- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Validiteit onderzoeken rondom draagvlak Olympische Spelen en advies voor vervolg
| Datum publicatie: | 2010-08-30 |
| Organisaties: | |
| Dossier: |
Validiteit onderzoeken rondom draagvlak Olympische Spelen en advies
voor vervolg
Annet Tiessen-Raaphorst, Ineke Stoop en Jos de Haan
Sociaal en Cultureel Planbureau
januari 2010
In de afgelopen jaren zijn vijf peilingen naar het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor het
organiseren van de Olympische Spelen in 2028 (OS2028) in Nederland gehouden. Deze peilingen
komen tot verschillende schattingen van het draagvlak: 50% tot 84% van de bevolking zou voor de
OS2028 in Nederland zijn. Het ministerie van VWS directie sport heeft het SCP verzocht een
uitspraak te doen over de validiteit van deze metingen en een advies te geven hoe metingen naar het
draagvlak voor de OS2028 in de nabije toekomst aan te pakken. Uit onderzoek naar
dataverzamelingsmethoden (zie ook de recente SCP -publicatie Sporten gemeten (Breedveld en
Tiessen-Raaphorst 2009)) blijkt dat onderzoeksresultaten afhangen van de vraag bij wie wordt
gemeten (veldwerk, steekproef, nonrespons), hoe wordt gemeten (mondeling, internet) en wat precies
wordt gevraagd. Hieronder wordt op deze aspecten ingegaan.
Overzicht van de vijf onderzoeken
De vijf peilingen zijn tussen juni 2006 en oktober 2009 uitgevoerd door vijf verschillende
onderzoeksbureaus. Dit laatste geeft al aan dat de kans op vergelijkbaarheid van de resultaten beperkt
zal zijn: ieder bureau heeft zijn eigen onderzoeksdesign en de kans dat iedere keer dezelfde vraag
gesteld zal worden aan respondenten is bij voorbaat klein. Dit blijkt ook uit een vergelijking van de
verschillende onderzoeken (zie bijlage).
Een kort overzicht van overeenkomsten/verschillen:
Dataverzameling
De eerst vier peilingen zijn uitgevoerd bij online panels, de laatste (Duodecim) is een compilatie
van verschillende lokale (telefonische) onderzoeken. Dit laatste onderzoek is daarmee zeker niet
representatief voor de Nederlandse bevolking en niet te vergelijken met de andere peilingen. Ook het
uitvoeren van peilingen bij verschillende online panels heeft consequenties. Ten eerste is uit eerder
onderzoek gebleken dat verschillende panels op verschillende manieren worden samengesteld en
daardoor tot verschillende resultaten kunnen leiden (zie Vonk, Van Ossenbruggen en Willems, 2008).
Ten tweede hebben niet alle Nederlanders toegang tot internet. Vooral ouderen zijn
ondervertegenwoordigd. Ten derde is bij online panels vrijwel nooit sprake van een random
steekproef. Mensen kunnen zichzelf aanmelden, of worden gevraagd mee te doen na het afronden van
een ander onderzoek. De uiteindelijke respons is vaak heel laag. Tenslotte hebben deelnemers aan
online panels ervaring met het invullen van enquêtes en zou je kunnen verwachten dat ze meer dan
gemiddeld geïnteresseerd zijn in de samenleving (of stellen ze de beloningen op prijs). Dit alles
betekent dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de deelnemers aan online panels de
Nederlandse bevolking vertegenwoordigen (zie ook Bethlehem, 2008). Bij alle peilingen is weliswaar
gewogen naar achtergrondkenmerken van de Nederlandse bevolking, maar weging kan nooit
garanderen dat wordt gecorrigeerd voor bovenstaande vertekeningen.
Het aantal respondenten bij de verschillende peilingen varieert tussen 726 en 1.230. Bij een random
steekproef zou dit genoeg moeten zijn om een goede schatting te geven van de mening van de
Nederlandse bevolking. Bij een online panel is dit afhankelijk van de kwaliteit van het panel. Of een
steekproef van rond de duizend groot genoeg is, hangt ook af van de vraag welke uitsplitsingen je wil
maken (jong/oud, arm/rijk, urbaan/ruraal, sportief/niet-sportief, etc.).
Vraagstelling en antwoordcategorieën
In ieder onderzoek is een andere vraag gesteld, waarbij de één vraagt naar een mening over de ambitie
om de spelen te organiseren, een ander specifiek NOC*NSF als aanjager noemt en een derde vraagt of
de respondent graag de Olympische Spelen in Nederland zou zien. De diversiteit van de vragen (maar
ook van de antwoordcategorieën) zal een belangrijke oorzaak zijn van de verschillende percentages.
Zo wordt in het MSI-ACI onderzoek de categorie ‘enigszins mee eens’ wel meegenomen in het
gepresenteerde percentage, terwijl dit in de Sportersmonitor niet gebeurd. Zou in dit laatste onderzoek
de categorie ‘enigszins mee eens’ ook meegenomen worden, dan wijkt het percentage al veel minder
af van de andere onderzoeken.
Bovendie n verschilt niet alleen de vraagstelling, maar ook de context waarin dit gebeurt verschilt.
Sommige vragenlijsten gaan geheel over sport, anderen hebben verschillende onderwerpen in één
vragenlijst of zelfs binnen één blok van vragen. Concluderend zou het pas verrassend zijn geweest
als er een overeenkomstig percentage uit de verschillende onderzoeken zou zijn gekomen.
Advies voor vervolg
Dataverzameling
Voor toekomstige metingen van het draagvlak onder Nederlanders voor de OS2028 is aan te bevelen
om de dataverzameling periodiek uit te laten voeren door hetzelfde onderzoeksbureau. Idealiter
worden de vragen gesteld aan een random steekproef uit de Nederlandse bevolking. Als dat niet
mogelijk is, zou een panel moeten worden gekozen waar het initiatief om mee te doen zoveel mogelijk
bij het onderzoeksbureau ligt, waar bekend is hoe lang mensen lid zijn van het panel, en waarbij de
kwaliteit wordt gemonitord en gerapporteerd. Incidenteel zou de kwaliteit van de resultaten getoetst
kunnen worden aan de uitkomsten van een random steekproef waaraan dezelfde vragen worden
gesteld. Een optie zou zijn aan te haken bij een langlopend onderzoek van het SCP (AVO of Culturele
Veranderingen).
Vraagstelling
In het voorgaande is geconcludeerd dat verschillende vraagstellingen verschillende percentages voor
het draagvlak opleveren. Wat is nu de beste vraag?
Vanuit de onderzoekskant bekeken is een directe concrete vraag het beste. De vraag zoals gesteld in
de Sportersmonitor zou daar een goed voorbeeld van zijn: ‘Ik zou graag zien dat de OS2028 in
Nederland worden gehouden.’ Ook de vragen van TNS-NIPO en Duodecim hebben een vergelijkbare
formulering: ‘Vindt u het een goed of slecht idee als Nederland in 2028 de Olympische Spelen
organiseert?’ Uit de antwoorden kan je natuurlijk nog steeds niet afleiden waarom mensen het een
goed idee vinden (sportief, economisch, nationalistisch), en je hebt dus ook geen idee welke
gebeurtenissen de mening zouden kunnen beïnvloeden.
De vragen zoals gesteld door peil.nl (‘moet Nederland zich inspannen om de OS naar ons land te
halen?’) en MSI-ACI (‘wat vindt u ervan dat het NOC*NSF de ambitie heeft de OS2028 naar NL te
halen?’) zijn vager en afstandelijker geformuleerd en de resultaten daarvan zullen een minder goed
beeld van het draagvlak onder de bevolking geven. Bovendien meten ze ook iets anders: inspanning,
of ambities van NOC*NSF.
Het is van belang iedere keer dezelfde vraagstelling te gebruiken. Daarbij dient men zich te realiseren
dat draagvlak verschillende dimensies kan hebben (vind men het leuk dat Nederland zich zo kan
manifesteren, ziet men het sportieve doel, is men bereid financiële of praktische offers te brengen?).
Vooraf zouden de verschillende dimensies in een klein kwalitatief onderzoek kunnen worden
geïdentificeerd. De uiteindelijke vraagstelling zou vooraf getest moeten worden. Waarschijnlijk komt
daaruit dat het draagvlak het best met een paar vragen gemeten kan worden, die ieder een verschillend
aspect meten. Incidenteel kan een dergelijke set met een actuele vraag worden uitgebreid.
Het is ook van belang zich te realiseren dat de context van een vraag de antwoorden kan beïnvloeden.
Vragen naar OS2028 deelname zal anders worden beantwoord in een vragenlijst over sport dan in een
vragenlijst over overheidsuitgaven. De context zal dus zoveel mogelijk gelijk gehouden moeten
worden.
Referenties
Bethlehem J. Representativity of web surveys – an illusion? In: Stoop I, Wittenberg M (eds.) (2008)
Access panels and online research, panacea or pitfall? Proceedings of the DANS Symposium,
Amsterdam, 2006. DANS Symposium Publications 4. Amsterdam: Aksant Academic Publishers,
2008, pp. 19-44.
Breedveld, K. en A. Tiessen-Raaphorst (red.) (2009). Sporten gemeten. Den Haag: Sociaal en
Cultureel Planbureau/ W.J.H. Mulier Instituut.
Vonk T, Ossenbruggen R. van, Willems P. (2008) A comparison study across 19 online panels
(NOPVO 2006). In: Stoop I, Wittenberg M (eds.) Access panels and online research, panacea or
pitfall? Proceedings of the DANS Symposium, Amsterdam, 2006. DANS Symposium
Publications 4. Amsterdam: Aksant Academic Publishers, 2008, pp. 53-77.
onderzoeksb momen vraag gepresenteer antwoord- uitsplitsingen bron/panel aantal leeftijd steekproef methode weging type enquête vraag onderdeel opdracht
ureau t d resultaat categorieën respon- (sport of van sportblok of gever
peiling draagvlak denten algemeen) algemeen
'voor OS' (%) meningenblok
TNS-NIPO jun-06 Vindt u het een goed 57% 5 pts. zeer Zeer goed: 25% TNS NIPO 985 18+ Ja, Panel TNS Ideaalcijfers Onderdeel van een Meerdere vragen TNS
of slecht idee als goed/tamelijk goed/ Tamelijk goed: 32% base CASI representatief NIPO Base voor genoemde trendmeting, over de
Nederland in 2028 de tamelijk slecht/ zeer Tamelijk slecht: 16% voor geslacht, heeft variabelen, waarin bont palet Olympische Spelen
Olympische Spelen slecht/weet niet Zeer slecht: 11% leeftijd, regio, vragenlijst deels afkomstig aan onderwerpen
organiseert? Weet niet: 16% opleidingsnive online uit eigen de revue passeert.
au, ingevuld observatie
gezinsgrootte (politiek) en
en politiek deels afkomstig
stemgedrag van het CBS
peil.nl aug-08 Er zijn initiatieven om 50% ja/nee/weet niet, ? zelf ? ? ? internet ja ? ?
(Maurice de Nederland voor 2028 geen mening aangemeld
Hond) te kandideren voor de panel met
Olympische Spelen. steekproef
Vindt u dat Nederland daaruit
zich moet inspannen
om die Olympische
Spelen naar ons land
toe te halen?
Sportersmonit okt-08 Ik zou graag zien dat 63% 5 pts: helemaal mee 31 % helemaal GfK 2.465 15-80 20.000 -> internet ja, specifiek sport sportmeningen MI
1 de Olympische eens- helemaal mee /grotendeels mee ConsumerJury 5.700 voor subgroep blok
or MI
Spelen in 2028 in oneens eens Panel
Nederland worden 32% enigszins mee
gehouden eens
37% helemaal/
grotendeels mee
oneens
MSI-ACI feb-09 Wat vindt u ervan de 57% 5 pts: helemaal voor 34% helemaal voor zelf 865 18+ 125.000 internet geslacht en algemeen algemeen eigen
het NOC*NSF de - helemaal tegen 23% enigszins voor aangemeld panelleden in leeftijd aanbod
ambitie heeft de 26% geen mening panel NL en B voor N*N
Olympische Spelen in 8% enigszins tegen (alleen NL
2028 naar Nederland 9% helemaal tegen bevraagd)
te halen?
Duodecim okt-09 Vindt u het een goed 84% goed idee/ slecht ? kleinere 1.230 12-70 1432 mensen telefoon nee sport sportdeelname- eigen
of een slecht idee om idee onderzoeken jaar (respons onderzoek initiatief
in 2028 de op lokaal 83%)
Olympische Spelen in niveau
Nederland te (gemeente)
organiseren?
1
Daarnaast worden door het W.J.H. Mulier Instituut in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit metingen gedaan naar de relaties tussen topsport en nationale trots. In de periode 2008-2010 zijn 23
metingen verricht met mimaal 300 respondenten. Daaruit blijkt dat prestaties in de topsport (76%) het meest bijdragen tot gevoelens van nationale trots; meer dan bijvoorbeeld wetenschappelijke/technologische prestaties (73%), het systeem
van sociale zekerheid (61%), prestaties in kunst en cultuur (52%), de manier waarop de democratie werkt (50%), economische prestaties (50%) en de eerlijke/gelijkwaardige behandeling van groepen in de samenleving (39%). In de laatste 8
metingen is ook gevraagd naar de ambitie om de Olympische Spelen in 2028 naar Nederland te halen (54% vóór, 29% tegen, 17% geen mening). Vergelijkbare cijfers zijn in de laatste 4 metingen gevonden voor het draagvlak voor het WK
Voetbal in 2018/2022 in Nederland (55% vóór, 30% tegen, 16% tegen).
R:\Topsport\Top\Team Olympisch Plan\Parlementaire Zaken\Brief draagvlakonderzoek Olympische Spelen - bijlage SCP.docx
