donderdag 17 mei 2012

Onverantwoord ouderschap; Initiatiefnota; Initiatiefnota Van Dijken "Onverantwoord ouderschap"

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009–2010 32 405 Onverantwoord ouderschap Nr. 2 INITIATIEFNOTA VAN HET LID VAN DIJKEN Vooraf Er zijn naar mijn mening ouders waarbij bestaande maatregelen niet afdoende zijn om een gezinssituatie te creëren waarin eerder uithuisge- plaatste kinderen kunnen terugkeren of waarbij kan worden voorkomen dat nieuwgeboren kinderen wederom het slachtoffer van een ernstig falende opvoeding worden. Het betreft hier ouders waarvan – niet zelden meerdere – kinderen uithuis moesten worden geplaatst omdat zij niet in staat bleken te zijn die kinderen op te voeden, dan wel waar sprake was van geestelijke of lichamelijke verwaarlozing. In een dergelijke gezinssi- tuatie is de geboorte van nieuwe kinderen voorspelbaar problematisch en draagt niet bij aan het welzijn van bestaande kinderen noch helpt het die ouders om uit een neergaande spiraal te kunnen komen. De schrijnende en traumatiserende situaties waaraan kinderen kunnen worden blootge- steld werpen de vraag op of er geen omstandigheden kunnen zijn waarbij tenminste aan de orde kan worden gesteld of het wel verstandig is dat dergelijke ouders, bij ongewijzigde omstandigheden, opnieuw kinderen krijgen. Dit was de aanleiding om over verdergaande oplossingen na te denken. De discussie over het onderwerp «onverantwoord ouderschap» in combinatie met de toen door mij voorgestelde oplossingsrichting is al in 2005 gestart en maatschappelijk breed en bij herhaling gevoerd, in Nederland maar ook daarbuiten. Enige jaren geleden heb ik getracht het probleem van «onverantwoord ouderschap» met een aantal oplossingen bespreekbaar te maken. Een van de voorstellen was toen om in de meest schrijnende gevallen van onverantwoord ouderschap en nadat alle andere middelen zijn uitgeput, ouders desnoods en onder strikte voorwaarden en waarborgen te kunnen dwingen tijdelijk geen kinderen meer te krijgen. Het ultieme middel daartoe kan gedwongen anticonceptie zijn. Dit basisidee vergde verdere uitwerking. Dit is op twee manieren gedaan: – Via het publieke debat: daaruit werd duidelijk dat bijna iedereen die van nabij met probleemgezinnen werkt, het probleem van «onverant- woord ouderschap» (h)erkent. De oplossing van eventueel gedwongen anticonceptie werd als ultimum remedium door een groot deel van de professionals (kinderbescherming, jeugdzorg, kinderrechters) gedeeld. kst-32405-2 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 1 Het stuitte uiteraard ook op weerstand. Dat viel ook niet anders te verwachten gezien de extreme gevoeligheid van het onderwerp. – Via de wetenschap: uit gesprekken met juristen met expertise op het gebied van jeugdrecht en mensenrechten kwamen verschillende signalen. Daar waar men de praktijk van de kinderbescherming voor ogen had was men van mening dat een juridisch goed geborgde mogelijkheid van gedwongen anticonceptie tot de mogelijkheden moest kunnen behoren. Anderen vonden argumenten in vooral de jurisprudentie rondom het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) om tegen gedwongen anticonceptie te zijn. Hierop zal ik verderop ingaan. Hoewel de discussie over dit onderwerp bijdroeg aan het vormen van ideeën over een verdere aanpak van onverantwoord ouderschap, stagneerde deze discussie politiek bij gebrek aan nadere uitwerking. Met deze initiatiefnota wordt ook getracht deze impasse te doorbreken. Na een lange – vooral maatschappelijke – discussie over dit onderwerp en binnen de gelederen van de PvdA-Tweedekamerfractie, heb ik besloten om dit onderwerp niet eerst in de vorm van een wetsvoorstel verder op de agenda te willen zetten, maar om de discussie in de Tweede Kamer te entameren door middel van een initiatiefnota. Deze nota moet het uiteindelijke doel van het bereiken van een oplossing voor het probleem van herhaald onverantwoord ouderschap dienen en de daardoor te verwachten beschadiging van «nieuwe» kinderen. Leeswijzer Deze initiatiefnota is als volgt opgebouwd: In de eerste paragraaf zal worden ingegaan op de aard en omvang van het probleem van onverantwoord ouderschap. De tweede paragraaf bevat de kern van deze nota met daarin concrete voorstellen die kunnen bijdragen aan het oplossen van het probleem van onverantwoord ouderschap. Deze voorstellen zullen in een derde paragraaf worden geplaatst tegen de achtergrond van de mensenrechten zoals die met name in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarbij behorende jurispru- dentie zijn verwoord. Tenslotte volgt een korte paragraaf waarin in zal worden gegaan op de financiële gevolgen van de voorstellen uit deze initiatiefnota. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 2 1. Probleem: aard en omvang Helaas krijgen wij regelmatig signalen over ouders die bij herhaling niet in staat bleken om kinderen minimaal adequaat op te voeden. Daarnaast zijn meldingen van ernstige gevallen van kindermishandeling of zelfs -doding aan de orde. De verhalen over Rowena («het meisje van Nulde») of Savanna vormen de meest schrikbarende en meest extreme voorbeelden van hoe het tussen ouder en kind kan misgaan. Gelukkig eindigen de meeste kindermishandelingen niet in de dood van het kind, maar ook dan is er sprake van vaak levenslange beschadiging. De schatting van het aantal kinddodingen per jaar lopen sterk uiteen. Afhankelijk van de systematiek die gebruikt wordt om schattingen te maken gaat het om 50, 70 of 85 kinderen per jaar.1 Hoe dan ook: dergelijke aantallen van gedode kinderen zijn natuurlijk meer dan ernstig. Naast deze aantallen gaan er achter de cijfers over kindermishandeling werelden van ellende schuil. De schattingen over het aantal mishandelingen lopen uiteen. Op basis van de Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling (NPM-2005) van de Universiteit Leiden wordt het aantal kindermishandelingen in 2005 op 107.200 gevallen geschat en zouden ongeveer 3% van de kinderen het slachtoffer zijn geweest. Het gaat daarbij vooral om verwaarlozing, maar in 4.700 gevallen ook om seksuele mishandeling en 19.000 gevallen om fysieke mishandeling.2 Andere cijfers zijn nog schrikbarender: onder- zoekers van de Vrije Universiteit kwamen zelfs op ruim 160.000 kinderen die in 2005 slachtoffer van mishandeling zouden zijn geweest.3 De minister voor Jeugd en Gezin reageerde op deze cijfers door onder andere te stellen dat «Het aan de overheid [is] om, conform artikel 19 IVRK, te zorgen voor programma»s waarmee wordt voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben. Het gaat daarbij om facilitering van positief ouderschap, van ondersteuning van ouders bij het waar maken van hun verantwoordelijkheden en daarmee het realiseren van de kinderrechten. Als ondanks ingezette hulp de mishandeling van een kind niet stopt of wanneer direct duidelijk is dat de veiligheid van een kind ernstig in het geding is, is ingrijpen van overheidswege noodzakelijk om de kinderrechten te kunnen blijven garanderen.»4 De minister erkende daarbij dat vooral ten aanzien van het doel dat voorkomen moest worden dat ouders hun kinderen zouden gaan mishandelen, nog «nog veel winst» kan worden behaald. Ik deel zijn mening dat daarvoor opvoedingsondersteuning breed beschikbaar moet zijn, de signalering van kindermishandeling moet worden verbeterd en het probleem van kindermishandeling met ouders beter bespreekbaar 1 moet worden. Daar moet vol op worden ingezet. Alle inspanningen op dit M.H. van IJzendoorn e.a., Kindermishande- vlak zullen wellicht kunnen bijdragen aan het kleiner worden van het ling in Nederland Anno 2005: De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen probleem: meer ouders zullen wel in staat zijn hun kinderen goed op te en Jeugdigen (NPM-2005), Op verzoek van: voeden, minder kinderen zullen het slachtoffer worden van verwaarlozing Wetenschappelijk Onderzoek- en Documenta- of erger. tiecentrum van het Ministerie van Justitie 2007. 2 Zie: http://www.justitie.nl/onderwerpen/ Het gaat naar mijn mening de wetgever niet aan om criteria voor een jeugd/jeugdbescherming/Kindermishandeling/ «goede opvoeding» te geven. Waar het wel om zou moeten gaan is het #paragraph3 aangeven van grenzen die als die overschreden worden duidelijk maken 3 P. Vlaardingerbroek, «Gedwongen anticon- dat ouders niet in staat zijn de opvoeding te geven die van hen wordt ceptie bij verstandelijk gehandicapten. Een nieuwe maatregel van kinderbescherming?», verwacht. De bestaande kinderbeschermingsmaatregelen worden In: Ars Aequi 56 (2007), p. 589. gehanteerd op die momenten. In deze initiatiefnota worden voorstellen 4 Brief van de minister voor Jeugd en Gezin gedaan voor extra maatregelen ten aanzien van ouders waarvan eerder is aan de Tweede Kamer, 25 April 2007, gebleken dat zij niet in staat zijn kinderen op te voeden en waarvan – http://www.jeugdengezin.nl/kamerstukken/ 2007/aard-en-omvang-van-kindermis gebaseerd op eerdere ervaringen met die ouders – het ook niet aanne- handeling-in-nederland.asp melijk is dat zij dat in de nabije toekomst wel zouden kunnen. Ik spreek in Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 3 dit verband over «onverantwoord ouderschap». Het gaat daarbij om ernstig falen in de zin van dat een nieuw kind slachtoffer dreigt te worden en er voor een reeds bestaand eerder uithuisgeplaatst kind geen kans bestaat dat het terug kan keren naar het gezin. De meest vergaande mogelijkheid om in te kunnen grijpen is op dit moment het uithuisplaatsen van een kind al dan niet gepaard gaand met het ontzetten of ontheffen van de ouders uit het gezag1 dat zij over die kinderen hebben. Dit is voor ouders en kinderen doorgaans een niet te vermijden maar ook zware ingreep met ook negatieve gevolgen voor zowel ouders als kinderen. Uithuisplaatsing is dan ook een ultiem redmiddel, maar daarmee allesbehalve een middel waar we graag van gebruik maken: het is een noodzakelijk kwaad. Een nadere indicatie voor meest nijpende situaties betreft het aantal voorlopige onder toezichtstellingen: een rechter kan een kind onder voorlopig toezicht stellen als het kind acuut gevaar binnen een gezin loopt of dreigt te gaan lopen. Dan moet het kind snel uit huis geplaatst worden en is er geen tijd om te wachten op een onderzoek van de Raad voor de kinderbescherming.Het gaat dan bijvoorbeeld ook om situaties van zwangerschap waarvan de rechter nu al uitspreekt dat er nog voor de geboorte sprake is van een voorlopige ondertoezichtstelling en waarvan een kind bij geboorte uithuis zal worden geplaatst. Ook in situaties van waar een acute dreiging ontstaat die voortkomt uit het gedrag van het kind zelf en waarvan de ouders niet langer in staat zijn om die dreiging te reduceren, is een voorlopige ondertoezichtstelling mogelijk.2 Om de aard van de problematiek te verduidelijken volgen hier enkele voorbeelden van gerechtelijke uitspraken. • Een moeder waarvan het kind in 1998 uithuis is geplaatst wordt ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarig kind. De moeder is jarenlang verslaafd aan alcohol en drugs, gebruikt medicij- nen vanwege depressieve klachten, moeder is onbereikbaar voor de hulpverlening, onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken. Er is geen zicht op verbetering van de situatie.3 • Vader wordt jarenlang behandeld bij de GGZ, afdeling forensische psychiatrie. Beide ouders zijn zwakbegaafd. Vanaf 1993 heeft het gezin een geschiedenis van agressie en mishandeling van het kind door de vader. Deze mishandeling vindt nog steeds plaats tijdens de contact- momenten tussen de ouders en het – al zes jaar uithuisgeplaatste – kind. De veiligheid van het kind kan dan niet worden gewaarborgd. De moeder kan de situatie niet in goede banen leiden. De contactmomen- ten moeten fors worden teruggebracht om het kind normaal te laten ontwikkelen. In het belang van het kind verliezen de ouders het wettelijke gezag over hem. De rechtbank ging er vanuit dat deze ontheffing de ouders er toe zou kunnen bewegen om wel deskundige adviezen te volgen en afspraken na te komen.4 • Mevrouw X, vermoedelijk in de regio Rotterdam verblijvend, is 1 Het onderscheid tussen «ontheffen» en 34 weken zwanger. Haar zwangerschap verloopt ongecontroleerd, «ontzetten» zal binnenkort verdwijnen. mevrouw X gebruikt fors harddrugs, dealt daarin en prostitueert 2 Op grond van het wetsvoorstel 32 015 (nu zichzelf. Mevrouw weigert zich te laten behandelen of haar zwanger- bij Tweede Kamer) moet het eenvoudiger schap te laten controleren. Het kind zal hoogstwaarschijnlijk verslaafd worden om, indien nodig, vanaf de geboorte van een kind het ouderlijk gezag over dit kind ter wereld komen. Mevrouw krijgt geen ouderlijk gezag en Bureau te ontnemen. Hierdoor wordt de ouder feitelijk Jeugdzorg krijgt de voorlopige voogdij.5 – direct bij de geboorte van het kind – het • Voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren kind. Moeder heeft opvoederschap ontnomen. 3 cognitieve beperkingen en sociaal emotionele problemen. De moeder LJN: AS5309, Rechtbank Zwolle, 103271 FARK 04-3769. (26-1-2005). wil op geen enkele wijze meer hulp. Het ongeboren kind wordt onder 4 LJN: AV2023, Rechtbank Groningen, 83421 toezicht gesteld.6 FARK 05-2258. (31-1-2006). • Moeder, oefent alleen het gezag uit over twee kinderen en is zwanger. 5 LJN: AX2185, Rechtbank Rotterdam, De ontwikkeling van de kinderen wordt op sociaal-emotionele, 260888/F1 RK 06-1130. (9-5-2006). 6 LJN: BC9962, Rechtbank Utrecht, 247248/JE cognitief en fysiek gebied bedreigd. Moeder is door een verstandelijke RK 08-831. (10-4-2008). beperking niet in staat «adequaat opvoedingsgedrag» te vertonen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 4 Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet afdoende gebleken. Moeder is van mening dat er zich in haar woning geesten bevinden en heeft daarop de woning verlaten. Nadat zij de woning «ritueel [heeft] laten reinigen» woont zij er weer. Zowel de twee minderjarige kinderen als de ongeboren vrucht worden onder toezicht gesteld en uithuis geplaatst.1 • Een zwangere vrouw is langdurig bekend bij diverse hulpverleningsin- stanties vanwege haar verschillende gedragsstoornissen. Zij functio- neert op zwakbegaafd niveau en onttrekt zich regelmatig aan hulpver- lening. De vader die ook hulpverlening behoeft heeft die stopgezet. Omdat de vrees bestaat dat de ouders de ongeboren vrucht zullen onttrekken aan noodzakelijke medische zorg wordt de vrucht onder voorlopig toezicht gesteld en te zijner tijd uithuis geplaatst. • Moeder, van enkele weken oude baby, functioneert op zwakbegaafd niveau, heeft borderline persoonlijkheidsstoornis en kan «onder ongunstige omstandigheden haar onmacht, angst of woede omzetten in destructief gedrag». De vrouw moet binnen kort in detentie vanwege een veroordeling tot een poging tot doodslag. Moeder is kan zich «geen opvoedingsvaardigheden eigen maken, zij bleek [eerder] niet leerbaar». Moeder is eerder ontheven over het gezag van twee andere kinderen. Vader functioneert eveneens op zwakbegaafd niveau en heeft 24-uurs begeleiding en behandeling nodig. Hij vormt een gevaar in verband met impulsdoorbraken bij spanning gevolgd door agressie. De baby wordt onder toezichtgesteld en met spoed uithuis geplaatst.2 • Een echtpaar heeft acht kinderen die allen uithuis zijn geplaatst. Aan de orde is de ontheffing van het ouderlijk gezag over een van die kinderen. De ouders laten zich in hun leven volledig door hun geloof leiden en kunnen daarom niet waarborgen dat in de basale levensbe- hoeften van het kind wordt voorzien. Er ontstaat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van het kind. «Bij een eventuele ziekte van de minderjarige is van een ingeving van de Heere afhankelijk of de ouders een arts of ziekenhuis zullen bezoek of dat zij ervoor zullen kiezen de ziekte «op haar beloop» te laten. De ouders hebben geen inkomen en leven van giften. Zij hebben het kind in twee jaar tijd niet gezien omdat «de Heere hen heeft gezegd dat de weg naar [hun kind] dicht is».3 • Moeder, eerder van het ouderlijk gezag over twee kinderen ontheven vanwege ernstige verwaarlozing van de kinderen. Er is gegronde vrees dat zij ook haar derde kind zal verwaarlozen. Er is sprake van «slecht levensgedrag»: harddrugsverslaving, dakloos, geen inkomen of verzekering, psychische problemen. Moeders sociale omgeving bestaat uit personen die bekend zijn bij de politie, onder ander in verband met ernstige delicten. Naar het oordeel van de kinderrechter «staat voldoende vast dat de moeder niet in staat is, of op termijn in staat zal zijn, voor [het derde kind] te zorgen. Die vaststelling is gebaseerd op het verleden van de moeder. Een verleden waaraan niet kan worden voorbijgegaan wanneer naar de toekomst wordt gekeken. Wanneer immers in het verleden geen of onvoldoende aanwijzingen zijn te vinden dat de moeder daadwerkelijk bezig is haar levensstijl te wijzigen, kan niet worden verwacht dat dit zal gebeuren alleen omdat de moeder dat verklaart en dat zou willen.» Er zijn geen aanwijzingen dat de moeder haar levensstijl zal veranderen. Het kind wordt onder 1 toezicht gesteld en uithuis geplaatst.4 LJN: BG0849, Rechtbank den Haag, 320513/JE RK 08-23884 (7-10-2008). 2 LJN: BG4276, Rechtbank Groningen, Bovenstaande voorbeelden vormen samen helaas geen uitputtende lijst 105572/JE RK 08-964 (31-10-2008). van schrijnende gevallen van onverantwoord ouderschap. Ook geven de 3 LJN: BJ7655, Rechtbank Den Haag, 327639 korte samenvattingen van bovenstaande gerechtelijke uitspraken FARK 08-10403 (3-6-2009). 4 LJN:BK4700, Rechtbank Rotterdam, onvoldoende weer welke drama»s er echt achter schuil gaan. Bij deze 331392/F2 RK 09-1145 (23-11-2009). voorbeelden kan men zich op zijn minst afvragen of het wel verstandig en Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 5 wenselijk is dat in dergelijke situaties opnieuw kinderen worden geboren. In bovenstaande gevallen is het voorstelbaar en beredeneerbaar dat dat niet het geval is en dat tenminste getracht kan worden om in overleg met de ouders hen tot het gebruiken van anticonceptie te bewegen. Naar mijn mening kunnen in de meeste extreme gevallen waarbij de ouders niet meer voor rede vatbaar zijn en het vrijwillige traject naar anticonceptie niet meer werkt, verdergaande vormen van drang en desnoods dwang nodig zijn om te voorkomen dat er opnieuw kinderen worden verwekt. Op basis van de bestaande gegevens is de exacte omvang van de problematiek van ouders die bij herhaling op geen enkele wijze in staat zijn gebleken kinderen op te voeden niet bekend. Wel kan er tot een voorzichtige schatting worden gekomen: In 2008 werden circa 8200 kinderen onder toezicht geplaatst, daarvan werden er 3750 kinderen uithuisgeplaatst. Bij een deel daarvan heeft de uithuisplaatsing niet direct te maken met een gebrek aan opvoedingscapa- citeit bij de ouders, maar ligt de oorzaak bij gedragsstoornissen die min of meer uit het kind zelf voortkomen. Het is niet bekend hoeveel van die 3750 kinderen uithuis werden geplaatst om redenen die bij de ouders lagen. Wel is bekend dat de Raad voor de Kinderbescherming in 2008 de rechter ruim 1150 keer verzocht ouders uit de ouderlijke macht te ontheffen1. In ieder geval in die 1150 gevallen ligt de grond voor OTS en de daarbij gepaard gaande uithuisplaatsing bij de ouders. Ouders verliezen het gezag in geval van misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen, «slecht levensge- drag»of onherroepelijke veroordeling of «op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen».2 Onder de ouders waarvan het kind uithuis moet worden geplaatst en waarbij sprake was van het ontzetten dan wel ontheffen uit het ouderlijk gezag, kunnen ouders zijn waarvan het meer dan aannemelijk is dat zij ook bij toekomstige kinderen niet in staat zullen zijn die kinderen een veilig thuis te bieden. De hieronder staande voorstellen dienen aanvullend te zijn aan het bestaande instrumentarium en dienen pas toegepast te worden op het moment dat het niet te verwachten is dat bestaande instrumenten nog kunnen dienen om hernieuwd falend ouderschap te voorkomen. Voor veruit het grootste deel van die ouders bestaat het instrumentarium variërend van jeugdzorg, vrijwillige opvoedingsonder- steuning tot kinderbeschermingsmaatregelen. Ouders die om wat voor oorzaak ook echt niet meer door middel van ondersteuning of verder- gaande drangmaatregelen bereikt kunnen worden, zullen slechts tot op bepaalde hoogte kunnen worden geholpen. De voorstellen hieronder richten zich op ouders waarvoor deze instrumenten tekortschieten. Het gaat dan om ouders die dermate slecht in staat zijn geweest en ook zullen zijn om kinderen op te voeden dat herstel van de gezinsband met het uithuisgeplaatste kind onmogelijk is en waarbij de opvoedingssituatie voor een eventueel nieuw kind schadelijk of gevaarlijk zal zijn. De voorstellen richten zich op de groep ouders die eerder blijk hebben gegeven op geen enkele wijze in staat te zijn kinderen op te voeden en waarvan verwacht mag worden dat zij daartoe in de (nabije) toekomst ook niet toe in staat zullen zijn. Het eerder gedwongen verliezen van het ouderlijk gezag of het uit huis zien plaatsen van een kind kan een indicatie opleveren dat een ouder niet in staat is om een kind een opvoeding zonder verwaarlozing of mishandeling te geven. Er zijn geen cijfers over dergelijk recidive: het is bijvoorbeeld niet bekend in hoeveel gevallen ouders meerdere malen het gezag over kinderen hebben verloren. Wel 1 http://www.kinderbescherming.nl/ zijn er praktijkvoorbeelden bekend van ouders die van achtereenvolgende over_de_raad/feiten_en_cijfers/#paragraph1 kinderen het ouderlijk gezag verloren, tot wel meer dan tien achtereenvol- 2 Zie voor de desbetreffende wettelijke gende kinderen aan toe. Evenmin is exact duidelijk hoe vaak er sprake is bepalingen het Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en familierecht, Afdeling 4. van voorlopige ondertoezichtstelling van een nog ongeboren vrucht. Wél Ondertoezichtstelling van minderjarigen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 6 weten we dat in 2008 direct post partum 50 kinderen bij de ouders zijn weggenomen en geplaatst in een pleeggezin Hoewel bovengenoemde vormen van recidive een indicatie kunnen zijn voor zwaardere ingrepen, zal lang niet in alle gevallen van uithuis- plaatsing waarbij de grond bij de ouders ligt of verlies van de ouderlijke macht, een rechter bijvoorbeeld het krijgen van nieuwe kinderen moeten willen verbieden. Een dergelijk verbod is zo zwaar dat dit alleen – ook vanwege de betrokken mensenrechten – kan als er een zwaarder ander belang tegenover staat. In welke gevallen daadwerkelijk de ultieme maatregel van gedwongen anticonceptie zal worden opgelegd is aan de rechter. Gezien de verstrek- kende gevolgen daarvan en de dreigende strijd met bepalingen uit het mensenrecht, mag aangenomen worden dat een rechter gedwongen anticonceptie alleen zal opleggen als voor hem geen andere mogelijk- heden meer open staan terwijl tevens de situatie zo ernstig zal zijn dat andere mogelijkheden tekort zullen schieten (subsidiariteit en proportio- naliteit). Aan de hand van de wel bekende cijfers over (voorlopige) ondertoezichtstelling, uithuisplaatsingen, ontheffingen/ontzettingen uit het ouderlijk gezag, de voorbeelden uit de praktijk en gezien de terughou- dendheid die bij deze maatregel past, voorzie ik dat rechters naar schatting hooguit enkele tientallen keren per jaar een maatregel van gedwongen anticonceptie zullen opleggen. Naar mijn mening kunnen er ook bij ouders die niet eerder te maken hebben gehad met uithuisplaatsing of ontzetting uit het ouderlijk gezag indicaties zijn die er op duiden dat zij niet in staat zullen zijn enig kind op te voeden. Enkele gevallen van voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind zijn daar voorbeelden van. Zo kan men zich afvragen wie er gebaat bij is dat een zwangere vrouw met een psychiatrische voorge- schiedenis, gebruikster van harddrugs en cannabis, schizofreen en lijdend aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, opgenomen in een TBS- kliniek vanwege een steekpartij, vanwege afpersing van medepatiënten ontslagen uit een reguliere psychiatrische kliniek, dakloos en na ruzie zich onttrekkend aan de hulp van een gynaecoloog op korte termijn opnieuw kinderen zou krijgen?1 Het gaat mijns inziens echter te ver om een maatregel van gedwongen anticonceptie al bij voorbaat, dat wil zeggen zonder dat er sprake is geweest van eerder aangetoond onverantwoord ouderschap, toe te passen. In alle gevallen dienen eerst de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen te worden gebruikt. In bovenstaand voorbeeld werd het kind één dag na de geboorte al in een pleeggezin geplaatst. De voorstellen zien uitsluitend toe op de beoordeling van individuele gevallen en zijn niet gericht op bepaalde groepen; zo die afbakening al te maken zou zijn blijf ik van mening, dat dat uiterst ongewenst is. De voorstellen richten zich dus niet uitsluitend op ouders die vanwege een verstandelijke beperking niet in staat bleken te zijn kinderen op te voeden. Maar voor een deel zal het onverantwoord ouderschap ook onder deze groep te vinden zijn.2Daarnaast blijken immers ook ouders zonder een verstandelijke beperking bij herhaling niet in staat te zijn kinderen op te voeden in de zin van dat dit blijkt uit het uithuisplaatsen van kinderen en/of ontzetting uit het ouderlijk gezag. Bij de uiteindelijke afweging ten aanzien van ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing beslist een rechter. 1 Dat zal bij gedwongen anticonceptie niet anders zijn. M.W. Bijlsma, J.M.B. Wennink, A.C. Enkelaar, M.H.B. Heres en A. Honig, «De mogelijkheid van ondertoezichtstelling van het nog ongeboren kind bij twijfels over de veiligheid van de thuissituatie». In: Neder- lands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2008, 12 april; 152 (15). 2 D.L. Willems e.a., Samenspel van factoren, UvA i.s.m. Vu, 2005. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 7 2. Voorstellen Het voorstel houdt in de mogelijkheid van een bijkomende bepaling (tijdelijk geen kinderen krijgen) te koppelen aan de rechterlijke uitspraak van ondertoezichtstelling (OTS) met uithuisplaatsing, dan wel ontzetting uit de ouderlijke macht. Als een vrijwillig- of drangtraject niet kan leiden tot het afzien van een nieuwe zwangerschap moet uiteindelijk gedwongen anticonceptie door de rechter kunnen worden opgelegd. Dit neemt niet weg dat wij er naar moeten blijven streven om te voorkomen dat gedwongen anticonceptie nodig is. De jeugdzorg en kinderbescherming kunnen beter. Maar helaas zullen er ook dan ouders blijven die hiervoor niet vatbaar zullen blijken te zijn en toch een volgend kind het slachtoffer laten worden. Definitie van «onverantwoord ouderschap» De term «falende ouders» die in de discussie veel is gebruikt, is minder passend dat de term «onverantwoord ouderschap». Die laatste term geeft beter aan waar het om gaat namelijk dat het onverantwoord is dat iemand opnieuw ouder wordt. Het legt ook minder dan het woord «falen» een schuld bij iemand neer. Bovendien is het een term die al wordt gebruikt in dit kader en internationaal wordt gebruikt. Van onverantwoord ouder- schap is in ieder geval sprake als door toedoen van ouders een kind uit huis moet worden geplaatst. Ook het ontzetten uit of verliezen van het ouderlijk gezag kan een teken van onverantwoord ouderschap zijn. Dat niet bij iedere uithuisplaatsing of ontzetting/ontheffing van het ouderlijk gezag sprake hoeft te zijn van onverantwoord ouderschap in de zin van dat het gedwongen anticonceptie mogelijk maakt, is hierboven al uitgelegd. Criteria en waarborgen Uiteraard zal een voorstel dat kan leiden tot desnoods gedwongen anticonceptie voorzien moeten worden van heldere criteria en waarborgen die lichtzinnige toepassing van het instrument moeten voorkomen. – Op de eerste plaats zal het onverantwoord ouderschap moeten blijken: een rechter moet dit eerst vaststellen en dan moet hij vervolgens ook nog van mening zijn dat de situatie zo ernstig is dat gedwongen anticonceptie nodig kan zijn. De rechter zal dan ook uitspreken dat bij een volgend kind de ouder in ieder geval geen ouderlijk gezag krijgt en het kind direct post partum uithuis zal worden geplaatst. Ook een eventueel gedwongen opname tijdens de zwangerschap kan deel uitmaken van te treffen maatregelen ter bescherming van het ongeboren kind (bij verslaving bijvoorbeeld) – Op de tweede plaats is een rechterlijke machtiging nodig op het moment dat daadwerkelijk overgegaan moet worden tot gedwongen anticonceptie. Eerst moet de vrijwillige weg en drang worden geprobeerd voordat dwang aan de orde kan zijn. – Op de derde plaats kan onder andere de betrokkene verzet aantekenen tegen de opgelegde maatregel van gedwongen anticonceptie. Vormgeving van het voorstel De «tijdelijk niet opnieuw ouder maatregel» als aanvullende kinderbe- schermingsmaatregel De kinderrechter kan bij wijze van kinderbeschermingsmaatregel ondertoezichtstelling (OTS) van een kind gelasten en daarmee tot de aanstelling van een gezinsvoogd beslissen. De rechter kan in dit kader tevens beslissen dat het beter is dat een kind – desnoods tegen de zin van Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 8 de ouders – uithuis moet worden geplaatst. De dreigende situatie voor een kind kan zo acuut zijn dat in voorkomende gevallen de rechter een kind vanaf de geboorte uithuis laat plaatsen. Aan een uithuisplaatsing gaat een rapportage van de Raad voor de kinderbescherming aan de rechter vooraf. Het moment van uithuisplaatsen – voor zover dat tenminste te maken heeft met de opvoedcapaciteit van een ouder – is het moment waarop een rechter tevens zou moeten kunnen uitspreken dat het bij ongewijzigde omstandigheden nadrukkelijk ongewenst is dat iemand opnieuw ouder wordt. Net zoals bij alle andere kinderbeschermingsmaatregelen is ingrijpen pas op zijn plaats als vrijwillige hulpverlening niet meer helpt. In eerste instantie moet de maatregel die zo min mogelijk in de bestaande verhoudingen ingrijpt, worden gekozen. Daarom moet uiteraard niet iedere uithuisplaatsing leiden tot een uitspraak dat iemand tijdelijk geen ouder meer mag worden. Daartoe moet de rechter de gezinssituatie zo bedreigend vinden, dat hij geen andere uitweg meer ziet dan dat een nieuwe zwangerschap moet worden voorkomen. Daarbij kan de overweging meespelen dat een nieuwe zwangerschap/kind de hereniging tussen ouders en het uithuisgeplaatste kind in de weg staat. Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming speelt net zoals bij een uithuis- plaatsing een belangrijke rol. De uitspraak van een rechter dat iemand tijdelijk geen nieuwe kinderen meer mag krijgen, moet ook inhouden dat in geval er onverhoopt toch nieuwe zwangerschappen/kinderen komen de ouders bij voorbaat weten dat zij daarover geen ouderlijk gezag zullen krijgen en dat het kind uithuis zal worden geplaatst. Ter voorkoming van misverstanden: uiteraard kan er geen sprake zijn van gedwongen abortussen, noch van gedwongen sterilisatie. Maatregelen moeten altijd van tijdelijke aard en omkeerbaar zijn. Gedwongen anticonceptie De opgelegde «niet opnieuw ouder maatregel» moet zoals gezegd bij voorkeur via de vrijwillige weg worden bereikt. Ouders aan wie deze maatregel is opgelegd, moeten voor zover zij dat al niet zijn, worden doordrongen van het feit dat het voor hun uithuisgeplaatst kind en voor henzelf beter is als er voorlopig geen nieuwe kinderen bijkomen. De gezinsvoogd speelt hierin een belangrijke rol. Die moet immers proberen de opvoedingssituatie in een gezin te verbeteren en kan een aanwijzing geven ten behoeve van de opvoeding van een kind. De rechter spreekt gelijktijdig met de «niet opnieuw ouder maatregel» uit dat kinderen die tijdens de looptijd van die maatregel worden geboren direct vanaf de geboorte uithuis zullen worden geplaatst. Dit zal de desbetreffende ouders helpen inzien dat het opnieuw zwanger worden geen zin heeft omdat het geboren kind geen deel van het gezin zal uitmaken (vorm van drang). Mocht echter blijken dat deze (semi-)vrijwillige weg niet begaanbaar is, dan kan gedwongen anticonceptie door de rechter alsnog worden opgelegd. Hiervoor is in dat geval een afzonderlijke rechterlijke uitspraak nodig. Die kan door de gezinsvoogd of de Raad voor de Kinderbe- scherming worden gevraagd. De rechter kan hiervoor een onderzoek vragen dat door een andere instantie dan de Raad voor de Kinderbe- scherming wordt verricht. In gevallen dat de rechter het al bij het opleggen van de «niet opnieuw ouder maatregel» onverantwoord vindt dat er een nieuw kind verwekt en geboren wordt en de situatie zo bedreigend voor het welzijn van welk kind dan ook acht, kan hij desgewenst op dat moment meteen gedwongen anticonceptie gelasten. Zoals hierboven gemeld – en in tegenstelling tot het opleggen van een voorlopige OTS – zal dit steeds aan de hand van Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 9 een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming moeten gebeuren. De rechter kan andere expertise inroepen. Termijn De uitspraak dat iemand geen kinderen meer mag krijgen geldt voor maximaal één jaar, analoog aan de maatregel van OTS (met uithuis- plaatsing). Na maximaal één jaar moet de rechter de «niet opnieuw ouder maatregel» net zoals OTS kunnen toetsen. Als de gezinsvoogd vindt dat de maatregel daarna verlengd moet worden, moet de rechter daar opnieuw toestemming voor geven en daar desnoods onderzoek voor laten doen door de Raad voor de Kinderbescherming. Totdat de gewenste situatie is bereikt, kunnen meerdere verlengingen nodig zijn. Als de gezinsvoogd(instelling) vindt dat maatregel voortijdig kan worden beëindigd, moet dit ook aan de rechter worden voorgelegd. Een voortijdige beëindiging van de maatregel kan aan de orde zijn als blijkt dat iemand weer in staat is een kind goed op te voeden. Daarvan is onder andere sprake als een uithuisplaatsing wordt beëindigd en het kind weer onder de directe zorg van de ouders komt te vallen. Hoewel dus OTS met uithuisplaatsing de aanleiding kan vormen voor een rechterlijk uitspraak dat iemand tijdelijk geen kinderen meer mag krijgen, wil dat echter niet zeggen dat met het beëindigen van de OTS er altijd sprake is van een situatie waarin het verantwoord is dat een ouder nieuwe kinderen krijgt: bijvoorbeeld wanneer een uithuisgeplaatst kind volwassen wordt eindigt de OTS, maar kan de rechter het nog steeds onverantwoord vinden dat een ouder nieuwe kinderen krijgt. De «niet opnieuw ouder maatregel» kan daarom ook ingeval er geen sprake meer is van OTS door middel van een rechterlijk oordeel worden verlengd. In geval van dergelijke verlengingen zal ook de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd worden te rapporteren. De wettelijke basis daarvoor wordt gevonden in de «niet opnieuw ouder maatregel». Na twee verlengingen van een jaar moet de rechter de «niet opnieuw ouder maatregel» voor twee jaar kunnen verlengen. Rechtsbescherming De rechter neemt een besluit tot het opleggen van een kinderbescher- mingsmaatregel nu al pas na zorgvuldige afweging van alle belangen. Hij hoort de mening van de ouders, al dan niet bijgestaan door een advocaat. De rechter maakt bij zijn beslissing gebruik van de informatie uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming of andere expertise. Daarmee zijn de mogelijkheden niet uitgeput: ouders die het oneens zijn met een beslissing van de rechter, kunnen in beroep gaan. Dat moeten zij zowel kunnen bij de «niet opnieuw ouder maatregel» en ook – voor zover dat al niet meteen is opgelegd – bij de afzonderlijke uitspraak dat gedwongen anticonceptie dient te worden opgelegd. Ook de Raad voor Kinderbescherming moet in beide gevallen beroep kunnen aantekenen. In geval verlenging van een maatregel aan de orde is, staat weer beroep voor de ouders of de Raad open. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 10 3. Beschermde belangen versus mensenrechten1 Iemand tijdelijk het recht ontzeggen om kinderen te krijgen, dan wel gedwongen anticonceptie toedienen raakt enkele mensenrechten. In het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) zijn dan vooral de artikelen met betrekking tot verbod op foltering (artikel 3), het recht op eerbiediging van privéleven (artikel 8) en het recht om te trouwen en een gezin te stichten (artikel 12) van betekenis voor het wetsvoorstel. Sommige van deze rechten zijn niet absoluut of bieden binnen de definitie van het artikeluitdrukkelijk ruimte voor invulling. Verdragslanden kunnen bij een aantal van deze rechten tot op een bepaalde hoogte inbreuk maken op deze grondrechten. Dat kan indien de betreffende bepaling daartoe ruimte biedt, de inbreuk nodig is vanwege een groter ander belang, de inbreuk niet groter is dan nodig en er geen andere middelen openstaan om hetzelfde doel te bereiken. Hieronder zal dan ook aandacht zijn voor de proportionaliteit en subsidiariteit van de voorgestelde maatregelen. De meest relevante artikelen uit het EVRM zijn: Artikel 3 Folterverbod Dit artikel houdt een absoluut verbod op foltering, maar ook op (andere) onmenselijke of vernederende behandeling in. Om binnen het bereik van dit verbod te vallen, dient een behandeling «een minimale graad van ernst» te hebben. Voor wat betreft de uiteindelijke maatregel van desnoods gedwongen anticonceptie is er waarschijnlijk sprake van die minimale graad van ernst. Van foltering is geen sprake. Of gedwongen anticonceptie onmenselijk of vernederend is in de zin van artikel 3 EVRM, dient te worden beoordeeld aan de hand van de factoren die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Europese Commissie hebben gesteld. Van belang zijn de duur, de wijze van uitvoering, de gevolgen voor degene die de behandeling ondergaat, de mate van pijn enzovoort. De Europese Commissie voor Mensenrechten heeft naar aanleiding van de zgn. Greek case (1969) een nadere inkadering gegeven: Vernedering Een behandeling is vernederend als iemand op grove wijze wordt vernederd of iemand tot daden tegen zijn wil of geweten wordt gedreven. Gedwongen anticonceptie valt daarmee niet (altijd) binnen de definitie van vernedering. Toepassing van de maatregel onder dwang brengt niet noodzakelijk het karakter van vernedering mee dat wel inherent is aan «driving to act against will». Het enkele feit dat maatregelen onder dwang/ tegen iemands wil worden toegepast is met andere woorden niet voldoende om deze als vernederend aan te merken. Dat zou ook vreemd zijn, ook het straf- en vreemdelingenrecht zouden daarmee immers onder 3 EVRM vallen. 1 Bij het tot stand komen van deze paragraaf is Onmenselijke behandeling dankbaar gebruik gemaakt van adviezen van mevrouw mr. M. Vogel dan wel zijn er Een behandeling is onmenselijk als er bewust ernstig geestelijk of passages uit haar afstudeerscriptie gebruikt: M. Vogel, «Gedwongen anticonceptie bij lichamelijk lijden wordt toegebracht, en dat onder de gegeven omstandig- mensen met een verstandelijke beperking. Een heden niet kan worden gerechtvaardigd. onderzoek naar de mogelijkheid tot juridische Hoewel het verbod absoluut is, is er bij de beoordeling of sprake is van rechtvaardiging van gedwongen anticonceptie onmenselijke behandeling voor verdragsstaten een ruime marge voor de op grond van verwacht onverantwoord ouderschap», 2009, Faculteit Rechtsgeleerd- vraag of er een rechtvaardiging is voor de betreffende behandeling. heid VU, Amsterdam (niet gepubliceerd). Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 11 Bij het bepalen of het met de gedwongen anticonceptie aan de aspirant- ouders toegebrachte lijden kan worden gerechtvaardigd, moet worden gekeken naar de juridische en de praktische uitwerking van deze dwang- behandeling. Rechten en belangen van personen zelf én van een mogelijk toekomstig kind kunnen een interventie onder dwang onder bepaalde juridische en praktische omstandigheden rechtvaardigen. Een onlangs door het EHRM erkend recht dat daarbij van belang is, is het recht van kinderen op vrijwaring van elke vorm van kindermishandeling. Het Hof erkende dit juist op grond van artikel 3 EVRM en nam bovendien een positieve plicht tot verwezenlijking van dat recht aan voor alle lidstaten. Ook verwaarlozing en gebrek aan zorg, bescherming en ruimte voor ontwikkeling binnen het gezin (onverantwoord ouderschap) worden door het EHRM beschouwd als een vorm van kindermishandeling en dus een vorm van onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, waartegen de overheid bescherming dient te bieden.1 Het EHRM verklaart artikel 3 dus expliciet van toepassing op elke vorm van kindermishandeling en erkent daarbij een positieve plicht voor lidstaten tot verwezenlijking van bescherming en daarmee soms tot interveniëren in andere rechten. Bovendien blijkt het uitgangspunt van het EHRM steeds vaker dat ook het ongeboren kind beschermenswaardig is. Deze wending in de jurisprudentie van het Hof is een duidelijk signaal van het EHRM dat kindermishandeling strijd met artikel 3 oplevert en dat lidstaten een actieve plicht hebben rechten van kinderen en belangen van ongeboren kinderen te beschermen. Deze jurisprudentie vormt weliswaar geen grond voor gedwongen anticonceptie, maar wel een basis voor aanname van rechtvaardiging van het toegebrachte lijden aan aspirant-ouders op grond van rechten kinderen. Indien voldoende waarschijnlijk is dat bij opvoeding door de ouders zelf, met eventueel (professionele) hulp, de rechten van een bestaand en uithuisgeplaatst kind en een mogelijk toekomstig kind ernstig (zullen) worden geschonden, kunnen die rechten en belangen mede op basis van deze jurisprudentie dus een rechtvaardiging vormen voor het lijden dat wordt toegebracht met de gedwongen anticonceptie. In deze gevallen is gedwongen anticonceptie niet in strijd maar juist in lijn met artikel 3 en de uitleg daarvan van het Hof. Ook belangen van de samenleving en belangen van de aspirant-ouder zelf kunnen steunargumenten voor rechtvaardiging vormen. Gedwongen anticonceptie is hierdoor niet altijd in strijd met artikel 3 EVRM, doordat zwaarder wegende belangen deze inbreuk kunnen rechtvaardigen. Bij deze weging moeten uiteraard wel de eisen van effectiviteit, subsidiariteit en proportionaliteit in acht worden genomen.2 De maatregel mag daarom niet definitief zijn, niet categorisch of juist willekeurig, er moet een wettelijke grondslag voor zijn en er dient sprake te zijn van een bepaalde mate van rechtsbescherming voor de aspirant- ouder. Artikel 12 Het recht om te trouwen en een gezin te stichten Gedwongen anticonceptie staat uitoefening van dit recht tijdelijk in de weg. Net als artikel 8 is artikel 12 echter niet absoluut, maar kan het door nationale wetgeving worden beperkt. Anders dan artikel 8, bepaalt artikel 12 geen specifieke wettelijke beperkingsgrond(en), maar biedt het algemener de mogelijkheid nationaalrechtelijk te beperken. (Overigens 1 Afwezigheid van de intentie van de ouders gelden wel ook de algemene beperkingsvoorwaarden zoals noodzake- tot vernedering is daarbij niet van belang; lijkheid in een democratische samenleving en het dieen van een legitiem EHRM 15 juli 2002, (Kalashnikov/Rusland). 2 Zie over subsidiariteit/proportionaliteit o.a. doel). EHRM 1 april 2004, Rivas tegen Frankrijk. Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 405, nr. 2 12 Een vergelijking met chemische castratie ligt voor de hand. Hier is de proportionaliteit van belang. Als de delinquent in kwestie kan aantonen dat zijn gedwongen behandeling niet in verhouding staat tot zijn rechten om een gezin te stichten, dan kan er sprake zijn van een overtreding van artikel 12. Een aanknopingspunt kan worden gevonden in een uitspraak van het Europees Hof waarin uitgesproken werd dat gedwongen sterilisatie verboden was vanwege het onomkeerbare karakter. Dat impliceert dat er voor tijdelijke en dus omkeerbare behandelingen wel ruimte is.1Het tijdelijk karakter van de maatregel is een omstandigheid die bijdraagt aan de rechtvaardiging van de behandeling. Van belang in dit verband is ook het feit dat de rechter nu al in het recht om een gezin te stichten ingrijpt: door een kind vanaf de geboorte uithuis te plaatsen en de ouder(s) van de ouderlijke macht te ontheffen komt artikel 12 in het geding. Het is maar zeer de vraag of in deze gevallen er altijd sprake is van het stichten van een gezin. Maar uiteraard is een uithuisplaatsing wel toegestane praktijk. Naar mijn mening levert ook gedwongen anticonceptie niet noodzakelijk strijd met artikel 12 EVRM op. 1. Allereerst is het maar de vraag of sprake is van strijd met het recht een gezin te stichten. Als de dreiging van onverantwoord ouderschap zo groot is dat uithuisplaatsing dreigt of zelfs al voor de geboorte door de rechter wordt bevolen, zal er ook zonder anticonceptie geen of slechts zeer beperkt sprake zijn van het stichten van een gezin. Een basisele-

Powered by League of Brilliance