- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Maatschappelijk verantwoord ondernemen; Lijst van vragen en antwoorden over uitsluiting van kinderarbeid respectievelijk het naleven van fundamentele arbeidsrechten als eis voor overheidssteun
| Datum publicatie: | 2009-12-29 |
| Datum uitgifte: | 2009-12-09 |
| Organisaties: | |
| Indieners: |
|
| Dossier: |
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen
Nr. 80 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 december 2009
De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft een aantal vragen
voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken over de brief
van 16 juni 2009 (31 263, nr. 37) over de uitvoering van de moties van de
leden Voordewind c.s. (31 263, nr. 16) en Ortega-Martijn c.s. (31 700 XIII,
nr. 38) over uitsluiting van kinderarbeid respectievelijk het naleven van
fundamentele arbeidsrechten als eis voor overheidssteun.
De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van
9 december 2009. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Timmer
De griffier van de commissie,
Franke
1
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik
(CDA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA), Spies
(CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP),
Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom
(PvdA), Timmer (PvdA), voorzitter, Irrgang
(SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), ondervoor-
zitter, Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den
Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus
(PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gest-
huizen (SP), Ouwehand (PvdD), Vos (PvdA), De
Rouwe (CDA) en Elias (VVD).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dijk
(CDA), Sap (GL), Van Vroonhoven-Kok (CDA),
Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Koser ¸
Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boel-
houwer (PvdA), Kalma (PvdA), Kraneveldt-van
der Veen (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP),
De Nerée tot Babberich (CDA), Wiegman-van
Meppelen Scheppink (CU), Atsma (CDA),
Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Bosma
(PVV), Meeuwis (VVD), Van Dam (PvdA),
Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA),
Algra (CDA) en Weekers (VVD).
KST139103
0910tkkst26485-80
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 26 485, nr. 80 1
1
Waarom beperkt het kabinet zich in zijn reactie op de moties van de leden
Voordewind c.s. en Ortega-Martijn c.s. en de daarbij voorgestelde maatre-
gelen, in eerste instantie tot het financieel buitenlandinstrumentarium?
Heeft het kabinet een plan van aanpak om andere vormen van overheids-
steun op termijn te koppelen aan fundamentele arbeidsrechten in de
keten?
Het kabinet wil zich allereerst concentreren op het instrumentarium waar
de risico’s in potentie het grootst zijn en het meeste effect kan worden
geresulteerd. Dit is bij de ondersteuning van het bedrijfsleven met het
financieel buitenland instrumentarium bij investeringen in risicolanden en
sectoren.
Er is gekozen voor het financieel buitenland instrumentarium omdat hier
sprake is van concrete projecten, waardoor duidelijk is met welke partijen,
waaronder de eerste wezenlijke toeleverancier, Nederlandse bedrijven
werken. Omdat uit verschillende studies naar voren komt dat producten
met kinder- of dwangarbeid met name op de lokale markt worden
verkocht, gaat het om het instrumentarium dat gericht is op investeringen
in risicolanden en sectoren.
Focus op substantieel risico en mogelijkheid tot invloed resulteert in het
meeste effect. Bovendien vermijden we met deze focus ook onnodige
lasten voor bedrijven die de stap naar opkomende markten en ontwikke-
lingslanden maken. Het kabinet wil allereerst de ervaringen afwachten
met de implementatie binnen het financieel buitenlandinstrumentarium
alvorens te kijken naar verdere koppelingen. Momenteel worden bedrijven
al intensief voorgelicht als zij meegaan met een economische missie en
dient bij andere vormen van steun, zoals prepare2start and 2explore, een
verklaring afgegeven te worden dat het bedrijf de OESO-normen onder-
schrijft.
2
Kiest het kabinet er bewust voor om pas bij een toekomstige nieuwe
aanvraag voor steun een tijdsgebonden plan te eisen om ILO-conventies
na te leven? Wordt van een bedrijf ook bij de initiële aanvraag van steun
geëist dat het een tijdsgebonden plan opstelt?
Het kabinet stelt als voorwaarde voor overheidssteun dat het betrokken
bedrijf ervoor zorgt dat de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik
maakt van kinderarbeid of dwangarbeid.
Dat wordt geëist bij de initiële aanvraag. Zoals ook aangegeven in de brief
aan uw Kamer van 16 juni 2009 over de uitvoering van de motie Voorde-
wind en de motie Ortega-Martijn (TK 31 263, nr. 37) dient het bedrijf in het
geval dat een toeleverancier niet langer handelt conform de ILO-conven-
ties de ontvangen subsidie met terugwerkende kracht terug te betalen
plus een boete. Het kabinet onderzoekt momenteel, of een dergelijke
financiële sanctie binnen het huidige wettelijke subsidiekader (conform
titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht) past of dat hiervoor aanvullende
wettelijke maatregelen nodig zijn. Uw Kamer zal hierover nog nader geïn-
formeerd worden. Als het bedrijf in de toekomst opnieuw in aanmerking
komt voor steun via het financieel buitenlandinstrumentarium dan zal
voordien een tijdsgebonden plan zijn opgesteld en uitgevoerd om de
kinderen uit het arbeidsproces naar school te krijgen.
3
Hoe verhoudt zich de beperking tot de «eerste wezenlijke toeleverancier»
tot de opmerking dat van geval tot geval wordt bekeken «in hoeverre de
toeleveringsketen te beïnvloeden is»?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 26 485, nr. 80 2
De gebruikers van instrumenten voor investeringen zijn met name MKB
bedrijven, die de moeilijke stap maken naar opkomende en ontwikkelings-
markten. Met hun investering dragen de ondernemers bij aan de lokale
ontwikkeling en economische groei. De invloed en capaciteit van deze
bedrijven is beperkt in vergelijking met grote multinationals.
De overheid verwacht dat een bedrijf verklaart dat de eerste wezenlijke
toeleverancier geen gebruik maakt van kinderarbeid of dwangarbeid. Door
het ondertekenen van de OESO richtlijnen voor multinationale onderne-
mingen committeert het bedrijf zich bovendien aan inspanningen om
MVO in de keten te bevorderen. Conform de brief over ketenverantwoor-
delijkheid verwacht de Nederlandse regering dat zij de invloed die zij
hebben ook ruimhartig aanwenden om verantwoordelijkheid te nemen in
de keten.
4
Kan het kabinet nader onderbouwen waarom de naleving van de twee
overige fundamentele arbeidsnormen, vakbondsvrijheid en non-discrimi-
natie, niet is opgenomen in de uitvoering van de moties? Is het kabinet
bereid deze normen op termijn wel op te nemen, aangezien alle leden van
de ILO worden geacht al deze normen na te leven?
Bij ondersteuning door de Nederlandse overheid van investeringen in
opkomende markten en ontwikkelingslanden onderschrijven de aanvra-
gende bedrijven alle vier de fundamentele arbeidsnormen. Voor wat
betreft de nieuwe voorwaarden met betrekking tot de keten, de eerste
wezenlijke toeleveranciers van het investeringsproject, heeft de regering
er voor gekozen zich voorlopig specifiek te richten op kinder- en dwangar-
beid. Door zich voorlopig te richten op kinderarbeid en dwangarbeid in de
keten, meent de regering dat is gekozen voor een gerichte, pragmatische
en uitvoerbare benadering. De ILO-normen met betrekking tot kinderar-
beid en dwangarbeid zijn door veel landen geratificeerd en er is lokale
wetgeving. De uitdaging ligt op deze gebieden met name in de naleving
van de wetgeving, die kan worden geëist van de toeleverancier. Van
wetgeving is niet altijd sprake als het gaat om vrijheid van vakvereniging
c.q. collectief onderhandelen en non-discriminatie. Van bedrijven
verwacht de regering op deze laatste twee genoemde ILO normen een
inspanningsverplichting.
5
Wordt door de uitvoeringsinstanties alleen getoetst of in een specifiek
project of een specifieke keten de fundamentele arbeidsnormen worden
nageleefd of wordt getoetst of het bedrijf als geheel deze normen naleeft?
Kan het kabinet deze keuze toelichten?
De toetsing concentreert zich op het investeringsproject en de eerste
belangrijkste toeleveranciers daarvan. Bedrijven die een financiële onder-
steuning voor hun project aanvragen dienen daarnaast een MVO verkla-
ring te ondertekenen. Hiermee onderschrijven zij als bedrijf de OESO-
richtlijnen en de 4 fundamentele arbeidsnormen van de ILO en verklaren
deze ook toe te passen binnen hun bedrijf.
6
Worden beslissingen van ministeries of agentschappen met betrekking tot
de toetsing van fundamentele arbeidsrechten in ketens van bedrijven
openbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het Agentschap NL (voorheen: EVD) publiceert de goedgekeurde
projecten. De vereisten met betrekking tot de keten behoren tot de voor-
waarde om in aanmerking te komen voor overheidsondersteuning bij
investeringen. Omdat het gaat om bedrijfsgevoelige informatie is het niet
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 26 485, nr. 80 3
mogelijk om afgekeurde projecten te publiceren en de redenen daarvan
aan te geven.
7
Hoe zal de ondersteuning van bedrijven om de keten te onderzoeken
uitgevoerd gaan worden, met name waar het bedrijven en sectoren
betreft die (nog) niet meedoen aan bestaande keteninitiatieven?
Het kabinet heeft MVO Nederland gevraagd om bedrijven voor te lichten
over MVO: sectorgewijze informatie over ketenverantwoordelijkheid, en
instrumenten om daarmee om te gaan, zal via het internet toegankelijk
gemaakt worden. Overigens geeft Agentschap NL voor verschillende
relevante landen MVO toolkits uit. Daarnaast wordt MVO ook steeds meer
meegenomen in certificering van bedrijven, die gangbaar zijn in de sector.
In het kader van de voorlichting over de OESO-richtlijnen voor multinatio-
nale ondernemingen zal voor ondernemers een duidelijk overzicht
gemaakt worden van de MVO-gerelateerde codes die per sector relevant
kunnen zijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 26 485, nr. 80 4
