook dat
zich de situatie voordoet dat de voorbereiding van het besluit al wel in zijn geheel is afgerond, maar
dat het besluit nog niet is ondertekend op het moment waarop de beslistermijn verstrijkt. In dat geval
kan redelijkerwijs niet worden volgehouden dat het bestuursorgaan zijn onderzoeksplicht niet of niet
volledig heeft nageleefd (vgl. ABRvS 4 maart 1996, AB 1996, 320, m.nt. PvB). Ook is denkbaar dat
een beschikking van rechtswege een stelsel van dwingend geformuleerde weigeringsgronden
doorkruist. Hierbij kan worden gedacht aan een van rechtswege verleende bouwvergunning die instrijd
is met een of meer eisen die het Bouwbesluit stelt. Het enkele feit dat de vergunning in strijd zalzijn
met het Bouwbesluit, staat er niet aan in de weg dat de bouwvergunning van rechtswege ontstaatindien
het bestuursorgaan niet tijdig een beslissing op de aanvraag heeft genomen. Wel kan eendergelijk
besluit op grondslag van een ontvankelijk bezwaar worden gewijzigd of herroepen (vgl.ABRvS 29
december 2004, AB 2005, 199, m.nt. TN).
Wanneer paragraaf 4.1.3.3 van toepassing is verklaard, is een beschikking van rechtswege verleend
indien het bestuursorgaan niet tijdig op een aanvraag tot het geven van een beschikking beslist. De
rechtsgevolgen verbonden aan een van rechtswege verleende beschikking treden in werking drie dagen
nadat de beslistermijn ongebruikt is verstreken. Het bestuursorgaan is verplicht om de beschikking
binnen twee weken nadat zij van rechtswege is verleend, bekend te maken en daarbij te vermelden dat
de beschikking van rechtswege is verleend. Wanneer het bestuursorgaan nalaat de van rechtswege
verleende beschikking bekend te maken, kan de aanvrager het bestuursorgaan in gebreke stellen. Gaat
het bestuursorgaan dan binnen twee weken nog niet over tot bekendmaking, dan verbeurt het een
dwangsom per dag dat het in gebreke is. De dwangsom loopt op van 20 euro op de eerste dag tot 40
euro per dag, met een maximum van 1260 euro. Ook kan de aanvrager op grond van artikel 8:55f
beroep instellen bij de bestuursrechter tegen het niet tijdig bekendmaken van de beschikking. Afdeling
8.2.4a is op dit beroep van overeenkomstige toepassing en er hoeft niet eerst bezwaar te worden
gemaakt (zie artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e Awb). De rechter behandelt het beroep in
beginsel met toepassing van artikel 8:54 Awb, dus zonder zitting. Hij doet binnen acht weken
uitspraak en bepaalt daarbij dat het bestuursorgaan de van rechtswege verleende beschikking alsnog
bekendmaakt. De rechter kan op grond van artikel 8:55d, derde lid, de termijn bepalen. Dat dit een
korte termijn kan zijn, spreekt voor zich. Het bestuursorgaan hoeft immers geen besluit meer te nemen.
Het gaat enkel om de bekendmaking en de mededeling van de beschikking.
Een van rechtswege verleend besluit geldt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Het stelsel van
rechtsbescherming van de Awb is op van rechtswege verleende besluiten dan ook op dezelfde wijze
van toepassing als op reële besluiten. Dit betekent dat tegen een van rechtswege verleend besluit
gewoon bezwaar kan worden gemaakt. Zo nodig kan na het volgen van de bezwaarschriftprocedure
beroep worden ingesteld bij de rechtbank en hoger beroep bij de bevoegde hoogste bestuursrechter.
Voor derdebelanghebbenden zal soms gelden dat zij later, soms zelfs na afloop van de beroepstermijn,
op de hoogte geraken van het bestaan van de van rechtswege verleende vergunning. Hier kan artikel
6:11 Awb in een voorkomend geval echter soelaas bieden. In bezwaar dient het bestreden besluit
volledig te worden heroverwogen. Deze heroverweging kan tot gevolg hebben dat een aanvankelijk
van rechtswege verleend besluit wordt herroepen of gewijzigd (artikel 4.20f, eerste lid, Awb). Een
dergelijk besluit dient te worden beschouwd als een reëel doch nietig besluit omdat het nemen van
reële besluiten na het verstreken zijn van de beslistermijn, niet meer is toegestaan (zie bijv. ABRvS 13
april 2004, JB 2005, 167, m.nt. RvD, ABRvS 4 maart 1996, AB 1996, 320, m.nt. PvB, ABRvS 7
februari 1997, AB 1997, 154, m.nt. PvB). Indien de bestuursrechter de van rechtswege genomen
beschikking geheel of ten dele vernietigt, moet het bestuursorgaan – behoudens voor zover de
bestuursrechter zelf in de zaak voorziet – een nieuw besluit nemen. Het niet nakomen van de
verplichting om een nieuw besluit te nemen leidt niet overeenkomstig paragraaf 4.1.3.3. tot een van
rechtswege verleend besluit (vgl. ABRvS 23 februari 2005, JB 2005, 103).
3. Verhouding tussen de van rechtswege verleende vergunning en de dwangsom bij niet tijdig
beslissen
In paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is geregeld in welke gevallen een bestuursorgaan een dwangsom
verbeurt indien het niet tijdig een besluit neemt. Artikel 4.20a van paragraaf 4.1.3.2 bevat in het
tweede lid een regeling ten aanzien van de samenloop met de van rechtswege verleende vergunning
die in paragraaf 4.1.3.3 geregeld wordt. In het tweede lid van artikel 4.20a is bepaald dat paragraaf
4.1.3.2 niet van toepassing is indien sprake is van een van rechtswege verleende vergunning. De reden
om de toepassing van paragraaf 4.1.3.3 uit te zonderen, is dat een van rechtswege verleende
vergunning aangemerkt wordt als een besluit. In dat geval is er formeel geen sprake van niet tijdig
beslissen. De beslistermijn is in dat geval van rechtswege gehaald.
Nadat een vergunning op grond van paragraaf 4.1.3.3 van rechtswege is verleend, is het
bestuursorgaan gehouden het verlenen van de vergunning tijdig bekend te maken. De termijn voor het
bekendmaken is twee weken. Indien het bestuursorgaan dit niet binnen twee weken doet, kan de
aanvrager het bestuursorgaan in gebreke stellen. Gaat het bestuursorgaan dan binnen twee weken nog
niet over tot bekendmaking, dan verbeurt het een dwangsom per dag dat het in gebreke is op grond van
artikel 4:20d overeenkomstig de regeling in artikel 4:17 van paragraaf 4.1.3.2.
4. Beslistermijnen
In het navolgende wordt kort ingegaan op de beslistermijnen bij de van rechtswege verleende
vergunning. Op grond van artikel 4:13 Awb wordt van de overheid een beschikking gevraagd binnen
de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een
redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid van dit artikel is geregeld dat
bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving heeft gedaandat
een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven.Voor de
toepassing van de van rechtswege verleende vergunning is het wenselijk dat de beslistermijnzo
duidelijk mogelijk is, dat wil zeggen bij wettelijk voorschrift wordt bepaald. Voor een aantalgevallen
waarop dit wetsvoorstel ziet, is de beslistermijn niet bij specifiek wettelijk voorschrift bepaalden is dus
de redelijke termijn uit artikel 4:13 Awb van toepassing. Zo is met ingang van 1 januari 2008de
algemene beslistermijn van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervallen en is
daardoor artikel 4:13 Awb voor fiscale vergunningen van toepassing geworden.
5. Consultatiereacties
Bij dit wetsvoorstel zijn reacties ontvangen van het College van Toezicht op de Kansspelen, de NVvR,
de Raad voor de rechtspraak en de VNG. Het wetsvoorstel is ook via internetconsultatie openbaar
gemaakt. Daarop is één reactie ontvangen. In het navolgende wordt op hoofdlijnen ingegaan op de
consultatiereacties.
College van Toezicht Kansspelen en VNG
Het College van toezicht op de kansspelen en de VNG hebben vraagtekens geplaatst bij de invoering
van de LSP op speelautomaten, die volgens het College de meest riskante kansspelen zijn.
Speelautomaten behoren, samen met de casinospelen, inderdaad tot de meest riskante kansspelen.
Maar de beslissing om wel of niet LSP in te voeren, wordt genomen per vergunningstelsel. En ook
binnen de speelautomatentitel bestaan er riskante en minder riskante vergunningsstelsels. De
aanwezigheidsvergunning voor speelhallen is een voorbeeld van een riskante vergunning waar LSP
niet op zijn plaats is; een speelhal is immers een grootschalige inrichting met soms honderden
automaten. De aanwezigheidsvergunning voor hoogdrempelige inrichtingen daarentegen is een
voorbeeld van een minder riskante vergunning waar LSP mogelijk is; het gaat immers slechts om twee
speelautomaten in een cafe of restaurant.
Het College merkt op dat artikel 3 van de Wet op de kansspelen (Wok) het begrip incidenteel kansspel
niet kent. Naar de opvatting van het College zou een semi-permanente vergunning voor een loterij van
rechtswege kunnen ontstaan indien het bestuursorgaan niet tijdig een beslissing op de aanvraag heeft
genomen.
Op grond van artikel 3 kan een vergunning worden aangevraagd voor het organiseren van een
kansspel. Nadere regels zijn gesteld in het Kansspelenbesluit. Uit het Kansspelenbesluit kan worden
afgeleid dat de artikel 3-vergunningen zien op loterijen.
Nederland kent vier semi-permanente vergunningen voor loterijen. Het aantal semi-permanente
vergunningen voor loterijen wordt niet uitgebreid. Wel worden door de Minister van Justitie
vergunningen voor een incidentele loterij verleend. Hiervoor zijn de Beleidsregels incidentele
kansspelen en prijsvragen opgesteld (Stcrt. 2007, nr. 128). Hierin is onder meer vastgelegd dat de
vergunningen voor een incidentele loterij een maximale looptijd van zes maanden hebben.
Het is juist dat de Wok de begrippen semi-permanente vergunning of vergunning voor een incidenteel
kansspel niet kent. Gezien het vaste beleid het aantal semi-permanente vergunningen voor goede
doelenloterijen niet uit te breiden en de beleidsregels, is het niet waarschijnlijk dat een semi-
permanente vergunning voor een loterij van rechtswege zou ontstaan indien het bestuursorgaan niet
tijdig een beslissing op de aanvraag heeft genomen.
De Nederlandse Vereniging voor rechtspraak
De NVvR heeft een advies uitgebracht met daarin een aantal suggesties voor de memorie van
toelichting. In het advies merkt de NVvR op dat een van rechtswege verleende vergunning niet op alle
punten aan de op grond van het bestuursrecht geldende eisen voldoet en dat bij een eventuele
vernietiging van de vergunning een gehoudenheid tot schadevergoeding kan ontstaan. In het algemeen
deel van de toelichting bij dit wetsvoorstel is gesteld dat een van rechtswege verleende vergunning niet
aan alle eisen van de Awb voldoet. Daaruit volgt dat de vergunning vernietigd kan worden en dat de
rechter tot het oordeel kan komen dat schadevergoeding op zijn plaats is.
De NVvR merkt voorts op dat bij de van rechtswege verleende vergunning de kans bestaat dat derde
belanghebbenden geconfronteerd worden met niet gepubliceerde besluiten. Uitgangspunt is dat
bestuursorganen besluiten tijdig bekend maken. Bij de van rechtswege verleende vergunning zal voor
derdebelanghebbenden soms gelden dat zij later, soms zelfs na afloop van de beroepstermijn, op de
hoogte geraken van het bestaan van de van rechtswege verleende vergunning. Hier kan artikel 6:11
Awb in een voorkomend geval echter soelaas bieden.
In de laatste alinea van paragraaf I.2 van de memorie van toelichting werd gesteld dat het bestuur niet
uit eigen beweging mag overgaan tot herroeping van het van rechtswege genomen besluit. De NVvR
merkt op dat deze stelling in strijd is met artikel 4:20f, eerste lid, van de Awb. De toelichting is op dit
punt aangepast.
De NVvR stelt voorts de wenselijkheid aan de orde van het invoeren van de figuur van de van
rechtswege verleende vergunning bij het opgraven van een lijk. Dit laatste punt is ook opgenomen in
het advies van de VNG. Bij de bespreking van de consultatiereactie van de VNG wordt inhoudelijk op
dit punt ingegaan.
Raad voor de rechtspraak
De Raad heeft een beknopt advies uitgebracht met daarin opgenomen een paar suggesties voor de
memorie van toelichting. Deze suggesties zijn waar mogelijk overgenomen. De Raad stelt voorts dat
het de verwachting is dat de werklast die uit dit wetsvoorstel volgt voor de gerechten minimaal zal
zijn.
De VNG
De VNG merkt in het advies op dat de betrokkenheid van gemeenten bij de in dit wetsvoorstel
opgenomen vergunningen beperkt is. Op twee punten reageert de VNG inhoudelijk. De opmerking van
de VNG over de kansspelautomaten is reeds bij het College van Toezicht Kansspelen aan de orde
gekomen. Daarnaast heeft de VNG twijfels over de doelmatigheid en de wenselijkheid van de
toepassing van lex silencio op artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging (vergunning burgemeester
voor opgraving stoffelijk overschot).
Voor het opgraven van een lijk is een vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het lijk
is begraven vereist (artikel 29, eerste lid). Nu de Wet op de lijkbezorging geen termijn noemt, is de
redelijke termijn in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De redelijke
termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling heeft gedaan wanneer de beschikking
tegemoet kan worden gezien. Naar verwachting zal een vergunningverlening van rechtswege zich in
dit kader niet voordoen, aangezien deze vergunningen doorgaans binnen zeer korte termijn worden
verleend, aldus ook de VNG.
Omdat de gevolgen van het verstrekken van de vergunning onomkeerbaar zijn, moet de burgemeester
in alle gevallen voldoende ruimte hebben een zorgvuldige afweging van belangen te maken (daaronder
begrepen het vragen van advies aan de beheerder van de begraafplaats), alvorens te beslissen of de
vergunning wordt verleend, en, zo dat het geval is, beslissen welke voorschriften hij daaraan verbindt.
Daarbij gaat het om voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming
van het lijk (artikel 29, tweede lid). Daarnaast moet ook de bescherming van de gezondheid van
degenen die de werkzaamheden uitvoeren bij de belangenafweging worden betrokken. Om
voornoemde redenen wordt bij nader inzien afgezien van de toepassing van lex silencio op dit
vergunningstelsel.
Internetconsultatie
In de internetconsultatie is de opmerking gemaakt of in het opschrift van het wetsvoorstel niet ook het
woord ontheffingen zou moeten voorkomen. Deze opmerking is niet overgenomen. In de toelichting is
namelijk reeds gesteld dat het begrip vergunning in dit wetsvoorstel mede de ontheffing bevat.
De gevolgen van het wetsvoorstel
6.1 Budgettaire aspecten
Dit wetsvoorstel heeft geen budgettaire effecten.
6.2 Uitvoeringstoets en uitvoeringskosten
Met betrekking tot de aanvragen en verzoeken op fiscaal terrein die overeenkomstig dit voorstel
kunnen leiden tot toekenning van rechtswege is de verwachting dat de termijn van acht weken ruim
genoeg is om de aanvragen en verzoeken op tijd af te doen. De uitvoeringstoets van de Belastingdienst
heeft laten zien dat de monitoring van de afhandeling van aanvragen en verzoeken kan plaatsvinden
volgens de normale procesbewaking. Overschrijding van de termijn zal alleen voorkomen in
exceptionele omstandigheden. Met het oog op dergelijke omstandigheden zal de procesbeschrijving
worden aangepast zodat bij eventuele overschrijding van termijnen, de procedures zoals
voorgeschreven in paragraaf 4.1.3.3 Awb correct zullen worden gevolgd.
Op fiscaal terrein gaat het om drie soorten vergunningen: de ontheffing elektronische aangifte voor
verschillende belastingen, enkele vrijstellingen met betrekking tot de autobelastingen en vijf
vergunningen op het terrein van de milieubelastingen.
De afhandeling van de ontheffing elektronische aangifte betreft een eenvoudig proces waarbij in 2008
circa 7000 ontheffingen werden afgegeven. Deze ontheffingen worden ruim binnen de termijn van
acht weken afgegeven.
De verlening van vrijstellingen met betrekking tot de autobelastingen (ca. 3000 gecombineerde
aanvragen) is bewerkelijker doordat een werkgeversverklaring of een kilometerregistratie vereist is.
Hier zal onder omstandigheden verlenging van de beslistermijn nodig zijn als de belastingplichtige niet
spoedig aan de voorwaarden voldoet.
De overige vergunningen betreffen de verschillende milieubelastingen en zijn veel minder talrijk. Zij
vergen wel onderzoek en feitenvaststelling maar blijken niettemin meestal binnen acht weken te
kunnen worden afgegeven. Indien dat niet mogelijk is, zal bij de monitoring van de processen er op
worden gelet dat de beslistermijn binnen acht weken wordt verlengd. In de voorgestelde wettekst is
aangegeven dat dergelijke verlengingen worden gemotiveerd.
De kosten van de mutaties in de procesinrichtingen zullen door de Belastingdienst binnen de huidige
kaders worden opgevangen. Dat geldt ook voor de pro memorie kosten van dwangsommen zoals
bedoeld in artikel 4:20d Awb.
Ook voor de overige vergunningen geldt dat de termijnen in het algemeen gehaald worden. Verder zijn
deze vergunningen niet talrijk. De kosten voor eventuele mutaties in procesinrichtingen zullen door de
betrokken instanties binnen de huidige kaders worden opgevangen.
6.3 Administratieve lasten
De toepasselijkheid van de LSP op een vergunningstelsel heeft geen vermindering van
informatieverplichtingen voor bedrijven en burgers tot gevolg voor zover het de vergunningaanvraag
zelf betreft. Per saldo is er enige reductie van de lasten te verwachten als gevolg van het feit dat in een
vergunningprocedure waar de LSP van toepassing is geen kosten hoeven te worden gemaakt in de
vorm van het instellen van beroep op grond van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen,
die sinds 1 oktober 2009 in werking getreden is, tegen eventueel niet tijdig beslissen. De toepassing
van de LSP zou mogelijk kunnen leiden tot een vergroting van het aantal bezwaren van
derdebelanghebbenden. Echter de lasten die het gevolg zijn van bezwaarprocedures zijn veel lager dan
die van de aanvraagprocedure van de vergunning zelf. De invoering van de LSP zou anderzijds ook
kunnen leiden tot een vermindering van het aantal gevallen waarin niet tijdig door het betrokken
bestuursorgaan wordt beslist, om zo stilzwijgende verlening van vergunningen te vermijden.
Uitgangspunt bij invoeren van de LSP is altijd geweest dat het beter is om een vergunningstelsel
geheel af te schaffen of te vervangen door een stelsel van algemene regels met eventueel een
meldingsplicht, dan om het vergunningstelsel in stand te houden met toepassing van de lex silencio
positivo. De Commissie Regeldruk Bedrijven heeft onderzocht of er in meldingsplichten omgezette
vergunningstelsels meldingsplichten zijn die door ondernemers als belastend worden ervaren. Bij de
Commissie zijn geen klachten over dergelijke meldingsplichten bekend.
Daarnaast is het toepassen van de LSP van belang voor de beleving van regeldruk door bedrijven en
burgers, doordat zaken makkelijker voor hen worden en omdat de LSP bijdraagt aan de kwaliteit en
betrouwbaarheid van de dienstverlening door de overheid en omdat het tijdige besluitvorming door de
overheid bevordert, zoals ook aangegeven in de voortgangsrapportage regeldruk bedrijven van 3
november 2008.1 Hiervoor is geen kwantitatieve meetmethodiek ontwikkeld, maar dit wordt wel
gemonitord, onder andere in de ‘Belevingsmonitor regeldruk bedrijven’.
1 Kamerstukken II 2008–2009, 29 515, nr. 269.
TOELICHTING PER ARTIKEL
Hoofdstuk 1. Ministerie van Economische Zaken
Artikel I (artikel 20 Mijnbouwwet)
De verplichting om de minister om schriftelijke toestemming te verzoeken bij de overdracht van de
opslagvergunning, kwalificeert als een vergunningstelsel in de zin van artikel 4 van de
dienstenrichtlijn en artikel 1 van het wetsvoorstel Dienstenwet. De vraag of de lex silencio positivo
zoals voorschreven door artikel 13, vierde lid, van de dienstenrichtlijn en geïmplementeerd door
middel van de algemene regeling in de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing moet
worden verklaard op dit vergunningstelsel, is vervolgens positief beantwoord (zie artikel VIII van het
wetsvoorstel Dienstenwet en de memorie van toelichting, Kamerstukken 2007-2008, TK 31 579, nr. 2
en nr. 3).
De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft bij brief van 3 december 2008 (Kamerstukken 2008-
2009, TK 29 515, nr. 274) reeds aangekondigd dat de lex silencio positivo eveneens onverkort van
toepassing zal worden verklaard op de toestemming voor de overdracht van opsporings- en
winningsvergunningen. Deze bepaling geeft aan deze aankondiging gevolg.
Artikel II (artikel 2 Prijzenwet)
De Minister van Economische Zaken kan op grond van artikel 2 van de Prijzenwet maatregelen
nemen, indien als gevolg van een zich plotseling voordoende noodsituatie van de economie sprake is
van een zodanig versnellende inflatie dat het nemen van een zodanige maatregel noodzakelijk is. De
minister kan bijvoorbeeld de prijzen van bepaalde producten of diensten maximaliseren of bepaalde
producten of diensten in het algemeen verbieden. In artikel 2b van de Prijzenwet is geregeld dat bij
algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld kunnen worden, bijvoorbeeld ten aanzien
van het bekend maken van de prijzen en het bekend maken van de prijzen per meeteenheid.
Ondernemers kunnen op grond van artikel 3 van de Prijzenwet de Minister van EZ om ontheffing
verzoeken van de verplichtingen krachtens de artikelen 2 en 2b.
Tegen de toepasselijkheid van de lex silencio positivo op deze ontheffingen bestaan geen dringende
redenen van algemeen belang. Die toepasselijkheid vloeit deels al voort uit (artikel 28 van het
wetsvoorstel voor) de Dienstenwet, voor die in de Prijzenwet geregelde onderwerpen die onder de
werkingssfeer van de Dienstenwet vallen. Die toepasselijkheid wordt nu voor alle ontheffingen
geregeld; voor alle duidelijkheid wordt dat in het betrokken artikel van de Prijzenwet zelf opgenomen.
Hoofdstuk 2. Ministerie van Financiën
Artikel III (artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:
AWR) is in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna:
URAWR) nader uitgewerkt voor welke belastingen en groepen van belastingplichtigen of
inhoudingsplichtigen de aangifte uitsluitend elektronisch kan worden gedaan. In het derde lid van
artikel 20 URAWR is op grond van de delegatiebepaling in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, AWR
uitwerking gegeven aan de mogelijkheid voor de inspecteur om al dan niet op verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking ontheffing te verlenen van de verplichting de aangifte langs elektronische
weg te doen als dit onredelijk bezwarend is voor de belastingplichtige. In de praktijk komt men alleen
voor ontheffing in aanmerking als de belastingplichtige of zijn fiscaal intermediair niet beschikt over
een computer (met internetverbinding). De ontheffing wordt per belastingsoort en per
burgerservicenummer (BSN) of (so)finummer vastgesteld. Als bijvoorbeeld ontheffing voor de
aangifte omzetbelasting, de aangifte vennootschapsbelasting en de aangifte loonheffingen wordt
gevraagd, moeten daarvoor aparte verzoeken worden ingediend. Hetzelfde geldt voor elk
BSN/(so)finummer waarvoor ontheffing wordt gevraagd. Voor de opgaaf intracommunautaire
leveringen en de eerstedagsmelding hoeft geen aparte ontheffing te worden aangevraagd. Een
ontheffing is een jaar geldig. Na de aanvraag duurt het maximaal acht weken voordat de
Belastingdienst een beschikking stuurt. Toepassing van de van rechtswege verleende vergunning geeft
de belastingplichtige extra zekerheid dat de Belastingdienst binnen deze termijn reageert.
Artikel IV (artikel 15 van de Wet belasting zware motorrijtuigen)
Op grond van artikel 15, onderdeel e, van de Wet belasting zware motorrijtuigen wordt vrijstelling van
belasting voor zware motorrijtuigen verleend voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over
een geringe afstand gebruik van de autosnelweg wordt gemaakt. De vrijstelling voor motorrijtuigen
waarmee geringe afstand over autosnelweg wordt gereden wordt door de inspecteur op verzoek
verleend. De inspecteur zal aan de hand van de omstandigheden per geval bepalen tot welk gebied of
tot welke route het gebruik van het motorrijtuig beperkt dient te zijn. Bij deze vrijstelling valt te
denken aan het met een motorrijtuig over de autosnelweg verplaatsen van goederen van het ene
fabrieks- of havencomplex naar het naburige andere. In artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit belasting
zware motorrijtuigen worden de voorwaarden waaronder de vrijstelling wordt verleend nader
uitgewerkt.
Aan artikel 15 Wet belasting zware motorrijtuigen wordt een lid toegevoegd, op grond waarvan
termijnoverschrijding bij de afhandeling van deze ontheffingsverzoeken stilzwijgende instemming met
deze verzoeken zal inhouden.
Artikel V (artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
Voor vijf specifieke verzoeken in de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: WBM) is besloten
dat toepassing van de van rechtswege verleende vergunning niet bezwaarlijk is. Voor deze verzoeken
in vier milieubelastingen is aan artikel 91 WBM een nieuw lid toegevoegd op grond waarvan
termijnoverschrijding bij de afhandeling van deze verzoeken stilzwijgende instemming met deze
verzoeken zal gaan inhouden. Gezien de geringe frequentie van de verzoeken mag worden verwacht
dat voor zover nodig de disciplinerende werking van de van rechtswege verleende vergunning zal
meebrengen dat de automatische instemming met de verzoeken in de praktijk zelden zal voorkomen.
Het gaat om de volgende verzoeken:
Grondwaterbelasting: In artikel 2, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op
milieugrondslag (hierna: UBM) is krachtens artikel 6, derde lid, WBM een regeling getroffen voor
situaties waarin om technische dan wel financiële redenen plaatsing van een watermeter niet in
redelijkheid kan worden gevergd en op een andere wijze tot een aanvaardbare vaststelling van het
onttrokken grondwater dan wel het geïnfiltreerde water moet worden gekomen. Op verzoek kan de
inspecteur onder nader te stellen voorwaarden toestaan dat plaatsing van watermeters dan achterwege
blijft.
Grondwaterbelasting: De houder van een inrichting bestemd tot het onttrekken van grondwater moet
dagelijks op een meetstaat aantekening houden van de hoeveelheden onttrokken grondwater en
geïnfiltreerd water, gespecificeerd naar meter en winningspunt. In artikel 3, derde lid, van de
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag is krachtens artikel 6, vierde lid, WBM erin
voorzien dat de inspecteur op verzoek van de houder van een dergelijke inrichting bij voor bezwaar
vatbare beschikking kan toestaan de hiervoor bedoelde aantekeningen anders in te richten dan wel de
hiervoor bedoelde hoeveelheden niet dagelijks aan te tekenen. De inspecteur kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden.
Afvalstoffenbelasting: Voor de afvalstoffenbelasting is in beginsel over alle afvalstoffen die aan een
afvalverwerkingsinrichting worden afgegeven, afvalstoffenbelasting verschuldigd maar in het geval de
(afval)stoffen de inrichting weer verlaten, kan op grond van de zogeheten in/uit-methode teruggaaf van
afvalstoffenbelasting worden verzocht. Er geldt daarbij een regeling waarmee op grond van een
verhoudingsgetal rekening kan worden gehouden met het feit dat afvalverwerkings-inrichtingen naast
stortactiviteiten ook bewerkings- en verwerkingsactiviteiten verrichten als gevolg waarvan
afvalstromen na de bewerking of verwerking de inrichting weer geheel of gedeeltelijk verlaten en met
het feit dat (afval)stoffen in sommige gevallen geruime tijd binnen de inrichting blijven alvorens zij de
inrichting weer verlaten. Deze regeling in artikel 11, tweede lid, UBM (krachtens artikel 27, tweede
lid, WBM) houdt in dat de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige kan toestaan dat
met betrekking tot een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom de totale hoeveelheid
afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid
voor verwijdering (storten) afgegeven afvalstoffen, waarover afvalstoffenbelasting moet worden
betaald. De inspecteur kan in de vergunning die hij hiertoe afgeeft voorwaarden stellen.
Kolenbelasting: Volgens artikel 18, eerste lid, UBM is het tijdvak waarover een teruggaaf van
kolenbelasting als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, WBM wordt verleend het
kalenderkwartaal. De inspecteur kan hiervan afwijken door een ander tijdvak aan te wijzen. Dit geeft
hem onder meer de mogelijkheid de teruggaafregeling op verzoek te laten aansluiten bij het tijdvak
waarover de belasting moet worden betaald. Het tijdvak waarover de kolenbelasting moet worden
betaald is de kalendermaand.
Energiebelasting: Volgens artikel 27, eerste lid, UBM is het tijdvak waarover een teruggaaf van
belasting met betrekking tot elektriciteit en aardgas als bedoeld in artikel 70, eerste tot en met vierde
lid, WBM wordt verleend het kalenderkwartaal. De inspecteur kan hiervan afwijken door een ander
tijdvak aan te wijzen. Dit geeft hem onder meer de mogelijkheid de teruggaafregeling op verzoek te
laten aansluiten bij het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald. Het tijdvak waarover de
energiebelasting moet worden betaald is de kalendermaand.
Artikel VI (artikel 90 van de Wet op de accijns)
Op grond van art. 90, eerste lid, Wet op de accijns is het verboden een distilleertoestel te vervaardigen
of voorhanden te hebben zonder een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur. De vergunning
dient het frauduleus vervaardigen van overige alcoholhoudende producten tegen te gaan. De inspecteur
dient de voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek tot het verlenen van de vergunning af te
geven binnen acht weken nadat hij het verzoek heeft ontvangen. In een aantal gevallen zal het kunnen
voorkomen dat de inspecteur de beschikking niet kan geven binnen de gestelde termijn. Zulks zal zich
bijvoorbeeld kunnen voor doen, indien de inspecteur niet tijdig over alle benodigde gegevens kan
beschikken. Als de inspecteur de beschikking niet kan geven binnen de gestelde termijn, moet hij
belanghebbende daarvan in kennis stellen. Hij moet daarbij de redelijke termijn noemen waarbinnen de
beschikking wel zal worden afgegeven. Aan artikel 90 van de Wet op de accijns is een lid toegevoegd
op grond waarvan termijnoverschrijding bij de afhandeling van verzoeken tot een vergunning voor het
voorhanden hebben of vervaardigen van een distilleertoestel stilzwijgende instemming met deze
verzoeken zal gaan inhouden.
Artikelen VII en VIII, onderdeel D (artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992 en artikel 73 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
In de artikelen VIII en IX wordt via opneming van een lex silencio bepaling in artikel 14 van de Wet
op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: BPM) en artikel 73 van de Wet op
de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: MRB) voor een viertal vrijstellingen in de
uitvoeringsbesluiten BPM en MRB voorzien in toepassing van de van rechtswege verleende
vergunning. Het betreft de vrijstellingen in de artikelen 2 en 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992 en de overeenkomstige vrijstellingen in de artikelen 25 en 26
van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.
Inwoners van Nederland zijn in beginsel BPM en MRB verschuldigd bij aanvang van het
gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto, bestelauto of
motorrijwiel. Dit verandert niet als een ingezetene werk aanvaardt in een andere lidstaat, met behoud
van de woonplaats in Nederland. Onder strikte voorwaarden wordt echter toch vrijstelling van
belasting verleend als de niet in Nederland geregistreerde auto hoofdzakelijk is bestemd voor de
uitvoering van werkzaamheden in het buitenland. Met de vrijstelling wordt bereikt dat in die situatie
voor woon-werkverkeer toch gebruik mag worden gemaakt van de weg in Nederland zonder dat
belasting wordt verschuldigd. De verleende vrijstelling is zowel voertuig- als persoonsgebonden. De
vrijstelling geldt in beginsel voor onbeperkte duur, maar kan worden ingetrokken als niet meer aan de
voorwaarden wordt voldaan.
Artikel VIII, onderdelen A, B en C (artikelen 37b, 71, 72 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting
1994)
Voor een aantal verzoeken in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: MRB) is besloten dat
de van rechtswege verleende vergunning wordt ingevoerd. Om hier gevolg aan te geven wordt voor
deze verzoeken in de motorrijtuigenbelasting aan de artikelen 37b, 71 en 72 MRB een lid toegevoegd
op grond waarvan termijnoverschrijding bij de afhandeling van deze verzoeken stilzwijgende
instemming met deze verzoeken zal gaan inhouden. Het gaat om de volgende verzoeken:
Vergunning voor bedrijfsvoertuigenpark voor heffing motorrijtuigenbelasting:
Op grond van artikel 37b MRB wordt door de inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking een vergunning voor een bedrijfsvoertuigenpark verleend. Art. 37b MRB geeft een
opsomming van de aan de vergunning bedrijfsvoertuigenpark verbonden voorwaarden. In art. 7a en 7b
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: UBMRB) zijn de voorwaarden en
beperkingen waaronder een vergunning wordt verleend nader uitgewerkt. In artikel 5 en 5a
Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: URMRB) zijn de voorwaarden verbonden
aan het verzoek tot een vergunning voor een bedrijfsvoertuigenpark uitgewerkt.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting voor ambulances
In artikel 71, eerste lid, onderdeel a, Wet MB 1994 is een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting
opgenomen voor ambulances die aan bepaalde voorwaarden voldoen. De achtergrond van deze
tegemoetkoming is gelegen in het algemeen nut en meer in het bijzonder in het belang van de
bescherming van de volksgezondheid. Naast de voorwaarden genoemd in artikel 71, eerste lid MRB
zijn in artikel 8 UBMRB nadere voorwaarden gesteld aan de verlening van de vrijstelling.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting voor lijkwagens
In artikel 71, eerste lid, onderdeel b, Wet MB 1994 is een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting
opgenomen voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van
een stoffelijk overschot. In artikel 9 UBMRB zijn de nadere voorwaarden voor deze vrijstelling
opgenomen.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting voor dierenambulances
In artikel 71, eerste lid, onderdeel c, Wet MB 1994 is een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting
opgenomen voor dierenambulances die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn. In artikel 10 UBMRB
zijn nadere voorwaarden gesteld aan de verlening van de vrijstelling.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting voor bijzondere voertuigen bedrijven:
Ingevolge artikel 72 eerste lid, onderdelen h en j, MRB wordt vrijstelling verleend voor motorrijtuigen
die zijn ingericht uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen, kolkenzuiger of straatveegwagen en
voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud
van wegen. In de artikelen 17 en 19 UBMRB zijn de nadere voorwaarden en beperkingen voor de
vrijstelling gegeven.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting gebruik motorrijtuigen voor geringe
afstand:
Ingevolge artikel 72, eerste lid, onderdeel l, MRB wordt vrijstelling verleend voor motorrijtuigen
waarmee gewoonlijk slechts over een geringe afstand gebruik van de weg wordt gemaakt. De
achtergrond van de vrijstelling is dat er motorrijtuigen zijn die in beginsel worden gebruikt voor intern
vervoer binnen een bedrijf, waarvan de gebouwen en de bedrijfsterreinen wel in elkaars buurt liggen
doch niet geheel aaneensluiten. In artikel 21 UBMRB zijn de nadere voorwaarden voor de vrijstelling
gegeven.
Vrijstelling belastingplicht motorrijtuigenbelasting voor taxi’s en openbaar vervoer
(personenauto’s):
Ingevolge artikel 72 eerste lid, onderdeel n, MRB wordt vrijstelling verleend voor motorrijtuigen die
blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige vergunning, dan wel voorzover
afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of
taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. In artikel 23
UBMRB zijn de nadere voorwaarden voor de vrijstelling gegeven.
Artikel IX, onderdeel A (artikel 23 van de Wet op de Omzetbelasting 1968)
Artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bevat een uitzondering op de wijze van heffing van
omzetbelasting ter zake van invoer van goederen. Normaliter wordt de omzetbelasting bij invoer op
grond van artikel 22 van de Wet op de omzetbelasting 1968 op overeenkomstige wijze als het
douanerecht geheven. In afwijking van dit artikel bepaalt artikel 23, eerste lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968 dat de bij invoer van goederen verschuldigde belasting wordt geheven van de
aangewezen ondernemers of lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, andere
dan ondernemers. Daarbij gaat het om de verlegging van de bij invoer van goederen verschuldigde
omzetbelasting. In dit kader geldt voor de invoer van bepaalde goederen een verplichte aanwijzing.
Hiernaast kunnen ondernemers en lichamen onder bepaalde voorwaarden op verzoek door de
inspecteur worden aangewezen. In de artikelen 18 en 18a van de Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968 zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een dergelijke aanwijzing kan
plaatsvinden. De inspecteur beslist op dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Nu een
wettelijke termijn voor het geven van deze beschikking ontbreekt, dient de beschikking ingevolge
artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht binnen een redelijke na ontvangst van de aanvraag te
worden gegeven. Deze termijn is in ieder geval verstreken als de inspecteur binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven of een mededeling aan de
belastingplichtige heeft gedaan dat de beschikking niet binnen deze termijn zal worden gegeven,
waarbij tevens een termijn wordt genoemd waarbinnen de beschikking wel kan worden gegeven.
Toepassing van de van rechtswege vergunning op verzoeken om aanwijzing in artikel 18, eerste lid en
artikel 18a, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 geeft de belanghebbende
extra zekerheid dat de inspecteur binnen deze termijn reageert.
Artikel IX, onderdeel B (artikel 28d van de Wet op de omzetbelasting 1968)
Ingevolge artikel 28d van de Wet op de omzetbelasting 1968 mag de belasting in afwijking in zoverre
van de artikelen 28b en 28c van de Wet op de omzetbelasting 1968 berekend worden over de
winstmarge per tijdvak van aangifte. Deze regeling wordt ook wel de globalisatieregeling genoemd.
De globalisatieregeling wijkt in zoverre van de margeregeling af, dat de marge niet per individueel
goed wordt bepaald, maar per tijdvak van aangifte. In artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking
omzetbelasting 1968 is deze regeling verder uitgewerkt. In het eerste lid, onderdeel a van dit artikel
zijn de goederen opgenomen die in beginsel onder de globalisatieregeling vallen. Op grond van het
eerste lid, onderdeel b, van dit artikel is het mogelijk voor de leveringen van andere goederen dan die
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de inspecteur te verzoeken om op deze goederen de
globalisatiemethode toe te passen. De inspecteur beslist op dit verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking (artikel 4c, vierde lid, Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). Nu een wettelijke
termijn voor het geven van deze beschikking ontbreekt, dient de beschikking ingevolge artikel 4:13
van de Algemene wet bestuursrecht binnen een redelijke na ontvangst van de aanvraag te worden
gegeven. Deze termijn is in ieder geval verstreken als de inspecteur binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven of een mededeling aan de belastingplichtige heeft
gedaan dat de beschikking niet binnen deze termijn zal worden gegeven, waarbij tevens een termijn
wordt genoemd waarbinnen de beschikking wel kan worden gegeven. Toepassing van de van
rechtswege verleende vergunning op het verzoek in artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, van de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 geeft de belanghebbende extra zekerheid dat de
inspecteur binnen deze termijn reageert.
De lex silencio is ook van toepassing op de verzoeken genoemd in het achtste lid van artikel 4c van de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dit lid heeft betrekking op de jaarglobalisatie, die is
opgenomen in het zevende lid van artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Met
deze jaarglobalisatie kan worden vastgesteld of alle negatieve winstmarges binnen het kalenderjaar
zijn verrekend. Ingevolge het achtste lid van artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting
1968 geschiedt het vaststellen van een negatief jaarsaldo en het vaststellen van het bedrag van de
teruggaaf op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het verzoek moet worden gedaan bij de
aangifte over het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ook hier dient de beschikking binnen
de redelijke termijn van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht te worden gegeven. Het van
toepassing zijn van de lex silencio positivo op de verzoeken in artikel 4c, achtste lid, van de
Uitvoeringsbeschikking belastingen van rechtsverkeer 1968 geeft de belanghebbende extra zekerheid
dat binnen deze termijn wordt gereageerd.
Hoofdstuk 3. Ministerie van Justitie
Artikel X (Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek)
Verenigingen en stichtingen die onder de verplichting vallen een jaarrekening op te stellen – kortweg
zijn dat verenigingen en stichtingen die een of meer ondernemingen van een bepaalde omvang in stand
houden (zie artikel 2:360, derde lid, Burgerlijk Wetboek) – en coöperaties en onderlinge
waarborgmaatschappijen kunnen bij de Minister van Economische Zaken om gewichtige redenen een
aanvraag doen hen ontheffing te verlenen van de verplichting tot het opmaken, het overleggen en het
vaststellen van de jaarrekening (artikelen 2:49, zesde lid, 2:58, vijfde lid en 2:300, vijfde lid, van het
Burgerlijk Wetboek). Toepassing van de van rechtswege verleende vergunning is hier niet bezwaarlijk.
Aan de laatstgenoemde drie artikelen wordt een zin toegevoegd, op grond waarvan
termijnoverschrijding bij de afhandeling van deze ontheffingsverzoeken stilzwijgende instemming met
deze verzoeken zal inhouden.
Toepassing van de van rechtswege verleende vergunning is niet mogelijk bij naamloze en besloten
vennootschappen. Ook voor deze rechtspersonen bestaat de mogelijkheid om de Minister van
Economische Zaken te verzoeken om ontheffing van de hiervoor omschreven
jaarrekeningverplichtingen (artikelen 2:101, zevende lid, en 2:210, zevende lid, van het Burgerlijk
Wetboek). De jaarrekeningverplichtingen vloeien echter voor de naamloze en besloten vennootschap
voort uit de vierde EG-richtlijn betreffende de jaarrekening (richtlijn 78/660/EEG), die geen ruimte
laat voor een dergelijke van rechtswege verleende vergunning waarbij vrijstelling wordt verleend van
die verplichtingen. De regels over het opstellen, overleggen en vaststellen van de jaarrekening van
verenigingen, stichtingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen sluit weliswaar geheel
aan bij die van de naamloze en besloten vennootschap, maar zij vallen niet onder de EG-richtlijn, zodat
er voor deze rechtspersonen meer beleidsvrijheid is. Daarvan wordt in dit wetsvoorstel gebruik
gemaakt.
Artikel XI (Wet op de kansspelen)
Bij brief van 9 juli 2009 (Kamerstukken II 29 515, nr. 293), bevattende de resultaten van een
heroverweging van het toepassingsbereik van LSP, is aangekondigd dat voor een aantal
vergunningstelsels in de Wet op de kansspelen LSP wordt ingevoerd. Dit wordt geregeld in artikel XI.
Ten eerste wordt LSP ingevoerd voor vergunningen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op
de kansspelen, voorzover deze worden verleend door respectievelijk burgemeester en wethouders en
de Minister van Justitie. Bij deze laatste categorie gaat het uitsluitend om de vergunningen die worden
verleend voor zogenaamde incidentele kansspelen. Ingevolge de ‘Beleidsregels incidentele kansspelen
en prijsvragen’ (Stcrt. 2007, 128) kan op grond van artikel 3 per aanvrager en voor ten hoogste zes
maanden jaarlijks één vergunning voor een incidenteel kansspel worden verleend. Voor vergunningen
die op basis van artikel 3 worden afgegeven voor de goede doelenloterijen (Nationale Postcode Loterij,
de Bankgiro Loterij en de Sponsor Bingo Loterij) is de invoering van LSP niet mogelijk geacht in
verband met het schaarste-element en de onaanvaardbare maatschappelijke risico’s
(kansspelverslaving, misbruik en witwassen, zie bijlage 2 bij Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr.
293).
Voorts wordt voor enkele vergunningstelsels in Titel VA (Speelautomaten) LSP ingevoerd. Het betreft
de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten in hoogdrempelige inrichtingen (artikel 30c,
eerste lid, onder b) en de toelating van een model voor speelautomaten (artikel 30o, eerste lid).
Artikel XII
Particuliere beveiligingsorganisaties zijn verplicht er op toe te zien dat personeelsleden bij de
uitoefening van beveiligingswerkzaamheden een goedgekeurd uniform dragen. Van deze verplichting
kan ontheffing bij de MvJ worden verzocht. (Zie art 9 lid 1 en 2 van de Wpbr). Op deze ontheffing
van de verplichting van het dragen van een uniform bij het verrichten van beveiligingswerkzaamheden
zal de lsp van toepassing worden verklaard.
Binnen de categorie beveiligingswerkzaamheden, vallen alleen de werkzaamheden als alarmcentralist
onder de Dienstenrichtlijn. In de praktijk wordt de ontheffing van de draagplicht van een uniform voor
alarmcentralisten altijd verleend. Vanwege deze twee redenen zal de uniformplicht voor
alarmcentralisten worden afgeschaft.
Hoofdstuk 4. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel XIII (Wet financiering sociale verzekeringen)
In artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen is voorzien in de mogelijkheid dat de SVB
op grond van gemoedsbezwaren ontheffing kan verlenen van verplichtingen die voortvloeien uit de
volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de Wet financiering sociale verzekeringen.
Wanneer een ontheffing is verleend van de volksverzekeringen dan wordt geen premie geheven maar
wordt premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende loonbelasting geheven. Indien
een ontheffing is verleend aan de werkgever in het kader van de werknemersverzekeringen dan wordt
premievervangende loonbelasting geheven.
Voor deze ontheffingen is aan artikel 64 een nieuw lid toegevoegd met een lex silencio-bepaling op
grond waarvan termijnoverschrijding bij de afhandeling van verzoeken om ontheffingen stilzwijgende
instemming met deze verzoeken zal gaan inhouden.
De SVB ziet geen onoverkomelijke uitvoeringsproblemen indien artikel 64 Wfsv wordt gewijzigd
zoals voorgesteld; het zal niet leiden tot aanpassing van het uitvoeringsproces of tot verhoging van de
kosten hiervan.
Het proces van afgifte van een ontheffing op grond van gemoedsbezwaren is bij de SVB zodanig
ingericht dat een verzoek in vrijwel alle gevallen leidt tot een tijdige afgifte: op de 637 in 2008
ontvangen aanvragen om een ontheffing, werd gemiddeld na 16 dagen een beslissing genomen.
De SVB vraagt zich wel af waarom ter voorkoming van trage besluitvorming door het
uitvoeringsorgaan bij het verlenen van ontheffingen wegens gemoedsbezwaren gebruik wordt gemaakt
van de Lex silencio positivo als rechtsmiddel in plaats van de Wet dwangsom. De Wet Dwangsom zal
in beginsel van toepassing zijn op alle beslissingen van de SVB met uitzondering van beslissingen
over verzoeken tot ontheffing wegens gemoedsbezwaren. Vanuit oogpunt van uniforme uitvoering
bepleit de SVB daarom geen lex silencio-bepaling aan artikel 64 Wfsv toe te voegen.
Het rechtsmiddel Lex silencio positivo wordt in hoofdzaak toegepast bij vergunningstelsels die relatief
eenvoudig zijn en waarbij toepassing van Lex silencio positivo geen of een gering maatschappelijk
effect zal hebben. Om die reden is er voor gekozen om op ontheffing wegens gemoedsbezwaren –
anders dus dan bij de andere SVB-beschikkingen – de Lex silencio positivo van toepassing te
verklaren.
HOOFDSTUK 5 MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Artikel XIV (Meetbrievenwet)
Alle beroepsvaartuigen die geregistreerd zijn in het kadaster moeten voorzien zijn van een geldige
meetbrief. Deze meetbrief dient onder andere ter identificatie van het schip. De meting vindt plaats op
grond van nationale en internationale wetgeving en kan worden aangevraagd bij de Inspecteur-
Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW). Wanneer de meetbrief geheel of gedeeltelijk
verloren is geraakt of versleten is, kan een duplicaat worden verstrekt. In de praktijk worden deze
duplicaten op korte termijn verstrekt. Aan de toepassing van lex silencio positivo kleven geen
bezwaren.
Artikel XV (Scheepvaartverkeerswet)
Zeeschepen die de Nederlandse havens in- en uitvaren staan in contact met op verkeersposten voor de
scheepvaart werkzame verkeersleiders waarmee voor de navigatie onontbeerlijke gegevens tussen wal
en schip worden uitgewisseld. Deze zeeschepen betalen voor deze verkeersbegeleiding een
verkeersbegeleidingstarief (VBS-tarief) op grond van artikel 15c van de Scheepvaartverkeerswet. Op
grond van artikel 6 van het Besluit verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeer kan de Minister
van Verkeer en Waterstaat geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting tot het
betalen van het tarief, indien het desbetreffende zeeschip deelneemt aan een manifestatie of andere
gebeurtenis, waarbij enig openbaar belang is betrokken (bijvoorbeeld aan schepen die deelnemen aan
Sail Amsterdam). In de praktijk worden dergelijke ontheffingen op korte termijn verleend. Aan de
toepassing van lex silencio positivo kleven geen bezwaren.
Artikel XVI (Binnenvaartwet)
Eerste lid:
Aan een binnenvaartonderneming dient op grond van artikel 6, eerste lid, van de Binnenvaartwet een
persoon verbonden te zijn die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid voor het
bedrijfsmatig vervoer van goederen. Op grond van het tweede lid van artikel 6 van die wet, kan de
Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling verlenen van die verplichting. In artikel 2.5 van de
Binnenvaartregeling is voorzien in een vrijstellingsregeling die nabestaanden of een gemachtigden, de
mogelijkheid biedt het bedrijf nog één jaar voort te zetten na het plotseling wegvallen van de houder
van de vakbekwaamheid binnen een onderneming als gevolg van diens overlijden, lichamelijke
ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid. In bijzondere gevallen kan de minister deze termijn op
aanvraag nog met ten hoogste 26 weken verlengen. Om bedrijfsschade zo veel mogelijk te beperken
wordt de verlenging van deze vrijstellingen in de praktijk op de kortst mogelijke termijn verstrekt. Aan
de toepassing van lex silencio positivo kleven geen bezwaren.
Tweede lid:
Alle binnenschepen moeten op grond van artikel 21 van de Binnenvaartwet voorzien zijn van een
geldige meetbrief. In verband hiermee zijn in hoofdstuk 4 van de Binnenvaartregeling regels gesteld.
Deze meetbrief dient onder andere ter identificatie van het schip. Een meetbrief kan worden
aangevraagd bij de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW). Wanneer de
meetbrief geheel of gedeeltelijk verloren is geraakt of versleten is, kan een duplicaat worden verstrekt.
Aan de toepassing van lex silencio positivo kleven geen bezwaren.
Hoofdstuk 6. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
Artikel XVII (Leegstandswet)
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders aan de
eigenaar van een leegstaande woonruimte een vergunning verlenen tot het aangaan van
overeenkomsten van huur en verhuur van die woonruimte, waarbij enkele artikelen van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn. Het artikel regelt de situaties waarin en de voorwaarden
waaronder de vergunning kan worden verleend.
In de brief van 3 december 2008 van de Staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstukken II
2008/09, 29 515, nr. 274, p. 4) is aangekondigd dat de lex silencio positivo via een verzamelwet zal
worden ingevoerd voor de verlening en de verlenging van de vergunning tot het aangaan van
overeenkomsten van huur en verhuur van leegstaande woonruimte op grond van de Leegstandwet.
Uitgangspunten bij het van toepassing zijn van de lex silencio positivo zijn dat er door de fictieve
verlening weinig risico bestaat dat het algemeen belang of belangen van derden worden geschaad en
dat bovendien de rechtspositie van de vergunninghouder na de fictieve verlening voldoende duidelijk
is. Het van toepassing laten zijn van de lex silencio positivo op de verlening en de verlenging van de
vergunning tot het aangaan van overeenkomsten van huur en verhuur van leegstaande woonruimte op
grond van de Leegstandwet is in overeenstemming met deze uitgangspunten.
Dit artikel voorziet in een in artikel 15 van de Leegstandwet op te nemen bepaling waarin paragraaf
4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard op de hiervoor bedoelde
vergunning en verlenging.
Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van die wet is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven,
indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist. Een vergunning of
verlenging als hiervoor bedoeld die overeenkomstig de aanvraag van rechtswege is gegeven, voldoet
niet op voorhand in alle opzichten aan de in de Leegstandwet daarvoor geldende regels.
Het gaat hierbij om de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 15, vierde lid, van de Leegstandwet.
Uit dat artikellid vloeit voort dat:
a. de vergunning voor de duur van ten hoogste twee jaar mag worden verleend,
b. de vergunning slechts eenmaal ten aanzien van hetzelfde gebouw of dezelfde woning mag
worden verleend,
c. verlenging van de vergunning slechts voor de duur van ten hoogste een jaar mag worden
toegestaan, en
d. de gehele duur van de vergunning ten hoogste vijf jaar mag bedragen.
Daarnaast voorziet artikel 16, negende lid, in de verplichting tot het vermelden in de vergunning van
de maximumhuurprijs, die berekend moet worden aan de hand van de krachtens de artikelen 10, eerste
lid, en 12 , tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gestelde regels.
Ten einde te bereiken dat de van rechtswege gegeven vergunningen of verlengingen in
overeenstemming zijn of kunnen worden gebracht met de hiervoor bedoelde regels, wordt in de
artikelen 15 en 16 van de Leegstandwet een aantal bepalingen opgenomen. In het onderstaande worden
deze nader toegelicht.
Artikel 15, negende lid
Het negende lid van artikel 15 voorziet er in dat een van rechtswege verleende vergunning vervalt
binnen twee jaar na inwerkingtreding van die vergunning. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de
geldigheidsduur van een rechtswege verleende vergunning de ingevolge artikel 15, vierde lid, van de
Leegstandwet toegestane maximale duur voor verlening van een vergunning overschrijdt.
Artikel 15, tiende lid
Het tiende lid van artikel 15 voorziet er in dat een van rechtswege verleende verlenging vervalt een
jaar na de inwerkingtreding van de beschikking tot verlenging of op het tijdstip dat de duur van de
vergunning vijf jaar bedraagt. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de geldigheidsduur van een van
rechtswege verleende verlenging de ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Leegstandwet toegestane
maximale duur voor verlenging en voor de vergunning overschrijdt.
Artikel 15, elfde lid
Het elfde lid van artikel 15 voorziet in een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om de
vergunning in te trekken indien ten aanzien van hetzelfde gebouw of dezelfde woning al eerder een
vergunning is verleend. Vergunningen die op dit punt in strijd zijn met artikel 15, vierde lid, van de
Leegstandwet, kunnen derhalve worden ingetrokken. Deze bevoegdheid is aanvullend ten opzichte van
de bevoegdheid tot intrekking van beschikkingen die is gegeven in artikel 4:20f, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
Het tweede en derde lid van laatstgenoemd artikel worden in het elfde lid van artikel 15 van
overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat een beschikking tot intrekking van de
vergunning slechts kan worden gegeven binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking
van rechtswege en burgemeester en wethouders gehouden zijn tot vergoeding van de schade die door
die intrekking wordt veroorzaakt.
Artikel 16, tiende lid
Op grond van artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet moet in de vergunning de maximale
huurprijs worden vermeld. Op grond van het huidige tiende lid van dat artikel dient vervolgens in de
huurovereenkomst melding van onder meer die maximale huurprijs te worden gemaakt. Die
voorziening is indertijd getroffen om te bereiken dat de huurder steeds bekend is met het tijdelijke
karakter van de huurovereenkomst. Bevat die overeenkomst de in de vergunning vermelde huurprijs
niet, dan kan de verhuurder zich op grond van het huidige elfde lid van dat artikel niet beroepen op het
tijdelijke karakter van de huurovereenkomst - dat karakter wordt voor de huurder dan immers als
onvoldoende duidelijk beschouwd - en is er in wezen sprake van gewone huur.
In een vergunning die overeenkomstig de aanvraag van rechtswege is gegeven, zal de maximale
huurprijs niet zijn vermeld. Dat leidt zonder nadere voorziening tot het niet kunnen voldoen aan artikel
16, tiende lid (huidig), van de Leegstandwet, wat de verhuurder buiten hem om in de positie brengt die
in het huidige elfde lid van dat artikel is opgenomen: hij zit, in de regel tegen zijn zin, vast aan een
gewone huurovereenkomst.
Om die reden voorziet het voorgestelde tiende lid in een verplichting voor burgemeester en
wethouders om alsnog de maximale huurprijs te vermelden in een aan de vergunning te verbinden
voorschrift. Wat betreft de termijn waaraan aan deze verplichting moet worden voldaan, is aangesloten
bij de termijn die ingevolge artikel 4:20f, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor
bestuursorganen om gebruik te maken van de in het eerste lid van dat artikel opgenomen mogelijkheid
om alsnog voorschriften aan de betrokken beschikking te verbinden.
Artikel 16, negende lid, tweede en derde zin, van de Leegstandwet zijn van toepassing. Het van
toepassing zijn van die tweede zin houdt in dat de maximale huurprijs moet worden berekend aan de
hand van de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte gestelde regels. Het van toepassing zijn van die derde zin houdt in dat die maximale
huurprijs in de plaats treedt van een eventueel tussen partijen overeengekomen hogere huurprijs. Dit
geeft de huurder de mogelijkheid om het te veel betaalde tijdens de huur of daarna op grond van
onverschuldigde betaling terug te vorderen.
Tegen de beslissing door burgemeester en wethouders betreffende de huurprijs staat geen beroep open.
Het ligt in de rede om tevens tegen een besluit tot het alsnog verbinden van voorschriften aan de
vergunning als hiervoor bedoeld geen beroep open te stellen. Onderdeel A, onder 2, van artikel XVII
voorziet hierin.
Artikel XVIII (Wet Milieubeheer)
Op grond van artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders
ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, van genoemde wet gestelde verbo