- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Onverantwoord ouderschap; Initiatiefnota; Initiatiefnota Van Dijken "Onverantwoord ouderschap"
| Datum publicatie: | 2010-06-10 |
| Datum uitgifte: | 2010-06-10 |
| Organisaties: | |
| Indieners: | |
| Dossier: |
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
32 405 Onverantwoord ouderschap
Nr. 2 INITIATIEFNOTA VAN HET LID VAN DIJKEN
Vooraf
Er zijn naar mijn mening ouders waarbij bestaande maatregelen niet
afdoende zijn om een gezinssituatie te creëren waarin eerder uithuisge-
plaatste kinderen kunnen terugkeren of waarbij kan worden voorkomen
dat nieuwgeboren kinderen wederom het slachtoffer van een ernstig
falende opvoeding worden. Het betreft hier ouders waarvan – niet zelden
meerdere – kinderen uithuis moesten worden geplaatst omdat zij niet in
staat bleken te zijn die kinderen op te voeden, dan wel waar sprake was
van geestelijke of lichamelijke verwaarlozing. In een dergelijke gezinssi-
tuatie is de geboorte van nieuwe kinderen voorspelbaar problematisch en
draagt niet bij aan het welzijn van bestaande kinderen noch helpt het die
ouders om uit een neergaande spiraal te kunnen komen. De schrijnende
en traumatiserende situaties waaraan kinderen kunnen worden blootge-
steld werpen de vraag op of er geen omstandigheden kunnen zijn waarbij
tenminste aan de orde kan worden gesteld of het wel verstandig is dat
dergelijke ouders, bij ongewijzigde omstandigheden, opnieuw kinderen
krijgen. Dit was de aanleiding om over verdergaande oplossingen na te
denken. De discussie over het onderwerp «onverantwoord ouderschap» in
combinatie met de toen door mij voorgestelde oplossingsrichting is al in
2005 gestart en maatschappelijk breed en bij herhaling gevoerd, in
Nederland maar ook daarbuiten.
Enige jaren geleden heb ik getracht het probleem van «onverantwoord
ouderschap» met een aantal oplossingen bespreekbaar te maken. Een van
de voorstellen was toen om in de meest schrijnende gevallen van
onverantwoord ouderschap en nadat alle andere middelen zijn uitgeput,
ouders desnoods en onder strikte voorwaarden en waarborgen te kunnen
dwingen tijdelijk geen kinderen meer te krijgen. Het ultieme middel
daartoe kan gedwongen anticonceptie zijn. Dit basisidee vergde verdere
uitwerking. Dit is op twee manieren gedaan:
– Via het publieke debat: daaruit werd duidelijk dat bijna iedereen die
van nabij met probleemgezinnen werkt, het probleem van «onverant-
woord ouderschap» (h)erkent. De oplossing van eventueel gedwongen
anticonceptie werd als ultimum remedium door een groot deel van de
professionals (kinderbescherming, jeugdzorg, kinderrechters) gedeeld.
kst-32405-2
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 1
Het stuitte uiteraard ook op weerstand. Dat viel ook niet anders te
verwachten gezien de extreme gevoeligheid van het onderwerp.
– Via de wetenschap: uit gesprekken met juristen met expertise op het
gebied van jeugdrecht en mensenrechten kwamen verschillende
signalen. Daar waar men de praktijk van de kinderbescherming voor
ogen had was men van mening dat een juridisch goed geborgde
mogelijkheid van gedwongen anticonceptie tot de mogelijkheden
moest kunnen behoren. Anderen vonden argumenten in vooral de
jurisprudentie rondom het Europees Verdrag van de Rechten van de
Mens (EVRM) om tegen gedwongen anticonceptie te zijn. Hierop zal ik
verderop ingaan.
Hoewel de discussie over dit onderwerp bijdroeg aan het vormen van
ideeën over een verdere aanpak van onverantwoord ouderschap,
stagneerde deze discussie politiek bij gebrek aan nadere uitwerking. Met
deze initiatiefnota wordt ook getracht deze impasse te doorbreken.
Na een lange – vooral maatschappelijke – discussie over dit onderwerp en
binnen de gelederen van de PvdA-Tweedekamerfractie, heb ik besloten
om dit onderwerp niet eerst in de vorm van een wetsvoorstel verder op de
agenda te willen zetten, maar om de discussie in de Tweede Kamer te
entameren door middel van een initiatiefnota. Deze nota moet het
uiteindelijke doel van het bereiken van een oplossing voor het probleem
van herhaald onverantwoord ouderschap dienen en de daardoor te
verwachten beschadiging van «nieuwe» kinderen.
Leeswijzer
Deze initiatiefnota is als volgt opgebouwd:
In de eerste paragraaf zal worden ingegaan op de aard en omvang van het
probleem van onverantwoord ouderschap.
De tweede paragraaf bevat de kern van deze nota met daarin concrete
voorstellen die kunnen bijdragen aan het oplossen van het probleem van
onverantwoord ouderschap.
Deze voorstellen zullen in een derde paragraaf worden geplaatst tegen de
achtergrond van de mensenrechten zoals die met name in het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarbij behorende jurispru-
dentie zijn verwoord.
Tenslotte volgt een korte paragraaf waarin in zal worden gegaan op de
financiële gevolgen van de voorstellen uit deze initiatiefnota.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 2
1. Probleem: aard en omvang
Helaas krijgen wij regelmatig signalen over ouders die bij herhaling niet in
staat bleken om kinderen minimaal adequaat op te voeden. Daarnaast zijn
meldingen van ernstige gevallen van kindermishandeling of zelfs -doding
aan de orde. De verhalen over Rowena («het meisje van Nulde») of
Savanna vormen de meest schrikbarende en meest extreme voorbeelden
van hoe het tussen ouder en kind kan misgaan. Gelukkig eindigen de
meeste kindermishandelingen niet in de dood van het kind, maar ook dan
is er sprake van vaak levenslange beschadiging. De schatting van het
aantal kinddodingen per jaar lopen sterk uiteen. Afhankelijk van de
systematiek die gebruikt wordt om schattingen te maken gaat het om 50,
70 of 85 kinderen per jaar.1 Hoe dan ook: dergelijke aantallen van gedode
kinderen zijn natuurlijk meer dan ernstig. Naast deze aantallen gaan er
achter de cijfers over kindermishandeling werelden van ellende schuil. De
schattingen over het aantal mishandelingen lopen uiteen. Op basis van de
Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling (NPM-2005) van de
Universiteit Leiden wordt het aantal kindermishandelingen in 2005 op
107.200 gevallen geschat en zouden ongeveer 3% van de kinderen het
slachtoffer zijn geweest. Het gaat daarbij vooral om verwaarlozing, maar
in 4.700 gevallen ook om seksuele mishandeling en 19.000 gevallen om
fysieke mishandeling.2 Andere cijfers zijn nog schrikbarender: onder-
zoekers van de Vrije Universiteit kwamen zelfs op ruim 160.000 kinderen
die in 2005 slachtoffer van mishandeling zouden zijn geweest.3
De minister voor Jeugd en Gezin reageerde op deze cijfers door onder
andere te stellen dat
«Het aan de overheid [is] om, conform artikel 19 IVRK, te zorgen voor
programma»s waarmee wordt voorzien in de nodige ondersteuning van
het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben. Het gaat
daarbij om facilitering van positief ouderschap, van ondersteuning van
ouders bij het waar maken van hun verantwoordelijkheden en daarmee
het realiseren van de kinderrechten. Als ondanks ingezette hulp de
mishandeling van een kind niet stopt of wanneer direct duidelijk is dat de
veiligheid van een kind ernstig in het geding is, is ingrijpen van
overheidswege noodzakelijk om de kinderrechten te kunnen blijven
garanderen.»4
De minister erkende daarbij dat vooral ten aanzien van het doel dat
voorkomen moest worden dat ouders hun kinderen zouden gaan
mishandelen, nog «nog veel winst» kan worden behaald. Ik deel zijn
mening dat daarvoor opvoedingsondersteuning breed beschikbaar moet
zijn, de signalering van kindermishandeling moet worden verbeterd en
het probleem van kindermishandeling met ouders beter bespreekbaar
1
moet worden. Daar moet vol op worden ingezet. Alle inspanningen op dit
M.H. van IJzendoorn e.a., Kindermishande-
vlak zullen wellicht kunnen bijdragen aan het kleiner worden van het
ling in Nederland Anno 2005: De Nationale
Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen probleem: meer ouders zullen wel in staat zijn hun kinderen goed op te
en Jeugdigen (NPM-2005), Op verzoek van: voeden, minder kinderen zullen het slachtoffer worden van verwaarlozing
Wetenschappelijk Onderzoek- en Documenta- of erger.
tiecentrum van het Ministerie van Justitie
2007.
2
Zie: http://www.justitie.nl/onderwerpen/ Het gaat naar mijn mening de wetgever niet aan om criteria voor een
jeugd/jeugdbescherming/Kindermishandeling/ «goede opvoeding» te geven. Waar het wel om zou moeten gaan is het
#paragraph3 aangeven van grenzen die als die overschreden worden duidelijk maken
3
P. Vlaardingerbroek, «Gedwongen anticon-
dat ouders niet in staat zijn de opvoeding te geven die van hen wordt
ceptie bij verstandelijk gehandicapten. Een
nieuwe maatregel van kinderbescherming?», verwacht. De bestaande kinderbeschermingsmaatregelen worden
In: Ars Aequi 56 (2007), p. 589. gehanteerd op die momenten. In deze initiatiefnota worden voorstellen
4
Brief van de minister voor Jeugd en Gezin gedaan voor extra maatregelen ten aanzien van ouders waarvan eerder is
aan de Tweede Kamer, 25 April 2007,
gebleken dat zij niet in staat zijn kinderen op te voeden en waarvan –
http://www.jeugdengezin.nl/kamerstukken/
2007/aard-en-omvang-van-kindermis gebaseerd op eerdere ervaringen met die ouders – het ook niet aanne-
handeling-in-nederland.asp melijk is dat zij dat in de nabije toekomst wel zouden kunnen. Ik spreek in
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 3
dit verband over «onverantwoord ouderschap». Het gaat daarbij om
ernstig falen in de zin van dat een nieuw kind slachtoffer dreigt te worden
en er voor een reeds bestaand eerder uithuisgeplaatst kind geen kans
bestaat dat het terug kan keren naar het gezin.
De meest vergaande mogelijkheid om in te kunnen grijpen is op dit
moment het uithuisplaatsen van een kind al dan niet gepaard gaand met
het ontzetten of ontheffen van de ouders uit het gezag1 dat zij over die
kinderen hebben. Dit is voor ouders en kinderen doorgaans een niet te
vermijden maar ook zware ingreep met ook negatieve gevolgen voor
zowel ouders als kinderen. Uithuisplaatsing is dan ook een ultiem
redmiddel, maar daarmee allesbehalve een middel waar we graag van
gebruik maken: het is een noodzakelijk kwaad.
Een nadere indicatie voor meest nijpende situaties betreft het aantal
voorlopige onder toezichtstellingen: een rechter kan een kind onder
voorlopig toezicht stellen als het kind acuut gevaar binnen een gezin loopt
of dreigt te gaan lopen. Dan moet het kind snel uit huis geplaatst worden
en is er geen tijd om te wachten op een onderzoek van de Raad voor de
kinderbescherming.Het gaat dan bijvoorbeeld ook om situaties van
zwangerschap waarvan de rechter nu al uitspreekt dat er nog voor de
geboorte sprake is van een voorlopige ondertoezichtstelling en waarvan
een kind bij geboorte uithuis zal worden geplaatst. Ook in situaties van
waar een acute dreiging ontstaat die voortkomt uit het gedrag van het
kind zelf en waarvan de ouders niet langer in staat zijn om die dreiging te
reduceren, is een voorlopige ondertoezichtstelling mogelijk.2
Om de aard van de problematiek te verduidelijken volgen hier enkele
voorbeelden van gerechtelijke uitspraken.
• Een moeder waarvan het kind in 1998 uithuis is geplaatst wordt
ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarig kind. De
moeder is jarenlang verslaafd aan alcohol en drugs, gebruikt medicij-
nen vanwege depressieve klachten, moeder is onbereikbaar voor de
hulpverlening, onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken. Er is
geen zicht op verbetering van de situatie.3
• Vader wordt jarenlang behandeld bij de GGZ, afdeling forensische
psychiatrie. Beide ouders zijn zwakbegaafd. Vanaf 1993 heeft het gezin
een geschiedenis van agressie en mishandeling van het kind door de
vader. Deze mishandeling vindt nog steeds plaats tijdens de contact-
momenten tussen de ouders en het – al zes jaar uithuisgeplaatste –
kind. De veiligheid van het kind kan dan niet worden gewaarborgd. De
moeder kan de situatie niet in goede banen leiden. De contactmomen-
ten moeten fors worden teruggebracht om het kind normaal te laten
ontwikkelen. In het belang van het kind verliezen de ouders het
wettelijke gezag over hem. De rechtbank ging er vanuit dat deze
ontheffing de ouders er toe zou kunnen bewegen om wel deskundige
adviezen te volgen en afspraken na te komen.4
• Mevrouw X, vermoedelijk in de regio Rotterdam verblijvend, is
1
Het onderscheid tussen «ontheffen» en 34 weken zwanger. Haar zwangerschap verloopt ongecontroleerd,
«ontzetten» zal binnenkort verdwijnen. mevrouw X gebruikt fors harddrugs, dealt daarin en prostitueert
2
Op grond van het wetsvoorstel 32 015 (nu zichzelf. Mevrouw weigert zich te laten behandelen of haar zwanger-
bij Tweede Kamer) moet het eenvoudiger
schap te laten controleren. Het kind zal hoogstwaarschijnlijk verslaafd
worden om, indien nodig, vanaf de geboorte
van een kind het ouderlijk gezag over dit kind ter wereld komen. Mevrouw krijgt geen ouderlijk gezag en Bureau
te ontnemen. Hierdoor wordt de ouder feitelijk Jeugdzorg krijgt de voorlopige voogdij.5
– direct bij de geboorte van het kind – het • Voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren kind. Moeder heeft
opvoederschap ontnomen.
3 cognitieve beperkingen en sociaal emotionele problemen. De moeder
LJN: AS5309, Rechtbank Zwolle, 103271
FARK 04-3769. (26-1-2005). wil op geen enkele wijze meer hulp. Het ongeboren kind wordt onder
4
LJN: AV2023, Rechtbank Groningen, 83421 toezicht gesteld.6
FARK 05-2258. (31-1-2006). • Moeder, oefent alleen het gezag uit over twee kinderen en is zwanger.
5
LJN: AX2185, Rechtbank Rotterdam,
De ontwikkeling van de kinderen wordt op sociaal-emotionele,
260888/F1 RK 06-1130. (9-5-2006).
6
LJN: BC9962, Rechtbank Utrecht, 247248/JE cognitief en fysiek gebied bedreigd. Moeder is door een verstandelijke
RK 08-831. (10-4-2008). beperking niet in staat «adequaat opvoedingsgedrag» te vertonen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 4
Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet afdoende gebleken.
Moeder is van mening dat er zich in haar woning geesten bevinden en
heeft daarop de woning verlaten. Nadat zij de woning «ritueel [heeft]
laten reinigen» woont zij er weer. Zowel de twee minderjarige kinderen
als de ongeboren vrucht worden onder toezicht gesteld en uithuis
geplaatst.1
• Een zwangere vrouw is langdurig bekend bij diverse hulpverleningsin-
stanties vanwege haar verschillende gedragsstoornissen. Zij functio-
neert op zwakbegaafd niveau en onttrekt zich regelmatig aan hulpver-
lening. De vader die ook hulpverlening behoeft heeft die stopgezet.
Omdat de vrees bestaat dat de ouders de ongeboren vrucht zullen
onttrekken aan noodzakelijke medische zorg wordt de vrucht onder
voorlopig toezicht gesteld en te zijner tijd uithuis geplaatst.
• Moeder, van enkele weken oude baby, functioneert op zwakbegaafd
niveau, heeft borderline persoonlijkheidsstoornis en kan «onder
ongunstige omstandigheden haar onmacht, angst of woede omzetten
in destructief gedrag». De vrouw moet binnen kort in detentie
vanwege een veroordeling tot een poging tot doodslag. Moeder is kan
zich «geen opvoedingsvaardigheden eigen maken, zij bleek [eerder]
niet leerbaar». Moeder is eerder ontheven over het gezag van twee
andere kinderen. Vader functioneert eveneens op zwakbegaafd niveau
en heeft 24-uurs begeleiding en behandeling nodig. Hij vormt een
gevaar in verband met impulsdoorbraken bij spanning gevolgd door
agressie. De baby wordt onder toezichtgesteld en met spoed uithuis
geplaatst.2
• Een echtpaar heeft acht kinderen die allen uithuis zijn geplaatst. Aan
de orde is de ontheffing van het ouderlijk gezag over een van die
kinderen. De ouders laten zich in hun leven volledig door hun geloof
leiden en kunnen daarom niet waarborgen dat in de basale levensbe-
hoeften van het kind wordt voorzien. Er ontstaat daardoor een
onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van het kind. «Bij een
eventuele ziekte van de minderjarige is van een ingeving van de Heere
afhankelijk of de ouders een arts of ziekenhuis zullen bezoek of dat zij
ervoor zullen kiezen de ziekte «op haar beloop» te laten. De ouders
hebben geen inkomen en leven van giften. Zij hebben het kind in twee
jaar tijd niet gezien omdat «de Heere hen heeft gezegd dat de weg naar
[hun kind] dicht is».3
• Moeder, eerder van het ouderlijk gezag over twee kinderen ontheven
vanwege ernstige verwaarlozing van de kinderen. Er is gegronde vrees
dat zij ook haar derde kind zal verwaarlozen. Er is sprake van «slecht
levensgedrag»: harddrugsverslaving, dakloos, geen inkomen of
verzekering, psychische problemen. Moeders sociale omgeving
bestaat uit personen die bekend zijn bij de politie, onder ander in
verband met ernstige delicten. Naar het oordeel van de kinderrechter
«staat voldoende vast dat de moeder niet in staat is, of op termijn in
staat zal zijn, voor [het derde kind] te zorgen. Die vaststelling is
gebaseerd op het verleden van de moeder. Een verleden waaraan niet
kan worden voorbijgegaan wanneer naar de toekomst wordt gekeken.
Wanneer immers in het verleden geen of onvoldoende aanwijzingen
zijn te vinden dat de moeder daadwerkelijk bezig is haar levensstijl te
wijzigen, kan niet worden verwacht dat dit zal gebeuren alleen omdat
de moeder dat verklaart en dat zou willen.» Er zijn geen aanwijzingen
dat de moeder haar levensstijl zal veranderen. Het kind wordt onder
1 toezicht gesteld en uithuis geplaatst.4
LJN: BG0849, Rechtbank den Haag,
320513/JE RK 08-23884 (7-10-2008).
2
LJN: BG4276, Rechtbank Groningen, Bovenstaande voorbeelden vormen samen helaas geen uitputtende lijst
105572/JE RK 08-964 (31-10-2008). van schrijnende gevallen van onverantwoord ouderschap. Ook geven de
3
LJN: BJ7655, Rechtbank Den Haag, 327639
korte samenvattingen van bovenstaande gerechtelijke uitspraken
FARK 08-10403 (3-6-2009).
4
LJN:BK4700, Rechtbank Rotterdam, onvoldoende weer welke drama»s er echt achter schuil gaan. Bij deze
331392/F2 RK 09-1145 (23-11-2009). voorbeelden kan men zich op zijn minst afvragen of het wel verstandig en
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 5
wenselijk is dat in dergelijke situaties opnieuw kinderen worden geboren.
In bovenstaande gevallen is het voorstelbaar en beredeneerbaar dat dat
niet het geval is en dat tenminste getracht kan worden om in overleg met
de ouders hen tot het gebruiken van anticonceptie te bewegen. Naar mijn
mening kunnen in de meeste extreme gevallen waarbij de ouders niet
meer voor rede vatbaar zijn en het vrijwillige traject naar anticonceptie
niet meer werkt, verdergaande vormen van drang en desnoods dwang
nodig zijn om te voorkomen dat er opnieuw kinderen worden verwekt.
Op basis van de bestaande gegevens is de exacte omvang van de
problematiek van ouders die bij herhaling op geen enkele wijze in staat
zijn gebleken kinderen op te voeden niet bekend. Wel kan er tot een
voorzichtige schatting worden gekomen:
In 2008 werden circa 8200 kinderen onder toezicht geplaatst, daarvan
werden er 3750 kinderen uithuisgeplaatst. Bij een deel daarvan heeft de
uithuisplaatsing niet direct te maken met een gebrek aan opvoedingscapa-
citeit bij de ouders, maar ligt de oorzaak bij gedragsstoornissen die min of
meer uit het kind zelf voortkomen. Het is niet bekend hoeveel van die 3750
kinderen uithuis werden geplaatst om redenen die bij de ouders lagen.
Wel is bekend dat de Raad voor de Kinderbescherming in 2008 de rechter
ruim 1150 keer verzocht ouders uit de ouderlijke macht te ontheffen1. In
ieder geval in die 1150 gevallen ligt de grond voor OTS en de daarbij
gepaard gaande uithuisplaatsing bij de ouders. Ouders verliezen het
gezag in geval van misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de
verzorging of opvoeding van een of meer kinderen, «slecht levensge-
drag»of onherroepelijke veroordeling of «op grond dat hij ongeschikt of
onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen».2
Onder de ouders waarvan het kind uithuis moet worden geplaatst en
waarbij sprake was van het ontzetten dan wel ontheffen uit het ouderlijk
gezag, kunnen ouders zijn waarvan het meer dan aannemelijk is dat zij
ook bij toekomstige kinderen niet in staat zullen zijn die kinderen een
veilig thuis te bieden. De hieronder staande voorstellen dienen aanvullend
te zijn aan het bestaande instrumentarium en dienen pas toegepast te
worden op het moment dat het niet te verwachten is dat bestaande
instrumenten nog kunnen dienen om hernieuwd falend ouderschap te
voorkomen. Voor veruit het grootste deel van die ouders bestaat het
instrumentarium variërend van jeugdzorg, vrijwillige opvoedingsonder-
steuning tot kinderbeschermingsmaatregelen. Ouders die om wat voor
oorzaak ook echt niet meer door middel van ondersteuning of verder-
gaande drangmaatregelen bereikt kunnen worden, zullen slechts tot op
bepaalde hoogte kunnen worden geholpen. De voorstellen hieronder
richten zich op ouders waarvoor deze instrumenten tekortschieten. Het
gaat dan om ouders die dermate slecht in staat zijn geweest en ook zullen
zijn om kinderen op te voeden dat herstel van de gezinsband met het
uithuisgeplaatste kind onmogelijk is en waarbij de opvoedingssituatie
voor een eventueel nieuw kind schadelijk of gevaarlijk zal zijn.
De voorstellen richten zich op de groep ouders die eerder blijk hebben
gegeven op geen enkele wijze in staat te zijn kinderen op te voeden en
waarvan verwacht mag worden dat zij daartoe in de (nabije) toekomst ook
niet toe in staat zullen zijn. Het eerder gedwongen verliezen van het
ouderlijk gezag of het uit huis zien plaatsen van een kind kan een indicatie
opleveren dat een ouder niet in staat is om een kind een opvoeding
zonder verwaarlozing of mishandeling te geven. Er zijn geen cijfers over
dergelijk recidive: het is bijvoorbeeld niet bekend in hoeveel gevallen
ouders meerdere malen het gezag over kinderen hebben verloren. Wel
1
http://www.kinderbescherming.nl/ zijn er praktijkvoorbeelden bekend van ouders die van achtereenvolgende
over_de_raad/feiten_en_cijfers/#paragraph1 kinderen het ouderlijk gezag verloren, tot wel meer dan tien achtereenvol-
2
Zie voor de desbetreffende wettelijke
gende kinderen aan toe. Evenmin is exact duidelijk hoe vaak er sprake is
bepalingen het Burgerlijk Wetboek Boek 1,
Personen- en familierecht, Afdeling 4. van voorlopige ondertoezichtstelling van een nog ongeboren vrucht. Wél
Ondertoezichtstelling van minderjarigen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 6
weten we dat in 2008 direct post partum 50 kinderen bij de ouders zijn
weggenomen en geplaatst in een pleeggezin
Hoewel bovengenoemde vormen van recidive een indicatie kunnen zijn
voor zwaardere ingrepen, zal lang niet in alle gevallen van uithuis-
plaatsing waarbij de grond bij de ouders ligt of verlies van de ouderlijke
macht, een rechter bijvoorbeeld het krijgen van nieuwe kinderen moeten
willen verbieden. Een dergelijk verbod is zo zwaar dat dit alleen – ook
vanwege de betrokken mensenrechten – kan als er een zwaarder ander
belang tegenover staat.
In welke gevallen daadwerkelijk de ultieme maatregel van gedwongen
anticonceptie zal worden opgelegd is aan de rechter. Gezien de verstrek-
kende gevolgen daarvan en de dreigende strijd met bepalingen uit het
mensenrecht, mag aangenomen worden dat een rechter gedwongen
anticonceptie alleen zal opleggen als voor hem geen andere mogelijk-
heden meer open staan terwijl tevens de situatie zo ernstig zal zijn dat
andere mogelijkheden tekort zullen schieten (subsidiariteit en proportio-
naliteit). Aan de hand van de wel bekende cijfers over (voorlopige)
ondertoezichtstelling, uithuisplaatsingen, ontheffingen/ontzettingen uit
het ouderlijk gezag, de voorbeelden uit de praktijk en gezien de terughou-
dendheid die bij deze maatregel past, voorzie ik dat rechters naar
schatting hooguit enkele tientallen keren per jaar een maatregel van
gedwongen anticonceptie zullen opleggen.
Naar mijn mening kunnen er ook bij ouders die niet eerder te maken
hebben gehad met uithuisplaatsing of ontzetting uit het ouderlijk gezag
indicaties zijn die er op duiden dat zij niet in staat zullen zijn enig kind op
te voeden. Enkele gevallen van voorlopige ondertoezichtstelling van het
ongeboren kind zijn daar voorbeelden van. Zo kan men zich afvragen wie
er gebaat bij is dat een zwangere vrouw met een psychiatrische voorge-
schiedenis, gebruikster van harddrugs en cannabis, schizofreen en lijdend
aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, opgenomen in een TBS-
kliniek vanwege een steekpartij, vanwege afpersing van medepatiënten
ontslagen uit een reguliere psychiatrische kliniek, dakloos en na ruzie zich
onttrekkend aan de hulp van een gynaecoloog op korte termijn opnieuw
kinderen zou krijgen?1 Het gaat mijns inziens echter te ver om een
maatregel van gedwongen anticonceptie al bij voorbaat, dat wil zeggen
zonder dat er sprake is geweest van eerder aangetoond onverantwoord
ouderschap, toe te passen. In alle gevallen dienen eerst de bestaande
kinderbeschermingsmaatregelen te worden gebruikt. In bovenstaand
voorbeeld werd het kind één dag na de geboorte al in een pleeggezin
geplaatst.
De voorstellen zien uitsluitend toe op de beoordeling van individuele
gevallen en zijn niet gericht op bepaalde groepen; zo die afbakening al te
maken zou zijn blijf ik van mening, dat dat uiterst ongewenst is. De
voorstellen richten zich dus niet uitsluitend op ouders die vanwege een
verstandelijke beperking niet in staat bleken te zijn kinderen op te voeden.
Maar voor een deel zal het onverantwoord ouderschap ook onder deze
groep te vinden zijn.2Daarnaast blijken immers ook ouders zonder een
verstandelijke beperking bij herhaling niet in staat te zijn kinderen op te
voeden in de zin van dat dit blijkt uit het uithuisplaatsen van kinderen
en/of ontzetting uit het ouderlijk gezag. Bij de uiteindelijke afweging ten
aanzien van ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing beslist een rechter.
1
Dat zal bij gedwongen anticonceptie niet anders zijn.
M.W. Bijlsma, J.M.B. Wennink, A.C.
Enkelaar, M.H.B. Heres en A. Honig, «De
mogelijkheid van ondertoezichtstelling van het
nog ongeboren kind bij twijfels over de
veiligheid van de thuissituatie». In: Neder-
lands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2008,
12 april; 152 (15).
2
D.L. Willems e.a., Samenspel van factoren,
UvA i.s.m. Vu, 2005.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 7
2. Voorstellen
Het voorstel houdt in de mogelijkheid van een bijkomende bepaling
(tijdelijk geen kinderen krijgen) te koppelen aan de rechterlijke uitspraak
van ondertoezichtstelling (OTS) met uithuisplaatsing, dan wel ontzetting
uit de ouderlijke macht. Als een vrijwillig- of drangtraject niet kan leiden
tot het afzien van een nieuwe zwangerschap moet uiteindelijk gedwongen
anticonceptie door de rechter kunnen worden opgelegd. Dit neemt niet
weg dat wij er naar moeten blijven streven om te voorkomen dat
gedwongen anticonceptie nodig is. De jeugdzorg en kinderbescherming
kunnen beter. Maar helaas zullen er ook dan ouders blijven die hiervoor
niet vatbaar zullen blijken te zijn en toch een volgend kind het slachtoffer
laten worden.
Definitie van «onverantwoord ouderschap»
De term «falende ouders» die in de discussie veel is gebruikt, is minder
passend dat de term «onverantwoord ouderschap». Die laatste term geeft
beter aan waar het om gaat namelijk dat het onverantwoord is dat iemand
opnieuw ouder wordt. Het legt ook minder dan het woord «falen» een
schuld bij iemand neer. Bovendien is het een term die al wordt gebruikt in
dit kader en internationaal wordt gebruikt. Van onverantwoord ouder-
schap is in ieder geval sprake als door toedoen van ouders een kind uit
huis moet worden geplaatst. Ook het ontzetten uit of verliezen van het
ouderlijk gezag kan een teken van onverantwoord ouderschap zijn. Dat
niet bij iedere uithuisplaatsing of ontzetting/ontheffing van het ouderlijk
gezag sprake hoeft te zijn van onverantwoord ouderschap in de zin van
dat het gedwongen anticonceptie mogelijk maakt, is hierboven al
uitgelegd.
Criteria en waarborgen
Uiteraard zal een voorstel dat kan leiden tot desnoods gedwongen
anticonceptie voorzien moeten worden van heldere criteria en
waarborgen die lichtzinnige toepassing van het instrument moeten
voorkomen.
– Op de eerste plaats zal het onverantwoord ouderschap moeten blijken:
een rechter moet dit eerst vaststellen en dan moet hij vervolgens ook
nog van mening zijn dat de situatie zo ernstig is dat gedwongen
anticonceptie nodig kan zijn. De rechter zal dan ook uitspreken dat bij
een volgend kind de ouder in ieder geval geen ouderlijk gezag krijgt en
het kind direct post partum uithuis zal worden geplaatst. Ook een
eventueel gedwongen opname tijdens de zwangerschap kan deel
uitmaken van te treffen maatregelen ter bescherming van het
ongeboren kind (bij verslaving bijvoorbeeld)
– Op de tweede plaats is een rechterlijke machtiging nodig op het
moment dat daadwerkelijk overgegaan moet worden tot gedwongen
anticonceptie. Eerst moet de vrijwillige weg en drang worden
geprobeerd voordat dwang aan de orde kan zijn.
– Op de derde plaats kan onder andere de betrokkene verzet aantekenen
tegen de opgelegde maatregel van gedwongen anticonceptie.
Vormgeving van het voorstel
De «tijdelijk niet opnieuw ouder maatregel» als aanvullende kinderbe-
schermingsmaatregel
De kinderrechter kan bij wijze van kinderbeschermingsmaatregel
ondertoezichtstelling (OTS) van een kind gelasten en daarmee tot de
aanstelling van een gezinsvoogd beslissen. De rechter kan in dit kader
tevens beslissen dat het beter is dat een kind – desnoods tegen de zin van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 8
de ouders – uithuis moet worden geplaatst. De dreigende situatie voor
een kind kan zo acuut zijn dat in voorkomende gevallen de rechter een
kind vanaf de geboorte uithuis laat plaatsen. Aan een uithuisplaatsing
gaat een rapportage van de Raad voor de kinderbescherming aan de
rechter vooraf.
Het moment van uithuisplaatsen – voor zover dat tenminste te maken
heeft met de opvoedcapaciteit van een ouder – is het moment waarop een
rechter tevens zou moeten kunnen uitspreken dat het bij ongewijzigde
omstandigheden nadrukkelijk ongewenst is dat iemand opnieuw ouder
wordt.
Net zoals bij alle andere kinderbeschermingsmaatregelen is ingrijpen pas
op zijn plaats als vrijwillige hulpverlening niet meer helpt. In eerste
instantie moet de maatregel die zo min mogelijk in de bestaande
verhoudingen ingrijpt, worden gekozen. Daarom moet uiteraard niet
iedere uithuisplaatsing leiden tot een uitspraak dat iemand tijdelijk geen
ouder meer mag worden. Daartoe moet de rechter de gezinssituatie zo
bedreigend vinden, dat hij geen andere uitweg meer ziet dan dat een
nieuwe zwangerschap moet worden voorkomen. Daarbij kan de
overweging meespelen dat een nieuwe zwangerschap/kind de hereniging
tussen ouders en het uithuisgeplaatste kind in de weg staat. Het rapport
van de Raad voor de Kinderbescherming speelt net zoals bij een uithuis-
plaatsing een belangrijke rol.
De uitspraak van een rechter dat iemand tijdelijk geen nieuwe kinderen
meer mag krijgen, moet ook inhouden dat in geval er onverhoopt toch
nieuwe zwangerschappen/kinderen komen de ouders bij voorbaat weten
dat zij daarover geen ouderlijk gezag zullen krijgen en dat het kind uithuis
zal worden geplaatst. Ter voorkoming van misverstanden: uiteraard kan er
geen sprake zijn van gedwongen abortussen, noch van gedwongen
sterilisatie. Maatregelen moeten altijd van tijdelijke aard en omkeerbaar
zijn.
Gedwongen anticonceptie
De opgelegde «niet opnieuw ouder maatregel» moet zoals gezegd bij
voorkeur via de vrijwillige weg worden bereikt. Ouders aan wie deze
maatregel is opgelegd, moeten voor zover zij dat al niet zijn, worden
doordrongen van het feit dat het voor hun uithuisgeplaatst kind en voor
henzelf beter is als er voorlopig geen nieuwe kinderen bijkomen. De
gezinsvoogd speelt hierin een belangrijke rol. Die moet immers proberen
de opvoedingssituatie in een gezin te verbeteren en kan een aanwijzing
geven ten behoeve van de opvoeding van een kind.
De rechter spreekt gelijktijdig met de «niet opnieuw ouder maatregel» uit
dat kinderen die tijdens de looptijd van die maatregel worden geboren
direct vanaf de geboorte uithuis zullen worden geplaatst. Dit zal de
desbetreffende ouders helpen inzien dat het opnieuw zwanger worden
geen zin heeft omdat het geboren kind geen deel van het gezin zal
uitmaken (vorm van drang).
Mocht echter blijken dat deze (semi-)vrijwillige weg niet begaanbaar is,
dan kan gedwongen anticonceptie door de rechter alsnog worden
opgelegd. Hiervoor is in dat geval een afzonderlijke rechterlijke uitspraak
nodig. Die kan door de gezinsvoogd of de Raad voor de Kinderbe-
scherming worden gevraagd. De rechter kan hiervoor een onderzoek
vragen dat door een andere instantie dan de Raad voor de Kinderbe-
scherming wordt verricht.
In gevallen dat de rechter het al bij het opleggen van de «niet opnieuw
ouder maatregel» onverantwoord vindt dat er een nieuw kind verwekt en
geboren wordt en de situatie zo bedreigend voor het welzijn van welk kind
dan ook acht, kan hij desgewenst op dat moment meteen gedwongen
anticonceptie gelasten. Zoals hierboven gemeld – en in tegenstelling tot
het opleggen van een voorlopige OTS – zal dit steeds aan de hand van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 9
een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming moeten
gebeuren. De rechter kan andere expertise inroepen.
Termijn
De uitspraak dat iemand geen kinderen meer mag krijgen geldt voor
maximaal één jaar, analoog aan de maatregel van OTS (met uithuis-
plaatsing). Na maximaal één jaar moet de rechter de «niet opnieuw ouder
maatregel» net zoals OTS kunnen toetsen. Als de gezinsvoogd vindt dat
de maatregel daarna verlengd moet worden, moet de rechter daar
opnieuw toestemming voor geven en daar desnoods onderzoek voor
laten doen door de Raad voor de Kinderbescherming. Totdat de gewenste
situatie is bereikt, kunnen meerdere verlengingen nodig zijn. Als de
gezinsvoogd(instelling) vindt dat maatregel voortijdig kan worden
beëindigd, moet dit ook aan de rechter worden voorgelegd. Een
voortijdige beëindiging van de maatregel kan aan de orde zijn als blijkt dat
iemand weer in staat is een kind goed op te voeden. Daarvan is onder
andere sprake als een uithuisplaatsing wordt beëindigd en het kind weer
onder de directe zorg van de ouders komt te vallen.
Hoewel dus OTS met uithuisplaatsing de aanleiding kan vormen voor een
rechterlijk uitspraak dat iemand tijdelijk geen kinderen meer mag krijgen,
wil dat echter niet zeggen dat met het beëindigen van de OTS er altijd
sprake is van een situatie waarin het verantwoord is dat een ouder nieuwe
kinderen krijgt: bijvoorbeeld wanneer een uithuisgeplaatst kind volwassen
wordt eindigt de OTS, maar kan de rechter het nog steeds onverantwoord
vinden dat een ouder nieuwe kinderen krijgt. De «niet opnieuw ouder
maatregel» kan daarom ook ingeval er geen sprake meer is van OTS door
middel van een rechterlijk oordeel worden verlengd. In geval van
dergelijke verlengingen zal ook de Raad voor de Kinderbescherming
gevraagd worden te rapporteren. De wettelijke basis daarvoor wordt
gevonden in de «niet opnieuw ouder maatregel». Na twee verlengingen
van een jaar moet de rechter de «niet opnieuw ouder maatregel» voor
twee jaar kunnen verlengen.
Rechtsbescherming
De rechter neemt een besluit tot het opleggen van een kinderbescher-
mingsmaatregel nu al pas na zorgvuldige afweging van alle belangen. Hij
hoort de mening van de ouders, al dan niet bijgestaan door een advocaat.
De rechter maakt bij zijn beslissing gebruik van de informatie uit het
rapport van de Raad voor de Kinderbescherming of andere expertise.
Daarmee zijn de mogelijkheden niet uitgeput: ouders die het oneens zijn
met een beslissing van de rechter, kunnen in beroep gaan. Dat moeten zij
zowel kunnen bij de «niet opnieuw ouder maatregel» en ook – voor zover
dat al niet meteen is opgelegd – bij de afzonderlijke uitspraak dat
gedwongen anticonceptie dient te worden opgelegd. Ook de Raad voor
Kinderbescherming moet in beide gevallen beroep kunnen aantekenen. In
geval verlenging van een maatregel aan de orde is, staat weer beroep
voor de ouders of de Raad open.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 10
3. Beschermde belangen versus mensenrechten1
Iemand tijdelijk het recht ontzeggen om kinderen te krijgen, dan wel
gedwongen anticonceptie toedienen raakt enkele mensenrechten. In het
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) zijn dan vooral de
artikelen met betrekking tot verbod op foltering (artikel 3), het recht op
eerbiediging van privéleven (artikel 8) en het recht om te trouwen en een
gezin te stichten (artikel 12) van betekenis voor het wetsvoorstel.
Sommige van deze rechten zijn niet absoluut of bieden binnen de definitie
van het artikeluitdrukkelijk ruimte voor invulling. Verdragslanden kunnen
bij een aantal van deze rechten tot op een bepaalde hoogte inbreuk maken
op deze grondrechten. Dat kan indien de betreffende bepaling daartoe
ruimte biedt, de inbreuk nodig is vanwege een groter ander belang, de
inbreuk niet groter is dan nodig en er geen andere middelen openstaan
om hetzelfde doel te bereiken. Hieronder zal dan ook aandacht zijn voor
de proportionaliteit en subsidiariteit van de voorgestelde maatregelen.
De meest relevante artikelen uit het EVRM zijn:
Artikel 3 Folterverbod
Dit artikel houdt een absoluut verbod op foltering, maar ook op (andere)
onmenselijke of vernederende behandeling in. Om binnen het bereik van
dit verbod te vallen, dient een behandeling «een minimale graad van
ernst» te hebben. Voor wat betreft de uiteindelijke maatregel van
desnoods gedwongen anticonceptie is er waarschijnlijk sprake van die
minimale graad van ernst.
Van foltering is geen sprake.
Of gedwongen anticonceptie onmenselijk of vernederend is in de zin van
artikel 3 EVRM, dient te worden beoordeeld aan de hand van de factoren
die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de
Europese Commissie hebben gesteld. Van belang zijn de duur, de wijze
van uitvoering, de gevolgen voor degene die de behandeling ondergaat,
de mate van pijn enzovoort.
De Europese Commissie voor Mensenrechten heeft naar aanleiding van
de zgn. Greek case (1969) een nadere inkadering gegeven:
Vernedering
Een behandeling is vernederend als iemand op grove wijze wordt
vernederd of iemand tot daden tegen zijn wil of geweten wordt gedreven.
Gedwongen anticonceptie valt daarmee niet (altijd) binnen de definitie
van vernedering. Toepassing van de maatregel onder dwang brengt niet
noodzakelijk het karakter van vernedering mee dat wel inherent is aan
«driving to act against will». Het enkele feit dat maatregelen onder dwang/
tegen iemands wil worden toegepast is met andere woorden niet
voldoende om deze als vernederend aan te merken. Dat zou ook vreemd
zijn, ook het straf- en vreemdelingenrecht zouden daarmee immers onder
3 EVRM vallen.
1
Bij het tot stand komen van deze paragraaf is Onmenselijke behandeling
dankbaar gebruik gemaakt van adviezen van
mevrouw mr. M. Vogel dan wel zijn er
Een behandeling is onmenselijk als er bewust ernstig geestelijk of
passages uit haar afstudeerscriptie gebruikt:
M. Vogel, «Gedwongen anticonceptie bij lichamelijk lijden wordt toegebracht, en dat onder de gegeven omstandig-
mensen met een verstandelijke beperking. Een heden niet kan worden gerechtvaardigd.
onderzoek naar de mogelijkheid tot juridische Hoewel het verbod absoluut is, is er bij de beoordeling of sprake is van
rechtvaardiging van gedwongen anticonceptie
onmenselijke behandeling voor verdragsstaten een ruime marge voor de
op grond van verwacht onverantwoord
ouderschap», 2009, Faculteit Rechtsgeleerd- vraag of er een rechtvaardiging is voor de betreffende behandeling.
heid VU, Amsterdam (niet gepubliceerd).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 11
Bij het bepalen of het met de gedwongen anticonceptie aan de aspirant-
ouders toegebrachte lijden kan worden gerechtvaardigd, moet worden
gekeken naar de juridische en de praktische uitwerking van deze dwang-
behandeling. Rechten en belangen van personen zelf én van een mogelijk
toekomstig kind kunnen een interventie onder dwang onder bepaalde
juridische en praktische omstandigheden rechtvaardigen.
Een onlangs door het EHRM erkend recht dat daarbij van belang is, is het
recht van kinderen op vrijwaring van elke vorm van kindermishandeling.
Het Hof erkende dit juist op grond van artikel 3 EVRM en nam bovendien
een positieve plicht tot verwezenlijking van dat recht aan voor alle
lidstaten. Ook verwaarlozing en gebrek aan zorg, bescherming en ruimte
voor ontwikkeling binnen het gezin (onverantwoord ouderschap) worden
door het EHRM beschouwd als een vorm van kindermishandeling en dus
een vorm van onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van
artikel 3 EVRM, waartegen de overheid bescherming dient te bieden.1 Het
EHRM verklaart artikel 3 dus expliciet van toepassing op elke vorm van
kindermishandeling en erkent daarbij een positieve plicht voor lidstaten
tot verwezenlijking van bescherming en daarmee soms tot interveniëren
in andere rechten. Bovendien blijkt het uitgangspunt van het EHRM steeds
vaker dat ook het ongeboren kind beschermenswaardig is. Deze wending
in de jurisprudentie van het Hof is een duidelijk signaal van het EHRM dat
kindermishandeling strijd met artikel 3 oplevert en dat lidstaten een
actieve plicht hebben rechten van kinderen en belangen van ongeboren
kinderen te beschermen.
Deze jurisprudentie vormt weliswaar geen grond voor gedwongen
anticonceptie, maar wel een basis voor aanname van rechtvaardiging van
het toegebrachte lijden aan aspirant-ouders op grond van rechten
kinderen.
Indien voldoende waarschijnlijk is dat bij opvoeding door de ouders zelf,
met eventueel (professionele) hulp, de rechten van een bestaand en
uithuisgeplaatst kind en een mogelijk toekomstig kind ernstig (zullen)
worden geschonden, kunnen die rechten en belangen mede op basis van
deze jurisprudentie dus een rechtvaardiging vormen voor het lijden dat
wordt toegebracht met de gedwongen anticonceptie. In deze gevallen is
gedwongen anticonceptie niet in strijd maar juist in lijn met artikel 3 en de
uitleg daarvan van het Hof.
Ook belangen van de samenleving en belangen van de aspirant-ouder zelf
kunnen steunargumenten voor rechtvaardiging vormen.
Gedwongen anticonceptie is hierdoor niet altijd in strijd met artikel 3
EVRM, doordat zwaarder wegende belangen deze inbreuk kunnen
rechtvaardigen. Bij deze weging moeten uiteraard wel de eisen van
effectiviteit, subsidiariteit en proportionaliteit in acht worden genomen.2
De maatregel mag daarom niet definitief zijn, niet categorisch of juist
willekeurig, er moet een wettelijke grondslag voor zijn en er dient sprake
te zijn van een bepaalde mate van rechtsbescherming voor de aspirant-
ouder.
Artikel 12 Het recht om te trouwen en een gezin te stichten
Gedwongen anticonceptie staat uitoefening van dit recht tijdelijk in de
weg. Net als artikel 8 is artikel 12 echter niet absoluut, maar kan het door
nationale wetgeving worden beperkt. Anders dan artikel 8, bepaalt artikel
12 geen specifieke wettelijke beperkingsgrond(en), maar biedt het
algemener de mogelijkheid nationaalrechtelijk te beperken. (Overigens
1
Afwezigheid van de intentie van de ouders gelden wel ook de algemene beperkingsvoorwaarden zoals noodzake-
tot vernedering is daarbij niet van belang;
lijkheid in een democratische samenleving en het dieen van een legitiem
EHRM 15 juli 2002, (Kalashnikov/Rusland).
2
Zie over subsidiariteit/proportionaliteit o.a. doel).
EHRM 1 april 2004, Rivas tegen Frankrijk.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 12
Een vergelijking met chemische castratie ligt voor de hand. Hier is de
proportionaliteit van belang. Als de delinquent in kwestie kan aantonen
dat zijn gedwongen behandeling niet in verhouding staat tot zijn rechten
om een gezin te stichten, dan kan er sprake zijn van een overtreding van
artikel 12. Een aanknopingspunt kan worden gevonden in een uitspraak
van het Europees Hof waarin uitgesproken werd dat gedwongen
sterilisatie verboden was vanwege het onomkeerbare karakter. Dat
impliceert dat er voor tijdelijke en dus omkeerbare behandelingen wel
ruimte is.1Het tijdelijk karakter van de maatregel is een omstandigheid die
bijdraagt aan de rechtvaardiging van de behandeling.
Van belang in dit verband is ook het feit dat de rechter nu al in het recht
om een gezin te stichten ingrijpt: door een kind vanaf de geboorte uithuis
te plaatsen en de ouder(s) van de ouderlijke macht te ontheffen komt
artikel 12 in het geding. Het is maar zeer de vraag of in deze gevallen er
altijd sprake is van het stichten van een gezin. Maar uiteraard is een
uithuisplaatsing wel toegestane praktijk.
Naar mijn mening levert ook gedwongen anticonceptie niet noodzakelijk
strijd met artikel 12 EVRM op.
1. Allereerst is het maar de vraag of sprake is van strijd met het recht een
gezin te stichten. Als de dreiging van onverantwoord ouderschap zo
groot is dat uithuisplaatsing dreigt of zelfs al voor de geboorte door de
rechter wordt bevolen, zal er ook zonder anticonceptie geen of slechts
zeer beperkt sprake zijn van het stichten van een gezin. Een basisele-
