donderdag 17 mei 2012

Arbeidsmarktbeleid; Brief regering; Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de consequenties voor de huidige beleidsaanpak

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009–2010 29 544 Arbeidsmarktbeleid Nr. 238 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE- GENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 12 maart 2010 Met deze brief informeer ik u namens het kabinet over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de consequenties voor de huidige beleidsaanpak. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. P. H. Donner KST141678 0910tkkst29544-238 ISSN 0921 - 7371 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 1 OP WEG NAAR HERSTEL 1. INLEIDING De Nederlandse economie heeft in 2009 een historisch grote teruggang gekend. Inmiddels lijkt de economie over het dieptepunt van de crisis heen, maar is van serieus economisch herstel nog geen sprake. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de werkloosheid in 2010 een maximum bereikt en vervolgens zal stabiliseren. Structurele uitdagingen als vergrijzing, ontgroening en veranderende arbeidsmarktstructuur komen onverminderd op ons af. De vraag is wat dit betekent voor de huidige crisisaanpak en welke lessen we kunnen trekken voor de toekomst. Het kabinet heeft de Tweede Kamer toegezegd begin maart met een brief te informeren over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de implica- ties voor de huidige beleidsaanpak. Ook is de Tweede Kamer informatie toegezegd over de effectiviteit van de deeltijd-WW en over de scholings- bonus. Met deze brief komt het kabinet tegemoet aan deze toezeggingen. Deze brief beschrijft de toekomstige en huidige arbeidsmarktsituatie. In het bijzonder wordt ingegaan op de meest recente macro-economische ontwikkelingen, ontwikkelingen in sectoren en de gevolgen van de crisis voor groepen als zzp’ers, oudere werknemers en jongeren. Vervolgens geeft het kabinet aan wat deze ontwikkelingen beleidsmatig betekenen voor de deeltijd-WW, mobiliteit en inzetbaarheid van werknemers. 2. ONTWIKKELING ECONOMIE EN ARBEIDSMARKT 2.1 De arbeidsmarkt van de toekomst Mist van de crisis trekt langzaam op... Nu de mist van de crisis langzaam optrekt worden de structurele uitda- gingen waar de Nederlandse economie voorstaat ook langzaam weer zichtbaar. De tijd is gekomen om niet langer alleen te kijken naar de crisis, maar vooral vooruit te kijken naar de periode daarna. Nu er zicht is op stabiliseren van de werkloosheid moeten we de crisismaatregelen opnieuw bekijken of zelfs afbouwen. Dit is ook de lijn die de Europese Commissie ook in Europa breed verspreidt1. ...waardoor fundamentele verschuivingen versneld zichtbaar worden Fundamentele verschuivingen komen onverminderd op ons af of zijn door de crisis juist versterkt. Globalisering zorgt voor wereldwijde verschui- vingen in werkgelegenheid. Sommige banen zullen uit Nederland verdwijnen naar lagelonenlanden. Tegelijkertijd zullen andere bedrijven zich in Nederland vestigen en voor nieuwe banen zorgen. Bedrijven in Nederland zullen zich in toenemende mate specialiseren in hoogwaardige kennisintensieve diensten en producten en daarvoor goed opgeleid perso- neel nodig hebben. Randvoorwaarde voor een goede concurrentiepositie blijft een gematigde loonontwikkeling. De toenemende vraag naar energie, grondstoffen, water en voedsel zal tot schaarste en stijgende prijzen leiden. En ook het klimaat en milieu zullen veranderen. Deze ontwikkelingen zullen in meer of mindere mate de context bepalen voor het beleid dat de komende decennia gevoerd zal worden. 1 De structuur van de economie zal veranderen In maart zal het Joint Employment Report (JER) bekrachtigd worden door de Sociale De structuur van onze economie en arbeidsmarkt zullen als gevolg van de Raad, waar dit advies onderdeel van uitmaakt. internationale concurrentie veranderen. De komende jaren komen er naar Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 2 verwachting vooral banen bij in het uitzendwezen, zakelijke dienstverle- ning, zorg, ICT en welzijn. Daarentegen verdwijnen er naar verwachting banen in sectoren als de financiële dienstverlening, de industrie en bouw. De banengroei bestaat uit: vervangingsvraag (gevolg van vertrek ouderen in vergrijzende sectoren) en de uitbreidingsvraag (nieuwe werkgelegen- heid). De vergrijzing doet zich vooral voor in sectoren als de financiële dienstverlening, openbaar bestuur, overheid en onderwijs. Dit beeld loopt door in de verwachtingen voor de komende decennia (zie figuur 1). Daarin zullen commerciële dienstverlening en zorg de groeiende sectoren zijn en de industrie, landbouw en bouw verder krimpen. Figuur 1. Aandelen in de werkgelegenheid Bron: CPB «Vier vergezichten op Nederland» (2004). Dit vraagt flexibiliteit en mobiliteit Om werkgelegenheidverschuivingen mogelijk te maken zijn het aanpas- singsvermogen van de arbeidsmarkt en een brede inzetbaarheid van werknemers van belang. Bedrijven zullen meer behoefte hebben aan flexibiliteit. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met een tijdelijk contract, uitzendkrachten, en zzp’ers naar verwachting verder toe. Figuur 2 geeft weer dat in verschillende sectoren van de economie de zogenoemde flexibele schil aan werknemers de afgelopen jaren al licht is toegenomen. De verwachting is dat de flexibele schil de komende jaren versneld zal groeien. Met deze flexibiliteit kunnen werkgevers via aanpassing van hun personeelsomvang goed inspelen op economische veranderingen. De benodigde flexibiliteit zal zich niet beperken tot uitsluitend de flexibele schil. Alle werkenden zullen – ongeachte het type contract – voorbereid moeten zijn op verschuivingen in de werkgelegenheid. Zij moeten in staat zijn van beroep, werkgever of sector te wisselen als dat nodig is. Dit vereist een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. Hierin staat de zekerheid dat er werk is (werkzekerheid) centraal in plaats van de zeker- heid van de eigen baan (baanzekerheid). Sociale voorzieningen zullen zo ingericht moeten zijn dat ze voldoende zekerheid bieden en werknemers ondersteunen bij de overgang van de ene naar de andere baan (van werk naar werk) of naar een andere sector. Het heeft geen zin om bedrijfstakken te steunen waar herstructurering onvermijdelijk is. Om mobiliteit en flexi- biliteit in de hele arbeidsmarkt mogelijk te maken, zal het arbeidsmarktbe- leid zich moeten richten op het scheppen van zekerheid die de verande- ring mogelijk maakt en het ondersteunen van de noodzakelijke verande- Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 3 ringen op de arbeidsmarkt. Mensen moeten het vertrouwen krijgen dat ze altijd wel weer een baan zullen kunnen vinden, maar ook het besef dat wie aan de slag wil blijven, in zich zelf moet investeren en op tijd van baan moet wisselen. Figuur 2. Omvang flexibele schil in 2004, 2007 en 2015 Bron: TNO (2008), De Toekomst van flexibele arbeid: hoe flexibel is Nederland. Binnen afzienbare termijn is iedereen weer nodig... De werkloosheid loopt nu weliswaar nog op maar we zullen binnen afzien- bare termijn weer te maken krijgen met een krappe arbeidsmarkt en dus dreigende tekorten aan personeel. Vergrijzing en ontgroening zullen de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden drastisch veranderen. Dit leidt niet alleen tot krapte op de arbeidsmarkt, maar zet vanwege de kosten van de vergrijzing ook de houdbaarheid van onze overheidsfinan- ciën onder druk. Daarom moeten er nog meer mensen (langer) gaan werken. De doelstellingen van dit kabinet dat in 2016 een participatiegraad van 80% te bereiken en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen blijven onverminderd van belang. Het is vooral zaak dat vrouwen en ouderen meer en langer gaan werken. Daar ligt immers het grootste onbenut arbeidspotentieel. ...waarbij brede inzetbaarheid de sleutel is tot verdere stijging van de participatie Nederland wil een kenniseconomie zijn en dat vraagt in toenemende mate om geschoolde arbeid en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Ook moeten mensen in staat zijn zich tussentijds bij- of om te scholen, zodat zij ondanks verschuivingen in de werkgelegenheid tot hun pensioen inzetbaar blijven. De inrichting van ons onderwijsstelsel en de beschikbaarheid van scholing op latere leeftijd (post-initieel) bepalen de kwaliteit van onze beroepsbevolking. Het verbeteren van de kwaliteit van de beroepsbevolking speelt een belangrijke rol bij het oplossen van knelpunten op de arbeidsmarkt van ouderen en aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De veranderende arbeidsmarktstructuur en de groeiende vraag naar geschoolde arbeid zorgen ervoor dat banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt onder druk komen te staan. De tekorten aan hoger opge- leiden zullen de inkomensongelijkheid naar verwachting verder doen toenemen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 4 Kortom: voorkomen dat de arbeidsmarkt de achilleshiel van de economie wordt De internationale concurrentie en toenemende krapte op de arbeidsmarkt, vragen om mobiliteit en brede inzetbaarheid van werknemers, en verhogen van de arbeidsparticipatie. Het functioneren van de arbeids- markt is de sleutel voor groei en welvaart in Nederland. Dat is een gemeenschappelijk belang van werkgevers, van werknemers en van werk- zoekenden. De arbeidsmarkt moet niet de achilleshiel van de economie worden. Dit vraagt om een andere balans tussen de bescherming van werknemers met en zonder vast arbeidscontract. Het vraagt om een eigentijds evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. Meer concreet vraagt het om: systematisch investeren in mensen, wegnemen van belemme- ringen voor mobiliteit en ruimte in arbeidsomstandigheden enverhou- dingen om arbeid, zorg en individuele wensen beter met elkaar te kunnen verenigen. Dit brengt de noodzakelijke verdere verhoging van de arbeids- participatie ook dichterbij. 2.2 Hoe staan we er nu voor? De Nederlandse arbeidsmarkt staat voor structurele uitdagingen – toene- mende schaarste aan personeel, veranderende arbeidsmarktstructuur – maar die laten onverlet dat de actuele situatie op arbeidsmarkt een ander beeld laat zien. Deze paragraaf gaat nader in op die actuele ontwikke- lingen op korte termijn. Dit gebeurt aan de hand van de macro-econo- mische ontwikkelingen, de ontwikkelingen in sectoren en de gevolgen van de crisis voor diverse groepen. 2.2.1 Macro-economische ontwikkelingen Economische groei trekt voorzichtig aan De Nederlandse economie heeft in 2009 een historisch grote teruggang gekend. Inmiddels lijkt de economie over het dieptepunt van de crisis heen, maar laat echt krachtig herstel nog op zich wachten. Het vierde kwartaal van 2009 was de economische groei 0,3% ten opzichte het derde kwartaal. Het broze economische herstel geldt overigens niet alleen voor Nederland. Ook in andere EU-landen herstelt de economie zich. Figuur 3. Samenstelling economische groei (2009: realisatie; raming: 2010, 2011) 2009 2010 2011 Groei BBP – 4,0 11⁄2 2 Particuliere consumptie – 0,4 1⁄4 0 Investeringen – 1,6 – 1⁄2 1⁄4 Overheidsbestedingen 0,6 1⁄4 1⁄4 Export – 2,6 13⁄4 11⁄4 Toelichting: Cijfers 2009 zijn voorlopige realisaties van het CBS. Cijfers voor 2010 en 2011 zijn gebaseerd op voorlopige ramingen van het CPB (16 februari). Naast de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP), wijzen ook andere indicatoren op voorzichtig herstel van de bedrijfsomstandigheden in Nederland. De laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten een toename zien van het aantal orders en een stijgende uitvoer. Bovendien daalt het aantal vacatures niet meer zo sterk en neemt het aantal faillissementen fors af. Het herstel in orders en productie blijkt ook uit metingen van de Nederlandse Vereniging voor Inkoopmanage- 1 De NEVI meet de ontwikkeling van de ment (NEVI): het aantal orders in februari 2010 laat de sterkste groei zien bedrijfsomstandigheden aan de hand van de sinds 31 maanden en ook is de productieomvang verder toegenomen1. Purchasing Managers’ Index. Dit is een samengestelde index ontworpen om een totaalbeeld te krijgen van de economische Het CPB verwacht dat de economie in 2010 en 2011 verder zal herstellen. activiteiten in de verschillende industrieën. In de meest recente voorlopige ramingen (16 februari 2010) wordt een Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 5 groei van het BBP verwacht van 1,5% in 2010 en van 2% in 2011. Die groei komt vooral door de groei van de export, ondersteund door de stimule- ringsmaatregelen van de overheid. Deze factoren hebben ook gezorgd voor de economische groei van de afgelopen twee kwartalen. Werkloosheid loopt nog verder op... De (seizoensgecorrigeerde) werkloosheid is in Nederland opgelopen van 5,2% over de periode juni-augustus 2009 (driemaandsgemiddelde) naar 5,6% over de periode november 2009-januari 2010. Het aantal werklozen is daarmee opgelopen tot 435 000. Het CPB raamt voor zowel 2010 als 2011 de werkloosheid op 6,5%. Het CPB verwacht de piek in de werkloosheid in 2010 en vervolgens een stabilisatie tot in 2011. Gezien de uitzonderlijke klap die Nederlandse economie heeft gehad, is een werkloosheidspercen- tage van 6,5% als gevolg van de crisis als bijzonder gematigd te beschou- wen. ...maar reactie arbeidsmarkt blijft bijzonder gematigd Een analyse van de internationale werkloosheidsontwikkeling (zie bijlage A.1) bevestigt dat de Nederlandse arbeidsmarkt gematigd reageert op de huidige crisis. Sinds het begin van de crisis in het tweede kwartaal van 2008 is de werkloosheid in de EU15 opgelopen van 6,9% (tweede kwartaal 2008) naar 9,5% (vierde kwartaal 2009), een stijging van 2,6%-punt. Het Bruto Binnenlands Product kromp in dezelfde periode met 4,7%. In Neder- land is de werkloosheid over dezelfde periode slechts opgelopen met 1,2%-punt tegenover eenzelfde BBP-verlies van 4,5%. De centrale vraag is waarom de arbeidsmarkt in Nederland zo gematigd reageert op de huidige crisis. In de arbeidsmarktbrief «Arbeidsmarkt in crisis» (Kamerstuk 29 544, nr. 213) – die het kabinet op 8 december 2009 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd – werden het vasthouden van personeel tegen het economisch tij in en de grotere hoeveelheid zzp’ers als mogelijke oorzaken voor de gematigde arbeidsmarktreactie genoemd. Er is inmiddels aanvullende informatie beschikbaar uit een representatief werkgeversonderzoek (Intomart) en aanvullend diepgaander onderzoek (Ecorys). Beide onderzoeken bevestigen het in december 2009 geconsta- teerde beeld. Deze onderzoeken worden hieronder kort besproken en zullen gepubliceerd worden op de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het dempende effect op de arbeidsmarkt doet zich vooral voor bij de vraag naar arbeid. Veel werkgevers hebben tot nu toe hun personeel vastgehouden, ondanks een sterke daling in de vraag naar producten en diensten. Dit gedrag door werkgevers wordt «labour hoarding» genoemd. Het onderzoek van Ecorys laat zien dat 19% van de onderzochte bedrijven in 2009 te weinig betaald werk had, maar personeel desondanks vasthield en niet ontsloeg. Het werkgeversonderzoek van Intomart concludeert dat 14% van de werkgevers personeel vasthoudt waarvoor onvoldoende werk is. Van de middelgrote (10–99 werknemers) tot grote werkgevers (100 werknemers of meer) houdt bijna een kwart van de werkgevers overtollig personeel vast. Werkgevers nemen eerst andere maatregelen voordat ze gaan snijden in hun vaste personeelbestand (zie figuur A.2 in bijlage 1). Het langer vasthouden van personeel waar (tijdelijk) geen werk voor is gebeurt vooral in de financiële dienstverlening, industrie en in de bouw. Uit beide onderzoeken komt naar voren dat werkgevers die overtollig personeel vasthouden in de eerste plaats willen voorkomen dat ze werk- nemers verliezen die onmisbaar zijn of direct na de crisis weer nodig zijn (zie figuur A.3 in bijlage 1). Ook de verwachte krapte op de arbeidsmarkt na de crisis als gevolg van de vergrijzing speelt een rol. Met name bij grote werkgevers speelt toekomstige krapte een belangrijke rol om perso- Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 6 neel vast te houden waarvoor niet direct werk is. Bijna de helft van de ondervraagde werkgevers geeft aan dat het vanaf 2010 voor hun bedrijf moeilijk wordt om personeel te werven. Tot slot spelen hoge ontslag- kosten ook een rol bij het vasthouden van overtollig personeel. Het vasthouden van personeel waar geen werk is betekent een netto productiviteitsdaling. Een deel van het personeel zorgt immers niet voor toegevoegde waarde, maar moet wel betaald worden. Bedrijven kunnen dit niet te lang volhouden. Ze zullen alleen over gaan tot het vasthouden van overtollig personeel wanneer ze hen binnen afzienbare tijd weer in het productieproces denken in te kunnen zetten en wanneer zij daarvoor voldoende reserves hebben. Labour hoarding zal alleen gebeuren bij bedrijven die economisch herstel verwachten. Blijft herstel uit, dan moeten bedrijven binnen hun branche afslanken en structurele reorgani- saties doorvoeren. Hoe financieren werkgevers het vasthouden van overtollig personeel? Zij doen dat op verschillende manieren (zie figuur 4): vacatures schrappen (45% van de werkgevers), incidentele beloningen inhouden (34%) en overwerk beperken (31%). Slechts 4% van de bedrijven gebruikt de deeltijd-WW om het vasthouden van vakkrachten te kunnen bekostigen. Figuur 4. Hoe betalen werkgevers vasthouden (tijdelijk) overtollig personeel? Bron: Intomart (2010), Werkgevers over de economische crisis en over de arbeidsmarkt, Kwanti- tatief onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen- heid (* bijvoorbeeld extra vrije dagen in ruil voor loon). Het onderzoek van Ecorys bevestigt dat bedrijven op hierboven genoem- de manieren het vasthouden van overtollig personeel bekostigen. Ook uit dit onderzoek komt als eerste en tegelijk belangrijkste financiële maat- regel: het schrappen van vacatures. Andere belangrijke maatregelen zijn: het schrappen van overuren, het opnemen van vakantiedagen en werken met minder extern personeel. De belangrijkste niet-personeelsgerela- teerde financiële maatregelen zijn het snijden in overige kosten en het uitstellen van investeringen. Vijf procent van de bedrijven bekostigt labour hoarding uit de deeltijd-WW. Dit percentage is gelijk aan dat uit het Intomart-onderzoek. Overigens zit in vergelijking met het totaal aantal werklozen een relatief klein aandeel werknemers in de deeltijd-WW. Beide onderzoeken laten zien dat andere mechanismen om labour hoarding te bekostigen belangrijker zijn dan de deeltijd-WW. Niettemin helpt de deeltijd-WW bedrijven die de regeling ook daadwerkelijk nodig hebben. Bedrijven zijn daarom ook tevreden over deze toegankelijke crisismaat- regel; een uitvoeriger toelichting staat in hoofdstuk 4. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 7 2.2.2 Ontwikkelingen in sectoren Hoewel de economie als geheel uit het dal krabbelt, kan het verloop van de crisis in individuele sectoren afwijken van de nationale trend. Over de hele linie is het relatief rimpelloos, maar daaronder gaat een sterke dyna- miek schuil in de diverse sectoren en een nog grotere diversiteit op bedrijfsniveau. Elke sector kent een individueel recessiepatroon. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het geleidelijk afbouwen van het crisisbeleid. In sommige sectoren verslechtert de werkgelegenheid vrij snel na een economische dip, terwijl andere sectoren juist aan het eind van de crisis aan bod komen. De crisis treft sectoren met verschillende snelheid De laatste twee recessies in Nederland (1993 en 2002) zijn geanalyseerd naar effecten op de verschillende sectoren. Gekeken is naar ontwikke- lingen in toegevoegde waarde. Vastgesteld is in welke periode individuele sectoren het grootste procentuele verlies leden, in vergelijking met hetzelfde kwartaal een jaar terug. Dit sectorale verlies is vervolgens afgezet tegen het algehele economische dieptepunt in de betreffende recessie. Op basis van de recessies in 1993 en 2002 kunnen de volgende conclusies worden getrokken1: – Bepaalde sectoren zijn resistent voor de crisis, bijvoorbeeld: zorg, overheid en niet-commerciële diensten. – Heel veel sectoren volgen de algemene trend, zoals: industrie, handel, horeca en post en telecommunicatie). – Binnen een sector kunnen er verschillen zijn. Zo laat de industrie per saldo een gelijk verloop zien. «Bouw-aanpalende» industriële bran- ches, zoals de meubel- en steenindustrie, kunnen daarentegen zowel aan het begin van de crisis als aan het eind het dieptepunt krijgen. – In de bouw en uitzendbranche kunnen recessies na de vroege klap lang doorsudderen en zelfs leiden tot een tweede dieptepunt, lang nadat de macro-economische bodem al is bereikt. De bouw had in de twee voorgaande recessies (1993 en 2002) een tweede dip vijf kwar- talen na het macro-economische dieptepunt. Sommige sectoren zullen de klap nog krijgen Het is niet onwaarschijnlijk dat sommige sectoren de klap nog krijgen, zoals de bouw en onderdelen van de industrie. Ook de scheepsbouw heeft de crisis lang kunnen uitstellen omdat orders lang doorliepen, maar deze sector verwacht in 2010 nog een klap omdat er in 2009 (per saldo) weinig orders zijn bijgekomen. In de industrie volgen de ontwikkelingen in productie, omzet en orders het voorzichtige herstel dat overall ook waar- genomen werd (zie figuur 5). De verschillen tussen bedrijfstakken in de industrie zijn echter nog erg groot. De aardolie-industrie, chemie, elektrotechniek, machine-industrie en rubber- en kunststofproductenindustrie laten een gestaag herstel zien van de omzet, productie en orders ten opzichte van een jaar geleden. 1 Vraag hierbij blijft in hoeverre de huidige crisis hetzelfde patroon laat zien als eerdere cycli. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 8 Figuur 5. Productie, omzet en orders in de industrie, % mutatie t.o.v. jaar eerder Bron: CBS. Toelichting: bij deze cijfers moet in het achterhoofd gehouden worden dat de daling in productie, omzet en orders al in november 2008 was begonnen, waardoor het niveau in december 2008 al relatief laag was. De bouw en bouwaanpalende sectoren (onder anderen hout- en bouwma- terialenindustrie) zitten in een andere fase en beginnen de crisis momen- teel het zwaarst te voelen. In het vierde kwartaal van 2009 is de bouw van bedrijven en woningen gedaald. Het onderzoek van Ecorys laat zien dat in de bouw bijna de helft van de bedrijven in 2010 nog een omzetdaling verwacht. De bouw heeft daarmee de meest pessimistische omzetver- wachting voor 2010 van alle marktsectoren in de economie. Dit beeld komt ook overeen met de instroom van bouwbedrijven in de deeltijd-WW. De bouw heeft sinds 1 januari 2010 de sterkste instroom van alle sectoren gehad (zie bijlage 2, figuur A.5). Het TNO-rapport bouwprognoses 2009– 2014 voorspelt ook dat de klap in werkloosheid in 2010 alsnog gaat komen (zie figuur 6). Wel wordt verwacht dat de bouw de sterkste teruggang in bruto productie al in 2009 heeft gehad. In 2011 trekt zowel de productie als de werkgelegenheid weer aan. Figuur 6. Productie (constante prijzen) en werkgelegenheidsontwikkeling in de bouw (in arbeidsjaren), % mutatie van jaar op jaar Bron: TNO-rapport Bouwprognoses 2009–2014. 2.2.3 Gevolgen van de crisis voor diverse groepen Het is duidelijk dat sommige sectoren en bedrijven zwaarder getroffen worden dan andere. Daarnaast kan de crisis anders uitpakken voor Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 9 verschillende groepen mensen op de arbeidsmarkt: flexwerkers, zzp’ers, allochtonen, ouderen, jongeren. Hieronder worden de gevolgen van de crisis voor diverse groepen kort langsgelopen. De Monitor Arbeidsmarkt die eind maart 2010 verschijnt gaat hier uitvoeriger op in. Sommige groepen worden relatief zwaar getroffen door de crisis... De groepen die relatief grote gevolgen ondervinden van de crisis zijn flexwerkers, zzp’ers, jongeren en niet-westerse allochtonen. De flexibele schil vervult zijn functie Mensen met flexibele arbeidscontracten (flexwerkers) maken deel uit van de zogenoemde flexibele schil van de arbeidsmarkt. Ook zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zorgen voor flexibiliteit. De flexibele schil helpt de arbeidsmarkt om snel te reageren op economische schokken en is daarom van groot belang voor een goed werkende arbeidsmarkt. Het was daarom te verwachten dat de huidige crisis hen relatief zwaar treft. Overi- gens pellen werkgevers de schil van flexibel personeel niet volledig af voordat zij maatregelen treffen voor het eigen personeel. Het aantal flexwerkers is traditioneel zeer gevoelig voor de economische ontwikkeling. De cijfers bevestigen dat. Tussen het vierde kwartaal van 2008 en 2009 is de werkgelegenheid voor flexwerkers met 7,8% gedaald. Echter, als de werkgelegenheid weer toeneemt, dan zullen flexwerkers daar naar verwachting ook het eerste van profiteren. Tot dusverre is er echter nog geen opleving in de werkgelegenheid te zien. In het derde kwartaal van 2009 waren er bijna 630 000 zelfstandigen zonder personeel. Dit zijn er ruim 20 000 minder dan in het derde kwartaal van 2008. De moeilijke marktomstandigheden hebben gezorgd voor minder opdrachten aan zzp’ers en een lagere omzet. Ecorys schat voor 2009 een gemiddelde daling van opdrachten onder zzp’ers van 9%. Het onderzoek laat echter ook zien dat bedrijven niet lichtzinnig omgaan met het snijden in zzp-opdrachten, omdat deze groep arbeidskrachten als onmisbaar wordt beschouwd vanwege hun specialistische kennis en lage overheadkosten. De omzetdaling bedraagt volgens recent onderzoek van Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min of meer gelijk aan de omzetdaling in het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als geheel. Aangezien de kostenontwikkeling en marges bij zzp’ers niet bekend zijn, kan niet worden achterhaald hoeveel het inkomen bij zzp’ers als gevolg van de crisis is gedaald. Het is aannemelijk dat zzp’ers harder in inkomen achteruit zijn gegaan dan de genoemde 6,5% omzetdaling. Niet alle zzp’ers worden bovendien in gelijke mate getroffen door de crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of meer. Het Ecorys-onderzoek bevestigt dat bedrijven bezuinigingsmaatre- gelen op opdrachten zélf kunnen treffen, die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de omzet van zzp’ers. Zo hebben bedrijven opdrachten gemiddeld met acht weken ingekort, de werkweken van zzp’ers met twaalf uur per week verminderd en de tarieven met 7% verlaagd. Het is inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige «meeademt» met de conjunctuur. Zzp’ers zijn bij hun inkomsten meer gevoelig voor de conjunctuur, maar hebben ook meer ruimte dan werkne- mers om periodes van tegenvallende inkomsten te overbruggen. Uit cijfers van het CBS blijkt dat zzp’ers in goede tijden relatief grote vermo- gens opbouwen. Zelfstandigen met inkomen uit eigen onderneming hadden op 1 januari 2009 een doorsneevermogen van € 207 000 tegen € 43 000 in de algemene bevolking. Uiteraard is er aanzienlijke spreiding in de hoogte van het vermogen. Niettemin heeft 75% van de zelfstandigen meer dan € 39 000 aan vermogen beschikbaar. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 10 Het is duidelijk dat de crisis zichtbaar gevolgen heeft voor zzp’ers. Zij hebben relatief hoge financiële buffers om slechte tijden te overbruggen, maar veel zzp’ers zien zich voor nieuwe uitdagingen gesteld. Zzp’ers worden nu – vaak voor het eerst in hun bestaan als zelfstandige – gecon- fronteerd met een moeilijke markt waarin zij het hoofd boven water moeten zien te houden. Hierop gaat hoofdstuk 4 nader in. Jongeren en niet-westerse allochtonen hebben relatief vaak een flexibel contract Dat relatief veel flexwerkers hun werk zouden verliezen, is niet onver- wacht. Voor de betrokken mensen is dat in veel gevallen buitengewoon vervelend. Twee groepen werken relatief vaak op basis van flexibele contracten: jongeren en niet-westerse allochtonen. Van alle werknemers met een flexibele arbeidsrelatie is ongeveer 40% jonger dan 25 jaar. Ook niet-westerse allochtonen (vooral de jongeren) zijn oververtegenwoordigd in de groep flexwerkers1. Dit betekent dat de werkloosheid onder jongeren en niet-westerse alloch- tonen sterker oploopt door veranderingen in de conjunctuur dan de totale werkloosheid. De huidige ontwikkelingen bevestigen dit. De werkloosheid onder jongeren is door de crisis sterk opgelopen. Bij jongeren gaat het niet alleen om het niet-verlengen van tijdelijke (flexibele) contracten. Nieuw tot de arbeidsmarkt toetredende schoolverlaters hebben het ook moeilijker om een baan te vinden dan meer ervaren werkzoekenden. Daarom worden jongeren vaker meteen werkloos of worden ontmoedigd om naar werk te zoeken. De toename is echter minder sterk dan verwacht en ook in Europees perspectief relatief gematigd. Mede dankzij het Actie- plan Jeugdwerkloosheid van het kabinet blijven veel jongeren langer op school. Daarnaast is er vooralsnog geen algeheel tekort aan leerwerk- banen en aan stageplekken. De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is door de crisis ook sterker opgelopen. Voor het eerst sinds 2005 was er in 2009 weer een stijging te zien. Meest zorgelijk is de positie van niet-westerse allochtone jongeren; in 2009 was eenvijfde van hen werkloos. Dit kan, naast de flexibele contracten, ook te maken hebben met het gemiddeld lagere opleidingsniveau, eventuele taalbarrières, discriminatie, het zoekgedrag, het (ontbreken van een) netwerk, de sociale vaardigheden en de beroepsoriëntatie. ...andere groepen worden tot nu toe nauwelijks geraakt Er zijn ook groepen die globaal bezien weinig last hebben van gevolgen van de crisis op de arbeidsmarkt. Dat sluit overigens niet uit dat mensen in individuele gevallen wel hard kunnen worden geraakt. Groepen waar- voor de gevolgen van de crisis vooralsnog mee lijken te vallen zijn: ouderen en vrouwen. De oploop in de werkloosheid valt mee voor ouderen en vrouwen Terwijl de werkloosheid in totaal met 1,0%-punt is toegenomen in 2009, bedroeg de stijging onder 55- tot 65-jarigen in 2009 slechts 0,1%-punt. De crisis leidt dus tot nauwelijks meer werkloze ouderen. Dit komt doordat ouderen vaak met een vast contract werken en relatief goede ontslagbe- scherming genieten. Bij vrouwen liep het werkloosheidspercentage in 2009 minder op dan bij mannen; 0,5 versus 1,2%-punt. Het duurde ook langer voordat de werk- 1 loosheid onder vrouwen begon te stijgen. Begin 2009 nam de werkloos- Bijna éénvijfde van de flexwerkers is niet- heid onder vrouwen voor het eerst in ruim drie jaar tijd toe ten opzichte westerse allochtoon, terwijl dat bij werkne- mers met vaste contracten minder dan van een jaar eerder. Wel zijn vrouwen structureel wat vaker werkloos dan ééntiende is. mannen. Het verschil in het effect van de crisis is vooral te verklaren door Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 11 de sector waarin mannen en vrouwen werken. Sectoren waarin relatief veel mannen werken, zoals de metaalindustrie en auto-industrie, worden nu zwaarder getroffen dan sectoren waarin veel vrouwen werken zoals de schoonmaakbranche en de gezondheidszorg. De arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen blijft stijgen Gunstig is overigens dat de arbeidsparticipatie van zowel ouderen als vrouwen ondanks de crisis blijft stijgen, terwijl die voor de gehele bevol- king in 2009 met 0,3%-punt is afgenomen. De arbeidsdeelname van 55-plussers is met maar liefst 2,0%-punt gestegen en die van vrouwen met 0,7%-punt. Dit goede nieuws behoeft wel een kanttekening: de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen is nog steeds lager dan gemiddeld. Willen we de doelstelling van 80% arbeidsparticipatie in 2016 halen, dan blijven acties noodzakelijk voor een grotere arbeidsdeelname en structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van vrouwen en ouderen. De huidige slechtere arbeidsmarktpositie van ouderen leidt er bijvoorbeeld toe dat als ouderen hun baan verliezen, het hen meer moeite kost om weer nieuw werk te vinden. Zij blijven dan doorgaans ook langer werkloos. 3. AGENDA VOOR DE LANGE TERMIJN De analyse in hoofdstuk 2 laat de uitdagingen voor de arbeidsmarkt van de toekomst zien. Deze arbeidsmarkt vraagt om mobiliteit, duurzame inzetbaarheid, scholing en activerende sociale zekerheid. Deze thema’s vormen de langetermijnagenda voor de arbeidsmarkt. Bevorderen mobiliteit Zoals blijkt uit de analyse is arbeidsmobiliteit noodzakelijk om toekom- stige verschuivingen in werkgelegenheid te accommoderen. Op dit moment zijn de inrichting van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid nog te vaak geënt op de gedachte dat zekerheid gelegen is in een vaste arbeids- overeenkomst en een baan die men houdt tot zijn pensionering. De arbeidsmobiliteit wordt hierdoor beperkt. Het huidige ontslagstelsel is evenzeer een mobiliteitsbeperkende factor voor mensen met een vast contract, als gevolg van de hoge kosten van ontslag. De groei van de flexibele schil illustreert de behoefte van bedrijven aan meer flexibele contractvormen. Andere remmende factor voor mobiliteit is dat lonen in Nederland sterk oplopen met leeftijd; met name voor oudere werknemers is het bij sterk stijgende loonprofielen moeilijk om een nieuwe baan te vinden tegen hetzelfde loon. Dit remt de mobiliteit van oudere werkne- mers. Het kabinet heeft in de kabinetsnotitie Arbeidsparticipatie ouderen (TK 2009–2010, 32 161, nr. 13) sociale partners opgeroepen om loonpro- fielen en ontziemaatregelen om te vormen, zodat de lonen niet meer automatisch stijgen met de leeftijd. Bij het tot stand brengen van van-werk-naar-werktrajecten hebben de in 2009 opgerichte mobiliteitscentra een belangrijke functie. De rol van sociale partners is daar evenzeer van belang, bijvoorbeeld in het kader van sociale plannen en publiek private samenwerking. Het bevorderen van-werk-naar-werk komt ook aan de orde in het rapport van de ambte- lijke werkgroep Heroverweging Werkloosheid. In de vraagstelling aan de werkgroep is gevraagd om verbinding te maken met gerelateerde thema’s zoals investeringen in inzetbaarheid, ontslag, re-integratie en uitvoering van de sociale zekerheid. Het kabinet heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) daarnaast gevraagd om advies uit te brengen over arbeidsmobiliteit. Hierin zal in het bijzonder Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 12 aandacht uitgaan naar arbeidsmobiliteit tussen publieke en private sector en de (arbeidsrechtelijke) belemmeringen die daarbij spelen. Duurzame inzetbaarheid en scholing Uit de analyse komt ook het belang van verhoging van de arbeidspartici- patie naar voren, mede gelet op de demografische ontwikkelingen. Zonder verhoging van de arbeidsparticipatie zullen arbeidstekorten knel- punten vormen voor economische groei en het publieke voorzieningenni- veau. Duurzame inzetbaarheid speelt een grote rol bij het mogelijk maken van langer doorwerken, zowel in het vormgeven van loopbaanbeleid, als bij scholing om de langdurige inzetbaarheid in ander fysiek en/of psychisch lichter werk te bevorderen. Werknemers en werkgevers zijn hierbij aan zet. In het voorontwerp van wet van de Wet duurzame inzet- baarheid in arbeid is voorzien in een wijziging van de Arbeidsomstandig- hedenwet, gericht op het realiseren van duurzame inzetbaarheid van werknemers. Het kabinet heef dit voorontwerp van wet op 23 december 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden. Ook scholing draagt bij aan de duurzame inzetbaarheid van werknemers. Daarom heeft het kabinet scholing als voorwaarde voor de deeltijd-WW gesteld. Het kabinet is van mening dat scholing in het huidige arbeids- overeenkomstenrecht geen vrijblijvende optie kan zijn. Daarom zal het kabinet nog voor de zomer een voorontwerp van wet voor de Wederzijdse scholingsaanspraak publiceren. Activerende sociale zekerheid Een krappe arbeidsmarkt en een veranderende arbeidsmarktstructuur roepen vragen op over de vormgeving van ons stelsel van sociale voorzie- ningen. Bieden deze voldoende flexibiliteit en ruimte voor mobiliteit? En zijn ze voldoende activerend? Om de arbeidsparticipatie te verhogen is het van belang om de activerende werking van onze sociale zekerheid te versterken. Tegen die achtergrond heeft het kabinet de arbeidsparticipatie van ouderen en de rol van instituties aan de orde gesteld in de kabinets- notitie Arbeidsparticipatie ouderen (TK 2009–2010, 32 161, nr. 13). Hierin beschrijft het kabinet onder andere de knelpunten op de arbeidsmarkt van ouderen en op welke manier deze worden aangepakt. Het kabinet heeft bijvoorbeeld al veel gedaan om werk voor langdurig werklozen lonender te maken. Maar in een toekomst waarin iedereen op de arbeidsmarkt nodig is, zullen ook andere knelpunten aangepakt moeten worden. Het kabinet heeft met het wetsvoorstel verhoging AOW-leeftijd (TK 2009–2010, 32 247, nr. 2) bovendien concrete stappen gezet voor verdere verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen. Op terrein van de sociale zekerheid zijn een aantal trajecten gestart om meer mensen aan de slag te krijgen. Naar aanleiding van het rapport van de commissie de Vries wordt binnenkort gestart met een viertal pilots. In deze pilots wordt bekeken op welke manier meer SW’ers bij een reguliere werkgever kunnen worden geplaatst. Het inzetten van het instrument loondispensatie wordt daarbij apart bekeken. Ook is recentelijk de nieuwe Wajong geïntroduceerd. In de nieuwe Wajong staat centraal wat de jongere wel kan, in plaats van wat hij niet kan. Jongeren die op hun 18e nog (deels) kunnen werken krijgen extra ondersteuning bij vinden en behouden van werk. Op de leeftijd van 27 jaar wordt weer gekeken wat de mogelijkheden zijn. Het versterken van de activerende werking van ons sociaal zekerheidsstelsel zal ook onderdeel uitmaken van het advies van de ambtelijke werkgroep Heroverweging op afstand van de arbeidsmarkt. Tevens beziet het kabinet de mogelijkheden voor een leeftijdsonafhanke- lijke leerplicht. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 13 De vergrijzing, veranderingen in de economie en op de financiële markten maken het noodzakelijk om ook het pensioensysteem te moderniseren. Om te helpen bij de gedachtevorming over de toekomst van ons pen- sioenstelsel is op verzoek van het kabinet recent een aantal adviezen uitgebracht. Die adviezen brengen de bedreigingen en kansen in kaart. Pensioenregelingen zullen bijvoorbeeld moeten worden aangepast aan de levensverwachting, die sneller dan verwacht stijgt. Als gevolg hiervan zal opnieuw gekeken moeten worden naar ambitie- en/of zekerheidsniveaus. Werknemers moeten dan wel de mogelijkheid hebben om dat risico te compenseren, onder andere door de mogelijkheid langer door te werken. Daarom zal het kabinet nog voor de zomer een voorontwerp publiceren om doorwerken na 65 jaar meer mogelijk te maken. Een apart vraagstuk betreft de groeiende groep zelfstandigen. Het kabinet heeft de SER gevraagd te bezien of het stelsel van arbeidsverhoudingen, fiscaliteit en sociale zekerheid nog wel is ingesteld op de toenemende diversiteit aan arbeidsrelaties, in het bijzonder vanwege de steeds grotere groep zelfstandigen. Dit advies wordt voor de zomer verwacht. 4. Toekomst van de arbeidsmarkt begint nu De economische crisis richt de aandacht vooral op de groei van de werk- loosheid en wat daartegen te doen is. Het denken over andere, meer structurele, maatregelen mag daardoor niet naar achteren worden geschoven. Maatregelen voor de korte termijn moeten in lijn zijn met de maatregelen die structureel nodig zijn voor de arbeidsmarkt. Dat betekent dat die maatregelen ook moeten inspelen op de (internationale) verschui- vingen in werkgelegenheid en de toekomstige krapte op de arbeidsmarkt. Zij moeten voorkomen dat mensen structureel aan de kant komen te staan. Dit vraagt in het bijzonder om maatregelen die gericht zijn op arbeidsmobiliteit, inzetbaarheid en de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Immers, juist in de komende periode van economisch herstel moeten bedrijven met een gezonde groeipotentie genoeg arbeidskrachten kunnen werven, zodat zij de economie weer op gang kunnen brengen. Werkne- mers uit sectoren waar de werkgelegenheid afneemt hebben er belang bij dat ze snel in een andere sector aan de slag kunnen. Het is niet verstandig mensen te lang vast te houden bij bedrijven en in sectoren die geen uitzicht op herstel hebben. Zodra de economie weer aantrekt, moeten werknemers weer aan de slag kunnen waar ze zelf het meeste toekomst- perspectief hebben en ze de meeste toegevoegde waarde voor onze economie kunnen realiseren. Hieronder komen de maatregelen voor de komende periode aan bod, achtereenvolgens: geleidelijk afbouwen deeltijd-WW, ondersteunen van mobiliteit, investeren in inzetbaarheid, aansluiten vraag en aanbod, zzp’ers, jeugdwerkloosheid en loonontwikkeling. Het hoofdstuk sluit af met een overzicht van de kosten van de maatregelen. 4.1 Beperkt verlengen deeltijd-WW In december 2009 was er nog onduidelijkheid over het verdere verloop van de crisis. Daarom heeft het kabinet toen besloten de deeltijd-WW tot 1 april 2010 open te houden, om meer helderheid te krijgen over het juiste moment van sluiting van de regeling. De deeltijd-WW is immers steeds bedoeld als een tijdelijke maatregel. De vorige arbeidsmarktbrief (8 decem- ber 2009) schetste al de afwegingen die gemaakt moeten worden tussen de risico’s van een te lange openstelling van deeltijd-WW enerzijds – Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 14 belemmeren dynamiek op de arbeidsmarkt – en die van een te vroege sluiting anderzijds – belemmeren van broos economisch herstel. Deeltijd-WW heeft waarde bewezen voor de arbeidsmarkt... Duidelijk is dat de deeltijd-WW in de afgelopen maanden van grote onze- kerheid een belangrijke waarde heeft gehad voor de Nederlandse arbeids- markt. Momenteel maken ongeveer 40 000 werknemers gebruik van de deeltijd-WW. Naast deze rechtstreekse ondersteuning van het bedrijfs- leven heeft de regeling ook gezorgd voor rust in tumultueuze tijden. De regeling heeft een belangrijke signaalfunctie: bedrijven hebben toegang tot maatregelen die hen ondersteunen in het opvangen van de effecten van de crisis. De cijfers uit het Intomart-onderzoek (zie website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) bevestigen het posi- tieve effect van de deeltijd-WW in onzekere tijden. De regeling is goed bekend bij werkgevers en wordt als weinig bureaucratisch (en dus toegan- kelijk) beschouwd1. Hoofdstuk 2 liet al zien dat het gebruik van deeltijd-WW in absolute aantallen beperkt is gebleven. De voorwaarden zijn zodanig dat bedrijven er alleen gebruik van maken als zij een reële verwachting op snel herstel hebben. Verder beoordelen gebruikers de regeling als gunstig: negen op de tien werkgevers geeft de deeltijd-WW het oordeel «voldoende tot goed». De deeltijd-WW heeft zijn waarde bewezen in een onzekere arbeidsmarkt. Het conjuncturele beeld is op dit moment echter een stuk duidelijker. De oorspronkelijke, ongekende schok heeft diepe sporen getrokken, maar de economie lijkt zich nu te stabiliseren. Zowel realisatiecijfers als prognoses van het CBS en het CPB (voorlopige ramingen Centraal Economisch Plan) laten zien dat de economie en arbeidsmarkt aantrekken. Het CPB verwacht de piek in werkloosheid in 2010 en vervolgens een stabilisatie. ...maar de crisis verdwijnt langzaam... De crisis verdwijnt langzaam. Met name voor 2011 zijn de signalen posi- tief. Bedrijven vinden nu al de weg naar boven en hebben goed geschoold personeel nodig voor hun groeiambities. De in de decemberbrief gesigna- leerde risico’s van het te lang openhouden van deeltijd-WW, gaan zich dan daadwerkelijk voordoen als werknemers ook na 1 juli 2011 nog in deeltijd-WW kunnen zitten. Het is daarom niet verstandig dat er na 1 juli 2011 nog werknemers in deeltijd-WW zitten. Deeltijd-WW kan worden gebruikt om werknemers in dienst te houden waarvoor op dit moment geen werk is. Als deze mogelijkheid te lang geboden wordt, dan belem- mert dit de gezonde dynamiek op de arbeidsmarkt. Gezonde dynamiek is juist nodig om een herstructurering mogelijk te maken naar een sector- structuur die Nederland in staat stelt concurrerend te blijven in de wereld- economie. Zoals in paragraaf 2.2.2 uiteen is gezet, kunnen sommige sectoren in de komende periode nog een klap krijgen. Sectoren met langlopende order- portefeuilles kunnen het risico lopen later in 2010 nog geconfronteerd te worden met de gevolgen van de economische crisis. ...dus deeltijd-WW iets langer openhouden en geleidelijk afbouwen Daarom wil het kabinet bedrijven in sectoren die na-ijlen in de economi- sche crisis en deeltijd-WW nodig hebben de mogelijkheid geven hiervan alsnog na 1 april 2010 gebruik te maken Die mogelijkheid geldt nadrukke- lijk alleen voor bedrijven die niet eerder al bijzondere werktijdverkorting (wtv) of deeltijd-WW hebben gehad. De overheid maakt daarbij geen selectie tussen sectoren. Het is namelijk onduidelijk welke sectoren nu 1 De deeltijd-WW is bekend bij 80% van de nog het dieptepunt van de crisis moeten verwachten en binnen dezelfde werkgevers. sector kunnen bedrijven in een verschillend tempo reageren op de crisis. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 15 Daarom is het voorzetten van de deeltijd-WW in algemene vorm het meest effectief. Nieuwe aanvragen voor de deeltijd-WW kunnen dus ook na 1 april 2010 gehonoreerd worden. De uiterste datum dat mensen uit de deeltijd-WW moeten verandert echter niet en blijft 1 juli 2011. Dit betekent concreet het volgende: – Bedrijven kunnen ook na 1 april 2010 nieuw in de deeltijd-WW komen. Hoe lang zij er feitelijk gebruik van kunnen maken, hangt af van het moment dat zij instromen. De einddatum blijft immers 1 juli 2011. Dus: een bedrijf dat op 1 mei 2010 in de deeltijd-WW komt, maakt er een maand minder gebruik van dan wanneer het bedrijf op 1 april 2010 zou zijn gestart met deeltijd-WW. – De voorwaarde dat het aandeel van het personeelsbestand in deeltijd-WW een rol speelt bij de duur blijft bestaan. Ook de uiterste uitstroomdatum blijft per groep gehandhaafd. Dat houdt in: • 0–30% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op 1 juli 2011 • 30–60% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op 1 april 2011 • 60–100% personeelsbestand in deeltijd-WW: laatste uitstroom op 1 januari 2011 – Alleen bedrijven die nog niet eerder in deeltijd-WW of bijzondere werk- tijdverkorting zaten komen in aanmerking. Evaluatie deeltijd-WW Bij de begrotingsbehandeling eind 2009 heb ik de Tweede Kamer gelijk- tijdig met een besluit over de deeltijd-WW ook informatie toegezegd over de effectiviteit van de regeling en soortgelijke maatregelen in het buiten- land. Bijlage 2 bevat een evaluatie met de gegevens over het gebruik van de deeltijd-WW. Daarnaast zal het kabinet de mogelijkheden bekijken van onderzoek naar de effectiviteit van de deeltijd-WW en de bijzondere werk- tijdverkortingsregeling. Dit type onderzoek is complex en voor het vast- stellen van doeltreffendheid en doelmatigheid moet de deeltijd-WW bij bedrijven sowieso (enige tijd) beëindigd zijn. Daarom is het niet mogelijk daar nu al goede informatie over te verstrekken. Een dergelijk (lange termijn)onderzoek zou bijvoorbeeld een vergelijking kunnen maken tussen de economische effecten bij vergelijkbare bedrijven die wel en geen gebruik hebben gemaakt van bijzondere wtv en/of deeltijd-WW. Een dergelijke opzet zou – indien mogelijk – meer informatie kunnen geven over de doeltreffendheid en doelmatigheid van beide regelingen. Tot slot heb ik de Tweede Kamer tijdens de begrotingsbehandeling een inventarisatie toegezegd van evaluatiestudies van werktijdverkortings- maatregelen in andere landen. De Europese Commissie en de OESO hebben hiervoor een gezamenlijk initiatief genomen. Zij vragen de Euro- pese landen nu naar gegevens over hun crisismaatregelen voor de arbeidsmarkt. Naar verwachting zal dit eind maart 2010 tot een rapport leiden. 4.2 Ondersteuning van mobiliteit Experimenten van-werk-naar-werk In regio’s en sectoren is momenteel te zien dat samenwerkende partijen – overheid, werkgevers en werknemers- met elkaar proberen werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Een voorbeeld daarvan is om werknemers die met ontslag worden bedreigd tijdig aan ander werk te helpen: van-werk-naar-werk. De ontwikkeling van het zogenoemde Maasland- model van CNV Vakmensen is wat dat betreft illustratief. Bedrijven kunnen hierbij een stapje extra zetten bij het aan het van-werk-naar-werk helpen Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544, nr. 238 16 van hun werknemers in het netwerk van bedrijven in de regio en de sector. Dit heeft vooral meerwaarde voor werknemers die niet snel zelf ander werk vinden en daardoor het risico lopen langdurig werkloos te worden. Juist de huidige arbeidsmarkt vraagt om mobiliteit, ook tussen sectoren, van met ontslag bedreigde werknemers en werklozen naar vaca- tures die er (elders) zijn. Regio’s en sectoren vragen om experimenteerruimte en willen WW-uitke- ringsgeld in kunnen zetten om werklozen en met werkloosheid bedreigden beter aan ander werk te kunnen helpen. Dit verzoek komt bijvoorbeeld van het Transfercentrum «De Noaber» in Hardenberg. De staatssecretaris van Financiën heeft tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen najaar 2009 naar aanleiding daarvan de voorzitter van de ambtelijke werkgroep Heroverweging Werkloosheid gevraagd om de verantwoordelijkheidsverdeling voor de WW tussen sociale partners en de overheid te betrekken bij de heroverweging. De wensen uit de regio hebben een zodanige reikwijdte en zijn zo fundamenteel van karakter – zo is inzet van WW uitkeringsgeld voor bemiddeling nu wettelijk niet moge- lijk – dat dergelijke fundamentele overwegingen dienen te worden meege- nomen in de heroverwegingsoperatie van het kabinet. Het kabinet is bereid binnen de huidige wettelijke kaders nu al actief initia- tieven te ondersteunen die meerwaarde kunnen hebben voor van werk- naar-werk-trajecten. Samenwerkende werkgevers en werknemers krijgen daarom in enkele regio’s en sectoren hiervoor experimenteerruimte waarbij zij gebruik kunnen maken van re-integratiegeld. Doel van het experiment is te kijken of werkgevers en werknemers, als zij regie en beleidsvrijheid krijgen op de besteding van re-integratiebudget, in staat zijn aansprekende prestaties te leveren. Hiervoor stelt het kabinet in 2010 € 2 miljoen ter beschikking uit de zogenoemde Arbeidsmarktenveloppe 2010. Het experiment wordt gebaseerd op de Wet SUWI (artikel 82a). Dit artikel maakt het mogelijk met een algemene maatregel van bestuur een experi- ment toe te staan om een doeltreffender uitvoering van de WW te onder- zoeken. Zo’n experiment maakt het mogelijk af te wijken van bepalingen over re-integratie zoals de financiering en de re-integratieverantwoorde- lijkheid. Ook kunnen in het experiment andere re-integratie-instrumenten ontwikkeld en bekostigd worden. Experimenteren met WW-uitkeringsgeld is, zoals hierboven al aangegeven is, niet mogelijk. Hoe ziet dat er concreet uit? Samenwerkende partijen (werkgevers, werk- nemers) in een regio of sector kunnen een plan indienen om een experi- ment uit te voeren. Aanvragers kunnen dan een vrij besteedbaar re-inte- gratiebudget krijgen dat in hoogte vergelijkbaar is met het budget dat het UWV beschikbaar heeft. Vrij besteedbaar betekent dat van de huidige bepalingen voor de inzet van re-integratie-instrumenten mag worden afgeweken. Partijen mogen zelf beslissen hoe en voor wie het budget wordt ingezet. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt het plan en deelt – onder in de regeling te stellen voorwaarden – budget toe. Een voorwaarden is in elk geval dat de samenwerkende partijen aangeven welke en hoeveel private middelen zij – naast de publieke middelen – voor het experiment zullen inzetten. De resultaten worden gevolgd, om de toegevoegde waarde van de experi- menten vast te kunnen stellen. Dit onderzoek biedt zicht op beleidsmatig bruikbare en objectief vergelijkbare resultaten. Deze resu

Powered by League of Brilliance