Tekst
STAATSCOURANT
Nr. 11406
21 juli
2010
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Onderlinge regeling houdende een ambtsinstructie voor de politie van
Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Nederland, de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten;
Overwegende:
– dat op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de landen onderling een regeling treffen houdende een
ambtsinstructie voor de politie, die regels bevat ter uitvoering van de artikelen 12 en 13;
– dat op grond van artikel 14, tweede lid, van deze rijkswet elk van de landen bij landsbesluit,
houdende algemene maatregelen, of bij algemene maatregel van bestuur regels vaststelt ter
uitvoering van de artikelen 12 en 13, waarbij in ieder geval de regeling, bedoeld in artikel 14, eerste
lid, wordt opgenomen;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire,
Sint Eustatius en Saba en artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
Komen het volgende overeen:
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
ambtenaar:
a. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de rijkswet;
b. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet, voor zover het betreft
de artikelen 1 tot en met 8 en hoofdstuk 7;
c. degene die is benoemd tot aspirant voor de duur dat hij de praktijkstage volgt;
d. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, van de rijkswet;
e. de militair van de Koninklijke marechaussee en de krijgsmacht, bedoeld in artikel 11, tweede en
derde lid, van de rijkswet;
f. de buitengewoon agent van politie, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de rijkswet.
meerdere:
a. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de
leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
b. indien op grond van het bepaalde onder a geen meerdere kan worden aangewezen de
ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de
meeste dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de Koninklijke marechaussee of
van enig ander krijgsmachtonderdeel degene die ingevolge bij of krachtens artikel 67 van het
Wetboek van Militair Strafrecht met het bevel is belast.
bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 16 en 17 van de rijkswet.
geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of
zaken;
aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt
begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;
geweldmiddel:
a. de krachtens artikel 42, eerste en tweede lid, van de rijkswet toegelaten uitrusting en bewape-
ning waarmee geweld kan worden uitgeoefend;
b. de door Onze Minister van Defensie ter beschikking gestelde uitrusting en bewapening
waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in
artikel 11 van de rijkswet;
vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven: vuurwapen waarmee met één druk
op het afvuurmechanisme meer schoten kunnen worden gelost dan wel een vuurwapen waarmee
naar keus hetzij één schot, hetzij meer schoten kunnen worden gelost;
het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van
een vuurwapen;
niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het
lichaam binnen te dringen;
rijkswet: de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
2. In deze regeling wordt ten aanzien van buitengewone agenten van politie voor ‘korpschef’ gelezen:
de door Onze Minister aangewezen ambtenaar die uit hoofd van zijn functie of krachtens beschik-
king of aanwijzing met de leiding is belast.
HOOFDSTUK 2 AMBTSUITVOERING IN ELK VAN DE LANDEN
Artikel 2
Bij de uitoefening van zijn taken onthoudt de ambtenaar zich van gedragingen waardoor aan de goede
naam van het politiekorps afbreuk gedaan kan worden.
Artikel 3
1. Behoudens bij door elk van de landen vastgestelde bijzondere voorschriften, brengt de ambtenaar
bij officiële aangelegenheden – in uniform gekleed – op militaire wijze de groet:
a. voor leden van het Koninklijk Huis, de Gouverneur van Curaçao en de Gouverneur van Sint
Maarten;
b. tijdens het ten gehore brengen van volksliederen bij officiële gelegenheden, tenzij de dienstver-
richting het brengen van de groet niet toelaat;
c. voor ontplooide, door of vanwege Hare Majesteit de Koningin uitgereikte of met Koninklijke
toestemming gevoerde vaandels en standaarden, waarbij halt en front wordt gemaakt;
d. voor ministers, staatssecretarissen en gezaghebbers.
2. De groet wordt niet gebracht door de ambtenaar die optreedt als bestuurder van een in beweging
zijnd vervoermiddel, of die actief bezig is met de regeling van het verkeer.
3. In burgerkleding groet de ambtenaar en brengt hij eerbewijzen met inachtneming van de
gebruikelijke beleefdheidsvormen.
Artikel 4
1. De ambtenaar zorgt voor een correct voorkomen.
2. Hij verricht zijn taken in uniform, tenzij hij is aangewezen om in burgerkleding dienst te doen.
3. In uniform of burgerkleding gekleed, draagt hij de wapens als voor de dienst voorgeschreven.
Indien het dragen van wapens bij de uitoefening van de politietaak in burgerkleding is voorge-
schreven, worden de wapens als regel niet zichtbaar gedragen.
4. Hij draagt er zorg voor dat zijn uniformkleding en uitrustingsstukken en de hem verstrekte wapens
steeds in goed onderhouden en zindelijke staat verkeren.
5. Het is de ambtenaar verboden dienstkleding, -auto’s en -gebouwen voor een ander doel te
gebruiken dan waarvoor zij zijn verstrekt respectievelijk beschikbaar gesteld.
Artikel 5
De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs dan aan hem is verstrekt:
a. bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk
maken, en
b. bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.
Artikel 6
1. De ambtenaar bekwaamt zich voortdurend in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle
andere zaken met betrekking tot zijn taken.
2. De ambtenaar stelt zich voortdurend op de hoogte van de in het land geldende wettelijke
regelingen, die voor de politie van belang zijn en van de voor hem geldende regelingen, dienst-
voorschriften en ambtelijke instructies.
Artikel 7
Indien tegen een verdachte van een strafbaar feit proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt dit zo
mogelijk aan hem medegedeeld, met inachtneming van de in het land geldende bepalingen van het
Wetboek van Strafvordering.
2 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Artikel 8
1. De ambtenaar, die buiten dienst een ernstig voorval waarneemt dat binnen de bevoegdheidssfeer
van de politie ligt, of die buiten dienst op andere wijze van een zodanig ernstig voorval medede-
ling ontvangt, is verplicht naar bevind van zaken hulp te bieden en voorlopige maatregelen te
nemen ter voorkoming van verder onheil dan wel ter verzekering van de mogelijkheid tot
opsporing van een strafbaar feit, een en ander in afwachting van het overnemen van de behande-
ling van de zaak door een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
is met toezichthoudende of opsporingstaken.
2. Bij dringende noodzaak verleent de ambtenaar die buiten dienst is, hulp bij de uitoefening van
politietaken aan een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met
toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden.
HOOFDSTUK 3 GEWELD
§ 1 Algemeen
Artikel 9
Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:
a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak
met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en
b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.
Artikel 10
1. Indien de ambtenaar, al of niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse aanwezige
meerdere optreedt, zal hij geen geweld aanwenden dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere.
De meerdere geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald, of
b. in een geval als bedoeld in artikel 12, eerste lid, voor zover de last redelijkerwijs niet kan
worden afgewacht.
§ 2 Vuurwapens
Artikel 11
1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange
afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen
dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen
personen zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere
rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht
van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is
gesteld, en
2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke
levenssfeer, of
3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er
sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder
leiding van een meerdere;
d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijk-
heden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van Onze
Minister van Defensie dan wel de officier van justitie belast met militaire zaken in gesloten
verband onder leiding van een meerdere optreedt.
2. Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts
geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik
gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag
3 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar
voor de rechtsorde met zich brengt, dan wel indien een aanmerkelijke kans bestaat dat onschul-
dige derden kunnen worden getroffen.
4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de
poging daartoe en de deelnemingsvormen, bedoeld in het Wetboek van Strafrecht van het
desbetreffende land.
Artikel 12
1. De ambtenaar mag slechts uit voorzorg een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee
automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, ter hand nemen:
a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of
b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangeno-
men dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is dat vuurwapen te gebruiken.
2. Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambte-
naar terstond het vuurwapen op.
Artikel 13
1. Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven, is slechts
geoorloofd tegen personen en tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden,
in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of
eens anders lijf.
2. Een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven mag slechts worden meege-
voerd ten behoeve van de opleiding dan wel voor:
a. het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit
tegen personen zal gebruiken, of
b. de bewaking en beveiliging van personen en objecten.
3. Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval,
bedoeld in het tweede lid, onder a, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van de
hoofdofficier van justitie. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan
worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De
toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd. De
hoofdofficier van justitie doet van het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan
worden afgegeven zo mogelijk vooraf mededeling aan Onze Minister van Justitie van Curaçao,
Onze Minister van Justitie van Sint Maarten respectievelijk de betrokken gezaghebber.
4. Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval,
bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van het
bevoegd gezag. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden
gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die
mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.
Artikel 14
1. Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is
slechts geoorloofd bij zeer ernstige misdrijven ter afwending van direct gevaar voor het leven van
personen.
2. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel van de commandant van een
bijstandseenheid, belast met bijzondere onderdelen van de politietaak.
3. Een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven mag slechts worden
meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding
van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden.
4. Het meevoeren van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven
ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van
direct levensbedreigende omstandigheden, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van
het bevoegd gezag. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Indien wegens
de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook
4 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt
binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.
Artikel 15
1. De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten, met
luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld
het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden
door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de
waarschuwing niet toelaten.
2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven, dat gevaar voor personen of
zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
§ 3 Niet-penetrerende munitie
Artikel 16
De artikelen 11 tot en met 15 zijn niet van toepassing op het gebruik en het ter hand nemen van een
vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie.
Artikel 17
Het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen personen zal
gebruiken, of
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.
Artikel 18
De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen dat is geladen met
niet-penetrerende munitie zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat
geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing
blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.
Artikel 19
De artikelen 16 tot en met 18 zijn van overeenkomstige toepassing indien de niet-penetrerende
munitie wordt afgegeven met een ander hulpmiddel dan een vuurwapen.
§ 4 Pepperspray
Artikel 20
1. Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen
dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een
persoon zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;
c. ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren.
2. Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:
a. personen die zichtbaar jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar zijn;
b. vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;
c. personen voor wie dit gebruik als gevolg van een voor de ambtenaar zichtbare ademhalings- of
andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;
d. groepen personen.
3. Bij gebruik van pepperspray wordt niet op de mond gericht.
Artikel 21
De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray tegen een persoon zal
5 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat pepperspray gebruikt zal
worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft
achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.
Artikel 22
Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee maal voor de duur van niet langer
dan ongeveer een seconde gebruikt en op een afstand van ten minste een meter.
§ 5 Traangas
Artikel 23
Het gebruik van een CS-traangas is slechts geoorloofd:
a. in met in artikel 11, eerste lid, genoemde situaties;
b. om agressief gedrag of verzet van een persoon te onderdrukken respectievelijk te breken;
c. om dreigende agressie of verzet van een persoon te voorkomen.
Artikel 24
De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij een CS-traangas tegen een persoon zal gebruiken,
met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een traangas gebruikt zal worden, indien
niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de
omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.
§ 6 Overige geweldmiddelen
Artikel 25
1. Het inzetten van een politie-surveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend
toezicht van een geleider bij:
a. de surveillancedienst,
b. het optreden van de mobiele eenheid na toestemming van het bevoegd gezag.
2. Het inzetten van een politiehond bij het optreden van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid
of een bijstandseenheid is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een
geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een dergelijke eenheid.
3. De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel 42, eerste lid, van de rijkswet
vastgesteld certificaat.
Artikel 26
In een situatie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, waarschuwt de ambtenaar onmiddellijk
voordat hij een politie-surveillancehond inzet tegen een persoon met luide stem of op andere niet mis
te verstane wijze dat de hond zal worden ingezet, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt
opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing
redelijkerwijs niet toelaten.
Artikel 27
De landen kunnen onderling bij nadere regeling regels stellen over het gebruik van een ander dan in
deze regeling genoemd geweldmiddel voor zover dit noodzakelijk is voor de beproeving van dat
geweldmiddel gedurende maximaal één jaar. De termijn van maximaal één jaar kan eenmaal worden
verlengd.
§ 7 Melding geweld
Artikel 28
1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande,
alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere of een door de korpschef aangewezen
functionaris.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere of de door de korpschef aangewe-
zen functionaris terstond vastgelegd, waarbij gebruik wordt gemaakt van het model, zoals
6 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
opgenomen in Bijlage bij het landbesluit, houdende algemene maatregelen, of de algemene
maatregel van bestuur waarbij deze regeling wordt vastgesteld.
3. De korpschef wijst in elk bureau een functionaris aan die het opmaken van de in het eerste en
tweede lid bedoelde melding coördineert en begeleidt.
4. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de korpschef binnen vierentwintig uur na
ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie, dan wel door de commandant van de
Koninklijke marechaussee van de officier van justitie ingeval het een militair als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder ambtenaar, onder d en e, betreft, indien:
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de korpschef of de
commandant van de Koninklijke marechaussee aanleiding geven;
b. het aanwenden van geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood
heeft veroorzaakt, of
c. gebruik is gemaakt van een vuurwapen en daarmee één of meer schoten zijn gelost.
5. In geval van bijzondere bijstandseenheden die als collectief optreden, berust de in het eerste en
tweede lid bedoelde verplichting tot schriftelijke vastlegging en inlevering bij degene die belast is
met de leiding van de betrokken eenheid.
6. De betrokken ambtenaar of de leidinggevende, bedoeld in het vijfde lid, wordt door de meerdere
regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de melding en de schriftelijke
vastlegging.
HOOFDSTUK 4 HANDBOEIEN
Artikel 29
1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het
vervoer handboeien aanleggen.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstan-
digheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog
op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd,
van de ambtenaar of van derden.
3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:
a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of
b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden,
één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.
Artikel 30
De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 29 meldt dit onverwijld
schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien
hebben geleid.
HOOFDSTUK 5 VEILIGHEIDSFOUILLERING
Artikel 31
1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de rijkswet, geschiedt door het oppervlakkig
aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde
geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
2. In het geval dat een persoon is of zal worden aangehouden, wordt van een onderzoek aan diens
kleding door de ambtenaar die bevoegd is tot het onderzoek gemotiveerd melding gemaakt in het
desbetreffende proces-verbaal.
Artikel 32
Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de rijkswet, wordt uitgevoerd door een ambtenaar
van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
7 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Artikel 33
De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 13, vierde of vijfde lid, van de rijkswet heeft
uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot
dit onderzoek hebben geleid.
HOOFDSTUK 6 HULPMIDDELEN TEN BEHOEVE VAN DE FEITELIJKE VERWIJDERING VAN
VREEMDELINGEN
Artikel 34
1. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, kan een
vreemdeling bij diens feitelijke verwijdering met hulpmiddelen ten behoeve van de verwijdering in
zijn bewegingsvrijheid beperken, ten behoeve van een goed verloop van de verwijdering.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen indien:
a. de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluch-
ting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de vreemdeling, van
de ambtenaar of van derden, dan wel met het oog op gevaar voor een ernstige verstoring van
de openbare orde, en
b. de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar kan opleveren voor de gezond-
heid van de vreemdeling.
3. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder leiding van een ter plaatste aanwezige
meerdere optreedt, zal hij geen gebruik maken van deze hulpmiddelen dan na uitdrukkelijke last
van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk hulpmiddel gebruik wordt gemaakt.
4. Het gebruik van deze hulpmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik
van dat hulpmiddel is geoefend.
Artikel 35
1. De ambtenaar die ten aanzien van een vreemdeling die wordt uitgezet gebruik heeft gemaakt van
een hulpmiddel ten behoeve van de verwijdering dan wel uitzetting als bedoeld in artikel 34, eerste
lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het
hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voorvloeiende gevolgen.
2. De meerdere draagt zorg voor registratie van de melding, bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 7 HULPVERLENING
Artikel 36
1. De ambtenaar draagt er zorg voor personen met lichte verwondingen, ziekteverschijnselen en
personen ten aanzien van wie twijfel op dit punt bestaat, de weg te wijzen naar een huisarts of
naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis. Indien dat noodzakelijk is, verleent de ambtenaar
bemiddeling bij het verkrijgen van passend vervoer.
2. De ambtenaar draagt er zorg voor dat personen met ernstige verwondingen en bewustelozen,
waar onder mede worden verstaan personen die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per
ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. De gegevens omtrent aard en omstandigheden
van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand heeft geleid, alsmede de op de persoon aangetroffen
medische gegevens en geneesmiddelen, worden door hem ter beschikking van de medische
hulpverleners gesteld.
Artikel 37
1. De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die door drankgebruik, dan wel
door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of
gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van plaatsen die krachtens bestem-
ming of vast gebruik openstaat voor het publiek worden verwijderd. Onder plaatsen die krachtens
bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek worden mede verstaan vervoermiddelen
die zich bevinden op deze plaatsen, een en ander voor zover niet gebezigd als woning.
2. De ambtenaar draagt personen als bedoeld in het eerste lid over aan het eigen zorgkader, voor
zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden
8 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
elders, bij wijze van hulpverlening, op het politie- of brigadebureau worden ondergebracht, indien
dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.
3. Voor personen als bedoeld in het eerste lid, van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die
geestelijk gestoord lijken, waarschuwt de ambtenaar de dienstdoend adviserend arts, nadat zo
mogelijk getracht is contact te zoeken met de eigen huisarts.
HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN
Artikel 38
Deze regeling wordt aangehaald als: Ambtsinstructie voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Willemstad, 11 februari 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten.
De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Curaçao,
Z.A.M. Jesus-Leito.
De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Sint Maarten,
W. Marlin.
9 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
TOELICHTING
Algemeen
Inleiding
De ambtsinstructie geeft uitvoering aan artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: rijkswet). Ingevolge dat artikellid treffen
de landen onderling een regeling houdende een ambtsinstructie voor de politie, die regels bevat ter
uitvoering van de artikelen 12 en 13 van de rijkswet. De ambtsinstructie wordt in elk van de landen
vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur
(artikel 14, tweede lid). Ingevolge artikel 53 van de rijkswet draagt elk van de landen ervoor zorg dat dit
landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of deze algemene maatregel van bestuur in werking
treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in
verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen.
In de ambtsinstructie worden verschillende onderwerpen geregeld die hun grondslag vinden in de
artikelen 12 en 13 van de rijkswet: de ambtsuitvoering in elk van de landen (artikel 12, eerste lid), het
gebruik van geweld en van handboeien (artikel 13, eerste lid), de veiligheidsfouillering (artikel 13,
derde en vierde lid), de hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen (artikel 12) en
de hulpverlening door de politie (artikel 13, tweede lid). Daarbij is in de regel de Ambts- en geweldin-
structie KPNA als uitgangspunt genomen. In bepaalde gevallen is aangesloten bij de Ambtsinstructie
voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en het Uitvoeringsbe-
sluit Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit uitvoeringsbesluit is gebaseerd op de
Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (na de transitie genaamd: Rijkswet Kust-
wacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eusta-
tius en Saba).
Uit de aard van de onderwerpen ‘het gebruik van geweld’ en ‘het aanleggen van handboeien’ volgt
dat het wenselijk is dat deze ambtsinstructie over deze onderwerpen zo volledig mogelijke regeling
bevat. Daarmee is niet alleen de onderlinge samenwerking tussen de landen op het terrein van de
politie en de onderlinge uitwisseling tussen de politiekorpsen gediend, zoals dit is neergelegd in de
Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en
Sint Maarten van 2 november 2006. Ook de rechtszekerheid voor de betrokken ambtenaar op wie deze
ambtsinstructie van toepassing is alsmede voor de burgers is hiermee gewaarborgd.
Ambtenaren
De ambtsinstructie is van toepassing op de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3 van de rijkswet,
en op de buitengewoon agent van politie (artikel 10, tweede lid, van de rijkswet).
Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt daarnaast dat de ambtsinstructie van toepassing is op de
militair van de Koninklijke marechaussee die optreedt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
en de militair van enig onderdeel van de krijgsmacht die op grond van de rijkswet bijstand verleent
aan de politie, voor zover zij beschikken over de bevoegdheden van ambtenaren van politie aange-
steld voor de uitvoering van de politietaak. Dit is geregeld in artikel 11, vierde lid, van de rijkswet.
Grondrechten
De artikelen in de hoofdstukken 3, 4 en 6 in de ambtsinstructie raken diverse grondrechten. Het betreft
met name de grondrechten:
– het recht van ieder op eerbiediging van zijn persoonlijke levensfeer;
– het recht op onaantastbaarheid van het lichaam;
– buiten de gevallen bij of krachtens landsverordening of de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid
worden ontnomen.
Deze grondrechten zijn onder meer neergelegd in de artikelen 3, 5 en 8 van het Verdrag tot bescher-
ming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts zijn voornoemde grondrech-
ten ook neergelegd in de artikelen 10, 11 en 15 van de Staatsregeling van Curaçao, de artikelen 13, 14
en 19 van de Staatsregeling van Sint Maarten en de artikelen 10, 11 en 15 van de Grondwet. Op grond
van voornoemde artikelen is een beperking van deze grondrechten toegestaan. Gelet op de gehan-
teerde formulering in deze artikelen in de Staatsregelingen en de Grondwet ‘bij of krachtens landsver-
ordening’ of ‘bij of krachtens de wet’ is daarbij delegatie mogelijk, mits daarvoor een formeel-
wettelijke grondslag aanwezig is. Artikel 13 van de rijkswet biedt voor het beperken van deze
grondrechten in de ambtsinstructie de formeel-wettelijke grondslag.
10 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Bij de beoordeling of een beperking van een grondrecht toelaatbaar is, is de afweging gemaakt of de
aard van het geweldmiddel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het geweld-
middel dient in verhouding te staan tot de situatie waarin of de omstandigheden waaronder het
gebruik ervan geoorloofd wordt geacht. Zo is het gebruik van een vuurwapen waarmee geen
automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven slechts geoorloofd indien
sprake is van een vuurwapengevaarlijke verdachte, de aan te houden verdachte verdacht wordt van
een ernstig strafbaar feit of sprake is van oproerige bewegingen (artikel 11).
Ook bij de voorschriften voor het aanleggen van handboeien en het gebruik van hulpmiddelen ten
behoeve van de feitelijke verwijdering van vreemdelingen is de afweging gemaakt of de aard van het
middel in verhouding staat tot de situatie waarin of de omstandigheden waaronder het gebruik
geoorloofd wordt geacht.
De voorschriften in de ambtsinstructie ontslaan de individuele ambtenaar er niet van om in een
concreet geval de proportionaliteit en subsidiariteit van zijn optreden af te wegen.
Geweld
Hoofdstuk 3 van de ambtsinstructie bevat nadere voorschriften omtrent de uitoefening van de
bevoegdheid tot geweldgebruik. De bevoegdheid tot geweldgebruik is neergelegd in artikel 13, eerste
lid, van de rijkswet.
In artikel 13 van de rijkswet zijn naast de bevoegdheid tot geweldgebruik de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit opgenomen. Verder is in dat artikel bepaald dat aan het gebruik van geweld zo
mogelijk een waarschuwing voorafgaat. In de ambtsinstructie is nader geregeld in welke situaties en
op welke wijze geweld mag worden gebruikt.
In navolging van de in Nederland geldende ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaus-
see en de buitengewoon opsporingsambtenaar1 zijn geen regels opgenomen met verwijzing naar
noodweer. Deze verwijzing was wel opgenomen in de Ambts- en geweldinstructie KPNA. De ambte-
naar, bedoeld in deze ambtsinstructie, kan zich, evenals iedere andere burger, bij het begaan van een
feit, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed
tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding beroepen op de strafuitsluitingsgrond noodweer.
De artikelen in de ambtsinstructie laten de werking van noodweer, zoals dat is neergelegd in het
Wetboek van Strafrecht van elk van de landen, onverlet, zodat de verwijzing daarnaar niet nodig is en
zelfs beter achterwege kan blijven om te voorkomen dat de jurisprudentie in strijd kan komen met een
regeling van geweldgebruik op grond van de rijkswet. Het vermijdt ook de noodzaak artikelen in deze
ambtsinstructie te interpreteren in het licht van de jurisprudentie over noodweer.
Uitdrukkelijk wordt benadrukt dat het weglaten van de verwijzing naar noodweer niet inhoudt dat een
ambtenaar in een situatie van noodweer zijn vuurwapen niet zou mogen gebruiken. Artikel 13, eerste
lid, van de rijkswet geeft de ambtenaar de bevoegdheid geweld te gebruiken bij de uitvoering van zijn
taak, terwijl dit geweldgebruik in de ambtsinstructie nader wordt uitgewerkt en met waarborgen
omkleed. Hieruit volgt dat de ambtenaar die – met inachtneming van de in de rijkswet gestelde eisen
van proportionaliteit en subsidiariteit – geweld gebruikt, rechtmatig handelt in het kader van zijn
taakuitoefening en zonodig in een strafrechtelijke context naast een beroep op noodweer een beroep
kan doen op een (buitenwettelijke ) strafuitsluitingsgrond.
Maritieme rechtshandhaving
De Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, na de staatkundige transitie van
toepassing op Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba en alsdan genaamd de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten
alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is een samenwerkingsverband
tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba voor de maritieme rechtshandhaving. De rijks-
wet stelt de Kustwacht in en geeft de grondslag voor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijken
van deze dienst. De Kustwacht is op grond van de rijkswet belast met opsporings- en toezichthou-
dende taken alsmede met dienstverlenende taken, welke in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag
worden uitgevoerd. De toezichthoudende en opsporingstaken omvatten onder meer de algemene
politietaken en de maritieme grensbewaking. Deze taken worden uitgevoerd in de binnenwateren en
territoriale zee van de Nederlandse Antillen en Aruba (na de staatkundige transitie de wateren van
Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede de openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba) en de
aansluitende zonde en het overige zeegebied in de Caribische zee alsmede het luchtruim daarboven.
1
Zie het kabinetsstandpunt op het rapport van de commissie bezinning op het geweldgebruik door de politie (Kamerstukken II,
1992/93, 22 801, nr. 9, blz. 3–4) en de nota van toelichting bij de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en
de buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 275, blz. 12–13).
11 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Aan de Kustwacht komt het primaat toe voor de uitvoering van de algemene politietaken in het
maritieme domein. Voor zover daarbij raakvlakken zijn met de politietaken van de ambtenaren van
politie op het land, vindt tussen de Kustwacht enerzijds en het politiekorps of de politiekorpsen
nauw overleg en samenwerking plaats.
Op grond van voornoemde rijkswet is de commandant van een kustwachtschip en de door hem
aangewezen opvarenden bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van bevoegdheden ter uitvoering
van de taken van de Kustwacht, geweld te gebruiken (artikel 10). Bij algemene maatregel van
rijksbestuur, het Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zijn regels gesteld over het gebruik van geweld.
Indien de ambtenaar van politie aan boord is van een kustwachtschip, is hij aan te merken als een
opvarende in de zin van die rijkswet en zijn de in voornoemd Uitvoeringsbesluit opgenomen regels
over het gebruik van geweld van toepassing.
In de daarbuiten vallende situatie dat de ambtenaar van politie in de rechtmatige uitoefening van zijn
taak geweld zou willen gebruiken tegen een vaartuig, geeft de voorliggende ambtsinstructie regels
over het gebruik van geweld. Te denken is aan de situatie dat een op het land bevindende politieamb-
tenaar een persoon wil aanhouden die zich aan boord van een vaartuig bevindt en ten aanzien van die
persoon redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd
vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. Benadrukt wordt dat, net als bij het
schieten op rijdende auto’s, in beginsel het schieten op vaartuigen en luchtvaartuigen wordt ontraden.
De reden hiervoor is de geringe kans op succes om het vervoermiddel tot stilstand te brengen, naast
een relatief hoog risico voor het raken van inzittenden, dan wel andere aanwezige personen door
projectielen die via het vervoermiddel afdwalen. Voor een expliciet verbod is evenwel niet gekozen. Er
kunnen zich immers situaties voordoen waarbij het gebruik van een vuurwapen tegen een dergelijk
vervoersmiddel niet geheel moet worden uitgesloten. De voorliggende ambtsinstructie, in samenhang
met de aan de ambtenaar ter beschikking gestelde wapens, geeft een kader voor het gebruik van
geweld in deze situaties. Afzonderlijke artikelen over maritieme rechtshandhaving, zoals opgenomen
in hoofdstuk III van de Ambts- en Geweldinstructie KPNA, zijn dan ook niet noodzakelijk.
Voorbereiding van de ambtsinstructie
De ambtsinstructie is grotendeels voorbereid in de Projectgroep rechtspleging, rechtshandhaving en
constitutionele zaken (PRRC). Deze ambtelijke projectgroep bestaat uit afgevaardigden van de
Nederlandse Antillen, Curaçao, Sint Maarten en Nederland. De ambtsinstructie is door de PRRC
voorgelegd aan de korpsen die met ondersteuning van de Nederlandse politie bouwtekeningen
ontwikkelen voor de nieuwe korpsen.
Afstemming op politiek niveau vond plaats in de politieke stuurgroep staatkundige hervorming.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1 Algemene bepaling
Artikel 1
Voor zover niet reeds in de rijkswet voorzien is in begripsbepalingen zijn deze in dit artikel opgeno-
men.
Ambtenaar
Onder 1 wordt tot uitdrukking gebracht wie als ambtenaar als bedoeld in deze ambtsinstructie wordt
bedoeld. Niet voor alle ambtenaren is gehele ambtsinstructie van toepassing. Zo strekt de ambtsin-
structie zich voor de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet, niet uit tot
hoofdstuk 3. Deze ambtenaar is immers niet aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en
derhalve ingevolge artikel 13, eerste lid, van de rijkswet niet bevoegd tot het gebruik van geweld.
Voorts is voor degene die is benoemd tot aspirant de ambtsinstructie alleen van toepassing voor de
duur dat hij de praktijkstage volgt.
Geweld
Onder geweld wordt in de ambtsinstructie verstaan elke dwangmatige kracht van meer dan geringe
betekenis uitgeoefend op personen of zaken. Onder het aanwenden van geweld wordt mede begre-
pen: het dreigen met geweld.
Onder geweld wordt niet alleen verstaan het gebruik van fysiek geweld. Ook psychologisch en verbaal
geweld kan onder omstandigheden worden aangemerkt als geweld in de zin van de ambtsinstructie.
12 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Wat betreft fysiek geweld kan het gaan om een fysieke kracht die moet worden uitgeoefend om een
persoon een bepaalde handeling te doen verrichten die hij niet wil verrichten of om een persoon een
bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Meer dan geringe betekenis impliceert dat bijvoor-
beeld het aanleggen van handboeien zonder dat betrokkene daartegen uitdrukkelijk fysieke weerstand
biedt, geen geweld is in de zin van de ambtsinstructie. Gebruik van handboeien bij weerspannigheid
van de arrestant, waardoor de boeien met dwang moeten worden omgelegd, valt echter wel onder
geweld. Verbaal en psychologisch geweld vallen evenmin onder geweld in de zin van de ambtsinstruc-
tie.
Overigens zij opgemerkt dat het gebruik van fysiek geweld wel onder het begrip geweld valt, maar niet
onder het begrip geweldmiddel.
Aanwenden van geweld
Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan het gebruik van alsmede het dreigen met geweld. In
de ambtsinstructie bestaat de mogelijkheid voor de ambtenaar om het vuurwapen ten behoeve van
zijn eigen veiligheid ter hand te nemen. Door onder het aanwenden van geweld ook het ter hand
nemen van een vuurwapen te verstaan, geldt ook hiervoor dat de in de ambtsinstructie opgenomen
meldingsplicht van toepassing is. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om gegevens volledig beschikbaar
te krijgen voor de toetsing van dit geweldgebruik. Deze informatie kan wordt gebruikt voor de
opleiding en training van de desbetreffende ambtenaren.
Geweldmiddel
In de rijkswet wordt in artikel 42 voorgeschreven dat de landen een onderlinge regeling treffen
houdende regels voor de uitrusting van ambtenaren van politie. Deze regels worden in elk van de
landen vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van
bestuur. Onder de uitrusting wordt in artikel 42 verstaan de zaken waarover de politieagent beschikt in
verband met de uitoefening van zijn taak, zoals handboeien, koppel, bewapening en uitmonstering.
Met geweldmiddel wordt in de ambtsinstructie bedoeld de bij laatst genoemde onderlinge regeling
toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend.
Artikel 42 van de rijkswet ziet niet op de militairen van de krijgsmacht die op Bonaire, Sint Eustatius en
Saba politietaken kunnen uitvoeren. Hiervoor geldt dat door de Minister van Defensie de uitrusting
waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 11
van de rijkswet, ter beschikking wordt gesteld.
Hoofdstuk 2 Ambtsuitvoering in elk van de landen
Bij alle artikelen in dit hoofdstuk is grotendeels aangesloten bij de Ambts- en Geweldinstructie KPNA.
Artikel 2
Het artikel geeft in algemene bewoordingen aan dat de ambtenaar zich dient te onthouden van
gedragingen, waardoor aan de goede naam van het politiekorps afbreuk wordt gedaan. Hiermee
wordt de integriteit van de ambtenaar mede tot uitdrukking gebracht. Het sluit aan bij artikel 45,
tweede lid, van de rijkswet. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van laatst genoemd
artikel is het aan het (op grond van het eerste lid bij landsverordening of wet aangewezen) gezag om
een integriteitsbeleid te voeren dat gericht is op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en dat in
ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitsbewustzijn en aan het voorkomen
van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie.
Artikel 3
In dit artikel is aangegeven in welke gevallen de ambtenaar in uniform gekleed op militaire wijze de
groet geeft. Het wordt aan elk van de landen overgelaten om eventueel bijzondere voorschriften
hieromtrent te stellen.
Artikel 4
Net als bij artikel 3 wordt met dit artikel de integriteit van de ambtenaar tot uitdrukking gebracht.
De wapens die door de ambtenaar worden gedragen, zijn voorgeschreven in de onderlinge regeling
op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet dan wel in de aanvullende regels op grond van het
tweede lid van dat artikel.
13 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Artikel 5
De ambtenaar is verplicht zich te legitimeren tijdens de uitoefening van de dienst. Daarbij maakt hij
gebruik van een door de afzonderlijke landen zelf voorgeschreven politielegitimatiebewijs. De
ambtenaar wordt in de regel geacht bij de uitvoering van zijn werkzaamheden herkenbaar te zijn. Voor
ambtenaren in uniform volgt de herkenbaarheid reeds uit het politie-uniform. Door op te nemen dat
een ambtenaar in uniform op verzoek een politielegitimatiebewijs toont, wordt de mogelijkheid van
misbruik van het politie-uniform beperkt.
Met het oog op een goede relatie tussen de politie en publiek is het gewenst dat een ambtenaar die in
burgerkleding optreedt als herkenbare individu optreedt en dat hij zich daarom ongevraagd aan het
publiek legitimeert. Dit geldt niet indien bijzondere omstandigheden legitimatie onmogelijk maken.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake als heimelijk opsporingsbevoegdheden worden toegepast of als bij het
optreden van een arrestatieteam snelheid is geboden.
Dit artikel laat onverlet dat in andere wettelijke regelingen van elk van de landen een ander voorschrift
omtrent legitimatie worden gegeven.
Artikel 6
Voor het goed kunnen functioneren als ambtenaar is het noodzakelijk dat hij zich voortdurend
bekwaamt in kennis met betrekking tot zijn taken. Het is aan de korpsbeheerder van de afzonderlijke
landen dan wel de directeur van de gemeenschappelijke voorziening, voor zover het betreft een
ambtenaar van politie van de gemeenschappelijke voorziening, om hierop toe te zien en dit te
bevorderen. Dit artikel houdt verband met de onderlinge regeling op grond van artikel 41, eerste lid,
van de rijkswet. Bedoelde onderlinge regeling bevat kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsver-
eisten voor ambtenaren van politie. Die onderlinge regeling dient overigens ook in acht te worden
genomen bij de door de afzonderlijke landen te stellen eisen van bekwaamheid, geschiktheid en
betrouwbaarheid van de buitengewoon agenten van politie (artikel 10, vierde lid, van de rijkswet).
Naast het bekwamen in de kennis met betrekking tot zijn taken dient de ambtenaar zich ook voortdu-
rend op de hoogte te stellen van de geldende regelingen.
De eis van bekwaamheid in het gebruik van een geweldmiddel is afzonderlijk in artikel 9 neergelegd.
Artikel 7
In elk van de landen is in het Wetboek van Strafvordering opgenomen aan welke eisen het opstellen
van een proces-verbaal dient te voldoen.
Dit artikel voorziet erin dat de ambtenaar tegen een verdachte zo mogelijk mededeling doet van het
feit tegen hem een proces-verbaal wordt opgemaakt. Het spreekt voor zich dat als de verdachte niet
feitelijk aanwezig is, een dergelijke mededeling niet nodig is.
Artikel 8
In het eerste en tweede lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar ook buiten dienst
bepaalde verplichtingen draagt. Het sluit aan bij de in artikel 76, derde lid, van het Besluit rechtspositie
Korps Politie Nederlandse Antillen (en artikel 59 van het Besluit algemene rechtspositie regionale
politie) opgenomen voorschrift dat de ambtenaar zich niet kunnen beroepen op de omstandigheid dat
zij niet in dienst zijn in die gevallen waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.
Deze artikelleden strekken niet zover dat de ambtenaar altijd in functie dient te zijn.
Hoofdstuk 3 Geweld
§ 1 Algemeen
In deze ambtsinstructie is er uitdrukkelijk voor gekozen een verwijzing naar de strafuitsluitingsgrond
noodweer niet op te nemen. Voor een toelichting hierop zij verwezen naar het algemeen deel van de
toelichting, onder het kopje ‘Geweld’.
Artikel 9
Algemeen uitgangspunt voor het gebruik van geweld is dat er op een verantwoorde wijze met
geweldmiddelen wordt omgegaan. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de rijkswet treffen de
landen een onderlinge regeling over de uitrusting van de ambtenaren van politie. Artikel 42, tweede
14 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
lid, biedt de mogelijkheid voor elk van de landen om over de uitrusting van de ambtenaren van politie
aanvullende regels te stellen.
Uitdrukkelijk zij erop gewezen dat artikel 9 van de ambtsinstructie niet het gebruik dekt van een
geweldmiddel voor een ander doel dan waarvoor het geweldmiddel is toegekend.
In onderdeel b wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar in het gebruik van het geweldmiddel
geoefend moet te zijn. Regels omtrent het oefenen en de toetsing van de geweldbeheersing zijn voor
wat betreft de politieambtenaren neergelegd in de onderlinge regeling op grond van het eerste lid van
artikel 41 van de rijkswet, dan wel in regelgeving van de afzonderlijke landen op basis van het tweede
lid van dat artikel.
Artikel 10
Indien een ambtenaar, zowel in gesloten verband als niet in gesloten verband, onder leiding van een
ter plaatse meerdere optreedt, bepaalt de meerdere het geweldmiddel en het tijdstip waarop dit wordt
aangewend. Uit het gebruik van het begrip ‘aanwenden van geweld’ volgt dat in beginsel ook een last
van de meerdere vereist is bij het dreigen met geweld en het ter hand nemen van een vuurwapen.
Voor de ambtenaar zelf blijft gelden dat de mate waarin het middel wordt aangewend de grenzen van
redelijkheid en gematigdheid niet mag overschrijden (artikel 13, vijfde lid, van de rijkswet).
De meerdere bepaalt in het algemeen wanneer de aanwending van het geweld moet worden
beëindigd. Dit ontslaat de ambtenaar niet van de plicht om, ook zonder bevel, de aanwending van het
geweld te stoppen zodat het daarmee beoogde doel is bereikt.
De meerdere kan vooraf instructies geven en tolerantiegrenzen aangeven om de ambtenaar de nodige
armslag te geven naar eigen inzicht te handelen. In dat geval is op grond van het tweede lid, onder a,
geen uitdrukkelijke last vereist.
In het tweede lid, onder b, is een verwijzing naar artikel 12, eerste lid, opgenomen. Zoals is aangege-
ven in het algemeen deel van de toelichting, zal de ambtenaar ook zonder uitdrukkelijke last van de
meerdere geweld kunnen aanwenden indien sprake is van een noodzakelijke verdediging van eigen of
eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (noodweer).
Indien de ambtenaar zijn vuurwapen ter hand neemt, omdat hij redelijkerwijs mag aannemen dat een
situatie ontstaat waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken, zal dit geweldgebruik echter niet
altijd met een beroep op noodweer gerechtvaardigd kunnen worden. Gebruik van een vuurwapen,
niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden
afgegeven, is sprake in geval van een vuurwapengevaarlijke verdachte (artikel 11, eerste lid, onder a)
of een vluchtgevaarlijke verdachte van of veroordeelde voor een ernstig misdrijf (artikel 11, eerste lid,
onder b). Op dat moment is veelal nog geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke
aanranding in de zin van noodweer. Omdat een uitdrukkelijke last van een meerdere in verband met
de veiligheid van de ambtenaar of een derde in die gevallen ook buiten noodweer niet altijd afgewacht
zal kunnen worden, is het tweede lid, onder b, opgenomen.
Ter verduidelijking de volgende casus. Een ambtenaar, optredend onder leiding van een ter plaatse
aanwezige meerdere, ontvangt informatie op grond waarvan hij redelijkerwijs mag aannemen dat hij
in een situatie terecht zal komen waarin het geoorloofd is zijn vuurwapen te gebruiken, bijvoorbeeld
om een vuurwapengevaarlijke persoon aan te houden. Omwille van zijn eigen veiligheid wil hij zijn
vuurwapen alvast ter hand nemen. Indien de situatie ter plaatste dusdanig is dat de ambtenaar een
last van zijn meerdere in redelijkheid niet kan afwachten alvorens hij het wapen ter hand neemt, kan
de ambtenaar zijn vuurwapen direct en dus zonder last ter hand nemen. De ambtenaar hoeft in een
dergelijk geval niet eerst de afweging te maken of hij een last nodig heeft of niet. Het tweede lid, onder
b, laat onverlet dat de ambtenaar, buiten noodweer, alleen van zijn vuurwapen ook daadwerkelijk
gebruik mag maken in opdracht van zijn meerdere.
§ 2 Vuurwapens
Artikel 11
Het gaat hier om het handvuurwapen en niet een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange
afstandsprecisievuur kan worden afgegeven. Voor het gebruik van laatst genoemde vuurwapens
gelden afzonderlijke gebruiksregels.
Eerste lid, onder a
Ongeacht de ernst van het strafbare feit dat is gepleegd, mag met gebruikmaking van het vuurwapen
iemand worden aangehouden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor
onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. De
potentiële dreiging wordt in dat geval zo groot geacht dat deze het gebruik van een vuurwapen
rechtvaardigt.
15 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
Wat betreft de confrontatie met andere levensbedreigende situaties dan die waarin de dreiging
gevormd wordt door een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen, behoeft de ambtsinstruc-
tie geen aparte bevoegdheid voor het gebruik van het vuurwapen. In het geval van een noodweersitu-
atie bij bijvoorbeeld dreiging met een mes, een bijl, een injectiespuit of andere gevaarlijke voorwerpen
is na afweging van de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit vuurwapengebruik mogelijk en kan
een beroep worden gedaan op de strafuitsluitingsgrond noodweer.
Indien geen sprake is van noodweer wordt ervan uitgegaan dat de ambtenaar andere middelen dan
het gebruik van het ingrijpende middel van een vuurwapen hanteert. Andere gevaarlijke voorwerpen
zijn niet gelijk te stellen met het vuurwapen. Indien buiten de omstandigheden van dit onderdeel
vuurwapengebruik ook bij andere gevaarlijke voorwerpen zonder meer zou zijn toegestaan, dan wordt
de mogelijkheid van dat gebruik opgerekt zonder dat dit om redenen van veiligheid van de ambtenaar
direct noodzakelijk is.
Het gebruik van de pepperspray kan, mits voldaan aan de algemene eisen van proportionaliteit en
subsidiariteit en de in deze ambtsinstructie gestelde voorschriften, bij gevaarlijke voorwerpen ander
dan een vuurwapen geoorloofd zijn.
Van belang is dat de landen bevorderen dat bij de opleiding en de instructie ter zake het accent wordt
gelegd op technieken van aanhouding en benadering alsmede op het tactisch optreden.
Eerste lid, onder b
Het gebruik van een vuurwapen is toegestaan om een persoon aan te houden die zich aan zijn
aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft
onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een zogenoemd
ernstig misdrijf. Op grond van het vierde lid wordt onder het plegen van dit misdrijf mede begrepen
de poging daartoe en de deelnemingsvormen.
Dit zogenoemd ‘ernstig misdrijf’ is in dit onderdeel nader geobjectiveerd. Aangesloten is bij de
voorwaarde ten aanzien van het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis dat sprake is van
verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of
meer is gesteld.
Niet bij alle delicten met een strafbedreiging van vier jaren of meer is vuurwapengebruik evenwel
toegestaan. Er moet sprake zijn van misdrijven waarbij sprake is van een ernstige aantasting van de
lichamelijke integriteit (bijvoorbeeld een gewapende roofoverval een zwaar zedendelict of gijzeling) of
tegen de persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld diefstal met geweld).
Voorts kunnen ook delicten die worden bedreigd met een gevangenisstraf van vier jaren of meer en
waarbij het niet gaat om een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke
levenssfeer, onder de delicten vallen waarbij het gebruik van het vuurwapen gerechtvaardigd kan zijn.
Het gaat dan om een delict dat door zijn (mogelijke) gevolg bedreigend is voor de samenleving. Hierbij
wordt gedacht aan explosieven- of drugstransport.
Door de landen wordt bij de opleiding en training van de betrokken ambtenaar aan de omstandighe-
den waaronder het gebruik van het vuurwapen, bedoeld in dit onderdeel, is toegestaan vanzelfspre-
kend uitvoerig aandacht besteed.
Eerste lid, onder c en d
Deze onderdelen zijn opgenomen om het vuurwapengebruik bij optreden in gesloten verband aan een
apart regime te onderwerpen. Als voorwaarden zijn gesteld dat er een uitdrukkelijke opdracht is van
het bevoegd gezag en dat in gesloten verband wordt opgetreden onder leiding van een meerdere. Dit
brengt mee dat artikel 10 van de ambtsinstructie mede van toepassing is.
Het bevoegd gezag is in dit verband de Minister van Justitie van Curaçao, de Minister van Justitie van
Sint Maarten en op Bonaire, Sint Eustatius respectievelijk Saba de gezaghebber. Mede gelet op de met
de verstoring van de openbare orde gepaard gaande strafbare feiten, zal de beslissing tot gebruik van
het vuurwapen als bedoeld in deze onderdelen door voornoemd bevoegd gezag in overleg met
procureur-generaal worden genomen (artikel 16, eerste lid, van de rijkswet). Voor Bonaire, Sint Eusta-
tius en Saba is voor de militair van de Koninklijke marechaussee het bevoegd gezag bij het beteugelen
van militaire woelingen, muiterij of militaire oproer de Minister van Defensie dan wel de officier van
justitie belast met militaire zaken.
Tweede lid
Het gebruikt van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange
afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermidde-
len. Onder vervoermiddelen vallen ook vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich
personen bevinden. Wat betreft het gebruikt tegen rijdende auto’s, vaartuigen en luchtvaartuigen
wordt benadrukt dat het schieten daarop in beginsel wordt ontraden. Verwezen zij naar de uiteenzet-
16 Staatscourant 2010 nr. 11406 21 juli 2010
ting in het algemeen deel van deze toelichting onder ‘maritieme rechtshandhaving’.
Derde lid
Het gebruik van een vuurwapen als b