- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Cultuursubsidies 2009-2012; Verslag van een algemeen overleg; Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 20 december 2011, inzake Internationaal cultuurbeleid
| Datum publicatie: | 2012-01-31 |
| Datum uitgifte: | 2012-01-30 |
| Organisaties: | |
| Indieners: | |
| Dossier: |
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2011–2012
31 482 Cultuursubsidies 2009–2012
Nr. 78 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 30 januari 2012
1
Samenstelling: De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 en de vaste
Leden: Van der Ham (D66), Van Bochove commissie voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 20 december 2011
(CDA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD),
Ortega-Martijn (ChristenUnie), Bosma (PVV), overleg gevoerd met minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken en
Jasper van Dijk (SP), Ouwehand (PvdD), Dibi staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:
(GroenLinks), Wolbert (PvdA), ondervoorzitter, – de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Biskop (CDA), Smits (SP), Elias (VVD), Wetenschap, d.d. 9 december 2010 houdende de Beleidsreac-
Beertema (PVV), Dijkstra (D66), Jadnanansing
(PvdA), Van Dekken (PvdA), Dijkgraaf (SGP), tie advies Raad voor Cultuur inzake culturele vertegenwoordi-
Çelik (PvdA), Lucas (VVD), Van Klaveren (PVV), ging in het buitenland en toezending evaluatie New York 400
Klaver (GroenLinks), De Liefde (VVD) en Van (31 482, nr. 70);
der Werf (CDA). – de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Plv. leden: Koser Kaya (D66), Ferrier (CDA),
¸
Van der Burg (VVD), Schouten (ChristenUnie), Wetenschap, d.d. 17 november 2010 met het Advies van de
Dille (PVV), Kooiman (SP), Thieme (PvdD), Raad van Cultuur «Culturele vertegenwoordiging in het
Peters (GroenLinks), Van Dam (PvdA), buitenland» d.d. 17 november 2010 (31 482, nr. 68);
Haverkamp (CDA), De Wit (SP), Hennis- – de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d.
Plasschaert (VVD), De Mos (PVV), Pechtold
(D66), Dijsselbloem (PvdA), Klijnsma (PvdA), 23 december 2010 houdende de reactie op verzoek commissie
Van der Staaij (SGP), Hamer (PvdA), Harbers OCW inzake een evaluatie van New York 400 (32 500 V,
(VVD), Gerbrands (PVV), Sap (GroenLinks), nr. 127);
Berckmoes-Duindam (VVD) en De Rouwe – de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
(CDA).
2
Samenstelling: Wetenschap d.d. 19 april 2011 houdende afschrift van de brief
Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), aan Dutch Art Works (32 500 VIII, nr. 167).
Çörüz (CDA), Timmermans (PvdA), Albayrak Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk
(PvdA), voorzitter, Ormel (CDA), Ferrier (CDA),
verslag uit.
Eijsink (PvdA), Irrgang (SP), De Roon (PVV),
Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66),
ondervoorzitter, Ten Broeke (VVD), Thieme De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
(PvdD), Peters (GroenLinks), Kortenoeven Wetenschap,
(PVV), Bosman (VVD), Dikkers (PvdA), El
Van Bochove
Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66), Dijkhoff
(VVD), Driessen (PVV) en De Caluwé (VVD).
Plv. leden: Van Raak (SP), Dijkgraaf (SGP), De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
Knops (CDA), Samsom (PvdA), Recourt Albayrak
(PvdA), Bruins Slot (CDA), Haverkamp (CDA),
Arib (PvdA), Jasper van Dijk (SP), De Mos
(PVV), Wiegman-van Meppelen Scheppink De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Weten-
(ChristenUnie), Schouw (D66), Hennis- schap,
Plasschaert (VVD), Ouwehand (PvdD), Sap De Kler
(GroenLinks), Wilders (PVV), Leegte (VVD),
Heijnen (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Van
Veldhoven (D66), Taverne (VVD), Bontes (PVV)
en Mulder (VVD).
kst-31482-78
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2012 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 1
Voorzitter: Van Bochove
Griffier: Thomassen
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Bochove, Bosma, Van
der Ham, Klijnsma, De Liefde, Peters en Van der Werf,
en minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Zijlstra
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld zijn van enkele
ambtenaren van hun ministeries.
De voorzitter: Welkom bij dit algemeen overleg.
De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Cultuur is belangrijk. Ook
internationaal cultuurbeleid is belangrijk. Ik moet echter zeggen dat ik in
de jaren dat ik in de Kamer zit, heel kritisch ben geworden over het
internationaal cultuurbeleid. Daarbij zijn mijn ogen vooral geopend
rondom New York 400. Ik heb daar met eigen ogen en op eigen rekening
kunnen zien dat het internationaal cultuurbeleid vaak niet veel voorstelde,
zeker wanneer het ging over de New York 400-herdenking. De organisatie
kwam laat op gang, de activiteiten waren zeer verschillend van niveau en
er was een waaier van Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders – uit elke
provincie was er wel iemand – waardoor de Washington Post zich op een
gegeven moment afvroeg of er nog wel bestuurders in Nederland waren
om het land te besturen. Het was vooral een Hollands feestje voor expats
en notabelen. Bovendien bleek de vrees dat het vooral een eenmalig
event was zonder structureel staartje, terecht. Kortom, een gemiste kans
voor het bedrijfsleven, voor de culturele sector en ook bijvoorbeeld voor
het lokken van toeristen naar Nederland. Zelfs het peperdure Holland
Paviljoen is een faliekante mislukking geworden. Letterlijk met tromge-
roffel geopend door het kroonprinselijk paar, functioneert het nu vooral
als een muffinuitgiftetent. Dat is letterlijk zo. Ik ben er deze zomer langs
geweest en er is niets meer van over.
Met een motie van mijn hand is de Raad voor Cultuur vorig jaar verzocht
om te bekijken hoe het internationaal cultuurbeleid precies in elkaar
steekt. Daaruit is een kritisch rapport voortgekomen met als conclusies dat
de huidige structuur van het internationaal cultuurbeleid niet voldoet, dat
instituties langs elkaar heen werken, dat er te laat wordt begonnen, dat er
niet scherp wordt gekozen, dat er te weinig social media worden gebruikt
en dat het te veel intern is. Wat gaat de regering doen met de aanbeve-
lingen? Er moet bijvoorbeeld goed worden vastgelegd wat wij nu precies
willen met dat internationaal cultuurbeleid. Bij de evaluatie van New York
400 is gekeken hoeveel zaken er in de krant zijn geweest en hoe dat kan
worden omgezet in de hoeveelheid reclametijd die eigenlijk had moeten
worden ingekocht. Dat vind ik een volstrekt amateuristische visie op
marketing. Reclame heeft alleen zin als je weet voor wie je het doet, wie je
wilt aanspreken, bijvoorbeeld potentiële toeristen. Je kunt dan niet lukraak
wat informatie geven en wat activiteiten organiseren en dan denken dat
het wel zin heeft als het in de krant staat. Ik vind dat het op een andere en
betere manier moet worden geëvalueerd. Ik vraag nogmaals wat de
regering gaat doen met de adviezen van de Raad voor Cultuur, ook met
betrekking tot een grondige evaluatie. Welke les is er precies getrokken uit
New York 400 voor toekomstige culturele jaren? Wat zou de regering nu
anders doen met in het achterhoofd de ervaringen van New York 400?
Er wordt ook gesproken over de manier waarop in nieuwe regio’s
activiteiten kunnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld in de Arabische
regio. De British Council is actief bezig om ontmoetingen te organiseren
tussen kunstenaars, denkers en schrijvers, ook om vrijheid onderling te
bevorderen en bespoedigen. Ik heb van de Nederlandse organisaties
begrepen dat er nu heel weinig armslag is om überhaupt meerwaarde te
hebben in dat soort regio’s. Hoe gaat de regering hier precies mee om? Ik
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 2
vraag me ook af in hoeverre er binnen de Europese Unie wordt samenge-
werkt aan een loket voor mensen van buiten de Europese Unie die in
Europa iets willen doen rondom cultuur.
Er is momenteel een gesprek gaande over de toekomst van het Tropen-
museum. Ik heb begrepen dat het instituut zelf nauwelijks daarbij wordt
betrokken. Hoe zit dat precies?
Dutch Art Works is bij uitstek iets waarmee je Nederlandse kunst de grote
internationale musea kunt laten binnendringen. Wij hebben de staatsse-
cretaris al eens opgeroepen om met de Mondriaan Stichting te kijken naar
een financiering. Daar is toen niets uitgekomen omdat de hele interna-
tionale poot destijds uit de Mondriaan Stichting is gehaald. In hoeverre
wil de staatssecretaris samen met Dutch Art Works bekijken hoe deze
vorm van promotie van de Nederlandse kunst in de toekomst toch kan
worden bevorderd? Dit is iets wat echt de voet tussen de deur kan krijgen
bij de belangrijke internationale musea.
De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Ik steun het verhaal van collega Van der
Ham inzake het New York-project met enthousiasme. Mijnheer Van der
Ham, het spijt me dat wij het vandaag eens zijn. Misschien moeten we
dan ruzie zoeken op een ander punt!
De heer Van der Ham (D66): Ik vind het heerlijk!
De heer Bosma (PVV): Oké, dan houden we het zo. Dan zijn we alvast een
beetje in de kerstsfeer.
Voorzitter. Ik gun iedereen zijn reisje, maar als ik in de stukken lees en ook
breder kijk naar het hele internationaal cultuurbeleid, zie ik allerlei mensen
die de wereld afreizen, ik zie mapping van culturele infrastructuur, ik zie
exchange sites, ik zie cultuur & diversiteit, ik zie dat er 0,75 mln. naar een
project in Turkije gaat en ik zie eindeloze debatreeksen van denkers en
kunstenaars die van staatswege vervoerd schijnen te moeten worden om
hun briljante gedachten te kunnen vergelijken met die van collega’s in
andere landen. Ik zie de meerwaarde ervan niet. Ik gun iedereen zijn reisje
maar financier het vooral zelf. Als ik dan weer lees over het cluster
Damascus–Beiroet–Amman, vraag ik mij af wat wij daar toch moeten met
belastinggeld. Volgens mij hebben de mensen daar, die een lente schijnen
te ondergaan, toch iets anders aan hun hoofd dan allerlei toestanden met
Nederland.
Ons land heeft zeker een speciale verantwoordelijkheid tegenover het
Afrikaans en de sprekers van die taal in Zuid-Afrika. Het Afrikaans is zeer
verwant aan onze taal. Daarom kreeg Elisabeth Eybers indertijd tenslotte
de P.C. Hooft-prijs. Veel plaatsnamen in Zuid-Afrika herinneren aan de
Nederlanders en hun nazaten. De huidige ANC-regering staat echter met
haar rug naar onze zustertaal. Het lijkt er zelfs op dat men erop uit is om
alle sporen van het Afrikaans uit het landschap te wissen. Honderden
dorpen, steden en straten zijn de afgelopen vijftien jaar omgedoopt. Zo
verdwenen prachtige namen zoals Vryheid, Afguns, Warmbad,
Bosbokrand, Hoedspruit, Potgietersrust en Duiwelskloof. Het lijkt de
regering er veel aan gelegen te zijn om het Afrikaans uit te wissen. De
voormalige Boerenrepubliek, de Transvaal en Oranjevrijstaat, waar de
officiële taal Nederlands was, zijn al van de kaart geveegd. Zonder enige
steun van de bevolking zijn Vrijstaatse steden zoals Bloemfontein,
Kroonstad en Winburg omgedoopt.
De burgerrechtenorganisatie AfriForum verzet zich zeer terecht tegen deze
uitwissing, zonder veel succes. De heer Xaba van de Zuid-Afrikaanse
Naamraad snauwt de mensen van AfriForum af en zegt dat «minderheids-
groepe moet aanvaar dat hulle in die minderheid is en dat die wil van die
meerderheid afgedwing sal word.» De grote prijs is Pretoria. De Afrikaner
hoofdstad met zijn Voortrekkersmonument gaat straks Tswane heten,
vernoemd naar een Zoeloeleider die waarschijnlijk nooit bestaan heeft.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 3
Het is een klap in het gezicht. Ik weet dat de macht van de staatssecretaris
ophoudt bij de grensovergang Wuustwezel, maar de macht van de
minister van Buitenlandse Zaken kent geen grenzen. Willen beide
bewindslieden zich inzetten voor het behoud van onze cultuur, bijvoor-
beeld door datgene te behouden wat er al is? Zijn zij bereid om zich in
contacten met ambtsgenoten ervoor in te zetten dat Afrikaanse plaats-
namen worden behouden, in het bijzonder Pretoria?
Willen de minister en de staatssecretaris ten slotte bevorderen dat onze
ambassade in Zuid-Afrika een leidende rol neemt in de strijd voor het
behoud van het Afrikaans? Zou het niet een geweldig idee zijn als er
regelmatig – bijvoorbeeld elke maand – overleg plaatsvindt op de
ambassade met de verdedigers van die taal? Dat zou een geweldige steun
in de rug zijn om te zorgen dat deze wonderschone taal overleeft. Ik se:
baie dankie.
De heer De Liefde (VVD): Voorzitter. Bij het project New York 400 waren
destijds elf van de dertien ministeries betrokken. Het verslag leest als een
typisch voorbeeld van een versnipperd internationaal cultuurbeleid, zowel
financieel als organisatorisch. Zo nooit meer. De Raad voor Cultuur stelt
terecht een strakkere regie voor. De VVD-fractie deelt die mening. Zijn de
minister en de staatssecretaris met elkaar en eventueel met andere
bewindspersonen in gesprek om te komen tot een betere regie op het
internationaal cultuurbeleid? Ondanks de mooie woorden in de junibrief
van de staatssecretaris valt het de VVD-fractie op dat er nog steeds veel
versnippering is en dat de geldstromen niet duidelijk zijn. Mijn collega
Lucas heeft dat al duidelijk gemaakt bij het begrotingsonderzoek OCW
naar het artikel dat gaat over internationaal beleid.
Laten wij alstublieft ook kijken waar de expertise en kennis liggen over
internationaal cultuurbeleid en wie dat goed kunnen uitvoeren. Ons komt
het logisch voor dat het ministerie van OCW zich bezighoudt met en
verantwoordelijk is voor het inhoudelijke internationaal cultuurbeleid.
Daar waar wenselijk en mogelijk, in economische of diplomatieke zin,
moet de Nederlandse cultuur meer dan nu worden ingezet voor andere
doeleinden. Dan komen uiteraard de diverse departementen zoals die van
Buitenlandse Zaken en EL&I om de hoek kijken. Ik krijg hierop graag een
reactie van beide bewindspersonen.
Een aantal van de vragen die ik had voorbereid, zijn al door de collega’s
gesteld. Ik vraag mij tot slot af hoe het kabinet de positie ziet van SICA
binnen het internationaal cultuurbeleid. Wij hebben van diverse kanten
informatie ontvangen waaruit blijkt dat SICA het belabberd doet. Veel
debat en weinig activiteiten, is een van de veelgehoorde opmerkingen.
Zijn er andere kandidaten die geschikt zijn voor het uitvoeren van de taken
die de staatssecretaris in zijn junibrief heeft beschreven? Zo nee, is de
staatssecretaris bereid om actief te communiceren dat ook andere
organisaties zich hiervoor kunnen inschrijven?
Mevrouw Klijnsma (PvdA): Voorzitter. Ook ik zal proberen om niet in
herhaling te vallen. Ik vind eigenlijk wel dat het kabinet wat lauw heeft
gereageerd op de bevindingen van de Raad voor Cultuur. De Raad voor
Cultuur heeft gezegd dat het heel belangrijk is dat er een goede visie is op
hoe je onze cultuur goed kunt promoten in het buitenland en hoe je kunt
leren van wat er in het buitenland gebeurt voor de talentontwikkeling hier.
Die helderheid is blijkbaar niet eenduidig genoeg.
Ik herinner mij uit vroeger tijden dat op het ministerie van Buitenlandse
Zaken mensen rondliepen – misschien is dat nog wel zo – die nauwgezet
konden vertellen hoe gestalte kon worden gegeven aan de promotie van
culturele instellingen in het buitenland. Ik ken nog met naam en toenaam
iemand die mij destijds als wethouder voor cultuur daarbij heel erg heeft
geholpen, een partijgenoot van mijnheer Van der Ham. Ik ben heel
benieuwd hoe dit nu in zijn werk gaat. Ik moet zeggen dat ik het beeld heb
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 4
dat het een onsje minder is geworden. Ik druk mij dan eufemistisch uit.
Die glasheldere taakverdeling tussen BZ en OCW moet zich eigenlijk ook
vertalen naar de ambassades in het buitenland. Ik hoor graag of dat ook
met verve geschiedt. Wij moeten natuurlijk constateren dat het kabinet
– en dat is niet nieuw – ook hier weer enorm op kort, namelijk 2 mln. op
de HGIS-gelden. Dat vind je natuurlijk wel weer ergens terug. Dat kan niet
anders, want het moet ingevuld worden. Ik hoor dus graag hoe het
kabinet dit gaat doen.
Kunst en cultuur is internationaal, dus niet alleen in Nederland, een
ongelooflijk wezenlijk fenomeen. Als je je kunstenaars, of ze nu beeldend
kunstenaar zijn of allerlei andere disciplines beoefenen, goed wilt
equiperen, moet dat ook van over de grens kunnen worden gehaald.
Gisteren kregen wij een brief van Dutch Art Works, ondertekend door niet
de eerste de beste kunstenaars. Het kan toch niet zo zijn dat wij dit niet
meer zouden continueren? Het is namelijk een enorme ruggensteun. Het
is ook voor jonge kunstenaars in Nederland ongelooflijk wezenlijk dat zij
zich kunnen laven aan het internationale en dat zij zich ook in het
buitenland kunnen ontwikkelen. Ook hier dus weer een warm pleidooi
voor de postacademische opleidingen, want ook daar is het internationale
natuurlijk zeer aan de orde.
Ten slotte hoor ook ik graag nog eens van beide bewindspersonen – ik
ben blij dat zij allebei aanwezig zijn – hoe nu de toekomst van het
Tropenmuseum eruitziet.
Mevrouw Van der Werf (CDA): Voorzitter. Kunst is voortdurend in
beweging. Culturele uitwisseling inspireert weer nieuwe kunstenaars en
dat brengt de kunst verder. Dat geldt voor alle kunstvormen, ook voor de
taal. Ik vraag mij af wat de Nederlandse reactie zou zijn geweest als
Rusland had gezegd dat wij de Stalinlaan niet Vrijheidslaan hadden
mogen noemen, maar dit terzijde. Ik denk dat het goed is om stil te staan
bij de culturele relaties die Nederland al eeuwen onderhoudt. De
CDA-fractie kijkt naar twee dingen: de evaluatie van New York 400 en de
evenementen die nog op stapel staan.
New York 400 kende zeer veel activiteiten, betrokkenheid van het
Koninklijk Huis, tentoonstellingen en diners, met als hoogtepunt het
optreden van dj Armin van Buuren die danste met de kroonprinses in een
Nederlandse postzak. De beelden gingen de wereld over en dat draagt
ongetwijfeld bij aan onze bekendheid wereldwijd. Alles overziende vindt
de CDA-fractie het echter een duur en toch ook wel elitair gebeuren. Soms
is dat niet te vermijden, bijvoorbeeld waar het een ontmoeting van het
bedrijfsleven betreft, maar wie in Nederland zou toen, laat staan nu, nog
kunnen vertellen waarom de prinses in New York aan het dansen was?
Noch in het onderwijs, noch in achtergrondartikelen of documentaires is
aandacht besteed aan de aanleiding. Wat het succes in de Verenigde
Staten betreft moet ik afgaan op de positieve evaluatie, die door de
andere woordvoerders al enigszins is genuanceerd. In Nederland is er
naar mijn idee heel weinig aandacht geweest en zeker niet in grote kring;
vandaar de volgende vragen aan de staatssecretaris.
Deelt hij de mening van de CDA-fractie dat er in Nederland relatief weinig
aandacht is geweest? Hoe denkt de staatssecretaris in het vervolg een
betere inbedding te realiseren voor evenementen? Is er nog iets gedaan
aan follow-up in de Verenigde Staten op cultureel gebied waaruit blijkt dat
de culturele banden inderdaad zijn aangehaald? Er liggen leerpunten en
aanbevelingen. Mijn vraag is waar die nu liggen. Welk ministerie voelt
zich verantwoordelijk voor het verwerken van deze punten in het grote
plan van het internationaal cultuurbeleid?
Dat is ook mijn tweede punt: de volgende herinneringsjaren zoals Turkije
2012 en Rusland 2013. Tussendoor zijn er ongetwijfeld nog andere
evenementen. Het komt op mij een beetje hapsnap over. De CDA-fractie
vindt dat dit beter moet. Op dit punt heeft zij behoefte aan een visie op het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 5
internationaal cultuurbeleid waarin duidelijk is wie coördineert en de
regierol heeft en waarin heldere doelen zijn geformuleerd over de wijze
waarop evenementen bijdragen aan de doelen. Duidelijk moet zijn hoe de
afzonderlijke evenementen elkaar versterken en bijdragen aan bewust-
wording en besef in Nederland. Ook moet duidelijk vermeld zijn op welke
wijze de verschillende kunstvormen en de Nederlandse kunstenaars
worden gepromoot. Dat lijstje is nog wel aan te vullen.
Op het punt van de verschillende kunstvormen vraag ik aandacht voor de
beeldende kunst. Het is al eerder genoemd: de manier waarop Dutch Art
Works werkt om met inspanningen van galeriehouders en kunstenaars
ervoor te zorgen dat werk van Nederlandse kunstenaars in buitenlandse
musea komt te hangen. Ik denk dat er voor die manier van werken een
plek moet zijn in het internationaal kunstbeleid. Dat zou onderdeel van
zo’n visie of activiteitenplan kunnen zijn; graag een reactie.
Ik sluit af met een blik naar de toekomst. Kan de staatssecretaris ons een
dergelijke visie toezeggen? Wat vindt hij van de inhoudelijke suggesties
van de CDA-fractie? Is hij bereid, in overleg met de andere betrokken
ministeries een stuk naar de Kamer te zenden waarin komende evene-
menten zijn opgenomen als onderdeel van een bredere internationale
cultuurvisie?
Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. GroenLinks draagt een actief,
enthousiast en waar nodig met middelen bijgestaan internationaal
cultuurbeleid een warm hart toe. Nederland staat ook nog bekend als een
van de weinige landen in de wereld dat potjes over heeft voor cultuur in
en van andere landen, zeker in landen in ontwikkeling of transitie waar
kunstenaars geen steun van de staat krijgen, maar wel een belangrijke
progressieve voorhoederol in maatschappelijke ontwikkelingen kunnen
spelen. Zulke kunstenaars zijn zowel in politiek als diplomatiek opzicht
ambassadeurs van hun land en een brug naar het Westen, naar ons. Door
versobering van het postennetwerk is nauwelijks meer tijd om op dit soort
actoren in te spelen en die brugfunctie te versterken.
Daarom steunt mijn fractie het pleidooi van de Raad voor Cultuur om de
Nederlandse instituten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika te
versterken met culturele functies. Die instituten kunnen op afstand van de
ambassades als culturele vrijplaatsen dienen, naar het succesvolle model
van het Erasmus Huis in Jakarta. Ze kunnen kennis en netwerken
bundelen. Ze kunnen zorgen voor consistentie door de jaren heen. Er zijn
al zulke wetenschappelijke instituten in Ankara, Cairo, Damascus, Rabat,
Amman en Beiroet. Ik bezocht er eentje, die in het hartje van Cairo, en het
is haast zonde om te zien hoe de capabele uitgezondenen in dat prachtige
pand zich beperken tot Arabische en Nederlandse les en het faciliteren
van onderzoek, maar zich niet ook kunnen richten op kunstenaars en de
culturele infrastructuur van de stad. Wat vinden de staatssecretaris en de
minister van het idee om de taken van de instituten uit te breiden?
Eerder zegde de minister van Buitenlandse Zaken toe dat zijn Matra-Zuid-
potje voor diezelfde regio nadrukkelijk ook is opengesteld voor culturele
samenwerking. Ik krijg echter berichten dat de posten hiervoor geen
mankracht of expertise hebben. Het postennetwerk is natuurlijk ook
behoorlijk versoberd. Graag een reactie van de minister, want dat kan niet
de bedoeling zijn van de toezegging die hij deed. Wat vindt hij van het
idee om de wetenschappelijke instituten ook een beroep op Matra-Zuid te
kunnen laten doen?
De Raad voor Cultuur staat stil bij de versnippering van het internationaal
cultuurbeleid; de heer Van der Ham sprak er al over. Er zijn fondsen,
instituten en losse projectjes. Wat vinden de minister en de staatssecre-
taris van het idee om gezamenlijk een ambassadeur internationaal
cultuurbeleid te benoemen die meer eenheid, consistentie en strategie in
al die potjes, fondsen en instituten kan aanbrengen en de doelstellingen
van het cultuurbeleid kan promoten? Mijn fractie hecht meer aan een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 6
dergelijke structurele samenwerking op het gebied van internationale
cultuur dan aan dure ad hoc hoogstandjes voor evenementen zoals de
400-jarige viering waarbij alle woordvoerders al hebben stilgestaan. De
spaarzame gelden die er voor internationaal cultuurbeleid zijn, lijken snel
verspild voor zulke eendagsvliegen. Wat is er van de viering in New York
voor de toekomst overgebleven? Welk publiek is ermee bereikt, naast de
Nederlanders en de expats? Welk versterkt effect ondervinden de goede
bilaterale betrekkingen die Nederland al met Amerika heeft dankzij de
4 mln. die eraan is opgegaan? Wat heeft de job swap aan blijvend effect
opgeleverd, behalve wat leuke jongerenervaringen? De kosten zaten hem
trouwens niet in de echte culturele uitwisseling. De kosten voor het
Concertgebouw en het Brooklyn Museum waren peanuts vergeleken bij
de kostenposten voor de marketing en de inrichting van het paviljoen. Het
moet gezegd: je moet dit soort feestelijke evenementen wel kunnen
vieren, maar dat kan wat mijn fractie betreft wat duurzamer en spaar-
zamer. Zijn de bewindspersonen bereid, zich ervoor in te zetten dat de
gelden in de toekomst vooral worden ingezet voor activiteiten die zo’n
perspectief bieden op duurzame effecten voor de toekomst?
De voorzitter: Wij zijn gekomen aan het einde van de eerste termijn van
de Kamer. De bewindspersonen hebben laten weten dat zij meteen
kunnen antwoorden. Het woord is aan de minister van Buitenlandse
Zaken.
Minister Rosenthal: Voorzitter. Het is mij een eer en genoegen om met
deze commissie van gedachten te wisselen. Dank voor de inbreng in
eerste termijn. Ik zal het kort houden. Ik maak een paar opmerkingen van
algemene aard en ga dan in op die specifieke vragen waarvan collega
Zijlstra en ik denken dat ze bij mij thuishoren.
Vanuit mijn optiek, vanuit Buitenlandse Zaken – ik heb dit meermalen
gewisseld met collega Zijlstra en wij zijn het op dat punt volkomen met
elkaar eens – opent cultuur deuren in de buitenlandse politiek. Dat is een
mooie, open mededeling. Wanneer wij het hebben over cultuur en
Buitenlandse Zaken of buitenlandse betrekkingen, betekent dat dus ook
dat je meteen aan diplomatie denkt. Culturele diplomatie is een belang-
rijke functie in het «overall» diplomatieke werk. Culturele diplomatie is
ook moderne diplomatie, want wanneer ik het een beetje breed aanzet
gaat het dus ook over allerlei moderne cultuurdragers, cultuurdragers van
dit moment. Ik heb het dan bijvoorbeeld ook over bloggers, die vaak de
voorhoede zijn van maatschappelijke ontwikkelingen en ook cultuur
uitdragen.
Ik heb net een AO over Latijns-Amerika achter de rug. Ik verheel niet dat ik
de zaak ook combineer met economische diplomatie en dat ik coherentie
zoek tussen die twee takken. Om het dan even concreet te maken: eind
vorig jaar was ik in het Groninger Museum, dat toen nog allemaal prima
liep, waar een fenomenale tentoonstelling werd geopend over Russische
oriëntaalse kunst. Dat speelde zich helemaal af in een concerted action, in
een soort van bundeling van activiteiten vanuit Groningen in relatie tot de
Russische Federatie met betrekking tot economie, energie, gasrotonden
en culturele inspanningen. Wij weten hoe belangrijk voor bijvoorbeeld de
Russen de culturele kanten van bilaterale betrekkingen zijn, juist ook met
een land als Nederland. De cultuuradviseur van president Medvedev weet
meer van de Nederlandse avant-gardekunst, het Nederlandse creative
design en de Nederlandse architectuur dan deze minister van Buiten-
landse Zaken; ik zeg dat zonder reserve. Dat is in de kern hoe ik als
minister van Buitenlandse Zaken tegen de functies van het internationale
cultuurbeleid aankijk.
In belangrijke mate is dat het benutten van het topsegment van de
Nederlandse cultuur voor onze internationale betrekkingen. Ik heb het dan
niet alleen over wereldberoemde Nederlandse cultuurmerken in een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 7
bepaalde categorie kunst, zoals het Concertgebouworkest, het
Danstheater, de architectuur en de oude meesters. In Amerika heb ik
tentoonstellingen over Metsu en Frans Hals mogen openen. Ik weet dat
men in Japan gek is van Van Gogh en dat men in de Verenigde Staten
meer van de oude meesters houdt. Op dat soort specifieke punten moet je
ook altijd letten. Ik heb het ook over andere topelementen en personen in
het topsegment. In dit AO durf ik waarachtig ook mensen zoals André
Rieu en Armin van Buuren te noemen. Die ken ik dan ook nog wel! Van
mijn kant gaat het erom – dat is ook de lijn die collega Zijlstra volgt – dat
het topsegment een enorm exportproduct voor Nederland is, dat zelf de
externe lijnen ook hard nodig heeft. Ik voeg eraan toe dat wij daarbij ook
op het oog hebben het versterken van de marktpositie voor onze
kunstenaars en cultuurdragers in het buitenland.
Dat gezegd hebbende kom ik bij een aantal concrete punten die zijn
genoemd. Ik moet dan helaas door de zure appel – zoals het door deze
commissie wordt gezien – heen bijten van New York 400. De kritische
opmerkingen die door de leden der commissie zijn gemaakt, neem ik ter
harte. Ze zullen niet voor niets gemaakt worden. Als ik echter de interne
evaluatie van Buitenlandse Zaken bezie, kijk ik er op een aantal punten
wat anders tegenaan. Ik wil vooral zeggen dat wij uit datgene wat nog
beter kan dan daar goed is gegaan – u hoort hoe ik mij uitdruk – lessen
moeten trekken voor de toekomst, ook voor andere grootschalige events.
Turkije 2012 en Rusland 2013 zijn in dat kader al genoemd. Wij trekken er
inderdaad lessen uit. Bij New York 400 kan een aantal punten echt
positiever worden beoordeeld dan in de toonzetting van een aantal leden
naar voren is gekomen. In de eerste plaats is dat de publiek-private
samenwerking. In de tweede plaats zijn er op een aantal punten wel
degelijk naeffecten van positieve aard geweest. Ik kan dat met overtuiging
zeggen. Toen ik in Washington was, zowel in maart als laatstelijk in
september, heb ik gepraat met mensen uit de Nederlandse gemeenschap
en met topfiguren uit de Amerikaanse kunst- en cultuurwereld die wel
degelijk zelf refereerden aan New York 400. Misschien is dat een wat
sobere mededeling, maar het zij toch gezegd.
De voorzitter: Ik onderbreek u even. Ik zeg tot de leden dat ik het aantal
interventies wil beperken, hoewel ik niet meteen in getallen zal spreken. Ik
geef nu gelegenheid tot het plaatsen van enkele interrupties, te beginnen
met de heer De Liefde.
De heer De Liefde (VVD): Ik hoorde de minister de zinsnede «uit een
interne evaluatie» bezigen. Dat triggerde mij. Wat staat er in die evaluatie
wat wij niet gekregen hebben?
Minister Rosenthal: Ik bedoel daarmee de evaluatie van Buitenlandse
Zaken die, naar ik meen, ook naar de Kamer is gestuurd. Ik noem het een
interne evaluatie omdat het geen externe evaluatie is geweest.
De heer De Liefde (VVD): Ik dacht heel even dat er nog wat informatie
ontbrak, maar ik ben geheel gerustgesteld.
Minister Rosenthal: Zeker niet. Zo moet u het niet zien.
De heer Van der Ham (D66): Die evaluatie heeft de Kamer inderdaad
gezien. Ik heb haar natuurlijk heel goed bestudeerd. Er staan veel foto’s in
en men klopt zichzelf veel op de borst, maar er is heel weinig echte,
zakelijke kritiek. Ik noemde al het voorbeeld dat wordt gekeken hoe veel
websites zijn aangedaan en hoe vaak mensen ergens een keertje op een
zender zijn geweest. Dat wordt dan omgerekend naar een hoeveelheid
zendtijd of reclame die je zou hebben ingekocht en dat is dan de markt-
waarde. Als je echt aan marketing doet, kijk je naar de doelgroep die je
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 8
ermee aanspreekt en welk effect dat gaat hebben. Zo gaat het in het
bedrijfsleven. Dat soort referenties wordt hier helemaal niet gedaan. Als ik
het lees, denk ik alleen: wat een amateurs in de manier waarop het wordt
geëvalueerd en wat is het weinig zakelijk gebeurd. Het is werkelijk een
fotoboek van hoe leuk men het heeft gehad. De manier waarop dit soort
dingen wordt geëvalueerd moet beter. Ik kijk dan ook met enige vreze
naar de toekomstige statelijke jaren. Dit is broddelwerk.
De voorzitter: Dit was nog niet uw tweede termijn, mijnheer Van der
Ham. Hebt u ook nog een vraag?
De heer Van der Ham (D66): Mijn vraag is of de minister het ermee eens
is dat de manier waarop het wordt geëvalueerd, gewoon beter moet.
Minister Rosenthal: Ik hoor de heer Van der Ham loudly and clearly. Ik
denk toch dat van een aantal criteria die voor deze evaluatie zijn gehan-
teerd, wel degelijk enige zeggingskracht uitgaat. Laat ik ook zeggen dat er
nu door een aantal woordvoerders een wel uitermate somber, zwart beeld
wordt geschetst van New York 400. Ik ga niet in op alle ins en outs van de
evaluatie, maar een aantal zaken die daar heeft gespeeld, kan wel degelijk
positief worden beoordeeld. Over de betrokkenheid en aanwezigheid van
hoogmogenden uit de Verenigde Staten zelf kunnen wij soms wat lacherig
doen, maar het is toch van belang. De burgemeester van New York heeft
New York 400 wel degelijk serieus genomen en heeft het evenement ook
uitgezet in de New Yorkse gemeenschap. Dat zijn toch positieve punten.
Mijn oog valt nu op de mededeling dat er tienduizenden bezoekers zijn
geweest op het New Island Festival en bij de Pioneers of Change met de
presentatie van Nederlands duurzaam design. Laten wij er maar gewoon
van uitgaan dat de diffuse effecten van New York 400 misschien toch iets
groter zijn geweest dan hier nu wordt gezegd. Dat gezegd hebbende: wij
trekken lering uit dit soort zaken, ook uit de dingen die beter kunnen, en
doen dat vooral met het oog op Turkije 2012 en Rusland 2013. Ik merk
daarbij op, voordat ik de commissie op het verkeerde been zet ten aanzien
van Turkije 2012 en Rusland 2013, dat dit grootschalige zaken zijn die
verder reiken dan alleen de internationale culturele betrekkingen. Het gaat
daar waarachtig om veel meer dan dat.
Mevrouw Van der Werf (CDA): Ik hoorde de minister iets zeggen over
culturele diplomatie en over het versterken van de marktpositie van
Nederlandse kunstenaars in het buitenland. Dat is een beweging van
Nederland naar het buitenland. Wat moeten die evenementen in het
buitenland naar de visie van de minister bewerkstelligen in Nederland?
Minister Rosenthal: Het gaat erom dat je een intensivering probeert te
bewerkstelligen van de contacten, niet alleen ten aanzien van de cultuur
maar ook bijvoorbeeld ten aanzien van de economie. Om het maar even
duidelijk te zeggen: waar het Turkije 2012 betreft, hebben wij met de
Turkse autoriteiten afgesproken dat wij heel zwaar inzetten op het
intensiveren van de contacten op maatschappelijk en economisch gebied,
met name in het midden- en kleinbedrijf. Cultuur is absoluut niet een
soort van bijvangst van het geheel. Het is een integraal onderdeel van wat
je met elkaar doet. Datzelfde geldt ten aanzien van Rusland 2013. Op dit
vlak speelt natuurlijk ook dat wanneer je uitwisselt met elkaar, je ook de
kwaliteit van de onderlinge betrekkingen naar een hoger plan tilt en
verdiept. Daar gaat het vooral om.
Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik vind het toch een beetje mager als de
minister het tipje van de sluier niet verder oplicht ten aanzien van welke
lering hij van plan is te trekken uit New York 400. Dat er wat diffuse
naijleffecten zijn van de 7,3 mln. die ertegenaan is gegooid, vind ik echt te
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 9
mager om genoegen mee te nemen. Het is schrijnend als je dat bedrag
afzet tegen de forse bezuinigingen die tegelijkertijd op culturele instel-
lingen in Nederland worden gepleegd. Zij zitten te schreeuwen om
€ 10 000 hier en € 10 000. Zeker als je kijkt naar de criteria waaraan die
instellingen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen,
lijkt het alsof er bij dit soort vieringsactiviteiten maar met geld gesmeten
wordt.
De voorzitter: Wat is uw vraag?
Mevrouw Peters (GroenLinks): Welke lessen gaat het kabinet trekken en
wat zijn de criteria voor het besteden van nieuwe miljoenen voor
toekomstige vieringen?
Minister Rosenthal: Op het punt van de aanbevelingen die zijn gedaan en
de lessen die worden getrokken, hebben wij het bijvoorbeeld over het feit
dat zware nadruk wordt gelegd, ook trouwens door de Raad voor Cultuur,
op de functie van een intendant. Die zetten wij dus in met betrekking tot
Rusland 2013. Wij hebben het over de betrokkenheid op politiek niveau bij
Turkije 2012 en Rusland 2013. Misschien mag ik de vraag wat verbreden.
De leden van de commissie hebben gesproken van een soort reiscircus
dat naar New York is getrokken. Het kabinet werkt sinds een half jaar met
een zogeheten strategische reisagenda, waarin wij zeer nauwgezet met
elkaar afstemmen waar wij met wie op welk moment naartoe gaan. Dat
geldt dus ook voor de intensivering van de contacten die logischerwijze
uit Turkije 2012 en Rusland 2013 zullen voortkomen. Ten slotte gaat het er
vooral om dat wij er, anders dan bij New York 400 kennelijk het geval is
geweest, niet vroeg genoeg bij kunnen zijn. Dat komt ook naar voren in de
aanbevelingen van de evaluatie. Voor Rusland 2013 zijn wij al volop bezig
om activiteiten te ontplooien en om belangstellenden en belangheb-
benden erbij te betrekken. Voor het overige geldt: soberheid en de tering
naar de nering zetten. Dat ben ik met mevrouw Peters eens. De financiën
die de regering ter beschikking stelt voor Turkije 2012 en Rusland 2013 zijn
aanmerkelijk kleiner dan de gelden die aan New York 400 zijn besteed.
De voorzitter: Bent u daarmee aan het einde van uw beantwoording
gekomen?
Minister Rosenthal: Nee, voorzitter. Er is nog een aantal concrete vragen
gesteld.
De voorzitter: Toen u begon, zei u dat u het kort zou houden. Gaat u dus
uw gang.
Minister Rosenthal: Ik merk op dat de interventies van deze commissie
vaak even aandacht vergen. Ik zal het heel kort doen, voorzitter.
Wat New York 400 betreft, kan ik nog wel een boom opzetten over het
zogeheten paviljoen waarover de heer Van der Ham in plastische
bewoordingen sprak. Ik begreep dat de donuttoestanden zich beperken tot
twee vleugels en niet het hele paviljoen betreffen. Dat is een schrale, zij
het in dit geval vette, troost.
De heer Bosma heeft vragen gesteld over Zuid-Afrika. Ik verwijs naar de
inspanningen van de Nederlandse Taalunie ter zake en naar het feit dat er
veel uitwisseling is met schrijvers en zangers uit Zuid-Afrika. Ik zeg wel tot
de heer Bosma dat als hij zo hecht aan de plaatsnamen en straatnamen in
Zuid-Afrika, hij ook moet accepteren dat de grachtengordel in Kaapstad
breed aanwezig is met de Herengracht, Prinsengracht en Keizersgracht. Ik
neem aan dat hij dat, vanuit zijn zienswijze, dan veranderd zou willen zien!
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 10
De heer Bosma (PVV): Is het kabinet bereid om iets te doen voor de
Afrikaner plaatsnamen in Zuid-Afrika? Mijn andere suggestie was om onze
ambassade in Zuid-Afrika eens te laten kijken naar het Afrikaans en
bijvoorbeeld een regelmatige bijeenkomst te laten beleggen met mensen
in Zuid-Afrika die zich inzetten voor het Afrikaans.
Minister Rosenthal: Op de eerste vraag is het antwoord nee. Op de
tweede vraag is het antwoord, met bepaalde specificaties, ja.
De heer De Liefde heeft gewezen op de regie die nodig is. Ik neem aan dat
collega Zijlstra op dit vlak de complementariteit zal aangeven.
Mevrouw Klijnsma en mevrouw Peters hebben gesproken over de kwestie
van het inzetten van geld en waar je dat doet. De rol van Buitenlandse
Zaken is om geografisch-strategische prioriteiten te stellen, met speciale
aandacht voor de buurlanden Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk
en Frankrijk, voor de BRIC-landen en voor de Verenigde Staten, Italië,
Spanje, Japan, Indonesië, Turkije en de Arabische wereld. De Arabische
wereld nemen wij ter zake zeer serieus. Ik voeg er echter aan toe dat er
minder geld is. Ook hier moeten wij dus de tering naar de nering zetten. Ik
vrees dat het er niet in hoge mate in zal zitten om allerlei potjes in allerlei
landen uit te zetten. Ik wijs er overigens op dat de Netherlands Business
Support Offices (NBSO’s) in allerlei landen ook culturele taken uitvoeren,
met name voor het topgebied creatieve industrie.
Hiermee heb ik eigenlijk al de vraag van mevrouw Peters beantwoord
over Matra-Zuid. Ja, daarin zit ook culturele samenwerking, maar een
beetje. Ook daar moet de tering naar de nering worden gezet. Ik ben zelf
laatst nog in Cairo geweest. Ik heb toen begrepen dat de Nederlands-
Egyptische culturele betrekkingen behoorlijk op peil zijn en blijven.
Mevrouw Peters (GroenLinks): Als de posten aanvragen voor culturele
projecten beoordelen in het kader van de besteding van de Matra-Zuid-
gelden, kan het antwoord dus nooit zijn: sorry, wij hebben er geen tijd
voor. Het antwoord moet dan zijn: ja, binnen het zetten van de tering naar
de nering en de marges.
Minister Rosenthal: Ja. De uitspraak «de tering naar de nering zetten»
moet daarbij heel serieus worden genomen. Veel zal het dus niet wezen.
Mevrouw Klijnsma (PvdA): Ik heb de minister goed gehoord toen hij zei
dat het topsegment van cultuur wezenlijk is voor de promotie van
Nederland in het buitenland. In mijn bijdrage heb ik geprobeerd te
onderstrepen dat het ook voor de talentontwikkeling zo ongelooflijk
belangrijk is dat men in het buitenland zijn licht kan opsteken en
andersom. Wil de minister daar nog op ingaan?
Minister Rosenthal: Ik moet het gewoon zeggen zoals het is. Er is minder
geld en wij moeten ervoor zorgen dat het daar wordt besteed waar wij
denken dat het de meeste toegevoegde waarde zal hebben. Wij consta-
teren dat het aan het buitenland tonen van het topsegment van de
Nederlandse cultuur een enorme impact heeft. Dat wordt in van alles en
nog wat weer teruggeploegd naar Nederland. Dan kunnen wij op een
bepaald moment weer datgene doen waarnaar mevrouw Klijnsma vraagt.
Zowel het een als het ander nu doen, is echter niet de lijn die wij in onze
prioriteitstelling hanteren.
De heer Van der Ham (D66): De minister zegt dat het allemaal best wel
meevalt omdat er zo veel mensen naar Vermeer zijn wezen kijken. Ja, dat
werkt altijd wel goed. Het paviljoen was echter het enige wat de regering
daar grootschalig heeft neergezet. Dat kostte 1,5 mln. Het heeft heel veel
geld gekost om het te onthullen. Ik heb om enige reflectie van de minister
gevraagd. Zoiets neerzetten zonder dat er enig beleid is over wat er
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 11
daarna mee moet gebeuren – het wordt niet eens onderhouden – is toch
gewoon weggegooid geld? Waarom geeft de minister hier niet gewoon
toe dat wij het nooit meer zo moeten doen?
Minister Rosenthal: Nu dwingt de heer Van der Ham mij om weerwerk te
leveren op zijn suggestie dat het paviljoen nu een all-out donutvoor-
ziening is.
De heer Van der Ham (D66): Muffins.
Minister Rosenthal: Muffins. Sorry, waar heb ik het toch de hele tijd
over? Muffins zijn iets heel anders. Ook lekker! Ik zeg gewoon wat ik weet,
namelijk dat het paviljoen nog altijd diverse functies vervult. Er is een
interactief scherm met informatie over downtown Manhattan, inclusief
veel Nederlands erfgoed. Zoals gezegd zijn er inderdaad twee vleugels ter
beschikking gesteld aan een uitbater van hoogwaardige voedsel- en
drankvoorzieningen. De inkomsten uit deze lease garanderen het
onderhoud van het plein en het paviljoen in de toekomst. Het is een
bundeling van cultureel en economisch ondernemerschap.
De heer Van der Ham (D66): Ik ben er zelf geweest. Gelukkig hebben we
de foto’s nog. Dat interactieve scherm werkt niet en die hoogwaardige
voedsel- en drankvoorziening houdt in muffins en koffie. Voor de rest is er
niets meer te vinden, behalve een plakkaat dat het is onthuld door het
kroonprinselijk paar. Dat was het dan. Ga er zelf eens kijken als u in
Amerika bent, zo zeg ik tot de minister. Het stelt niets voor. De minister
moet gewoon kunnen toegeven dat het heel moeilijk was om er
überhaupt een uitbater voor te vinden. Dit soort dingen moet niet meer
gebeuren. Het is weggegooid geld. Dat doet ook onrecht aan de goede
dingen die het internationaal cultuurbeleid kan doen.
Minister Rosenthal: Ik zeg de heer Van der Ham toe dat ik, de volgende
keer dat ik in New York ben, met eigen ogen ga kijken en hem dan mijn
oordeel zal doen toekomen.
De voorzitter: Ik deel mede dat mevrouw Van der Werf dit overleg verlaat
om deel te nemen aan een debat in de plenaire zaal.
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Zijlstra: Voorzitter. Ik zeg nog even snel tot mevrouw Van
der Werf dat de visie op internationaal cultuurbeleid waarnaar zij vroeg, in
de junibrief staat. Daarin hebben wij gereageerd op de bevindingen van
de Raad voor Cultuur. Wij hebben erin aangegeven hoe wij naar de
toekomst toe willen omgaan met internationaal cultuurbeleid.
De Raad voor Cultuur heeft inderdaad een kritisch rapport uitgebracht,
waarover bijna alle leden van de commissie vragen hebben gesteld. Ik
geloof dat mevrouw Klijnsma zei dat er wat lauw is gereageerd. Ik zou
toch willen zeggen van niet. In de junibrief hebben wij juist ronduit gezegd
dat wij het grootste deel van de aanbevelingen overnemen. Nu ging de
junibrief ook over heel veel andere zaken, dus ik kan mij voorstellen dat
dat wat afgeleid heeft. Daar staat echter wel de kern met betrekking tot de
toekomst. De minister heeft al een aantal zaken geschetst, zoals de
taakverdeling tussen OCW, dat een inhoudelijke rol heeft, en Buitenlandse
Zaken, dat bezig is met evenementen, posten en dat soort zaken. Dat staat
beknopt maar volgens mij helder in de junibrief.
De uitdaging voor het Tropenmuseum is dat er een opening is als het
museum los van het KIT in staat is om tot samenwerking te komen met
Volkenkunde. Als daar een serieuze, echt significante kostenbesparing uit
te halen is, ligt er een mogelijkheid dat men in het museale bestel wordt
opgenomen. Dat betekent dat het Tropenmuseum – dus niet het KIT –
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 12
moet verkennen hoe dit kan worden vormgegeven en hierover moet
terugrapporteren aan staatssecretaris Knapen. Aan de hand van de
uitkomsten zullen de heer Knapen en ik bekijken of wij er handen en
voeten aan kunnen geven.
Wat Dutch Art Works betreft moet ik zeggen dat de heer Van der Ham
vasthoudend is. Dit is bijna een traditioneel terugkerend punt. Ik zeg hem
dat niet wij Dutch Art Works hebben gefinancierd, maar dat het de
BankGiro Loterij was die Dutch Art Works een startbedrag gaf om dit
initiatief van de grond te krijgen. Het zou heel gek zijn, zeker in deze tijd,
om initiatieven die met privaat geld worden gestart over te nemen als de
private financier ermee ophoudt. Dutch Art Works promoot het aankopen
van Nederlandse kunst door buitenlandse musea, waarbij de prijs met
90% wordt gereduceerd. De kunstenaars om wie het hier gaat, zijn geen
beginnende kunstenaars maar kunstenaars van enige naam en allure.
Onlangs heeft het Kröller-Müller Museum een kunstwerk aangekocht van
Gilbert & George. In Nederland wordt dat betaald vanuit fondsen.
Daarvoor wordt gewoon de volle prijs betaald. In dit geval zou er dan een
soort van English Art Works moeten zijn die 90% korting geeft. Ik vind dat
eigenlijk een heel gekke situatie. Ik ben minder enthousiast over Dutch Art
Works dan de Kamer. Het lijkt mij juist goed, ook voor de prijzen van
Nederlandse kunstwerken, dat gewoon de reële ontwikkeling van de
markt wordt gevolgd. De overheid moet dat niet overnemen.
Ten aanzien van het Afrikaans zeg ik, in aanvulling op datgene wat de
minister heeft gezegd, dat de Nederlandse Taalunie vorig jaar in Brugge
een Memorandum of Understanding heeft getekend met Zuid-Afrika.
Zuid-Afrika is in dat kader begonnen met het meer gestructureerd
vormgeven van het behoud van het Afrikaans. In die zin wordt al
tegemoetgekomen aan het verzoek van de heer Bosma. Ik weet niet of wij
hiermee het omdopen van Pretoria kunnen voorkomen, maar dat is
geheel aan Zuid-Afrika.
De heer Bosma (PVV): Ik hoorde net een heel mooie toezegging van de
minister dat onze ambassade wellicht een stimulerende rol kan spelen om
mensen bij elkaar te brengen die opkomen voor het Afrikaans, het liefst
op regelmatige basis. Wellicht kan de staatssecretaris via de Taalunie
daarin een organiserende rol spelen.
Staatssecretaris Zijlstra: De heer Bosma beschrijft het heel goed: dat was
een mooie toezegging van de minister. Het kabinet zorgt altijd voor
eenheid van beleid.
Voorzitter. Ik ben net al even ingegaan op de taakverdeling, die helder
moet zijn. Er moet geen dubbeling zitten tussen de ministeries. Wij zien
daarop scherp toe. De Kamer zal dat ongetwijfeld ook doen, want het is
verspilling van geld.
De heer De Liefde heeft gezegd dat SICA het belabberd doet. SICA heeft te
maken met een fusie met Trans Artists en de Mediadesk tot één instelling
voor internationaal beleid, een aanbeveling van de Raad voor Cultuur.
Rondom zo’n fusieproces zit soms wat gedoe. Wij monitoren de prestaties
continu. SICA heeft geen automatisch monopolie, maar doet het naar
onze mening op dit moment goed, hoewel er verbeteringen aan te
brengen zijn. Er is veel commentaar geweest op het feit dat SICA veel
debatten en dergelijke in het buitenland heeft georganiseerd. Dat was een
van de voorwaarden voor de verstrekking van de subsidie. In de vorige
convenantsperiode is dat uitdrukkelijk aan SICA gevraagd. Als zij dat
vervolgens uitvoert, moeten wij haar dat natuurlijk niet euvel duiden. Wij
zien echter scherp toe op hoe de fusie van de genoemde instellingen
wordt vormgegeven en of dat proces nog nadere sturing vanuit onze
ministeries behoeft.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 13
Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik heb nog een vraag over de toezegging
die is gedaan aan de heer Bosma dat de Nederlandse ambassade in
Zuid-Afrika nu bijeenkomsten over de Afrikaanse taal moet organiseren. Ik
ben wel benieuwd aan welke voorwaarden de minister dacht toen hij zei
dat dit geclausuleerd is. Er wordt aan alle kanten bezuinigd op het
postennetwerk. Er is alleen nog maar een marge met tering en nering
voor de culturele diplomatie. Wat moeten die taalbijeenkomsten daar nog
bij?
Staatssecretaris Zijlstra: Volgens mij was de minister daar vrij helder
over: dit zal gebeuren in het kader van een Memorandum of Under-
standing dat de Taalunie heeft afgesloten. Het moet in dat licht worden
bekeken. Ik zie de minister ja knikken, dus ook in dit geval zijn wij het
eens.
De heer De Liefde (VVD): De staatssecretaris zei zojuist dat het houden
van debatten SICA in de vorige periode is opgelegd. Ik neem aan dat de
staatssecretaris dat nu niet meer doet en scherp voor ogen houdt dat wij
in diplomatieke en economische zin moeten profiteren van de werkzaam-
heden van SICA. Dat moet voorop staan.
Staatssecretaris Zijlstra: Een terecht punt. Wij hebben inderdaad andere
prioriteiten gelegd en SICA is dus ook bezig om die omslag te maken. De
inzet moet meer zijn gericht op het versterken van het economisch verkeer
en van de marktposities van Nederlandse kunstenaars in het buitenland.
Die slag wordt nu gemaakt. Bij het bezoek aan China is dit bijvoorbeeld al
heel stevig neergezet. Er zijn zeer goede programma’s in het kader van
Dutch Design, Fashion and Architecture.
De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Peters wil interrumperen, maar ik stel
voor om het iets anders te doen. Elke woordvoerder krijgt een minuut in
tweede termijn om af te ronden. Misschien kan mevrouw Peters daar haar
vraag in meenemen, want dan komen alle collega’s nog even aan bod en
blijven wij ook binnen de tijd. Is dat mogelijk?
Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik heb alleen behoefte aan het herhalen
van een niet-beantwoorde vraag.
De voorzitter: En die vraag luidt ...?
Mevrouw Peters (GroenLinks): Nederlandse wetenschappelijke instituten
uitbreiden met een culturele taak en hen ook een beroep laten doen op de
Matra-Zuid-middelen. Het kost dus niet eens extra geld.
Staatssecretaris Zijlstra: Volgens mij hoorde ik de minister daarop net
een antwoord geven.
Minister Rosenthal: Voorzitter. Ten aanzien van de instituten hebben wij
een geografisch-strategische keuze gemaakt. Men doet wat men moet
doen. Als daaraan wat toe te voegen is waardoor die functie wordt
bevorderd, zal dat niet worden nagelaten. Ook hier moet echter de tering
naar de nering worden gezet. Wij kunnen niet meer gaan doen met
middelen die minder worden.
De voorzitter: Dan beginnen wij nu aan de tweede termijn. Iedere
woordvoerder heeft precies een minuut spreektijd.
De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Ik ben tevreden in die zin dat de
aanbevelingen van de Raad voor Cultuur worden meegenomen. Dat klinkt
allemaal mooi. Ik heb er echter niet zo veel vertrouwen in dat het ook
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 14
daadwerkelijk gebeurt. Er is iets in het internationaal cultuurbeleid
gesleten van: zo doen wij het nu eenmaal. De minister heeft niet gezegd
dat de wijze van evalueren, bijvoorbeeld inzake het berekenen van de
effecten, moet veranderen. Ik voel mij dan echt genoodzaakt om een VAO
aan te vragen omdat dit op een andere manier moet worden vormge-
geven.
Ik vind het van groot belang dat er enige regie wordt genomen inzake de
methode van Dutch Art Works, dus niet inzake Dutch Art Works zelf. Daar
hoeft wat mij betreft niet heel veel overheidsgeld bij. Het lijkt mij echter
wel heel nuttig dat wordt gekeken hoe kan worden georganiseerd dat
Nederlandse kunst in dat soort musea terechtkomt. Ik neem dit punt graag
mee in het VAO.
De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Ik heb vier jaar in New York mogen
wonen. De enige associatie met Nederland die ik tegenkwam, betrof die
met softdrugs en het red light district. Dat daar nu misschien de muffins
van de heer Van der Ham bijkomen, lijkt mij winst. Ik vind de prijs van
7,5 mln. alleen een beetje hoog. Ik gun iedereen al die reisjes, maar het
praktische effect ...mwah, om het zo maar te zeggen.
Ik ben blij met de toezegging inzake onze ambassade in Zuid-Afrika. Dat
hoeft niets te kosten, behalve een Hollands bakkie troost. Breng die
mensen bij elkaar en spreek ze een beetje moed in vanuit het oude
moederland. Dat zullen zij erg waarderen. Als de heer Van der Ham een
VAO aanvraagt, ga ik mij even op het achterhoofd krabben of ik met een
mooie motie kan komen over de Zuid-Afrikaanse plaatsnamen. Ik ben
echter tevreden met de beantwoording.
De heer De Liefde (VVD): Voorzitter. Ik dank de regering voor de
beantwoording. Ik wil nog iets dieper ingaan op de woorden van de
staatssecretaris over de strakkere regie en de samenwerking tussen de
departementen. Ik heb uit de stukken gehaald welke stappen het kabinet
voornemens is om te nemen. Ik zie dit echter nadrukkelijk als begin-
stappen en niet als het eindpunt. Uiteindelijk moeten wij komen tot één
verantwoordelijke die de leiding neemt in het internationale cultuurbeleid.
Ik hoor graag van het kabinet wanneer het er met elkaar uit is. Ik krijg
hierover graag een brief nadat de bewindspersonen erover hebben
gesproken met hun collega’s op EL&I en andere departementen.
Mevrouw Klijnsma (PvdA): Voorzitter. Dank voor de beantwoording, al
zullen de bewindspersonen begrijpen dat ik er minder blij mee ben dan
sommige collega’s. Ik moet weer constateren dat hierop natuurlijk dik
bezuinigd wordt. Ik moet weer constateren dat alleen de economie
centraal staat in het kunst- en cultuurbeleid, ook naar het buitenland toe.
Ik moet weer constateren dat de talentontwikkeling een ondergeschoven
kind is. Dat verdriet mij.
Ik ben blij dat er een VAO komt omdat ik, waarschijnlijk samen met
mevrouw Van der Werf die zonet in de deuropening nog nee stond te
schudden, een motie denk in te dienen over de visie. Hoe zit het nu
precies met die visie? Wie doet wat? Het blijft namelijk toch onhelder en
het is essentieel om het helder te krijgen.
Ik zie een brief van het kabinet tegemoet over het Museum Volkenkunde,
het Tropenmuseum en het KIT en hoe we dat met zijn allen afhechten.
Last but not least blijf ik een lans breken voor Dutch Art Works, dat
ongelooflijk goed werk doet. Het kan niet alleen door business support,
want dan staat alleen de economie centraal.
Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. Ook ik vind de opbrengst van
dit overleg een beetje mager. Ik begrijp dat de visie op internationaal
cultuurbeleid van het kabinet zich louter en alleen richt op de exportbevor-
dering en de vergroting van de economische markt. Ik mis een voortgang
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 15
van de traditie die Nederland kent dat er nadrukkelijk aansluiting wordt
gezocht met culturele actoren in de landen waar je naartoe gaat, waarmee
je handelt, waar je posten hebt, waar je de mensen wilt leren kennen en
waarmee je betrekkingen wilt onderhouden. Instituten die her en der in
Noord-Afrika en de Arabische regio worden geopend of al bestaan,
kunnen daarin een nuttige rol vervullen. Ik nodig de minister van
Buitenlandse Zaken nog een keer uit om een positieve, uitnodigende
uitlating te doen over de wenselijkheid dat de instituten deze culturele
samenwerking versterken. Ze staan er al en de middelen zijn er. Wat nodig
is, is een klap van de regering: ja, zulke culturele samenwerking willen wij
en onze diplomatie is meer dan alleen zilver poetsen voor het
bedrijfsleven.
Minister Rosenthal: Voorzitter. De heer Van der Ham heeft een
mededeling gedaan omtrent een VAO met een motie over New York 400.
Gelukkig zitten wij inmiddels op New York 401. Laat ik zeggen dat ik de
opmerkingen over evaluaties en de methodiek daarvan ter harte neem. Ik
neem ook ter harte dat hier is gezegd dat hierin veel geld is omgegaan.
Turkije 2012 en Rusland 2013 worden wat dat betreft van een andere snit;
dat zij gezegd.
New York 400 is toch iets meer dan wat de heer Bosma heeft gezegd. De
Nederlandse creative industry is bijvoorbeeld heel duidelijk in New York
aanwezig.
Tot mevrouw Klijnsma zeg ik dat ik mij niet vastzet in een hokje van
economie, een hokje van cultuur, een hokje van maatschappij en een
hokje van politiek. Ik neem aan dat mevrouw Klijnsma dat ook niet doet.
Er is een wisselwerking aan de orde. Dat geldt ook voor de wijze waarop
wij naar het internationaal cultuurbeleid kijken, ook in zijn relatie tot de
economie, de politiek en de maatschappelijke betrekkingen. Het gaat om
de wisselwerking.
Naar aanleiding van de woorden van mevrouw Peters zeg ik dat ik het
graag anders zou willen, maar dat wij een euro maar één keer kunnen
uitgeven. De wetenschappelijke instituten hebben een budget en een
bepaalde functie die hen is toebedeeld. Als je daaraan iets toevoegt, moet
er voor je het weet geld bij, tenzij je de effectiviteit en de efficiency van de
desbetreffende instituten zou kunnen opkrikken. Daartoe zie ik op dit
moment echter geen reden en geen mogelijkheid.
Staatssecretaris Zijlstra: Voorzitter. Voortbordurend op de laatste
woorden van de minister: het geld dat dit zou opbrengen, zou dan
waarschijnlijk weer worden besteed aan de wetenschappelijke activiteiten
die deze instituten als kerntaak hebben. Dat zijn soms cultuurhistorische
zaken. Egypte en Jordanië zijn landen met een rijke geschiedenis op dat
punt en dat is de reden dat de instituten daar zitten. Dat is een andere
reden dan de invulling die mevrouw Peters eraan geeft.
De heer De Liefde was duidelijk: hij wil een helder eindpunt met één
eindverantwoordelijke. Op het gebied van internationale zaken doen de
kerndepartementen altijd de vormgeving van – in dit geval – het cultuur-
beleid, maar Buitenlandse Zaken is altijd leading waar het de posten en de
evenementen betreft. De komende tijd zullen wij, daar waar er overlap is
of waar dingen niet helemaal synchroon lopen, de zaken gelijkschakelen.
De minister en ik vinden elkaar daarin bijna fundamenteel, zou ik willen
zeggen.
Gesteld is dat het alleen om exportbevordering gaat. Nee, maar dat is wel
een belangrijk onderdeel. Initiatieven zoals Dutch Design, Fashion and
Architecture kennen zowel een economische als een culturele component.
Er was een economische reden om naar de Beijing International Book Fair
te gaan, maar er zijn ook gesprekken geweest met dissidenten. Het is dus
breder, maar economische stimulering is inderdaad een veel sterkere taak
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 16
geworden. SICA is daar, als uitvoerende organisatie, ook veel steviger
mee bezig. Dat klopt.
De motie over visie van mevrouw Klijnsma zie ik tegemoet. Voordat zij de
motie indient, vraag ik haar echter om de junibrief nog eens goed te lezen.
Als de Kamer daarin dingen mist, zou het helpen als zij aangeeft op welk
vlak zij precies nadere verwachtingen heeft. Als alleen het woord visie
valt, is dat niet genoeg. Ik kan een hele batterij ambtenaren bezighouden
met het schrijven van een visie, maar wij moeten dan natuurlijk wel
proberen om het een beetje te richten.
Over het Tropenmuseum heeft de Kamer een brief ontvangen, zo zeg ik tot
mevrouw Klijnsma. Men moet nu aan de hand van die brief aan de slag. In
het eerste kwartaal van 2012 zal men dat moeten afronden. Als er weer
nieuws is, krijgt de Kamer dat natuurlijk ook te horen.
Naar aanleiding van Dutch Art Works heeft de heer Van der Ham gevraagd
wat wij doen op het gebied van stimulering van Nederlandse kunstenaars.
Wij doen meer dingen op dat vlak. Ik noem de biënnales en DDFA. Ik
herhaal echter dat een initiatief dat met privaat geld is gefinancierd, niet
door de overheid moet worden overgenomen. Daarbij komt dat men een
systematiek hanteert die eerder marktverstorend is dan ondersteunend
voor de Nederlandse kunstenaars.
De voorzitter: Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van dit algemeen
overleg. Ik stel vast dat de heer Van der Ham om een VAO heeft gevraagd.
Wij zullen dat aanmelden bij de Griffie. Hij heeft zojuist gezegd dat dit na
het reces mag. Ook dat zullen wij doorgeven. Ik dank de beide bewinds-
lieden en hun medewerkers voor hun aanwezigheid en voor de beant-
woording van de vragen van de Kamer. Ook dank ik de belangstellenden
op de publieke tribune.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 482, nr. 78 17
