- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Rapport Staatscommissie Grondwet
| Datum publicatie: | 2010-11-16 |
| Organisaties: | |
| Dossier: |
Rapport Staatscommissie Grondwet
Rapport
Staatscommissie Grondwet
Staatscommissie Grondwet
Dit is een uitgave van:
Staatscommissie Grondwet
www.rijksoverheid.nl
www.staatscommissiegrondwet.nl
November 2010
20975/2078-GMD
Rapport
Staatscommissie Grondwet
1
Voorwoord 5
Samenvatting 6
1 Inleiding 13
1.1 Opdracht van de Staatscommissie 13
1.2 Wat betekent ‘noodzaak tot wijziging’? 13
1.3 ‘Versterking van de Grondwet’ 14
1.4 Uitbreiding van de opdracht: aanvullende vragen 14
1.5 Afbakening van de opdracht 15
1.6 Periode van werkzaamheid 16
1.7 Opbouw van het rapport 16
Deel I
2 De betekenis van de Grondwet: waarborging van de democratische rechtsstaat 21
2.1 Inleiding 21
2.2 Wat is de betekenis van de Grondwet voor de burger? 21
2.3 Moet het normatieve karakter van de Grondwet worden versterkt? 24
2.4 Hoe kan de Grondwet aan betekenis winnen voor de burger? 26
3 Toegankelijkheid 28
3.1 Inleiding 28
3.2 Wat is toegankelijkheid? 28
3.3 Is de Grondwet voldoende toegankelijk? 28
3.4 Belang van toegankelijkheid van de Grondwet 29
3.5 Verbetering van de toegankelijkheid door wijzigingen van de tekst en structuur 30
3.6 Verbetering van de toegankelijkheid door voorlichting en educatie 33
4 Preambule en algemene bepaling 35
4.1 Inleiding 35
4.2 Kenschets van een preambule 35
4.3 Advies van de Staatscommissie: geen preambule maar een algemene bepaling 36
5 Constitutionele toetsing 43
5.1 Inleiding 43
5.2 Stand van zaken 43
5.3 Toetsingsverbod in het licht van versterking en betekenis van de Grondwet 46
5.4 Belang van toetsing voor onderdelen van de opdracht 48
Deel II
6 Beperkingssystematiek 53
6.1 Inleiding 53
6.2 De huidige systematiek van beperkingen van grondrechten 53
6.3 Advies Staatscommissie: handhaving en uitbreiding 54
6.4 Uitbreiding: inhoudelijke vereisten voor de beperking van grondrechten 54
6.5 Algemene aanvullende beperkingsclausule 55
2
7 Toevoeging van grondrechten aan de Grondwet 57
7.1 Inleiding 57
7.2 Verhouding tussen de opgenomen grondrechten in de Grondwet en de uit internationale
verdragen voortvloeiende rechten 57
7.3 Recht op een eerlijk proces en toegang tot de rechter 60
7.4 Het recht op leven 64
7.5 Andere fundamentele rechten 66
8 Grondrechten in het digitale tijdperk 67
8.1 Inleiding 67
8.2 Ontwikkelingen in digitalisering en recht 67
8.3 Afbakening opdracht van de Staatscommissie 68
8.4 Artikel 7 Grondwet (vrijheid van meningsuiting) 70
8.5 Artikel 10 Grondwet (eerbiediging persoonlijke levenssfeer en bescherming persoonsgegevens) 80
8.6 Artikel 13 Grondwet (vertrouwelijke communicatie) 85
8.7 Verkeersgegevens 89
8.8 Toegang tot documenten 90
9 Bestuurlijke boete 92
9.1 Verzoek aan de Staatscommissie 92
9.2 Advies van de Staatscommissie 92
Deel III
10 De betekenis van de Grondwet in een veranderende internationale rechtsorde 97
10.1 Inleiding 97
10.2 De adviesaanvraag aan de Staatscommissie 97
10.3 Ontwikkelingen in de internationale rechtsorde 99
10.4 Overzicht behandeling van de onderwerpen 102
10.5 Achtergrond en uitgangspunten 103
11 De ontwikkeling van de internationale en Europese rechtsorde 104
11.1 Inleiding 104
11.2 Bevordering van de internationale rechtsorde (artikel 90 Grondwet) 104
12 Parlementaire betrokkenheid 111
12.1 Inleiding 111
12.2 Goedkeuring van verdragen (artikel 91, lid 1, Grondwet) 111
12.3 Parlementaire betrokkenheid bij besluiten van internationale organisaties 113
12.4 Verdragen die van de Grondwet afwijken; het materiële aspect 115
12.5 Verdragen die van de Grondwet afwijken; het procedurele aspect 121
13 Internationaal en Europees recht in de Nederlandse rechtsorde 125
13.1 Inleiding 125
13.2 Nadere voorwaarden voor de werking en voorrang van het internationale recht (art. 94 Grondwet)? 125
13.3 Verduidelijking van de formulering van de artikelen 93 en 94 Grondwet 130
13.4 De toetsing aan ongeschreven internationaal gewoonterecht 132
3
14 Internationale ad hoc tribunalen 136
14.1 Inleiding 136
14.2 Opvatting regering 136
14.3 Opvatting Staatscommissie 137
15 Het verdrag van Tilburg 138
15.1 Inleiding 138
15.2 Opvatting Staatscommissie 138
Bijlagen
Bijlage I: Minderheidsstandpunten 143
Bijlage Ia: Verklaring van het lid Oomen met betrekking tot de toegankelijkheid van het proces
van besluitvorming en het eindproduct voor de burger (paragraaf 1.6) 143
Bijlage Ib: Minderheidsstandpunt van het lid Overkleeft-Verburg met betrekking tot een nieuw
grondrecht op bescherming van persoonsgegevens (paragraaf 8.5.9) 144
Bijlage Ic: Minderheidsstandpunt van het lid Overkleeft-Verburg met betrekking tot artikel 13
Grondwet (paragraaf 8.6.6) 149
Bijlage Id: Minderheidsstandpunt van het lid Overkleeft-Verburg met betrekking tot de opneming
van een ‘Europa’-bepaling in de Grondwet (paragraaf 11.3) 154
Bijlage II: Instellingsbesluit 158
Bijlage III: Samenstelling Staatscommissie Grondwet en secretariaat 161
Bijlage IV: Brief van Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Buitenlandse
Zaken inzake Wens Eerste Kamer inzake grondwettelijke grondslagen vestiging ad hoc
straftribunalen 162
Bijlage V: Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake motie-Kalma c.s.
en de motie-Schinkelshoek c.s. 164
Bijlage VI: Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake Kennisgeving
Kamerdebat Mediawet in relatie tot taak Staatscommissie 166
Bijlage VII: Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake Kennisgeving
van wens van de Eerste Kamer met betrekking tot de opdracht van de staatscommissie
(Verdrag van Tilburg) 167
Bijlage VIII: Lijst geraadpleegde experts 168
4
Voorwoord
Voor u ligt het rapport van de Staatscommissie Grondwet, dat gewijd is aan de
vraag of de Grondwet op onderdelen zou moeten worden aangepast.
De Staatscommissie Grondwet, ingesteld bij koninklijk besluit van 3 juli 2009, heeft
ruim een jaar de tijd gehad om zich te buigen over de onderwerpen waarover haar
advies is gevraagd. Zij is ervan overtuigd dat de Grondwet een solide basis vormt
voor de Nederlandse rechtsorde en dat dit zo moet blijven. De Grondwet is
belangrijk voor een ieder die zich op het grondgebied van Nederland bevindt. Zij
beschermt zijn fundamentele rechten en stelt regels om zijn vrijheid te beschermen
tegen willekeurige machtsuitoefening. Wel moet de Grondwet bij de tijd worden
gehouden. Daarvoor doet de Staatscommissie voorstellen.
Het rapport heeft een sterk juridisch karakter. Dat heeft te maken met het feit
dat de leden van de Staatscommissie merendeels afkomstig zijn uit de rechts-
wetenschap. De Staatscommissie heeft zich op verschillende manieren laten
informeren. Bijeenkomsten met experts hebben plaatsgevonden, deels op
initiatief van instellingen of organisaties die van gedachten wilden wisselen over
de relevantie van het werk van de Staatscommissie voor hun vakgebied, deels op
initiatief van de Staatscommissie zelf. Daarnaast hebben personen en instanties
ideeën aangedragen op de website van de Staatscommissie en is op haar verzoek
een studie verricht naar de reikwijdte van het beginsel van eerbiediging van de
menselijke waardigheid. Een lijst van personen en instanties die met de Staats-
commissie hebben meegedacht is aan het rapport gehecht. De Staatscommissie is
hun veel dank verschuldigd.
Het advies is niet op alle onderdelen unaniem. In voorkomende gevallen zijn de
uiteenlopende opvattingen van de leden in het rapport weergegeven. Zo is het
binnen de Staatscommissie gevoerde debat zichtbaar gemaakt.
De Grondwet moet niet alleen uit juridisch perspectief worden bezien. Hopelijk
kunnen de in het rapport genoemde overwegingen en aanbevelingen een bijdrage
leveren aan een bredere gedachtewisseling over het grondwettelijke bestel.
Wilhelmina Thomassen
Voorzitter Staatscommissie Grondwet
november 2010
5
Samenvatting
Het rapport van de Staatscommissie Grondwet bevat een advies aan de regering
om de Grondwet te wijzigen op een aantal met name genoemde onderdelen.1
Deel I
1.1 In het eerste deel van het rapport besteedt de Staatscommissie aandacht aan
de vraag waarom aanpassing van de Grondwet wenselijk is. 2 Er bestaat volgens
haar geen noodzaak tot wijziging van de Grondwet, maar van belang is wel dat
deze ‘bij de tijd’ wordt gehouden. De samenleving heeft in de laatste tientallen
jaren belangrijke veranderingen doorgemaakt. Te denken is aan de ontwikkeling
van de grondrechtenbescherming mede onder invloed van het internationale
recht, aan de digitalisering die heeft geleid tot andere wijzen van informatie-
voorziening en van communicatie, en aan de internationalisering. Een Grondwet
die bij deze veranderingen onvoldoende aansluit, boet in aan normativiteit.
Diverse voorstellen van de Staatscommissie beogen deze normativiteit te
handhaven en te versterken.
1.2 Versterking van het normatieve karakter van de Grondwet is van belang voor
de burger en voor de overheid. De Staatscommissie adviseert in dat verband
opneming in de Grondwet van een algemene bepaling, luidende dat Nederland
een democratische rechtsstaat is, dat de overheid de menselijke waardigheid, de
grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen eerbiedigt en waarborgt, en
dat openbaar gezag alleen wordt uitgeoefend krachtens de Grondwet of de
wet.3
1.3 Hoewel de Staatscommissie niet is gevraagd advies uit te brengen over
rechterlijke constitutionele toetsing besteedt zij ook daaraan aandacht. Constitu-
tionele toetsing kan de normativiteit van de Grondwet ten goede komen. De
Staatscommissie meent dat er daarom goede redenen zijn het toetsingsverbod te
heroverwegen.4
1.4 De Staatscommissie doet ook aanbevelingen over de toegankelijkheid van de
Grondwet. Toegankelijkheid heeft te maken met kenbaarheid, leesbaarheid en
begrijpelijkheid. Naar het oordeel van de Staatscommissie is de Grondwet
voldoende kenbaar. In vergelijking met andere (grond)wetten is de Nederlandse
Grondwet niet bijzonder slecht leesbaar of onbegrijpelijk. Wel is verduidelijking
1 Zie voor de opdracht aan de Staatscommissie paragraaf 1.1. en Stcrt. 2009, nr. 10354.
2 Paragraaf 2.3.
3 Paragraaf 4.3.6.
6 4 Paragraaf 5.3.
op een aantal plaatsen mogelijk en wenselijk. Een goed leesbare Grondwet
maakt het gemakkelijker inzicht te krijgen in de grondslagen van het staats-
bestel. Dat is niet alleen van belang voor de burgers, maar ook voor hen die bij
de uitoefening van hun functie te maken hebben met de Grondwet, zoals
bestuurders, politici, rechters en ambtenaren. De Staatscommissie beveelt
daarom aan de bestaande structuur van de Grondwet kritisch te bezien door na
te gaan welke artikelen gemist kunnen worden, welke regels en beginselen ten
onrechte ontbreken en welke artikelen door herformulering verduidelijkt kunnen
worden. De Staatscommissie doet een aantal aanbevelingen daartoe.5 Daarnaast
meent de Staatscommissie dat in het onderwijs meer aandacht zou moeten
worden besteed aan de overdracht van kennis van het constitutionele bestel.6
Deel II
2.1 In deel II van het rapport staan de grondrechten centraal. De Staatscommissie
besteedt aandacht aan de verhouding tussen de grondrechten die zijn opgeno-
men in de Grondwet en de in internationale verdragen vervatte grondrechten,
zoals het recht op een eerlijk proces en het recht op leven.7 Daarnaast wordt de
beperkingssystematiek van grondrechten besproken. 8
2.2 De Staatscommissie doet voorstellen tot aanpassing van de beperkingssyste-
matiek, omdat de huidige Grondwet weliswaar bepaalt welke instanties (zoals de
wetgever) grondrechten mogen beperken, maar daarbij meestal niet vaststelt
hoe ver de wetgever hierin mag gaan. De Staatscommissie adviseert de opneming
van een bepaling luidende dat beperkingen van grondrechten niet verder mogen
gaan dan het doel van de beperking vereist en dat de kern van grondrechten niet
mag worden aangetast.9 Ook hiermee wordt de normativiteit van de Grondwet
versterkt.
2.3 De regering heeft de vraag voorgelegd of het aanbeveling verdient om
bepaalde rechten die zijn opgenomen in voor Nederland geldende internationale
verdragen, ook in de Nederlandse Grondwet een plaats te geven. Bij de beant-
woording daarvan neemt de Staatscommissie tot uitgangspunt dat, nu iedereen in
Nederland een rechtstreeks beroep kan doen op die verdragsrechten, de opneming
van deze rechten in de Grondwet uit strikt juridisch oogpunt op zichzelf de
rechtsbescherming niet versterkt. Opneming van alle internationale grondrechten
5 Paragraaf 3.5.
6 Paragraaf 3.6.
7 Hoofdstuk 7.
8 Hoofdstuk 6.
9 Paragraaf 6.5. 7
zou bovendien afbreuk doen aan de toegankelijkheid van de Grondwet. Wel
kunnen de zichtbaarheid van grondrechten en de wenselijkheid van een volledige
grondrechtencatalogus redenen zijn om in elk geval de meest fundamentele
grondrechten in de Grondwet op te nemen. Waar nu in wetgevingspraktijk en
rechtspraak vooral wordt getoetst aan verdragen, kan na aanvulling de Grondwet
vaker normerend zijn. Aanvulling van de grondrechtencatalogus kan bijdragen aan
de versterking van de normatieve kracht van de Grondwet.10
2.4 De Staatscommissie beveelt de opneming aan van het recht op een eerlijk pro-
ces in de Grondwet omdat dit kan leiden tot aanvullende rechtsbescherming,
indien dit recht zo wordt geformuleerd dat het een ruimer toepassingsbereik
heeft dan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Daarnaast is de Staatscommissie van mening dat, vanwege de nauwe samenhang
tussen het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter, ook
dat laatste recht in de Grondwet een plaats verdient.11
2.5 Vijf leden van de Staatscommissie menen dat voorlopig kan worden volstaan
met de opneming van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot
de rechter. Deze leden zien op dit moment geen aanleiding om het recht op leven
in de Grondwet op te nemen omdat dit de rechtsbescherming van de burger niet
verruimt. De opneming van het beginsel van eerbiediging van de menselijke
waardigheid,12 dat kan worden beschouwd als de grondslag van de mensenrech-
ten, maakt het niet onmiddellijk noodzakelijk om het recht op leven of andere
grondrechten in de Grondwet op te nemen. De praktische toepassing van de
algemene bepaling kan worden afgewacht.13
2.6 De andere vijf leden zijn van mening dat met opneming van het recht op
leven niet zou moeten worden gewacht, ook al leidt die opneming niet tot
aanvullende rechtsbescherming. Het recht op leven is, evenals het verbod van
foltering en onmenselijke of vernederende behandeling, van een zodanig
fundamenteel karakter dat zij in de grondrechtencatalogus thuishoren. Dat geldt
ook voor het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Nederland is
verscheidene malen door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens terecht
gewezen wegens schending van dit recht. Opneming van de drie genoemde
rechten versterkt de normatieve kracht van de Grondwet.14
10 Paragraaf 7.2.
11 Paragrafen 7.3.3. en 7.3.4.
12 Paragrafen 4.3.8. en 7.4.
13 Paragrafen 7.4. en 7.5.
8 14 Paragrafen 7.4. en 7.5.
2.7 In hoofdstuk 8 gaat de Staatscommissie in op de wenselijkheid grondrechten
aan te passen in het licht van de digitalisering van de samenleving. Deze digitali-
sering roept vragen op over de grondwettelijke bescherming van onder meer de
vrije ontvangst van informatie en het gebruik van elektronische middelen zoals
internet, nieuwe mediavormen en -diensten, de vertrouwelijkheid van communi-
catie en de bescherming van persoonsgegevens. In dit verband heeft de Staats-
commissie vooral de artikelen 7, 10 en 13 van de Grondwet in ogenschouw
genomen.15
2.8 Artikel 7 Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt, dient om
verschillende redenen te worden aangepast.16 Het verbod van voorafgaand verlof
in het eerste lid is beperkt tot de drukpers. De Staatscommissie stelt voor dit
verbod te handhaven, maar de beperking tot de drukpers te laten vervallen. Het
verbod van voorafgaand verlof strekt zich dan uit tot alle vormen van meningsui-
ting. Verder stelt de Staatscommissie voor het begrip gevoelens te vervangen
door meningen. Daarnaast doet de Staatscommissie de aanbeveling de vrije
ontvangst van informatie in de Grondwet te garanderen. Omdat in een democra-
tische samenleving de pluriformiteit van de pers van groot belang is, adviseert de
Staatscommissie een bepaling op te nemen, luidende dat de overheid de
pluriformiteit van de media eerbiedigt.
2.9 In het huidige artikel 10 Grondwet is de registratie van persoonsgegevens
gekoppeld aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Staatscommis-
sie is van mening dat beide onderwerpen beter tot hun recht komen wanneer de
bepaling wordt gesplitst. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer
beheerst veel meer terreinen van het privéleven van personen dan alleen
bescherming tegen onrechtmatige registratie van persoonsgegevens. Anderzijds
betreft bescherming van persoonsgegevens niet alleen de persoonlijke levens-
sfeer. Gegevensbescherming kan ook te maken hebben met andere grondrechten
zoals het discriminatieverbod. De Staatscommissie doet de aanbeveling om het
recht op bescherming van persoonsgegevens als een zelfstandig grondrecht te
formuleren.17
15 Paragrafen 8.3, 8.4, 8.5 en 8.6.
16 Paragraaf 8.4.
17 Paragraaf 8.5. 9
2.10 Artikel 13 Grondwet beschermt het briefgeheim en het telefoon- en
telegraafgeheim. De tekst van deze bepaling is niet in overeenstemming met
nieuwe ontwikkelingen. Zo is de telegraaf in onbruik geraakt en zijn naast de
brief allerlei andere communicatiemiddelen, zoals e-mail, ontstaan. De Staats-
commissie stelt daarom voor artikel 13 Grondwet aldus te formuleren dat ieder
recht heeft op vertrouwelijke communicatie. Mensen moeten erop kunnen
rekenen dat zij vertrouwelijk met elkaar kunnen communiceren zonder dat de
overheid meeleest of –luistert, van welke middelen zij ook gebruik maken.18
2.11 In hoofdstuk 9 worden vragen van de regering over de grondslag van de
bestuurlijke boete beantwoord.19
Deel III
3.1 Aan de Staatscommissie is ook gevraagd te adviseren over de invloed van de
internationale rechtsorde op de nationale rechtsorde en over de verhouding
tussen wezenlijke Nederlandse constitutionele waarden en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of verdragsbepalingen. Daarnaast maakt advise-
ring over ‘codificatie van de constitutionele verhouding tussen Nederland en de
Europese Unie’ deel uit van de opdracht.
3.2 Voor haar advies neemt de Staatscommissie tot uitgangspunt dat de Neder-
landse Grondwet gekenmerkt wordt door openheid jegens de internationale
rechtsorde.20 Zo bepaalt artikel 90 Grondwet dat de regering de internationale
rechtsorde bevordert. De Staatscommissie beveelt aan om in deze bepaling ook de
Europese rechtsorde op te nemen om zo de deelname van Nederland aan de
Europese integratie, in het kader van de Europese Unie en de Raad van Europa, in
de Grondwet een plaats te geven.21
3.3 Met betrekking tot de verhouding tussen de nationale en de internationale
rechtsorde is de Staatscommissie van mening dat verdragen die bepalingen
bevatten die een ieder verbinden of die bevoegdheden opdragen aan internatio-
nale organisaties die burgers rechtstreeks raken, uitdrukkelijk door de Staten-
Generaal moeten worden goedgekeurd. De Staatscommissie is van oordeel dat de
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen te veel ruimte geeft voor
stilzwijgende goedkeuring.
18 Paragraaf 8.6.
19 Hoofdstuk 9.
20 Paragraaf 10.5.
10 21 Paragraaf 11.2.4.
Zij beveelt aan deze wet zo aan te passen dat parlementaire betrokkenheid bij de
totstandkoming van verdragen gewaarborgd is als deze bepalingen bevatten die
een ieder verbindend zijn.22
3.4 Daarnaast meent de Staatscommissie dat het parlement intensiever bij de
besluitvorming van internationale organisaties betrokken zou moeten zijn. Dit
gelet op het feit dat de besluiten van deze organisaties ingevolge de artikelen 93
en 94 doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Een grondwetswijzing is
daarvoor niet nodig. 23
3.5 De Staatscommissie heeft in haar beschouwingen ook betrokken een vraag
van de Tweede Kamer over de huidige interpretatie en toepassing van artikel 91,
lid 3, Grondwet. De Kamer wil bij de goedkeuring van verdragen scherper voor
ogen krijgen hoe zij moet vaststellen of een verdrag al dan niet afwijkt van de
Grondwet. Indien een verdrag niet verenigbaar is met de Grondwet, is volgens
artikel 91, lid 3, Grondwet een meerderheid vereist van twee derden van het
aantal uitgebrachte stemmen in de beide kamers der Staten-Generaal. De
Staatscommissie is van oordeel dat de vraag of sprake is van afwijking van de
Grondwet tijdens de goedkeuringsprocedure van verdragen diepgaander aan de
orde zou moeten komen dan nu het geval is. Bovendien meent zij dat voor de
beantwoording van deze vraag niet alleen moet worden gekeken naar de
letterlijke tekst van de Grondwet, maar ook naar de aan de Grondwet ten
grondslag liggende beginselen. De door de Staatscommissie voorgestelde
algemene bepaling maakt dit beter mogelijk. Daarvoor is geen grondwetswijzi-
ging nodig. 24
3.6 Een meerderheid van de Staatscommissie meent dat voor een beperkt aantal
verdragen die een zeer grote invloed hebben op de constitutie, goedkeuring met
een tweederde meerderheid moet plaatsvinden, ook als deze niet van de
Grondwet afwijken. 25 Verschillende criteria die daarvoor zouden kunnen gelden,
worden besproken. 26
22 Paragraaf 12.2.3.
23 Paragraaf 12.3.3.
24 Paragraaf 12.4.3.
25 Paragraaf 12.4.4.
26 Paragraaf 12.4.4. 11
3.7 Artikel 94 Grondwet bepaalt dat een ieder verbindende bepalingen van
verdragen en van besluiten van internationale organisaties voorrang hebben op
wettelijke voorschriften. De helft van de leden van de Staatscommissie is van
oordeel dat deze voorrangsregel niet mag gelden wanneer een verdragsbepaling
of besluit van een internationale organisatie in strijd komt met de door de
Staatscommissie voorgestelde algemene bepaling. Zij stellen voor om artikel 94
Grondwet aan te vullen in die zin dat in zo’n geval de verdragsbepaling of het
besluit buiten toepassing blijft. 27
3.8 De andere leden van de Staatscommissie menen dat een grondwetswijziging
niet nodig is. Niet alleen komt een dergelijke strijdigheid in de praktijk nauwelijks
voor, de in de algemene bepaling vervatte beginselen zijn internationaal erkend.
Onverenigbaarheden tussen deze beginselen en verdragsbepalingen moeten op
internationaal niveau worden opgelost. Daarnaast geldt dat het de taak is van de
regering en de Staten-Generaal te waarborgen dat bij het sluiten en goedkeuren
van verdragen de fundamentele rechtsbeginselen in acht worden genomen. 28
3.9 De Staatscommissie doet op nog twee onderdelen van artikel 94 Grondwet
wijzigingsvoorstellen. Een meerderheid stelt voor om toetsing van nationaal
recht aan dwingende bepalingen van ongeschreven internationaal gewoonte-
recht mogelijk te maken. Vijf leden van de Staatscommissie gaan nog een stap
verder en menen dat deze toetsingsbevoegdheid moet gelden voor alle regels
van internationaal gewoonterecht. 29 Ten slotte stelt de Staatscommissie voor in
artikel 94 Grondwet vanuit een oogpunt van toegankelijkheid de term ‘een ieder
verbindend’ te vervangen door de term: ‘rechtstreeks werkend’. 30
3.10 In de hoofdstukken 14 en 15 beantwoordt de Staatscommissie ten slotte
vragen van de regering over internationale ad hoc tribunalen en over het Verdrag
van Tilburg betreffende de ten uitvoerlegging van Belgische veroordelingen in de
penitentiaire inrichting in Tilburg.
27 Paragraaf 13.2.3.
28 Paragraaf 13.2.3.
29 Paragraaf 13.4.4.
12 30 Paragraaf 13.3.2.
1 Inleiding
1.1 Opdracht van de Staatscommissie
De Staatscommissie is bij koninklijk besluit van 3 juli 2009 ingesteld. 31 Zij heeft de
opdracht gekregen de regering te adviseren over de noodzaak tot wijziging van
de Grondwet in verband met de volgende onderwerpen:
a. de toegankelijkheid en de betekenis van de Grondwet voor burgers;
b. de opneming van een preambule, waarin begrepen een concreet tekstvoor-
stel, tenzij de Staatscommissie zou willen adviseren hiertoe niet over te gaan;
c. de verhouding tussen de opgenomen grondrechten en de uit internationale
verdragen voortvloeiende rechten, zoals het recht op een eerlijke procesgang
en het recht op leven;
d. de grondrechten in het digitale tijdperk;
e. de invloed van de internationale rechtsorde op de nationale rechtsorde;
f. de verhouding tussen wezenlijke Nederlandse constitutionele waarden en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of verdragsbepalingen;
g. de beperkingssystematiek van grondrechten.
1.2 Wat betekent ‘noodzaak tot wijziging’?
De opdracht van de Staatscommissie spreekt van ‘noodzaak tot wijziging van de
Grondwet’. De Staatscommissie legt de opdracht zo uit dat zij adviseert over de
vraag of er gegronde redenen zijn de Grondwet in het kader van de in de
opdracht genoemde onderwerpen te wijzigen. De Staatscommissie benadert de
vraag of er gegronde redenen zijn, vooral uit het perspectief van versterking van
het normatieve karakter van de Grondwet.
Er zijn geen aanwijzingen dat zonder wijzigingen van de Grondwet het constitu-
tionele bestel in gevaar zou zijn of komen. Dat neemt niet weg dat er, in het
kader van de in de opdracht genoemde onderwerpen, wel aanleiding kan zijn om
grondwettelijke bepalingen te heroverwegen, en in het licht van eventuele
gewijzigde omstandigheden te bezien of het aanbeveling verdient de Grondwet
aan te passen.
De uitleg die de Staatscommissie aan de opdracht geeft, ligt voor de hand, nu
ook in het verleden het merendeel van de grondwetswijzigingen duidelijk niet
berustte op een noodzaak tot wijziging in de strikte zin. Grondwetswijzigingen
zijn meer dan eens tot stand gekomen in het kader van, wat men zou kunnen
noemen, het ‘bij de tijd houden’ van de Grondwet.
31 Stcrt 2009, nr. 10354. 13
1.3 ‘Versterking van de Grondwet’
De opdracht aan de Staatscommissie is blijkens de toelichting op het Instellings-
besluit staatscommissie Grondwet, geplaatst in het bredere kader van ‘een
versterking van de Grondwet’.
De Staatscommissie begrijpt dit aldus dat een Grondwet die niet aansluit bij
maatschappelijke, politieke en juridische ontwikkelingen haar kracht dreigt te
verliezen en aan belang inboet.
Soms vonden herzieningen en discussies over de Grondwet plaats in samenhang
met belangrijke internationale gebeurtenissen, zoals de democratische revoluties
van 1848, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. De vastlegging
van internationale mensenrechten in de Grondwet is hiervan een voorbeeld.
Maar ook in perioden waarin geen sprake was van dramatische gebeurtenissen
als een wereldoorlog, hebben herzieningen van de Grondwet plaatsgevonden. In
het verleden waren diverse staatscommissies met de voorbereiding daarvan
belast. Niet alleen naar aanleiding van het werk van staatscommissies vonden
overigens herzieningen plaats. De verklaringswet tot wijziging van artikel 120
Grondwet – die mogelijk tot invoering van een beperkte vorm van toetsing van
wetten leidt – bijvoorbeeld, kwam tot stand naar aanleiding van een initiatief
van het Kamerlid Halsema. 32 Veel recente grondwetswijzigingen hadden tot doel
ervoor te zorgen dat de Grondwet past bij gewijzigde maatschappelijke inzichten
en verhoudingen en bij juridische ontwikkelingen. Als voorbeelden zijn te
noemen de wijziging van de bepalingen over de dienstplicht en de opneming van
artikel 100 Grondwet, inzake de plicht van de regering de Staten-Generaal vooraf
inlichtingen te verstrekken over de inzet of het ter beschikking stellen van de
krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. 33
Deze wijzigingen waren niet ‘strikt noodzakelijk’, maar wel een duidelijke
weerslag van wijzigingen in de (geo-)politieke context (de ‘Val van de Muur’).
Tegen deze achtergrond begrijpt de Staatscommissie haar opdracht aldus dat de
regering vraagt of het wenselijk is de Grondwet te wijzigen in het licht van
ontwikkelingen, die hierna (in paragraaf 2.3) nader worden toegelicht.
1.4 Uitbreiding van de opdracht: aanvullende vragen
De opdracht van de Staatscommissie is na haar instelling uitgebreid met een
aantal vragen. Deze betreffen kwesties die opkwamen in het verkeer tussen
regering en Staten-Generaal en waarvan het wenselijk werd geoordeeld daarover
de mening van de Staatscommissie te vragen. Het gaat om de volgende kwesties:
32 Wet van 25 februari 2009, Stb. 120, tweede lezing: Kamerstukken II 2009/10, 32 334, nrs. 1-3.
14 33 Rijkswet van 22 juni 2000, Stb. 294; Kamerstukken 26 243.
• de bestuurlijke boete in het licht van artikel 113 Grondwet;34
• de grondwettigheid van internationale strafrechtelijke ad hoc tribunalen;35
• de grondwettigheid van de toepassing van Belgisch recht – op basis van het
zogenoemde Verdrag van Tilburg36 - met betrekking tot de tenuitvoerlegging
van straffen, opgelegd door de Belgische rechter, in de gevangenis te
Tilburg;37
• de huidige interpretatie en toepassing van artikel 91, lid 3, Grondwet, dit in
verband met en naar aanleiding van het initiatiefvoorstel-Van der Staaij (2009)
tot wijziging van de Grondwet om vast te leggen dat bij toekomstige wijzigin-
gen van de EU-Verdragen steeds de procedure van artikel 91, lid 3, Grondwet
wordt gevolgd.38
1.5 Afbakening van de opdracht
Er zijn ook kwesties ter zake waarvan de regering een voornemen tot grondwets-
herziening heeft, zonder dat daarover het oordeel van de Staatscommissie is
gevraagd. Een voorbeeld daarvan is een grondwetsbepaling omtrent de taal. 39
Verder hebben enige kamerleden in het kader van de behandeling van de
voorstellen tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk en de wijziging van
de status van de BES-eilanden de vraag aan de orde gesteld of niet een herzie-
ning van een aantal grondwetsbepalingen nodig is. Ook over deze vraag is geen
advies aan de Staatscommissie gevraagd.
De Staatscommissie stelt zich terughoudend op over kwesties waarover de
regering niet uitdrukkelijk haar oordeel heeft gevraagd, tenzij een dergelijke
kwestie nauw verband houdt met vragen om advies die wel zijn voorgelegd. Dit
is bijvoorbeeld het geval bij het onderwerp constitutionele toetsing.
Het onderwerp constitutionele toetsing komt aan de orde (in hoofdstuk 5) omdat
het naar het oordeel van de Staatscommissie niet los kan worden gezien van
enkele onderwerpen die deel uitmaken van de opdracht. Ten eerste is het
onderwerp constitutionele toetsing van belang in het kader van het onderwerp
‘betekenis van de Grondwet voor burgers’. Verder rijst bij een bezinning op de
plaats van de grondrechten in de Grondwet en op de vraag hoe de nationale en
internationale bescherming van grondrechten zich tot elkaar verhouden,
34 Handelingen I 2008/09, nr. 36, p. 1597–1647.
35 Kamerstukken I 2008/09, 31 700 VI, L, p. 4.
36 Het op 31 oktober 2009 te Tilburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland
ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen.
Trb. 2010, nr. 56.
37 Handelingen I 2009/10, nr. 15, p. 551-554 en 569-578.
38 Kamerstukken II 2008/09, 30 874 (R 1818), nr. 13.
39 Zie Kamerstuk 32 522. 15
onvermijdelijk de vraag welke de consequenties zijn voor de onderwerpen die de
Staatscommissie behandelt, als het thans aanhangige voorstel tot (beperkte)
constitutionele toetsing in tweede lezing een meerderheid van twee derden
verkrijgt of als op een andere wijze toetsing van formele wetgeving aan de
Grondwet mogelijk wordt gemaakt.40
1.6 Periode van werkzaamheid
De Staatscommissie is na haar instelling met haar werkzaamheden begonnen in
augustus 2009. De periode van haar werkzaamheid is kort geweest.41 Het
Instellingsbesluit staatscommissie Grondwet bepaalt dat de Staatscommissie haar
advies uitbrengt voor 1 oktober 2010. De Staatscommissie heeft haar werkzaam-
heden binnen deze termijn moeten afronden, zij het dat zij tot 15 november 2010
uitstel heeft verkregen in verband met extra tijd die nodig bleek te zijn voor
afronding van haar rapport.
1.7 Opbouw van het rapport
Het rapport bestaat uit drie delen.
In het eerste deel zijn de hoofdstukken opgenomen over de meer algemene
onderwerpen. Het gaat in de eerste plaats om de betekenis en de toegankelijk-
heid van de Grondwet voor burgers. Vervolgens komt de wenselijkheid van de
opneming van een preambule in de Grondwet aan de orde. In dat kader adviseert
de Staatscommissie tot opneming van een ’algemene bepaling’. Tot slot komt de
kwestie van constitutionele toetsing aan de orde.
Het tweede deel bevat de hoofdstukken over onderwerpen die de grondrechten
betreffen. Het eerste onderwerp is de systematiek van de beperking van
grondrechten. Vervolgens komt de verhouding tussen de in de Grondwet
opgenomen grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende
rechten aan de orde. In dat kader gaat de Staatscommissie met name in op de
vraag of nog niet in de Grondwet vervatte grondrechten in de Grondwet moeten
worden opgenomen. Daarna komt het onderwerp ‘grondrechten in het digitale
tijdperk’ aan bod. Daarbij gaat de Staatscommissie in op de artikelen 7, 10 en 13
Grondwet. Het laatste onderwerp betreft een van de aanvullende, aan de
Staatscommissie voorgelegde, vragen, te weten de bestuurlijke boete en artikel
113 Grondwet.
40 Wet van 25 februari 2009, Stb. 120, tweede lezing: Kamerstukken II 2009/10, 32 334, nrs. 1-3.
41 Het lid Oomen wenst aantekening te maken van haar teleurstelling over het proces van besluitvor-
16 ming. Haar verklaring daarover is te vinden in Bijlage Ia.
Het derde deel tot slot is het ‘internationale’ deel, waarin de verhouding tussen
de Grondwet en het internationale recht aan de orde komt. Het bestaat uit zes
hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat een uiteenzetting van de opdracht en
een schets van de ontwikkelingen in de internationale rechtsorde. Het tweede
hoofdstuk ziet op de grondwettelijke opdracht aan de regering tot bevordering
van de internationale rechtsorde (artikel 90 Grondwet). Het volgende hoofdstuk
betreft aspecten van parlementaire betrokkenheid bij de binding aan internatio-
nale regels. In dat kader komt ook aan de orde een van de aanvullende, aan de
Staatscommissie voorgelegde, vragen, namelijk de interpretatie en toepassing
van artikel 91, lid 3, Grondwet. Vervolgens gaat de Staatscommissie in op
verschillende aspecten van artikel 94 Grondwet, dat de voorrang van internatio-
naal recht regelt. Tot slot komen in de laatste twee hoofdstukken twee andere
aanvullende vragen aan de orde, namelijk de grondwettigheid van internationale
strafrechtelijke ad hoc tribunalen en de kwestie rond het zogenoemde Verdrag
van Tilburg.
In bijlage I bij het rapport is een aantal minderheidsstandpunten opgenomen.
Uitgangspunt is geweest dat waar binnen de Staatscommissie behoefte bestond
aan minderheidsstandpunten, de desbetreffende standpunten en de daarbij
horende argumenten zoveel mogelijk in het rapport zelf (in de hoofdtekst dan
wel in een voetnoot) worden opgenomen. Slechts bij uitzondering – namelijk
waar de omvang van een minderheidsstandpunt hiertoe noopte – zijn minder-
heidsstandpunten in de bijlage opgenomen. In de tekst van het rapport zelf is
dan wel het minderheidsstandpunt kort vermeld met verwijzing naar de bijlage
voor de uitwerking ervan.
17
18
Deel I
Rapport
Staatscommissie Grondwet
19
20
2 De betekenis van de Grondwet: waarborging van de
democratische rechtsstaat
2.1 Inleiding
De Staatscommissie heeft de opdracht gekregen de regering te adviseren over de
noodzaak tot wijziging van de Grondwet in verband met onder meer de toegan-
kelijkheid en de betekenis van de Grondwet voor burgers. In dit hoofdstuk komt
het onderwerp ‘betekenis’ aan de orde. In het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 3)
gaat de Staatscommissie in op het onderwerp ‘toegankelijkheid’.
Hierna bespreekt de Staatscommissie de vraag of er gegronde redenen zijn de
betekenis van de Grondwet voor de burger te vergroten, en zo ja, op welke
manieren dat kan gebeuren. Daartoe gaat de Staatscommissie eerst in op de
vraag wat de betekenis van de Grondwet voor de burger is.
2.2 Wat is de betekenis van de Grondwet voor de burger?
De Nederlandse Grondwet is een juridisch-staatkundig document.42 Zij is een
centraal onderdeel van het constitutionele recht. Dat recht heeft grotendeels
betrekking op staatsinstellingen. Het constitueert die instellingen, kent daaraan
bevoegdheden toe, en regelt de onderlinge verhouding van die instellingen. Het
regelt en normeert bovendien het handelen van die instellingen jegens de burger.
In dat kader zijn vooral de grondrechten van belang. Deze grondrechten zijn niet
alleen opgenomen in de Grondwet, maar ook in internationale verdragen.
De Grondwet heeft niet alleen een juridische betekenis. Zij kan ook uit een ander
dan een juridisch perspectief worden bezien. Naast een staatkundig en politiek
perspectief kan dat ook bijvoorbeeld zijn een economisch, sociologisch of
antropologisch perspectief. De betekenis van de Grondwet voor de burger hangt
mede af van het perspectief van waaruit men kijkt. Gelet op de samenstelling van
de Staatscommissie, beziet de Staatscommissie de betekenis van de Grondwet
voor de burger vooral in juridische en staatkundige zin.
Een kernbegrip van het Nederlandse constitutionele recht evenals dat van andere
staten, is dat van de democratische rechtsstaat. Dit begrip houdt in dat de overheid
zich moet houden aan heldere, kenbare en vooraf, door democratisch gelegiti-
meerde organen, vastgestelde regels. Ook houdt het in dat de overheid fundamen-
tele rechten en vrijheden van burgers eerbiedigt en waarborgt. Het concept van de
42 Vgl. Raad van State in Kamerstukken II, 2007/08, 31 570, nr. 3, en meer recent J.C.A. de Poorter en
H.J.Th.M. van Roosmalen, Rol en betekenis van de Grondwet. Constitutionele toetsing in relatie tot
de Raad van State, Raad van State 2010, p. 140. 21
democratische rechtsstaat omvat daarmee verschillende elementen.
De legaliteitseis houdt in dat de overheid slechts die bevoegdheden heeft, die
haar bij of krachtens de Grondwet of de wet zijn toegekend. Haar optreden is
bovendien gebonden aan de grenzen die het recht stelt. De verdeling van
machten brengt mee dat de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht
tot op zekere hoogte zijn gespreid over onderscheiden overheidsinstellingen
(machtenscheiding) die elkaar controleren en in evenwicht houden (evenwicht
van machten; ‘checks and balances’43), met als doel absolute macht en willekeu-
rige machtsuitoefening tegen te gaan. Grondrechten zijn de fundamentele
rechten en vrijheden van burgers die de overheid moet eerbiedigen. Toegang tot
een onafhankelijke en onpartijdige rechter moet garanderen dat de rechten van
de burgers onderling en ten opzichte van de overheid worden beschermd.
Het element van democratie houdt onder meer in dat burgers of de instellingen
die hen vertegenwoordigen betrokken zijn bij de vaststelling van de belangrijkste
wettelijke regels. Bovendien moet de uitvoerende macht verantwoording
afleggen aan vertegenwoordigende colleges. In de Grondwet komt een element
van democratie bijvoorbeeld tot uitdrukking in het actief en passief kiesrecht,
waardoor burgers invloed kunnen uitoefenen op het overheidsbeleid.
Uit het voorgaande volgt dat uit juridisch oogpunt de betekenis van de Grondwet
voor de burger vooral gelegen is in de hem toekomende fundamentele rechten
en in de regels van de rechtsstaat die de burgers beogen te beschermen tegen
willekeurige machtsuitoefening. De bepalingen betreffende democratie waar-
borgen de mogelijkheid van participatie van burgers in het politieke proces,
waarin regelgeving tot stand komt die hen bindt.
Het Nederlandse constitutionele recht, waarvan de Grondwet deel uitmaakt, kent
vele regels die uitdrukking geven aan de democratische rechtsstaat. Niet altijd
zijn die regels in de Grondwet zelf terug te vinden. De termen democratie en
rechtsstaat komen niet in de Grondwet voor, evenmin als de uitdrukking
onafhankelijke en onpartijdige rechter. De betekenis van de Grondwet binnen
het constitutionele recht is dus in zoverre en in die zin beperkt dat diverse
constitutionele regels, waaronder verscheidene grondrechten, niet in de
Grondwet zijn opgenomen.
De beperkte betekenis van de Grondwet voor het constitutionele recht hangt
mede samen met een aantal kenmerken van de Nederlandse Grondwet.
In de eerste plaats is de Grondwet sober. Zij beperkt zich vaak tot onderwerpen
waarvan het in een zekere periode nodig werd gevonden deze vast te leggen,
22 43 In het kader van ‘checks and balances’ speelt overigens ook territoriale decentralisatie een rol.
niet zelden op vooral politieke gronden. Sommige belangrijke constitutionele
regels zijn niet in de Grondwet opgenomen, zoals de vertrouwensregel (kort
gezegd: de minister of het kabinet kan niet aanblijven als blijkt dat de minister of
het kabinet onvoldoende steun in de volksvertegenwoordiging ondervindt).44
Ook de afwezigheid van ideologische verklaringen over de grondslagen van de
Nederlandse staat en de oorsprong van het overheidsgezag draagt bij aan het
sobere karakter.
Voorts is de Grondwet in diverse opzichten een open wettelijke regeling. De
Grondwet laat ruimte voor de ontwikkeling van constitutioneel recht buiten de
Grondwet. De Grondwet draagt bijvoorbeeld de wetgever op om over verschil-
lende constitutionele onderwerpen regels te stellen, zoals over de inrichting van
het bestuur van decentrale overheden en de wijze van goedkeuring van verdra-
gen. Ook zorgt de Grondwet voor een relatieve openheid van de nationale
rechtsorde ten opzichte van de internationale rechtsorde (vergelijk artikelen 93
en 94 Grondwet inzake de werking en voorrang van het internationale recht
binnen de nationale rechtsorde).45 Aan het internationale recht, met name
mensenrechtenverdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie, ontleent de burger in belangrijke mate – in aanvulling op de grondrechten
die zijn opgenomen in de Grondwet – bescherming op het terrein van fundamen-
tele rechten en vrijheden.
In verband met de betekenis van de Grondwet voor de burger is tot slot van
belang de regel dat de Grondwet de rechter verbiedt om formele wetten aan de
Grondwet te toetsen (artikel 120 Grondwet). In veel andere constitutionele
stelsels is dat anders en zijn rechters of één bepaalde rechterlijke instantie
(bijvoorbeeld een constitutioneel hof) bevoegd om dat te doen. In het huidige
Nederlandse constitutionele stelsel wordt de wetgever gezien als de meest
geëigende instantie om de verenigbaarheid van formele wetten met de Grond-
wet te beoordelen. De ‘verklaringswet-Halsema’ zou echter kunnen leiden tot
gedeeltelijke afschaffing van het rechterlijk toetsingsverbod (zie daarover
paragraaf 5.2.3).46
Het voorgaande maakt duidelijk dat de Grondwet in de eerste plaats een basiswet
is die overheidsinstellingen creëert, daaraan bevoegdheden toekent, de uitoefe-
ning van die bevoegdheden regelt - zowel in de relatie tussen die instellingen
onderling als in die tussen die instellingen en de burgers - en grondrechten van de
44 Vgl. Van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Kluwer 2006, p. 188-189.
45 Zie over de open houding ten opzichte van het internationale recht ook paragraaf 10.5.
46 Wet van 25 februari 2009, Stb. 120, tweede lezing: Kamerstukken II 2009/10, 32 334, nrs. 1-3. 23
burgers bevat. Slechts een beperkt aantal regels in de Grondwet betreft de burger
rechtstreeks. Naast de grondrechten in het eerste hoofdstuk gaat het dan bijvoor-
beeld om het actief en passief kiesrecht. Veel andere regels die de burgers
rechtstreeks raken, zijn niet of slechts zijdelings in de Grondwet te vinden. En de
regels in de Grondwet die wel de burgers betreffen, zijn niet steeds handhaafbaar
door de rechter als gevolg van het toetsingsverbod.
2.3 Moet het normatieve karakter van de Grondwet worden versterkt?
Een aantal maatschappelijke en juridische ontwikkelingen geeft naar het oordeel
van de Staatscommissie voldoende aanleiding om thans het normatieve karakter
van de Grondwet, en daarmee haar betekenis voor de burger, te versterken.
Ten eerste is het belang van het internationale recht binnen de nationale
rechtsorde de afgelopen decennia sterk toegenomen. De grondrechtenbescher-
ming van burgers berust in belangrijke mate op mensenrechtenverdragen, zoals
het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM). Het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie (EU-Handvest) versterkt dit nog voor zover het gaat om handelen
van de instellingen en organen van de Europese Unie en van de lidstaten
‘uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen’ (artikel 51
EU-Handvest). Daarnaast is in het Verdrag van Lissabon voorzien dat de Europese
Unie partij zal worden bij het EVRM. De onderhandelingen daarover zijn
inmiddels gaande.47
De betekenis van deze internationale bronnen binnen het constitutionele recht is
vooral groot vanwege enerzijds het open karakter van de Nederlandse Grond-
wet, waardoor toetsing aan de in de mensenrechtenverdragen opgenomen
grondrechten mogelijk is (zie artikelen 93 en 94 Grondwet), en anderzijds het
toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet, waardoor toetsing van wetten aan de
in de Grondwet opgenomen grondrechten niet mogelijk is.
De mensenrechtenverdragen zijn bedoeld om minimumbescherming te bieden.
De handhaving ervan door internationale (semi-)juridische instellingen heeft een
aanvullend karakter. Uitgangspunt is dat verdragsstaten intern de zaken ‘op
orde’ hebben. Dat betekent overigens niet dat de mensenrechtenverdragen een
lidstaat ertoe dwingen de desbetreffende grondrechten in de eigen grondwet
vast te leggen. Ook in de Nederlandse context bestaat daarvoor geen directe
juridische aanleiding, omdat de verdragsrechtelijke grondrechten vaak recht-
streeks inroepbaar zijn in de Nederlandse rechtsorde. Ingevolge de artikelen 93
en 94 van de Grondwet kunnen burgers die vinden dat hun fundamentele
24 47 Zie ook Kamerstuk 32 317, nr. 15.
rechten zijn aangetast, voor de Nederlandse rechter een beroep doen op het
EVRM of een van de andere grondrechtenverdragen. Uit het perspectief van
rechtsbescherming is er dan ook geen aanleiding om de grondrechten die nu in
de Grondwet ontbreken maar in verdragen zijn opgenomen, aan de grondwet-
telijke grondrechtencatalogus toe te voegen. Wanneer echter grondwettelijke
grondrechten een ruimere bescherming zouden kunnen bieden dan bestaande
verdragsgrondrechten, is opneming aangewezen. Daarnaast kunnen uit het
oogpunt van toegankelijkheid, consistentie en versterking van het normatieve
karakter van de Grondwet argumenten bestaan om de meest fundamentele
grondrechten in de Nederlandse Grondwet op te nemen. Het tweede deel van dit
rapport gaat hierop nader in.
Een tweede aanleiding tot bezinning op de inhoud en betekenis van de Grond-
wet is gelegen in technologische ontwikkelingen, waaronder de ‘digitalisering’
van de samenleving. Deze ontwikkelingen hebben een grote invloed, ook op de
verhouding tussen overheid en burger. Moderne technologieën bieden nieuwe
mogelijkheden, maar brengen ook maatschappelijke en juridische problemen
mee. Het is de vraag of de Grondwet op dit punt voldoende bij de tijd is. Zo is – in
het licht van de moderne communicatietechnologie – de formulering van een
aantal grondrechten verouderd (zie ook paragrafen 8.4 en 8.6). Een modernere,
wellicht techniekneutrale, formulering zou de normatieve functie van deze
grondrechten kunnen versterken.
Bovendien is het in iedere pluriforme samenleving,48 zoals de Nederlandse, van
belang dat de Grondwet duidelijk en toegankelijk is, opdat overheid en burgers
de kernbeginselen van de democratische rechtsstaat en haar fundamentele
rechtsbeginselen goed voor ogen houden, alsook de grondwettelijk gewaarborg-
de rechten.
Tot slot kan in de steeds verdergaande internationalisering, mondialisering en
verdieping en verbreding van de Europese samenwerking een aanleiding worden
gezien om de betekenis van de Grondwet te heroverwegen. Omdat de Grondwet
overheidshandelen normeert, en overheidshandelen in toenemende mate in
samenwerking met andere staten of in internationale samenwerkingsverbanden
tot stand komt, rijst de vraag of de Grondwet die normerende functie in deze
gewijzigde context nog goed genoeg kan vervullen.
48 Vgl. Kamerstuk 29 614, Grondrechten in een pluriforme samenleving. 25
2.4 Hoe kan de Grondwet aan betekenis winnen voor de burger?
De Grondwet kan naar het oordeel van de Staatscommissie vooral aan betekenis
winnen voor de burger door de normativiteit, de rechtskracht, ervan te verster-
ken. In de eerste plaats kunnen de democratische rechtsstaat en elementen
daarvan, en het aan de grondrechten ten grondslag liggende respect voor de
menselijke waardigheid, duidelijker in de Grondwet tot uitdrukking worden
gebracht.49 Verder kan opneming van reeds in de Nederlandse rechtsorde
geldende, maar nog niet in de Grondwet opgenomen grondrechten bijdragen
aan de versterking van haar normativiteit. Dit geldt in het bijzonder als opne-
ming van grondrechten leidt tot een hoger niveau van rechtsbescherming dan nu
uit de internationale verdragen voortvloeit. Van belang is daarbij dat de moge-
lijkheden voor de overheid om de rechten van burgers te beperken zo nauwkeu-
rig mogelijk vastliggen.50 Tevens behoren er voor de burger geen belemmeringen
te bestaan om zijn rechten voor de rechter af te dwingen. Bij dat laatste kan men
denken aan de regeling van de toegang tot de rechter en waarborgen voor een
eerlijk proces.51 Verder kan in het kader van versterking van de normativiteit van
de Grondwet worden gedacht aan heroverweging van het constitutionele
toetsingsverbod.52
Een argument voor vergroting van de betekenis van de Grondwet door verster-
king van de normativiteit langs deze wegen is ook dat dit de Grondwet als geheel
meer toegankelijk maakt. Als kenmerkende elementen van het constitutionele
recht in één (goed leesbaar) document zijn opgenomen, is het eenvoudiger om
kennis te nemen van en begrip te ontwikkelen voor de grondslagen en grenzen
van het optreden van de overheidsinstellingen.
Versterking van de normativiteit van de Grondwet kan ook nog op een andere
manier een positieve invloed hebben op de betekenis van de Grondwet voor de
burger. Wanneer in de politiek, het wetgevingsproces en de rechtspraak de
Grondwet daadwerkelijk als fundamenteel toetsingskader fungeert, kan de
Grondwet ook een belangrijker rol spelen in het publieke debat over bijvoor-
beeld sociale, politieke en economische vraagstukken. Wanneer voor de burger
zichtbaar is dat de overheid aan de fundamentele regels van de democratische
rechtsstaat is gebonden, kan dit het gezag van en het vertrouwen in de overheid
versterken.
49 Daartoe doet de Staatscommissie een aanbeveling in de vorm van een algemene bepaling; zie hoofdstuk 4.
50 De Staatscommissie adviseert in dat verband tot opneming van een algemene beperkingsclausule;
zie hoofdstuk 6.
51 Zie voor het voorstel van de Staatscommissie in dit kader paragraaf 7.3.
26 52 Zie hoofdstuk 5 over constitutionele toetsing.
De Staatscommissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er goede
argumenten zijn om de Grondwet op een aantal punten te herzien en aan te
vullen met het oog op de versterking van haar normatieve betekenis. Zij ziet
evenwel geen aanleiding voor grootscheepse aanpassing en aanscherping van de
constitutionele regels die aan de democratische rechtsstaat uitdrukking geven.
27
3 Toegankelijkheid
3.1 Inleiding
De Staatscommissie heeft de taak te adviseren over de noodzaak tot wijziging
van de Grondwet in verband met de toegankelijkheid van de Grondwet. Hierna
gaat de Staatscommissie achtereenvolgens in op het begrip toegankelijkheid,
op de vraag of de Grondwet voldoende toegankelijk is, op het belang van
toegankelijkheid van de Grondwet en op methoden ter verbetering van de
toegankelijkheid.
3.2 Wat is toegankelijkheid?
Het begrip toegankelijkheid heeft diverse betekenissen. In de eerste plaats gaat
het om de kenbaarheid van de Grondwet in de zin van beschikbaarheid en
vindbaarheid. Een wet, ook de Grondwet, moet worden bekendgemaakt voordat
deze in werking kan treden.53 Bekendmaking in deze juridische zin (tegenwoor-
dig alleen nog elektronisch54 ) is echter geen waarborg dat de Grondwet voor een
breder publiek toegankelijk is, in die zin dat burgers weten dat de Grondwet
bestaat en bovendien weten en begrijpen wat er in de Grondwet staat. De
toegankelijkheid in deze laatste zin – die kan worden bevorderd door bijvoor-
beeld voorlichting en educatie – komt aan bod in paragraaf 3.6.
Verder kan het gaan om de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de Grondwet. Is
de tekst lang of kort, pregnant of langdradig? Is de tekst modern of nodeloos
ouderwets? Is hij in eenvoudige of ingewikkelde taal geschreven? Is de tekst op
een logische manier (uit hoofdstukken en paragrafen) opgebouwd? Zijn de
artikelen van een gelijk gewicht of lopen zij op dit punt sterk uiteen? Ontbreken
voor een goed begrip belangrijke elementen? Bevat de tekst nodeloze details?
3.3 Is de Grondwet voldoende toegankelijk?
De Grondwet is naar het oordeel van de Staatscommissie voldoende kenbaar in
de zin van beschikbaarheid en vindbaarheid. Vanwege de overheid is de Grond-
wet op het internet beschikbaar gesteld voor eenieder die ervan wil kennisne-
men.55 Daarnaast zijn er gedrukte versies van de Grondwet verkrijgbaar.
53 Artikelen 88 en 139 Grondwet.
54 Op verzoek wordt overigens een papieren afschrift verstrekt; artikel 10 Bekendmakingswet.
28 55 Artikel 13 Bekendmakingsbesluit.
De meeste Nederlanders zijn op de hoogte van het bestaan van de Grondwet, zij
het dat zij vaak niet precies weten wat er in staat.56
Wat betreft twee andere aspecten van toegankelijkheid – leesbaarheid en
begrijpelijkheid – stelt de Staatscommissie voorop dat een grondwet altijd een
zeker gesloten karakter zal hebben. Juridische teksten ontkomen daar zelden of
nooit aan, onder meer omdat zij werken en moeten werken met begrippen
waarvan inhoud en betekenis zich over een lange reeks van jaren hebben
ontwikkeld. Een wettekst kent zijn eigen eisen. Met inachtneming hiervan
overweegt de Staatscommissie dat de Grondwet in vergelijking tot diverse andere
wetten niet bijzonder slecht leesbaar of onbegrijpelijk is. Ook de vergelijking met
vele grondwetten van andere landen kan zij in dit opzicht doorstaan. Dat neemt
niet weg dat verbetering van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de Grond-
wet mogelijk is. Naar het oordeel van de Staatscommissie zijn er mogelijkheden
om de toegankelijkheid van de Grondwet in dit opzicht te verbeteren (zie
paragraaf 3.5 voor enige suggesties).
3.4 Belang van toegankelijkheid van de Grondwet
Voor elk juridisch document, dus ook voor de Grondwet, geldt dat een goed
leesbare en begrijpelijke tekst de rechtszekerheid dient. Verbetering van de
toegankelijkheid van de Grondwet kan bovendien bijdragen tot een beter inzicht
in de grondslagen van het staatsbestel en de belangrijkste regels die de verhou-
ding tussen overheid en burger beheersen. Een goed leesbare en begrijpelijke
grondwet kan ook worden benut voor elke vorm van informatieoverdracht over
de inhoud van de Grondwet, of deze nu plaats heeft in de media, in de publieks-
voorlichting door de overheid of in het onderwijs.
Het is belangrijk dat – naast ambtenaren, bestuurders, politici en rechters – ook
burgers de hoofdlijnen van de staatsinrichting kennen evenals hun grondrechten.
Een goed leesbare en begrijpelijke Grondwet kan hieraan bijdragen. De Staats-
commissie koestert ter zake hiervan geen overspannen verwachtingen. Een
leesbare Grondwet alléén levert de benodigde basiskennis zeker niet op – daar-
voor is meer nodig (zie daarover paragraaf 3.6). Niettemin vormt een goed
toegankelijke Grondwet een bouwsteen voor de basiskennis die nodig is voor een
goed begrip van de rol van de overheid in de samenleving en van de rechten (en
soms verplichtingen) die de burger ten opzichte van de overheid heeft.
56 Vgl. over de kennis van Nederlandse burgers over de Grondwet bijv. B. Oomen en H.T. Lelieveldt,
Onbekend maar niet onbemind. Wat weet en vindt de Nederlander van de Grondwet? Nederlands
Juristenblad 2008, p. 577-578, dat mede is gebaseerd op een onderzoek van TNS-NIPO van februari
2008 in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 29
3.5 Verbetering van de toegankelijkheid door wijzigingen van de tekst
en structuur
De grondwetgever kan de toeganke
