- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Volkshuisvestingsbeleid; Brief staatssecretaris over de leegstand in de sociale huursector
| Datum publicatie: | 1996-11-12 |
| Datum brief: | 1996-11-07 |
| Organisaties: | |
| Dossier: |
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 1996–1997
24 508 Volkshuisvestingsbeleid
Nr. 13 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING,
RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
’s-Gravenhage, 7 november 1996
Tijdens de behandeling van de Trendbrief 1995 is met U ook gesproken
over leegstand. Tijdens het Algemeen Overleg van 19 juni 1996 is nader
over leegstand gesproken in relatie tot de voortgang van de woningbouw.
Ik heb toen de Tweede Kamer toegezegd informatie te verstrekken over de
leegstand in de huursector.1
Inleiding
Een belangrijk succes van het volkshuisvestingsbeleid is dat het
woningtekort in hoog tempo is afgenomen. We gaan toe naar een nieuwe
situatie, waar landelijk de woningmarkt slechts een licht tekort kent, of
zelfs een evenwicht ontstaat. Het landelijke gemiddelde woningtekort zal
niet evenredig over het hele land verspreid zijn. In sommige regio’s zal
vooralsnog een groter woningtekort blijven bestaan, bijvoorbeeld in
Amsterdam, in andere kan een marktevenwicht of zelfs een beperkt
overschot ontstaan, met hiermee samenhangend leegstand. Met het
beleid inzake de verkoop van huurwoningen en de intensivering van de
herstructurering heeft het Rijk de weg aangegeven waarlangs structurele
leegstand in de toekomst moet worden tegengegaan.
Teneinde snel een actueel beeld te krijgen van de leegstand is door de
Inspectie Volkshuisvesting een enquete uitgevoerd naar de structurele
ˆ
leegstand in de sociale huursector bij de toegelaten instellingen en
gemeentelijke woningbedrijven (sociale verhuurders) per september 1996.
De rapportage van dit onderzoek is bijgesloten bij deze brief. Onder
«structureel» wordt een leegstand van langer dan 6 maanden verstaan.
Structurele leegstand is leegstand die een gezonde marktwerking
belemmert. De leegstand van minder dan 6 maanden, ongeveer 2% van
de voorraad, is voor de marktwerking geen probleem en wordt in dit
1
Het Rapport van de Inspectie Volkshuis- onderzoek buiten beschouwing gelaten.
vesting over langdurige leegstand van sociale
huurwoningen in Nederland (sept. ’96) is ter
inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire De overwegingen om het onderzoek in eerste instantie te richten op de
Documentatie. sociale huursector zijn:
6K3494
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 1996 Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 508, nr. 13 1
– De verantwoordelijkheid van het Rijk ten aanzien van deze sector.
– Het feit dat de sociale verhuurders het overgrote deel van alle
huurwoningen vertegenwoordigen (ca. 75%).
– De verwachting dat via de sociale verhuurders snel een goed actueel
beeld viel te verkrijgen.
Omvang van de problematiek
Het woningbezit van de sociale verhuurders bedraagt per september
1996 2,5 miljoen sociale huurwoningen. Hiervan staan meer dan 5000
woningen zes maanden of langer leeg, ofwel 0,22 % van de voorraad. Op
landelijke schaal kan de structurele leegstand binnen de sociale
huursector dan ook als beperkt worden gekarakteriseerd.
Daarbij kan opgemerkt worden dat Nederland in vergelijking met de
meeste andere lidstaten in de Europese Unie een duidelijk lagere
leegstand kent.
De structurele leegstand in Nederland is niet gelijkmatig verspreid. Deze
is geconcentreerd bij 138 (15,61%) van de 884 sociale verhuurders.
De sociale verhuurders in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe
en Zeeland kennen relatief veel structurele leegstand, met percentages
varierend van 0,31% (Drenthe) tot 0,94% (Groningen) van de totale sociale
¨
huurwoningenvoorraad. Bijzonder aan deze provincies is dat structurele
leegstand breed aanwezig is, gemiddeld bij ongeveer de helft van de
sociale verhuurders. In de andere provincies is de structurele leegstand
sterker geconcentreerd in een beperkt aantal gebieden en bij een beperkt
aantal sociale verhuurders.
In het debat met de Tweede Kamer is specifiek een aantal gemeenten
genoemd, waar de structurele leegstandsproblematiek zich vooral zou
voordoen. Genoemd zijn de gemeenten Winschoten, Veendam en
Stadskanaal in de provincie Groningen. Uit de inventarisatie komen
inderdaad corporaties in Winschoten en in mindere mate Stadskanaal
naar voren met aanzienlijke structurele leegstand. In de gemeente
Veendam heeft echter geen corporatie gemeld dat zich structurele
leegstand voordoet in haar woningbezit.
In de provincies Gelderland en Utrecht kennen de sociale verhuurders
vrijwel geen structurele leegstand in de onderhavige sector. In de overige
provincies is de structurele leegstand gemiddeld minder dan 0,25% van
de totale sociale huurwoningenvoorraad.
Op provinciaal niveau komt de meeste structurele leegstand voor in
Flevoland. Van de totale sociale huurwoningenvoorraad staat hier 1,65%
leeg. Echter, voor deze provincie geldt iets bijzonders. De structurele
leegstand komt namelijk geheel voor rekening van de leegstand in de
gemeente Lelystad. Een van de sociale verhuurders in Lelystad kent een
´
leegstand van 590 woningen, ofwel 9,67% van haar bezit en scoort
hiermee landelijk het hoogst.
Hoewel de structurele leegstand per provincie en regio duidelijk
verschillen kent, komt het algemene beeld in termen van woningtypen en
prijsklassen landelijk redelijk overeen. De meeste meldingen van
structurele leegstand betreffen woningen gebouwd na 1975, gevolgd door
woningen gebouwd in de periode 1965–1975. Structurele leegstand in
woningen gebouwd voor 1965 komt veel minder voor. Structurele
leegstand speelt in alle prijsklassen, maar het meest in het middeldure
(f 600 – f 810 huur per maand) en vervolgens in het dure huursegment. In
het algemeen is er meer structurele leegstand in eengezinswoningen dan
in meergezinswoningen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 508, nr. 13 2
Oorzaken van structurele leegstand
De oorzaken van structurele leegstand en de verwachtingen ten aanzien
van de ontwikkeling daarvan kunnen in een drietal gebieden die met
problemen in dezen te kampen hebben worden gegroepeerd.
– Ruime woningmarkt in met name de provincies Groningen,
Friesland, Drenthe en Zeeland.
In Groningen, Friesland, Drenthe en Zeeland worden de oorzaken in
verband gebracht met de ontwikkelingen in de woningmarkt. Het aanbod
van woningen daar overstijgt de vraag en men ondervindt concurrentie
vanuit de koopsector. Dat beperkt zich niet tot de bestaande koopwo-
ningen, maar betreft tevens de (te grote) nieuwbouwproduktie van
koopwoningen. Relatief veel instellingen hebben er in meer of mindere zin
te maken met langdurige leegstand, die vooral voorkomt bij eengezinswo-
ningen in het middeldure huursegment. Men verwacht in het algemeen
een toename van structurele leegstand. Dit beeld sluit aan bij de gegevens
van het WBO 1993/1994 waaruit deze provincies als regio’s met landelijk
gezien de laagste woningtekorten, ruim onder de 2%, naar voren komen.
Overigens legt men ook in sommige andere regio’s en steden een
relatie tussen structurele leegstand en dergelijke ontwikkelingen in de
woningmarkt. Voorbeelden hiervan zijn West-Brabant (gemeenten
grenzend aan Zeeland) en Twente.
De situatie zou volgens de sociale verhuurders verbeterd kunnen
worden door verkoop van eengezinshuurwoningen in delen van dit bezit.
Daarnaast kan herstructurering – al dan niet gefinancierd door winsten uit
de verkoop in combinatie met een voorraadbeleid waarbij sloop van
incourante delen van de voorraad een rol speelt – bijdragen aan een
oplossing.
– Groeikernen en uitbreidingswijken bij steden.
Lokale structurele leegstand doet zich vaak voor op plaatsen waar na
1965 op grote schaal nieuwbouw is gepleegd. Het zijn meestal de wijken
die zich kenmerken door een concentratie van woningen in het
middeldure en dure huursegment. Voorbeelden hiervan zijn Lelystad,
Amsterdam Zuid-Oost, Capelle aan de IJssel, Hellevoetsluis, Spijkenisse
en Rotterdam-Ommoord/Beverwaard.
Voor een deel gaat het hier om meergezinswoningen, voor een deel ook
om eengezinswoningen (Lelystad, Hellevoetsluis, Spijkenisse en Bever-
waard). Oorzaak van de structurele leegstand aldaar is vooral de concur-
rentie van de koopsector. Ook deze ontwikkeling is in lijn met de
uitkomsten van het WBO 1993/1994, waar in deze regio’s een groot tekort
aan middeldure en dure koopwoningen is gesignaleerd. Actief verhuur-
beleid, adverteren in combinatie met mutatie-onderhoud en verkoop zijn
de belangrijkste maatregelen die de sociale verhuurders noemen om de
problemen aan te pakken. Voor flatwoningen kan het positieve effect van
verkoop, zo blijkt uit ervaringen in verschillende groeikernen, als gering
worden verwacht. In het algemeen zijn sociale verhuurders in groeikernen
en uitbreidingswijken bij steden redelijk optimistisch over de ontwikkeling
van de structurele leegstandsproblematiek in de toekomst.
– Overige structurele leegstand en structurele leegstand bij
Landelijk Toegelaten Instellingen (LTI’s).
In een aantal gemeenten komt vaak bij een corporatie forse structurele
leegstand voor, die niet direct is te relateren aan de woningmarkt of een
bepaalde categorie woningen. Veelal betreft het leegstand als gevolg van
technische oorzaken of sociale oorzaken, al dan niet in combinatie met de
lokale woningmarkt. Technische oorzaken zijn bijvoorbeeld onderhouds-
gebreken en aanstaande sloop of het afstoten van woningen. Sociale
redenen zijn bijvoorbeeld het imago van de wijk of de buurt, hetgeen
onder andere wordt bepaald door aspecten als milieu, onveiligheid en/of
criminaliteit, of het ontbreken van voldoende voorzieningen. Voorbeelden
van gebieden met technische en sociale structurele leegstand zijn te
Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 508, nr. 13 3
vinden in Den Helder, Terneuzen en Dordrecht. De huurprijzen van
leegstaande woningen zijn doorgaans lager dan in de groeikernen,
uitbreidingswijken en de besproken provincies. Veelal kiest men hier als
oplossingsrichting voor woningverbetering of sloop van de woningen.
Effectief omgaan met leegstand
Uit de leegstandsinventarisatie komt naar voren dat structurele
leegstand in de sociale huursector op dit moment niet in eerste instantie
een landelijk maar vooral een regionaal en lokaal probleem is, met veel
situatiegebonden aspecten.
Voor wat betreft de maatregelen om structurele leegstand te bestrijden
geldt dat de oplossingsrichtingen aansluiten bij de oorzaken voor
leegstand zoals deze uit de enquete blijken. Maatregelen in de financiele
ˆ ¨
sfeer komen, alleen of in combinatie met andere maatregelen, in ruim
40% van de gevallen naar voren als oplossingsrichting. Technische en
sociale maatregelen ieder ruim 20% en overige maatregelen 14%. De
maatregelen die naar voren zijn gekomen spelen met name op het lokale
niveau.
Hoewel de enquete een bruikbaar algemeen beeld geeft van de stand
ˆ
van zaken over structurele leegstand geldt wel dat het slechts een
momentopname geeft van de stand van zaken. Periodieke monitoring van
de ontwikkeling op regionaal niveau bij gemeenten en overige actoren op
de woningmarkt vindt momenteel nog te beperkt plaats. Ik zal de
leegstandsontwikkeling periodiek in beeld brengen. Daarbij zal voor de
nadere vormgeving van de meting zeker in contact worden getreden met
het CBS.
Een belangrijk succes van het volkshuisvestingsbeleid is dat het
woningtekort in hoog tempo is afgenomen. We gaan toe naar een nieuwe
situatie, waar landelijk de woningmarkt slechts een licht tekort kent, of
zelfs een evenwicht ontstaat. Het landelijke gemiddelde woningtekort zal
niet evenredig over het hele land verspreid zijn. In sommige regio’s zal
een groter woningtekort blijven, in andere kan een marktevenwicht of
zelfs een beperkt overschot ontstaan, met hiermee samenhangend
leegstand. Met het beleid inzake de verkoop van huurwoningen en de
intensivering van de herstructurering heeft het Rijk de weg aangegeven
waarlangs structurele leegstand in de toekomst mede moet worden
tegengegaan. De Inspectie Volkshuisvesting speelt een belangrijke rol
voor wat betreft het begeleiden en ondersteunen van probleem-
corporaties.
Het volgen van de ontwikkelingen op het gebied van structurele
leegstand is gewenst. Indien er belangrijke knelpunten ontstaan zal ik
zeker stappen ondernemen. Momenteel voer ik in dit kader bijvoorbeeld al
overleg met de provincies Zeeland en Groningen. Aanvullende maatre-
gelen op het huidige beleid acht ik, gezien de huidige problematiek, op dit
moment niet nodig.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D. K. J. Tommel
Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 508, nr. 13 4
