- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Arbeidsmarktbeleid; Brief regering; Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de consequenties voor de huidige beleidsaanpak
| Datum publicatie: | 2010-03-19 |
| Datum uitgifte: | 2010-03-12 |
| Organisaties: | |
| Indieners: |
|
| Dossier: |
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
29 544 Arbeidsmarktbeleid
Nr. 238 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE-
GENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 maart 2010
Met deze brief informeer ik u namens het kabinet over de ontwikkelingen
op de arbeidsmarkt en de consequenties voor de huidige beleidsaanpak.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner
KST141678
0910tkkst29544-238
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 1
OP WEG NAAR HERSTEL
1. INLEIDING
De Nederlandse economie heeft in 2009 een historisch grote teruggang
gekend. Inmiddels lijkt de economie over het dieptepunt van de crisis
heen, maar is van serieus economisch herstel nog geen sprake. Het
Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de werkloosheid in 2010 een
maximum bereikt en vervolgens zal stabiliseren. Structurele uitdagingen
als vergrijzing, ontgroening en veranderende arbeidsmarktstructuur
komen onverminderd op ons af. De vraag is wat dit betekent voor de
huidige crisisaanpak en welke lessen we kunnen trekken voor de
toekomst.
Het kabinet heeft de Tweede Kamer toegezegd begin maart met een brief
te informeren over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de implica-
ties voor de huidige beleidsaanpak. Ook is de Tweede Kamer informatie
toegezegd over de effectiviteit van de deeltijd-WW en over de scholings-
bonus. Met deze brief komt het kabinet tegemoet aan deze toezeggingen.
Deze brief beschrijft de toekomstige en huidige arbeidsmarktsituatie. In
het bijzonder wordt ingegaan op de meest recente macro-economische
ontwikkelingen, ontwikkelingen in sectoren en de gevolgen van de crisis
voor groepen als zzp’ers, oudere werknemers en jongeren. Vervolgens
geeft het kabinet aan wat deze ontwikkelingen beleidsmatig betekenen
voor de deeltijd-WW, mobiliteit en inzetbaarheid van werknemers.
2. ONTWIKKELING ECONOMIE EN ARBEIDSMARKT
2.1 De arbeidsmarkt van de toekomst
Mist van de crisis trekt langzaam op...
Nu de mist van de crisis langzaam optrekt worden de structurele uitda-
gingen waar de Nederlandse economie voorstaat ook langzaam weer
zichtbaar. De tijd is gekomen om niet langer alleen te kijken naar de crisis,
maar vooral vooruit te kijken naar de periode daarna. Nu er zicht is op
stabiliseren van de werkloosheid moeten we de crisismaatregelen
opnieuw bekijken of zelfs afbouwen. Dit is ook de lijn die de Europese
Commissie ook in Europa breed verspreidt1.
...waardoor fundamentele verschuivingen versneld zichtbaar worden
Fundamentele verschuivingen komen onverminderd op ons af of zijn door
de crisis juist versterkt. Globalisering zorgt voor wereldwijde verschui-
vingen in werkgelegenheid. Sommige banen zullen uit Nederland
verdwijnen naar lagelonenlanden. Tegelijkertijd zullen andere bedrijven
zich in Nederland vestigen en voor nieuwe banen zorgen. Bedrijven in
Nederland zullen zich in toenemende mate specialiseren in hoogwaardige
kennisintensieve diensten en producten en daarvoor goed opgeleid perso-
neel nodig hebben. Randvoorwaarde voor een goede concurrentiepositie
blijft een gematigde loonontwikkeling. De toenemende vraag naar
energie, grondstoffen, water en voedsel zal tot schaarste en stijgende
prijzen leiden. En ook het klimaat en milieu zullen veranderen. Deze
ontwikkelingen zullen in meer of mindere mate de context bepalen voor
het beleid dat de komende decennia gevoerd zal worden.
1 De structuur van de economie zal veranderen
In maart zal het Joint Employment Report
(JER) bekrachtigd worden door de Sociale De structuur van onze economie en arbeidsmarkt zullen als gevolg van de
Raad, waar dit advies onderdeel van uitmaakt. internationale concurrentie veranderen. De komende jaren komen er naar
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 2
verwachting vooral banen bij in het uitzendwezen, zakelijke dienstverle-
ning, zorg, ICT en welzijn. Daarentegen verdwijnen er naar verwachting
banen in sectoren als de financiële dienstverlening, de industrie en bouw.
De banengroei bestaat uit: vervangingsvraag (gevolg van vertrek ouderen
in vergrijzende sectoren) en de uitbreidingsvraag (nieuwe werkgelegen-
heid). De vergrijzing doet zich vooral voor in sectoren als de financiële
dienstverlening, openbaar bestuur, overheid en onderwijs. Dit beeld loopt
door in de verwachtingen voor de komende decennia (zie figuur 1). Daarin
zullen commerciële dienstverlening en zorg de groeiende sectoren zijn en
de industrie, landbouw en bouw verder krimpen.
Figuur 1. Aandelen in de werkgelegenheid
Bron: CPB «Vier vergezichten op Nederland» (2004).
Dit vraagt flexibiliteit en mobiliteit
Om werkgelegenheidverschuivingen mogelijk te maken zijn het aanpas-
singsvermogen van de arbeidsmarkt en een brede inzetbaarheid van
werknemers van belang. Bedrijven zullen meer behoefte hebben aan
flexibiliteit. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met een tijdelijk
contract, uitzendkrachten, en zzp’ers naar verwachting verder toe. Figuur 2
geeft weer dat in verschillende sectoren van de economie de zogenoemde
flexibele schil aan werknemers de afgelopen jaren al licht is toegenomen.
De verwachting is dat de flexibele schil de komende jaren versneld zal
groeien. Met deze flexibiliteit kunnen werkgevers via aanpassing van hun
personeelsomvang goed inspelen op economische veranderingen.
De benodigde flexibiliteit zal zich niet beperken tot uitsluitend de flexibele
schil. Alle werkenden zullen – ongeachte het type contract – voorbereid
moeten zijn op verschuivingen in de werkgelegenheid. Zij moeten in staat
zijn van beroep, werkgever of sector te wisselen als dat nodig is. Dit
vereist een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. Hierin staat
de zekerheid dat er werk is (werkzekerheid) centraal in plaats van de zeker-
heid van de eigen baan (baanzekerheid). Sociale voorzieningen zullen zo
ingericht moeten zijn dat ze voldoende zekerheid bieden en werknemers
ondersteunen bij de overgang van de ene naar de andere baan (van werk
naar werk) of naar een andere sector. Het heeft geen zin om bedrijfstakken
te steunen waar herstructurering onvermijdelijk is. Om mobiliteit en flexi-
biliteit in de hele arbeidsmarkt mogelijk te maken, zal het arbeidsmarktbe-
leid zich moeten richten op het scheppen van zekerheid die de verande-
ring mogelijk maakt en het ondersteunen van de noodzakelijke verande-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 3
ringen op de arbeidsmarkt. Mensen moeten het vertrouwen krijgen dat ze
altijd wel weer een baan zullen kunnen vinden, maar ook het besef dat wie
aan de slag wil blijven, in zich zelf moet investeren en op tijd van baan
moet wisselen.
Figuur 2. Omvang flexibele schil in 2004, 2007 en 2015
Bron: TNO (2008), De Toekomst van flexibele arbeid: hoe flexibel is Nederland.
Binnen afzienbare termijn is iedereen weer nodig...
De werkloosheid loopt nu weliswaar nog op maar we zullen binnen afzien-
bare termijn weer te maken krijgen met een krappe arbeidsmarkt en dus
dreigende tekorten aan personeel. Vergrijzing en ontgroening zullen de
verhouding tussen werkenden en gepensioneerden drastisch veranderen.
Dit leidt niet alleen tot krapte op de arbeidsmarkt, maar zet vanwege de
kosten van de vergrijzing ook de houdbaarheid van onze overheidsfinan-
ciën onder druk. Daarom moeten er nog meer mensen (langer) gaan
werken. De doelstellingen van dit kabinet dat in 2016 een participatiegraad
van 80% te bereiken en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
aan het werk te helpen blijven onverminderd van belang. Het is vooral
zaak dat vrouwen en ouderen meer en langer gaan werken. Daar ligt
immers het grootste onbenut arbeidspotentieel.
...waarbij brede inzetbaarheid de sleutel is tot verdere stijging van de
participatie
Nederland wil een kenniseconomie zijn en dat vraagt in toenemende mate
om geschoolde arbeid en een goede aansluiting tussen onderwijs en
arbeidsmarkt. Ook moeten mensen in staat zijn zich tussentijds bij- of om
te scholen, zodat zij ondanks verschuivingen in de werkgelegenheid tot
hun pensioen inzetbaar blijven. De inrichting van ons onderwijsstelsel en
de beschikbaarheid van scholing op latere leeftijd (post-initieel) bepalen
de kwaliteit van onze beroepsbevolking. Het verbeteren van de kwaliteit
van de beroepsbevolking speelt een belangrijke rol bij het oplossen van
knelpunten op de arbeidsmarkt van ouderen en aan de onderkant van de
arbeidsmarkt.
De veranderende arbeidsmarktstructuur en de groeiende vraag naar
geschoolde arbeid zorgen ervoor dat banen aan de onderkant van de
arbeidsmarkt onder druk komen te staan. De tekorten aan hoger opge-
leiden zullen de inkomensongelijkheid naar verwachting verder doen
toenemen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 4
Kortom: voorkomen dat de arbeidsmarkt de achilleshiel van de economie
wordt
De internationale concurrentie en toenemende krapte op de arbeidsmarkt,
vragen om mobiliteit en brede inzetbaarheid van werknemers, en
verhogen van de arbeidsparticipatie. Het functioneren van de arbeids-
markt is de sleutel voor groei en welvaart in Nederland. Dat is een
gemeenschappelijk belang van werkgevers, van werknemers en van werk-
zoekenden. De arbeidsmarkt moet niet de achilleshiel van de economie
worden. Dit vraagt om een andere balans tussen de bescherming van
werknemers met en zonder vast arbeidscontract. Het vraagt om een
eigentijds evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. Meer concreet vraagt
het om: systematisch investeren in mensen, wegnemen van belemme-
ringen voor mobiliteit en ruimte in arbeidsomstandigheden enverhou-
dingen om arbeid, zorg en individuele wensen beter met elkaar te kunnen
verenigen. Dit brengt de noodzakelijke verdere verhoging van de arbeids-
participatie ook dichterbij.
2.2 Hoe staan we er nu voor?
De Nederlandse arbeidsmarkt staat voor structurele uitdagingen – toene-
mende schaarste aan personeel, veranderende arbeidsmarktstructuur –
maar die laten onverlet dat de actuele situatie op arbeidsmarkt een ander
beeld laat zien. Deze paragraaf gaat nader in op die actuele ontwikke-
lingen op korte termijn. Dit gebeurt aan de hand van de macro-econo-
mische ontwikkelingen, de ontwikkelingen in sectoren en de gevolgen van
de crisis voor diverse groepen.
2.2.1 Macro-economische ontwikkelingen
Economische groei trekt voorzichtig aan
De Nederlandse economie heeft in 2009 een historisch grote teruggang
gekend. Inmiddels lijkt de economie over het dieptepunt van de crisis
heen, maar laat echt krachtig herstel nog op zich wachten. Het vierde
kwartaal van 2009 was de economische groei 0,3% ten opzichte het derde
kwartaal. Het broze economische herstel geldt overigens niet alleen voor
Nederland. Ook in andere EU-landen herstelt de economie zich.
Figuur 3. Samenstelling economische groei (2009: realisatie; raming: 2010, 2011)
2009 2010 2011
Groei BBP – 4,0 11⁄2 2
Particuliere consumptie – 0,4 1⁄4 0
Investeringen – 1,6 – 1⁄2 1⁄4
Overheidsbestedingen 0,6 1⁄4 1⁄4
Export – 2,6 13⁄4 11⁄4
Toelichting: Cijfers 2009 zijn voorlopige realisaties van het CBS. Cijfers voor 2010 en 2011 zijn
gebaseerd op voorlopige ramingen van het CPB (16 februari).
Naast de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP), wijzen ook
andere indicatoren op voorzichtig herstel van de bedrijfsomstandigheden
in Nederland. De laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS) laten een toename zien van het aantal orders en een stijgende
uitvoer. Bovendien daalt het aantal vacatures niet meer zo sterk en neemt
het aantal faillissementen fors af. Het herstel in orders en productie blijkt
ook uit metingen van de Nederlandse Vereniging voor Inkoopmanage-
1
De NEVI meet de ontwikkeling van de ment (NEVI): het aantal orders in februari 2010 laat de sterkste groei zien
bedrijfsomstandigheden aan de hand van de sinds 31 maanden en ook is de productieomvang verder toegenomen1.
Purchasing Managers’ Index. Dit is een
samengestelde index ontworpen om een
totaalbeeld te krijgen van de economische Het CPB verwacht dat de economie in 2010 en 2011 verder zal herstellen.
activiteiten in de verschillende industrieën. In de meest recente voorlopige ramingen (16 februari 2010) wordt een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 5
groei van het BBP verwacht van 1,5% in 2010 en van 2% in 2011. Die groei
komt vooral door de groei van de export, ondersteund door de stimule-
ringsmaatregelen van de overheid. Deze factoren hebben ook gezorgd
voor de economische groei van de afgelopen twee kwartalen.
Werkloosheid loopt nog verder op...
De (seizoensgecorrigeerde) werkloosheid is in Nederland opgelopen van
5,2% over de periode juni-augustus 2009 (driemaandsgemiddelde) naar
5,6% over de periode november 2009-januari 2010. Het aantal werklozen is
daarmee opgelopen tot 435 000. Het CPB raamt voor zowel 2010 als 2011
de werkloosheid op 6,5%. Het CPB verwacht de piek in de werkloosheid in
2010 en vervolgens een stabilisatie tot in 2011. Gezien de uitzonderlijke
klap die Nederlandse economie heeft gehad, is een werkloosheidspercen-
tage van 6,5% als gevolg van de crisis als bijzonder gematigd te beschou-
wen.
...maar reactie arbeidsmarkt blijft bijzonder gematigd
Een analyse van de internationale werkloosheidsontwikkeling (zie bijlage
A.1) bevestigt dat de Nederlandse arbeidsmarkt gematigd reageert op de
huidige crisis. Sinds het begin van de crisis in het tweede kwartaal van
2008 is de werkloosheid in de EU15 opgelopen van 6,9% (tweede kwartaal
2008) naar 9,5% (vierde kwartaal 2009), een stijging van 2,6%-punt. Het
Bruto Binnenlands Product kromp in dezelfde periode met 4,7%. In Neder-
land is de werkloosheid over dezelfde periode slechts opgelopen met
1,2%-punt tegenover eenzelfde BBP-verlies van 4,5%.
De centrale vraag is waarom de arbeidsmarkt in Nederland zo gematigd
reageert op de huidige crisis. In de arbeidsmarktbrief «Arbeidsmarkt in
crisis» (Kamerstuk 29 544, nr. 213) – die het kabinet op 8 december 2009
naar de Tweede Kamer heeft gestuurd – werden het vasthouden van
personeel tegen het economisch tij in en de grotere hoeveelheid zzp’ers
als mogelijke oorzaken voor de gematigde arbeidsmarktreactie genoemd.
Er is inmiddels aanvullende informatie beschikbaar uit een representatief
werkgeversonderzoek (Intomart) en aanvullend diepgaander onderzoek
(Ecorys). Beide onderzoeken bevestigen het in december 2009 geconsta-
teerde beeld. Deze onderzoeken worden hieronder kort besproken en
zullen gepubliceerd worden op de website van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Het dempende effect op de arbeidsmarkt doet zich vooral voor bij de
vraag naar arbeid. Veel werkgevers hebben tot nu toe hun personeel
vastgehouden, ondanks een sterke daling in de vraag naar producten en
diensten. Dit gedrag door werkgevers wordt «labour hoarding» genoemd.
Het onderzoek van Ecorys laat zien dat 19% van de onderzochte bedrijven
in 2009 te weinig betaald werk had, maar personeel desondanks vasthield
en niet ontsloeg. Het werkgeversonderzoek van Intomart concludeert dat
14% van de werkgevers personeel vasthoudt waarvoor onvoldoende werk
is. Van de middelgrote (10–99 werknemers) tot grote werkgevers (100
werknemers of meer) houdt bijna een kwart van de werkgevers overtollig
personeel vast. Werkgevers nemen eerst andere maatregelen voordat ze
gaan snijden in hun vaste personeelbestand (zie figuur A.2 in bijlage 1).
Het langer vasthouden van personeel waar (tijdelijk) geen werk voor is
gebeurt vooral in de financiële dienstverlening, industrie en in de bouw.
Uit beide onderzoeken komt naar voren dat werkgevers die overtollig
personeel vasthouden in de eerste plaats willen voorkomen dat ze werk-
nemers verliezen die onmisbaar zijn of direct na de crisis weer nodig zijn
(zie figuur A.3 in bijlage 1). Ook de verwachte krapte op de arbeidsmarkt
na de crisis als gevolg van de vergrijzing speelt een rol. Met name bij
grote werkgevers speelt toekomstige krapte een belangrijke rol om perso-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 6
neel vast te houden waarvoor niet direct werk is. Bijna de helft van de
ondervraagde werkgevers geeft aan dat het vanaf 2010 voor hun bedrijf
moeilijk wordt om personeel te werven. Tot slot spelen hoge ontslag-
kosten ook een rol bij het vasthouden van overtollig personeel.
Het vasthouden van personeel waar geen werk is betekent een netto
productiviteitsdaling. Een deel van het personeel zorgt immers niet voor
toegevoegde waarde, maar moet wel betaald worden. Bedrijven kunnen
dit niet te lang volhouden. Ze zullen alleen over gaan tot het vasthouden
van overtollig personeel wanneer ze hen binnen afzienbare tijd weer in
het productieproces denken in te kunnen zetten en wanneer zij daarvoor
voldoende reserves hebben. Labour hoarding zal alleen gebeuren bij
bedrijven die economisch herstel verwachten. Blijft herstel uit, dan
moeten bedrijven binnen hun branche afslanken en structurele reorgani-
saties doorvoeren.
Hoe financieren werkgevers het vasthouden van overtollig personeel? Zij
doen dat op verschillende manieren (zie figuur 4): vacatures schrappen
(45% van de werkgevers), incidentele beloningen inhouden (34%) en
overwerk beperken (31%). Slechts 4% van de bedrijven gebruikt de
deeltijd-WW om het vasthouden van vakkrachten te kunnen bekostigen.
Figuur 4. Hoe betalen werkgevers vasthouden (tijdelijk) overtollig personeel?
Bron: Intomart (2010), Werkgevers over de economische crisis en over de arbeidsmarkt, Kwanti-
tatief onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen-
heid (* bijvoorbeeld extra vrije dagen in ruil voor loon).
Het onderzoek van Ecorys bevestigt dat bedrijven op hierboven genoem-
de manieren het vasthouden van overtollig personeel bekostigen. Ook uit
dit onderzoek komt als eerste en tegelijk belangrijkste financiële maat-
regel: het schrappen van vacatures. Andere belangrijke maatregelen zijn:
het schrappen van overuren, het opnemen van vakantiedagen en werken
met minder extern personeel. De belangrijkste niet-personeelsgerela-
teerde financiële maatregelen zijn het snijden in overige kosten en het
uitstellen van investeringen. Vijf procent van de bedrijven bekostigt labour
hoarding uit de deeltijd-WW. Dit percentage is gelijk aan dat uit het
Intomart-onderzoek. Overigens zit in vergelijking met het totaal aantal
werklozen een relatief klein aandeel werknemers in de deeltijd-WW. Beide
onderzoeken laten zien dat andere mechanismen om labour hoarding te
bekostigen belangrijker zijn dan de deeltijd-WW. Niettemin helpt de
deeltijd-WW bedrijven die de regeling ook daadwerkelijk nodig hebben.
Bedrijven zijn daarom ook tevreden over deze toegankelijke crisismaat-
regel; een uitvoeriger toelichting staat in hoofdstuk 4.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 7
2.2.2 Ontwikkelingen in sectoren
Hoewel de economie als geheel uit het dal krabbelt, kan het verloop van
de crisis in individuele sectoren afwijken van de nationale trend. Over de
hele linie is het relatief rimpelloos, maar daaronder gaat een sterke dyna-
miek schuil in de diverse sectoren en een nog grotere diversiteit op
bedrijfsniveau. Elke sector kent een individueel recessiepatroon. Hiermee
moet rekening worden gehouden bij het geleidelijk afbouwen van het
crisisbeleid. In sommige sectoren verslechtert de werkgelegenheid vrij
snel na een economische dip, terwijl andere sectoren juist aan het eind
van de crisis aan bod komen.
De crisis treft sectoren met verschillende snelheid
De laatste twee recessies in Nederland (1993 en 2002) zijn geanalyseerd
naar effecten op de verschillende sectoren. Gekeken is naar ontwikke-
lingen in toegevoegde waarde. Vastgesteld is in welke periode individuele
sectoren het grootste procentuele verlies leden, in vergelijking met
hetzelfde kwartaal een jaar terug. Dit sectorale verlies is vervolgens
afgezet tegen het algehele economische dieptepunt in de betreffende
recessie. Op basis van de recessies in 1993 en 2002 kunnen de volgende
conclusies worden getrokken1:
– Bepaalde sectoren zijn resistent voor de crisis, bijvoorbeeld: zorg,
overheid en niet-commerciële diensten.
– Heel veel sectoren volgen de algemene trend, zoals: industrie, handel,
horeca en post en telecommunicatie).
– Binnen een sector kunnen er verschillen zijn. Zo laat de industrie per
saldo een gelijk verloop zien. «Bouw-aanpalende» industriële bran-
ches, zoals de meubel- en steenindustrie, kunnen daarentegen zowel
aan het begin van de crisis als aan het eind het dieptepunt krijgen.
– In de bouw en uitzendbranche kunnen recessies na de vroege klap
lang doorsudderen en zelfs leiden tot een tweede dieptepunt, lang
nadat de macro-economische bodem al is bereikt. De bouw had in de
twee voorgaande recessies (1993 en 2002) een tweede dip vijf kwar-
talen na het macro-economische dieptepunt.
Sommige sectoren zullen de klap nog krijgen
Het is niet onwaarschijnlijk dat sommige sectoren de klap nog krijgen,
zoals de bouw en onderdelen van de industrie. Ook de scheepsbouw heeft
de crisis lang kunnen uitstellen omdat orders lang doorliepen, maar deze
sector verwacht in 2010 nog een klap omdat er in 2009 (per saldo) weinig
orders zijn bijgekomen. In de industrie volgen de ontwikkelingen in
productie, omzet en orders het voorzichtige herstel dat overall ook waar-
genomen werd (zie figuur 5).
De verschillen tussen bedrijfstakken in de industrie zijn echter nog erg
groot. De aardolie-industrie, chemie, elektrotechniek, machine-industrie
en rubber- en kunststofproductenindustrie laten een gestaag herstel zien
van de omzet, productie en orders ten opzichte van een jaar geleden.
1
Vraag hierbij blijft in hoeverre de huidige
crisis hetzelfde patroon laat zien als eerdere
cycli.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 8
Figuur 5. Productie, omzet en orders in de industrie, % mutatie t.o.v. jaar eerder
Bron: CBS. Toelichting: bij deze cijfers moet in het achterhoofd gehouden worden dat de daling
in productie, omzet en orders al in november 2008 was begonnen, waardoor het niveau in
december 2008 al relatief laag was.
De bouw en bouwaanpalende sectoren (onder anderen hout- en bouwma-
terialenindustrie) zitten in een andere fase en beginnen de crisis momen-
teel het zwaarst te voelen. In het vierde kwartaal van 2009 is de bouw van
bedrijven en woningen gedaald. Het onderzoek van Ecorys laat zien dat in
de bouw bijna de helft van de bedrijven in 2010 nog een omzetdaling
verwacht. De bouw heeft daarmee de meest pessimistische omzetver-
wachting voor 2010 van alle marktsectoren in de economie. Dit beeld
komt ook overeen met de instroom van bouwbedrijven in de deeltijd-WW.
De bouw heeft sinds 1 januari 2010 de sterkste instroom van alle sectoren
gehad (zie bijlage 2, figuur A.5). Het TNO-rapport bouwprognoses 2009–
2014 voorspelt ook dat de klap in werkloosheid in 2010 alsnog gaat komen
(zie figuur 6). Wel wordt verwacht dat de bouw de sterkste teruggang in
bruto productie al in 2009 heeft gehad. In 2011 trekt zowel de productie als
de werkgelegenheid weer aan.
Figuur 6. Productie (constante prijzen) en werkgelegenheidsontwikkeling in de bouw
(in arbeidsjaren), % mutatie van jaar op jaar
Bron: TNO-rapport Bouwprognoses 2009–2014.
2.2.3 Gevolgen van de crisis voor diverse groepen
Het is duidelijk dat sommige sectoren en bedrijven zwaarder getroffen
worden dan andere. Daarnaast kan de crisis anders uitpakken voor
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 9
verschillende groepen mensen op de arbeidsmarkt: flexwerkers, zzp’ers,
allochtonen, ouderen, jongeren. Hieronder worden de gevolgen van de
crisis voor diverse groepen kort langsgelopen. De Monitor Arbeidsmarkt
die eind maart 2010 verschijnt gaat hier uitvoeriger op in.
Sommige groepen worden relatief zwaar getroffen door de crisis...
De groepen die relatief grote gevolgen ondervinden van de crisis zijn
flexwerkers, zzp’ers, jongeren en niet-westerse allochtonen.
De flexibele schil vervult zijn functie
Mensen met flexibele arbeidscontracten (flexwerkers) maken deel uit van
de zogenoemde flexibele schil van de arbeidsmarkt. Ook zelfstandigen
zonder personeel (zzp’ers) zorgen voor flexibiliteit. De flexibele schil helpt
de arbeidsmarkt om snel te reageren op economische schokken en is
daarom van groot belang voor een goed werkende arbeidsmarkt. Het was
daarom te verwachten dat de huidige crisis hen relatief zwaar treft. Overi-
gens pellen werkgevers de schil van flexibel personeel niet volledig af
voordat zij maatregelen treffen voor het eigen personeel.
Het aantal flexwerkers is traditioneel zeer gevoelig voor de economische
ontwikkeling. De cijfers bevestigen dat. Tussen het vierde kwartaal van
2008 en 2009 is de werkgelegenheid voor flexwerkers met 7,8% gedaald.
Echter, als de werkgelegenheid weer toeneemt, dan zullen flexwerkers
daar naar verwachting ook het eerste van profiteren. Tot dusverre is er
echter nog geen opleving in de werkgelegenheid te zien.
In het derde kwartaal van 2009 waren er bijna 630 000 zelfstandigen
zonder personeel. Dit zijn er ruim 20 000 minder dan in het derde kwartaal
van 2008. De moeilijke marktomstandigheden hebben gezorgd voor
minder opdrachten aan zzp’ers en een lagere omzet. Ecorys schat voor
2009 een gemiddelde daling van opdrachten onder zzp’ers van 9%. Het
onderzoek laat echter ook zien dat bedrijven niet lichtzinnig omgaan met
het snijden in zzp-opdrachten, omdat deze groep arbeidskrachten als
onmisbaar wordt beschouwd vanwege hun specialistische kennis en lage
overheadkosten. De omzetdaling bedraagt volgens recent onderzoek van
Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min
of meer gelijk aan de omzetdaling in het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als
geheel. Aangezien de kostenontwikkeling en marges bij zzp’ers niet
bekend zijn, kan niet worden achterhaald hoeveel het inkomen bij zzp’ers
als gevolg van de crisis is gedaald. Het is aannemelijk dat zzp’ers harder in
inkomen achteruit zijn gegaan dan de genoemde 6,5% omzetdaling.
Niet alle zzp’ers worden bovendien in gelijke mate getroffen door de
crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of
meer. Het Ecorys-onderzoek bevestigt dat bedrijven bezuinigingsmaatre-
gelen op opdrachten zélf kunnen treffen, die aanzienlijke gevolgen kunnen
hebben voor de omzet van zzp’ers. Zo hebben bedrijven opdrachten
gemiddeld met acht weken ingekort, de werkweken van zzp’ers met twaalf
uur per week verminderd en de tarieven met 7% verlaagd.
Het is inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige
«meeademt» met de conjunctuur. Zzp’ers zijn bij hun inkomsten meer
gevoelig voor de conjunctuur, maar hebben ook meer ruimte dan werkne-
mers om periodes van tegenvallende inkomsten te overbruggen. Uit
cijfers van het CBS blijkt dat zzp’ers in goede tijden relatief grote vermo-
gens opbouwen. Zelfstandigen met inkomen uit eigen onderneming
hadden op 1 januari 2009 een doorsneevermogen van € 207 000 tegen
€ 43 000 in de algemene bevolking. Uiteraard is er aanzienlijke spreiding
in de hoogte van het vermogen. Niettemin heeft 75% van de zelfstandigen
meer dan € 39 000 aan vermogen beschikbaar.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 10
Het is duidelijk dat de crisis zichtbaar gevolgen heeft voor zzp’ers. Zij
hebben relatief hoge financiële buffers om slechte tijden te overbruggen,
maar veel zzp’ers zien zich voor nieuwe uitdagingen gesteld. Zzp’ers
worden nu – vaak voor het eerst in hun bestaan als zelfstandige – gecon-
fronteerd met een moeilijke markt waarin zij het hoofd boven water
moeten zien te houden. Hierop gaat hoofdstuk 4 nader in.
Jongeren en niet-westerse allochtonen hebben relatief vaak een flexibel
contract
Dat relatief veel flexwerkers hun werk zouden verliezen, is niet onver-
wacht. Voor de betrokken mensen is dat in veel gevallen buitengewoon
vervelend. Twee groepen werken relatief vaak op basis van flexibele
contracten: jongeren en niet-westerse allochtonen. Van alle werknemers
met een flexibele arbeidsrelatie is ongeveer 40% jonger dan 25 jaar. Ook
niet-westerse allochtonen (vooral de jongeren) zijn oververtegenwoordigd
in de groep flexwerkers1.
Dit betekent dat de werkloosheid onder jongeren en niet-westerse alloch-
tonen sterker oploopt door veranderingen in de conjunctuur dan de totale
werkloosheid. De huidige ontwikkelingen bevestigen dit. De werkloosheid
onder jongeren is door de crisis sterk opgelopen. Bij jongeren gaat het
niet alleen om het niet-verlengen van tijdelijke (flexibele) contracten.
Nieuw tot de arbeidsmarkt toetredende schoolverlaters hebben het ook
moeilijker om een baan te vinden dan meer ervaren werkzoekenden.
Daarom worden jongeren vaker meteen werkloos of worden ontmoedigd
om naar werk te zoeken. De toename is echter minder sterk dan verwacht
en ook in Europees perspectief relatief gematigd. Mede dankzij het Actie-
plan Jeugdwerkloosheid van het kabinet blijven veel jongeren langer op
school. Daarnaast is er vooralsnog geen algeheel tekort aan leerwerk-
banen en aan stageplekken.
De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is door de crisis ook
sterker opgelopen. Voor het eerst sinds 2005 was er in 2009 weer een
stijging te zien. Meest zorgelijk is de positie van niet-westerse allochtone
jongeren; in 2009 was eenvijfde van hen werkloos.
Dit kan, naast de flexibele contracten, ook te maken hebben met het
gemiddeld lagere opleidingsniveau, eventuele taalbarrières, discriminatie,
het zoekgedrag, het (ontbreken van een) netwerk, de sociale vaardigheden
en de beroepsoriëntatie.
...andere groepen worden tot nu toe nauwelijks geraakt
Er zijn ook groepen die globaal bezien weinig last hebben van gevolgen
van de crisis op de arbeidsmarkt. Dat sluit overigens niet uit dat mensen
in individuele gevallen wel hard kunnen worden geraakt. Groepen waar-
voor de gevolgen van de crisis vooralsnog mee lijken te vallen zijn:
ouderen en vrouwen.
De oploop in de werkloosheid valt mee voor ouderen en vrouwen
Terwijl de werkloosheid in totaal met 1,0%-punt is toegenomen in 2009,
bedroeg de stijging onder 55- tot 65-jarigen in 2009 slechts 0,1%-punt. De
crisis leidt dus tot nauwelijks meer werkloze ouderen. Dit komt doordat
ouderen vaak met een vast contract werken en relatief goede ontslagbe-
scherming genieten.
Bij vrouwen liep het werkloosheidspercentage in 2009 minder op dan bij
mannen; 0,5 versus 1,2%-punt. Het duurde ook langer voordat de werk-
1
loosheid onder vrouwen begon te stijgen. Begin 2009 nam de werkloos-
Bijna éénvijfde van de flexwerkers is niet-
heid onder vrouwen voor het eerst in ruim drie jaar tijd toe ten opzichte
westerse allochtoon, terwijl dat bij werkne-
mers met vaste contracten minder dan van een jaar eerder. Wel zijn vrouwen structureel wat vaker werkloos dan
ééntiende is. mannen. Het verschil in het effect van de crisis is vooral te verklaren door
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 11
de sector waarin mannen en vrouwen werken. Sectoren waarin relatief
veel mannen werken, zoals de metaalindustrie en auto-industrie, worden
nu zwaarder getroffen dan sectoren waarin veel vrouwen werken zoals de
schoonmaakbranche en de gezondheidszorg.
De arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen blijft stijgen
Gunstig is overigens dat de arbeidsparticipatie van zowel ouderen als
vrouwen ondanks de crisis blijft stijgen, terwijl die voor de gehele bevol-
king in 2009 met 0,3%-punt is afgenomen. De arbeidsdeelname van
55-plussers is met maar liefst 2,0%-punt gestegen en die van vrouwen
met 0,7%-punt.
Dit goede nieuws behoeft wel een kanttekening: de arbeidsparticipatie van
vrouwen en ouderen is nog steeds lager dan gemiddeld. Willen we de
doelstelling van 80% arbeidsparticipatie in 2016 halen, dan blijven acties
noodzakelijk voor een grotere arbeidsdeelname en structurele verbetering
van de arbeidsmarktpositie van vrouwen en ouderen. De huidige slechtere
arbeidsmarktpositie van ouderen leidt er bijvoorbeeld toe dat als ouderen
hun baan verliezen, het hen meer moeite kost om weer nieuw werk te
vinden. Zij blijven dan doorgaans ook langer werkloos.
3. AGENDA VOOR DE LANGE TERMIJN
De analyse in hoofdstuk 2 laat de uitdagingen voor de arbeidsmarkt van
de toekomst zien. Deze arbeidsmarkt vraagt om mobiliteit, duurzame
inzetbaarheid, scholing en activerende sociale zekerheid. Deze thema’s
vormen de langetermijnagenda voor de arbeidsmarkt.
Bevorderen mobiliteit
Zoals blijkt uit de analyse is arbeidsmobiliteit noodzakelijk om toekom-
stige verschuivingen in werkgelegenheid te accommoderen. Op dit
moment zijn de inrichting van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid nog te
vaak geënt op de gedachte dat zekerheid gelegen is in een vaste arbeids-
overeenkomst en een baan die men houdt tot zijn pensionering. De
arbeidsmobiliteit wordt hierdoor beperkt. Het huidige ontslagstelsel is
evenzeer een mobiliteitsbeperkende factor voor mensen met een vast
contract, als gevolg van de hoge kosten van ontslag. De groei van de
flexibele schil illustreert de behoefte van bedrijven aan meer flexibele
contractvormen. Andere remmende factor voor mobiliteit is dat lonen in
Nederland sterk oplopen met leeftijd; met name voor oudere werknemers
is het bij sterk stijgende loonprofielen moeilijk om een nieuwe baan te
vinden tegen hetzelfde loon. Dit remt de mobiliteit van oudere werkne-
mers. Het kabinet heeft in de kabinetsnotitie Arbeidsparticipatie ouderen
(TK 2009–2010, 32 161, nr. 13) sociale partners opgeroepen om loonpro-
fielen en ontziemaatregelen om te vormen, zodat de lonen niet meer
automatisch stijgen met de leeftijd.
Bij het tot stand brengen van van-werk-naar-werktrajecten hebben de in
2009 opgerichte mobiliteitscentra een belangrijke functie. De rol van
sociale partners is daar evenzeer van belang, bijvoorbeeld in het kader
van sociale plannen en publiek private samenwerking. Het bevorderen
van-werk-naar-werk komt ook aan de orde in het rapport van de ambte-
lijke werkgroep Heroverweging Werkloosheid. In de vraagstelling aan de
werkgroep is gevraagd om verbinding te maken met gerelateerde thema’s
zoals investeringen in inzetbaarheid, ontslag, re-integratie en uitvoering
van de sociale zekerheid.
Het kabinet heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) daarnaast gevraagd
om advies uit te brengen over arbeidsmobiliteit. Hierin zal in het bijzonder
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 12
aandacht uitgaan naar arbeidsmobiliteit tussen publieke en private sector
en de (arbeidsrechtelijke) belemmeringen die daarbij spelen.
Duurzame inzetbaarheid en scholing
Uit de analyse komt ook het belang van verhoging van de arbeidspartici-
patie naar voren, mede gelet op de demografische ontwikkelingen.
Zonder verhoging van de arbeidsparticipatie zullen arbeidstekorten knel-
punten vormen voor economische groei en het publieke voorzieningenni-
veau. Duurzame inzetbaarheid speelt een grote rol bij het mogelijk maken
van langer doorwerken, zowel in het vormgeven van loopbaanbeleid, als
bij scholing om de langdurige inzetbaarheid in ander fysiek en/of
psychisch lichter werk te bevorderen. Werknemers en werkgevers zijn
hierbij aan zet. In het voorontwerp van wet van de Wet duurzame inzet-
baarheid in arbeid is voorzien in een wijziging van de Arbeidsomstandig-
hedenwet, gericht op het realiseren van duurzame inzetbaarheid van
werknemers. Het kabinet heef dit voorontwerp van wet op 23 december
2009 aan de Tweede Kamer aangeboden.
Ook scholing draagt bij aan de duurzame inzetbaarheid van werknemers.
Daarom heeft het kabinet scholing als voorwaarde voor de deeltijd-WW
gesteld. Het kabinet is van mening dat scholing in het huidige arbeids-
overeenkomstenrecht geen vrijblijvende optie kan zijn. Daarom zal het
kabinet nog voor de zomer een voorontwerp van wet voor de Wederzijdse
scholingsaanspraak publiceren.
Activerende sociale zekerheid
Een krappe arbeidsmarkt en een veranderende arbeidsmarktstructuur
roepen vragen op over de vormgeving van ons stelsel van sociale voorzie-
ningen. Bieden deze voldoende flexibiliteit en ruimte voor mobiliteit? En
zijn ze voldoende activerend? Om de arbeidsparticipatie te verhogen is het
van belang om de activerende werking van onze sociale zekerheid te
versterken. Tegen die achtergrond heeft het kabinet de arbeidsparticipatie
van ouderen en de rol van instituties aan de orde gesteld in de kabinets-
notitie Arbeidsparticipatie ouderen (TK 2009–2010, 32 161, nr. 13). Hierin
beschrijft het kabinet onder andere de knelpunten op de arbeidsmarkt van
ouderen en op welke manier deze worden aangepakt. Het kabinet heeft
bijvoorbeeld al veel gedaan om werk voor langdurig werklozen lonender
te maken. Maar in een toekomst waarin iedereen op de arbeidsmarkt
nodig is, zullen ook andere knelpunten aangepakt moeten worden. Het
kabinet heeft met het wetsvoorstel verhoging AOW-leeftijd (TK 2009–2010,
32 247, nr. 2) bovendien concrete stappen gezet voor verdere verhoging
van de arbeidsparticipatie van ouderen.
Op terrein van de sociale zekerheid zijn een aantal trajecten gestart om
meer mensen aan de slag te krijgen. Naar aanleiding van het rapport van
de commissie de Vries wordt binnenkort gestart met een viertal pilots. In
deze pilots wordt bekeken op welke manier meer SW’ers bij een reguliere
werkgever kunnen worden geplaatst. Het inzetten van het instrument
loondispensatie wordt daarbij apart bekeken. Ook is recentelijk de nieuwe
Wajong geïntroduceerd. In de nieuwe Wajong staat centraal wat de
jongere wel kan, in plaats van wat hij niet kan. Jongeren die op hun 18e
nog (deels) kunnen werken krijgen extra ondersteuning bij vinden en
behouden van werk. Op de leeftijd van 27 jaar wordt weer gekeken wat de
mogelijkheden zijn. Het versterken van de activerende werking van ons
sociaal zekerheidsstelsel zal ook onderdeel uitmaken van het advies van
de ambtelijke werkgroep Heroverweging op afstand van de arbeidsmarkt.
Tevens beziet het kabinet de mogelijkheden voor een leeftijdsonafhanke-
lijke leerplicht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 13
De vergrijzing, veranderingen in de economie en op de financiële markten
maken het noodzakelijk om ook het pensioensysteem te moderniseren.
Om te helpen bij de gedachtevorming over de toekomst van ons pen-
sioenstelsel is op verzoek van het kabinet recent een aantal adviezen
uitgebracht. Die adviezen brengen de bedreigingen en kansen in kaart.
Pensioenregelingen zullen bijvoorbeeld moeten worden aangepast aan de
levensverwachting, die sneller dan verwacht stijgt. Als gevolg hiervan zal
opnieuw gekeken moeten worden naar ambitie- en/of zekerheidsniveaus.
Werknemers moeten dan wel de mogelijkheid hebben om dat risico te
compenseren, onder andere door de mogelijkheid langer door te werken.
Daarom zal het kabinet nog voor de zomer een voorontwerp publiceren
om doorwerken na 65 jaar meer mogelijk te maken.
Een apart vraagstuk betreft de groeiende groep zelfstandigen. Het kabinet
heeft de SER gevraagd te bezien of het stelsel van arbeidsverhoudingen,
fiscaliteit en sociale zekerheid nog wel is ingesteld op de toenemende
diversiteit aan arbeidsrelaties, in het bijzonder vanwege de steeds grotere
groep zelfstandigen. Dit advies wordt voor de zomer verwacht.
4. Toekomst van de arbeidsmarkt begint nu
De economische crisis richt de aandacht vooral op de groei van de werk-
loosheid en wat daartegen te doen is. Het denken over andere, meer
structurele, maatregelen mag daardoor niet naar achteren worden
geschoven. Maatregelen voor de korte termijn moeten in lijn zijn met de
maatregelen die structureel nodig zijn voor de arbeidsmarkt. Dat betekent
dat die maatregelen ook moeten inspelen op de (internationale) verschui-
vingen in werkgelegenheid en de toekomstige krapte op de arbeidsmarkt.
Zij moeten voorkomen dat mensen structureel aan de kant komen te
staan. Dit vraagt in het bijzonder om maatregelen die gericht zijn op
arbeidsmobiliteit, inzetbaarheid en de aansluiting van vraag en aanbod op
de arbeidsmarkt.
Immers, juist in de komende periode van economisch herstel moeten
bedrijven met een gezonde groeipotentie genoeg arbeidskrachten kunnen
werven, zodat zij de economie weer op gang kunnen brengen. Werkne-
mers uit sectoren waar de werkgelegenheid afneemt hebben er belang bij
dat ze snel in een andere sector aan de slag kunnen. Het is niet verstandig
mensen te lang vast te houden bij bedrijven en in sectoren die geen
uitzicht op herstel hebben. Zodra de economie weer aantrekt, moeten
werknemers weer aan de slag kunnen waar ze zelf het meeste toekomst-
perspectief hebben en ze de meeste toegevoegde waarde voor onze
economie kunnen realiseren.
Hieronder komen de maatregelen voor de komende periode aan bod,
achtereenvolgens: geleidelijk afbouwen deeltijd-WW, ondersteunen van
mobiliteit, investeren in inzetbaarheid, aansluiten vraag en aanbod,
zzp’ers, jeugdwerkloosheid en loonontwikkeling. Het hoofdstuk sluit af
met een overzicht van de kosten van de maatregelen.
4.1 Beperkt verlengen deeltijd-WW
In december 2009 was er nog onduidelijkheid over het verdere verloop
van de crisis. Daarom heeft het kabinet toen besloten de deeltijd-WW tot
1 april 2010 open te houden, om meer helderheid te krijgen over het juiste
moment van sluiting van de regeling. De deeltijd-WW is immers steeds
bedoeld als een tijdelijke maatregel. De vorige arbeidsmarktbrief (8 decem-
ber 2009) schetste al de afwegingen die gemaakt moeten worden tussen
de risico’s van een te lange openstelling van deeltijd-WW enerzijds –
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 14
belemmeren dynamiek op de arbeidsmarkt – en die van een te vroege
sluiting anderzijds – belemmeren van broos economisch herstel.
Deeltijd-WW heeft waarde bewezen voor de arbeidsmarkt...
Duidelijk is dat de deeltijd-WW in de afgelopen maanden van grote onze-
kerheid een belangrijke waarde heeft gehad voor de Nederlandse arbeids-
markt. Momenteel maken ongeveer 40 000 werknemers gebruik van de
deeltijd-WW. Naast deze rechtstreekse ondersteuning van het bedrijfs-
leven heeft de regeling ook gezorgd voor rust in tumultueuze tijden. De
regeling heeft een belangrijke signaalfunctie: bedrijven hebben toegang
tot maatregelen die hen ondersteunen in het opvangen van de effecten
van de crisis. De cijfers uit het Intomart-onderzoek (zie website van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) bevestigen het posi-
tieve effect van de deeltijd-WW in onzekere tijden. De regeling is goed
bekend bij werkgevers en wordt als weinig bureaucratisch (en dus toegan-
kelijk) beschouwd1.
Hoofdstuk 2 liet al zien dat het gebruik van deeltijd-WW in absolute
aantallen beperkt is gebleven. De voorwaarden zijn zodanig dat bedrijven
er alleen gebruik van maken als zij een reële verwachting op snel herstel
hebben. Verder beoordelen gebruikers de regeling als gunstig: negen op
de tien werkgevers geeft de deeltijd-WW het oordeel «voldoende tot
goed».
De deeltijd-WW heeft zijn waarde bewezen in een onzekere arbeidsmarkt.
Het conjuncturele beeld is op dit moment echter een stuk duidelijker. De
oorspronkelijke, ongekende schok heeft diepe sporen getrokken, maar de
economie lijkt zich nu te stabiliseren. Zowel realisatiecijfers als prognoses
van het CBS en het CPB (voorlopige ramingen Centraal Economisch Plan)
laten zien dat de economie en arbeidsmarkt aantrekken. Het CPB verwacht
de piek in werkloosheid in 2010 en vervolgens een stabilisatie.
...maar de crisis verdwijnt langzaam...
De crisis verdwijnt langzaam. Met name voor 2011 zijn de signalen posi-
tief. Bedrijven vinden nu al de weg naar boven en hebben goed geschoold
personeel nodig voor hun groeiambities. De in de decemberbrief gesigna-
leerde risico’s van het te lang openhouden van deeltijd-WW, gaan zich dan
daadwerkelijk voordoen als werknemers ook na 1 juli 2011 nog in
deeltijd-WW kunnen zitten. Het is daarom niet verstandig dat er na 1 juli
2011 nog werknemers in deeltijd-WW zitten. Deeltijd-WW kan worden
gebruikt om werknemers in dienst te houden waarvoor op dit moment
geen werk is. Als deze mogelijkheid te lang geboden wordt, dan belem-
mert dit de gezonde dynamiek op de arbeidsmarkt. Gezonde dynamiek is
juist nodig om een herstructurering mogelijk te maken naar een sector-
structuur die Nederland in staat stelt concurrerend te blijven in de wereld-
economie.
Zoals in paragraaf 2.2.2 uiteen is gezet, kunnen sommige sectoren in de
komende periode nog een klap krijgen. Sectoren met langlopende order-
portefeuilles kunnen het risico lopen later in 2010 nog geconfronteerd te
worden met de gevolgen van de economische crisis.
...dus deeltijd-WW iets langer openhouden en geleidelijk afbouwen
Daarom wil het kabinet bedrijven in sectoren die na-ijlen in de economi-
sche crisis en deeltijd-WW nodig hebben de mogelijkheid geven hiervan
alsnog na 1 april 2010 gebruik te maken Die mogelijkheid geldt nadrukke-
lijk alleen voor bedrijven die niet eerder al bijzondere werktijdverkorting
(wtv) of deeltijd-WW hebben gehad. De overheid maakt daarbij geen
selectie tussen sectoren. Het is namelijk onduidelijk welke sectoren nu
1
De deeltijd-WW is bekend bij 80% van de nog het dieptepunt van de crisis moeten verwachten en binnen dezelfde
werkgevers. sector kunnen bedrijven in een verschillend tempo reageren op de crisis.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 15
Daarom is het voorzetten van de deeltijd-WW in algemene vorm het
meest effectief.
Nieuwe aanvragen voor de deeltijd-WW kunnen dus ook na 1 april 2010
gehonoreerd worden. De uiterste datum dat mensen uit de deeltijd-WW
moeten verandert echter niet en blijft 1 juli 2011. Dit betekent concreet het
volgende:
– Bedrijven kunnen ook na 1 april 2010 nieuw in de deeltijd-WW komen.
Hoe lang zij er feitelijk gebruik van kunnen maken, hangt af van het
moment dat zij instromen. De einddatum blijft immers 1 juli 2011. Dus:
een bedrijf dat op 1 mei 2010 in de deeltijd-WW komt, maakt er een
maand minder gebruik van dan wanneer het bedrijf op 1 april 2010 zou
zijn gestart met deeltijd-WW.
– De voorwaarde dat het aandeel van het personeelsbestand in
deeltijd-WW een rol speelt bij de duur blijft bestaan. Ook de uiterste
uitstroomdatum blijft per groep gehandhaafd. Dat houdt in:
• 0–30% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op
1 juli 2011
• 30–60% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op
1 april 2011
• 60–100% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op
1 januari 2011
– Alleen bedrijven die nog niet eerder in deeltijd-WW of bijzondere werk-
tijdverkorting zaten komen in aanmerking.
Evaluatie deeltijd-WW
Bij de begrotingsbehandeling eind 2009 heb ik de Tweede Kamer gelijk-
tijdig met een besluit over de deeltijd-WW ook informatie toegezegd over
de effectiviteit van de regeling en soortgelijke maatregelen in het buiten-
land. Bijlage 2 bevat een evaluatie met de gegevens over het gebruik van
de deeltijd-WW. Daarnaast zal het kabinet de mogelijkheden bekijken van
onderzoek naar de effectiviteit van de deeltijd-WW en de bijzondere werk-
tijdverkortingsregeling. Dit type onderzoek is complex en voor het vast-
stellen van doeltreffendheid en doelmatigheid moet de deeltijd-WW bij
bedrijven sowieso (enige tijd) beëindigd zijn. Daarom is het niet mogelijk
daar nu al goede informatie over te verstrekken. Een dergelijk (lange
termijn)onderzoek zou bijvoorbeeld een vergelijking kunnen maken tussen
de economische effecten bij vergelijkbare bedrijven die wel en geen
gebruik hebben gemaakt van bijzondere wtv en/of deeltijd-WW. Een
dergelijke opzet zou – indien mogelijk – meer informatie kunnen geven
over de doeltreffendheid en doelmatigheid van beide regelingen.
Tot slot heb ik de Tweede Kamer tijdens de begrotingsbehandeling een
inventarisatie toegezegd van evaluatiestudies van werktijdverkortings-
maatregelen in andere landen. De Europese Commissie en de OESO
hebben hiervoor een gezamenlijk initiatief genomen. Zij vragen de Euro-
pese landen nu naar gegevens over hun crisismaatregelen voor de
arbeidsmarkt. Naar verwachting zal dit eind maart 2010 tot een rapport
leiden.
4.2 Ondersteuning van mobiliteit
Experimenten van-werk-naar-werk
In regio’s en sectoren is momenteel te zien dat samenwerkende partijen –
overheid, werkgevers en werknemers- met elkaar proberen werkloosheid
zoveel mogelijk te voorkomen. Een voorbeeld daarvan is om werknemers
die met ontslag worden bedreigd tijdig aan ander werk te helpen:
van-werk-naar-werk. De ontwikkeling van het zogenoemde Maasland-
model van CNV Vakmensen is wat dat betreft illustratief. Bedrijven kunnen
hierbij een stapje extra zetten bij het aan het van-werk-naar-werk helpen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 16
van hun werknemers in het netwerk van bedrijven in de regio en de
sector. Dit heeft vooral meerwaarde voor werknemers die niet snel zelf
ander werk vinden en daardoor het risico lopen langdurig werkloos te
worden. Juist de huidige arbeidsmarkt vraagt om mobiliteit, ook tussen
sectoren, van met ontslag bedreigde werknemers en werklozen naar vaca-
tures die er (elders) zijn.
Regio’s en sectoren vragen om experimenteerruimte en willen WW-uitke-
ringsgeld in kunnen zetten om werklozen en met werkloosheid
bedreigden beter aan ander werk te kunnen helpen. Dit verzoek komt
bijvoorbeeld van het Transfercentrum «De Noaber» in Hardenberg.
De staatssecretaris van Financiën heeft tijdens de Algemene Financiële
Beschouwingen najaar 2009 naar aanleiding daarvan de voorzitter van de
ambtelijke werkgroep Heroverweging Werkloosheid gevraagd om de
verantwoordelijkheidsverdeling voor de WW tussen sociale partners en de
overheid te betrekken bij de heroverweging. De wensen uit de regio
hebben een zodanige reikwijdte en zijn zo fundamenteel van karakter – zo
is inzet van WW uitkeringsgeld voor bemiddeling nu wettelijk niet moge-
lijk – dat dergelijke fundamentele overwegingen dienen te worden meege-
nomen in de heroverwegingsoperatie van het kabinet.
Het kabinet is bereid binnen de huidige wettelijke kaders nu al actief initia-
tieven te ondersteunen die meerwaarde kunnen hebben voor van werk-
naar-werk-trajecten. Samenwerkende werkgevers en werknemers krijgen
daarom in enkele regio’s en sectoren hiervoor experimenteerruimte
waarbij zij gebruik kunnen maken van re-integratiegeld. Doel van het
experiment is te kijken of werkgevers en werknemers, als zij regie en
beleidsvrijheid krijgen op de besteding van re-integratiebudget, in staat
zijn aansprekende prestaties te leveren. Hiervoor stelt het kabinet in 2010
€ 2 miljoen ter beschikking uit de zogenoemde Arbeidsmarktenveloppe
2010.
Het experiment wordt gebaseerd op de Wet SUWI (artikel 82a). Dit artikel
maakt het mogelijk met een algemene maatregel van bestuur een experi-
ment toe te staan om een doeltreffender uitvoering van de WW te onder-
zoeken. Zo’n experiment maakt het mogelijk af te wijken van bepalingen
over re-integratie zoals de financiering en de re-integratieverantwoorde-
lijkheid. Ook kunnen in het experiment andere re-integratie-instrumenten
ontwikkeld en bekostigd worden. Experimenteren met WW-uitkeringsgeld
is, zoals hierboven al aangegeven is, niet mogelijk.
Hoe ziet dat er concreet uit? Samenwerkende partijen (werkgevers, werk-
nemers) in een regio of sector kunnen een plan indienen om een experi-
ment uit te voeren. Aanvragers kunnen dan een vrij besteedbaar re-inte-
gratiebudget krijgen dat in hoogte vergelijkbaar is met het budget dat het
UWV beschikbaar heeft. Vrij besteedbaar betekent dat van de huidige
bepalingen voor de inzet van re-integratie-instrumenten mag worden
afgeweken. Partijen mogen zelf beslissen hoe en voor wie het budget
wordt ingezet. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
beoordeelt het plan en deelt – onder in de regeling te stellen voorwaarden
– budget toe. Een voorwaarden is in elk geval dat de samenwerkende
partijen aangeven welke en hoeveel private middelen zij – naast de
publieke middelen – voor het experiment zullen inzetten.
De resultaten worden gevolgd, om de toegevoegde waarde van de experi-
menten vast te kunnen stellen. Dit onderzoek biedt zicht op beleidsmatig
bruikbare en objectief vergelijkbare resultaten. Deze resu
