donderdag 17 mei 2012

Grondstoffenvoorzieningszekerheid; Brief regering; Aanbieding Grondstoffennotitie

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010–2011 32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE EN DE STAATSSECRETARISSEN VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN VAN BUITENLANDSE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 15 juli 2011 Gaarne bieden wij u in bijlage de grondstoffennotitie van het Kabinet aan. Deze is opgesteld in antwoord op de motie van de leden Nicolai-Ormel (32 500 V, nr. 81) en conform de toezegging van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken op motie nr.32 599 V, nr. 39 van het lid El Fassed c.s (verworpen), bieden wij u in bijlage – mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie –. Deze notitie is ook in de geest van de motie van de leden Ferrier-Dikkers (32 500 V, nr. 35) opgesteld, waarin de regering wordt opgeroepen coherentie voor duurzame ontwikkeling in de praktijk vorm te geven door rekening te houden met de belangen van ontwikkelingslanden bij het Nederlandse streven naar grondstofzekerheid. Hierover volgt separaat nog een brief met een praktische beleidsagenda voor globalisering, waar coherentie voor ontwikkeling een integraal onderdeel van zal uitmaken. Grondstoffen vormen de basis van veel menselijk handelen. Toenemende schaarsten stellen de wereld dan ook voor grote uitdagingen. Mede door een groeiende wereldbevolking neemt de druk op land, milieu en biodiversiteit toe. De draagkracht van de aarde om te voorzien in hernieuwbare grondstoffen wordt bovendien nu reeds overschreden. Schaarste komt verder voort uit gebrekkige toegang tot grondstoffen door politieke obstakels, criminaliteit, conflict of ontoereikende infrastructuur in brongebieden, speculatie en ontoereikende investering in de diversificatie van het aanbod. Daarbij staat vast dat schaarsten de inwoners van minst ontwikkelde landen het hardst zullen raken (FAO 2008). Dit kan leiden tot honger en ondervoeding, maar tevens andere ongewenste neveneffecten teweeg brengen als conflict, regionale instabiliteit en dientengevolge ook interregionale migratie. Grondstoffenvoorziening is in eerste instantie een eigen verantwoorde- lijkheid van bedrijven. Bovenstaande ontwikkelingen vragen echter ook kst-32852-1 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2011 Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 1 om een adequate reactie en bijdrage van de overheid. De bijgevoegde grondstoffennotitie markeert een «kick off» van een integraal Nederland grondstoffenbeleid en brengt lopende initiatieven in kaart, stemt ze af en agendeert knelpunten en kansen. De minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H. P. M. Knapen Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 2 Grondstoffennotitie Inhoudsopgave Samenvatting 3 Aanleiding en analyse 3 Oplossingsrichtingen 3 Introductie 4 Hoofdstuk 1 Analyse 5 Vraag, aanbod en schaarste 5 Multipolair systeem 6 De draagkracht van de aarde 7 Investeren in duurzaamheid als kans 7 Nederlandse grondstoffensituatie 7 Afhankelijkheid topsectoren van grondstoffen 8 Zeldzame aardmetalen 9 Hoofdstuk 2 Naar een Nederlandse grondstoffenvoorzienings- zekerheidsstrategie 9 Van analyse naar strategie 9 Rol van de Nederlandse overheid 9 Vrijhandel en open systeem 10 EU 10 Bilateraal beleid en strategische partnerschappen 11 Grondstoffenschaarste als kans 11 Ontwikkelingssamenwerking 12 Hoofdstuk 3 Actiepunten 13 Agenda 1: Aanbod 13 Agenda 2: Vraag 14 Agenda 3: Efficiënt en duurzaam gebruik 14 Literatuurlijst 15 Samenvatting Aanleiding en analyse Met een groeiende wereldbevolking en een daaraan gekoppelde toene- mende vraag naar grondstoffen, neemt het risico van mondiale overex- ploitatie toe en komt het natuurlijk kapitaal als basis voor onze grondstof- fenproductie in potentie in gevaar. De uitdaging om grondstoffen op de juiste tijd en plaats voorhanden te hebben, is vooral een combinatie van politieke, financiële, technologische, milieu- en sociale factoren, die zich doorgaans manifesteren als vormen van schaarsten1. Prijzen stijgen al enige tijd, in afwijking van een jarenlange neerwaartse trend2. Ook zijn er signalen dat de transparantie van de handel en het regulerend vermogen van de markt teruglopen. Staatsbemoeienis met grondstoffenvoorzie- ningszekerheid neemt daarentegen mondiaal toe. Dergelijke verstoringen veroorzaken een situatie waarbij aanbod achter blijft bij de vraag, waardoor natuurlijke prijsschommelingen en de zorgen van het bedrijfs- leven over voldoende beschikbaarheid van grondstoffen voor hun productieproces worden versterkt. Men mag concluderen dat in deze multipolaire wereld grondstoffenvoor- zieningszekerheid ook voor Nederland in zekere mate een economisch en veiligheidsbelang is geworden. Reden voor het Kabinet om naast de bevordering van Europees beleid, ook nationale beleidsvorming te stimuleren. Deze grondstoffennotitie is daartoe de aanzet. De hierbij 1 World Economic Forum gekozen benadering is integraal: zowel a-biotische grondstoffen als 2 IMF, HCSS biotische grondstoffen worden belicht. Verder is voorzieningszekerheid Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 3 voor de Nederlandse economie het primaire uitgangspunt, waarbij lange termijn duurzaamheid is opgenomen als expliciete voorwaarde om deze te kunnen blijven garanderen. Duurzaamheid in termen van people, planet and profit Het Kabinet zet primair in op het in stand houden van het open handels- systeem. Vrijhandel is immers cruciaal voor Nederland als belangrijk doorvoerland. Ook wordt de grondstoffenschaarste als expliciete kans gezien. Het Kabinet wil innovatie, hergebruik en substitutie stimuleren opdat Nederland in Europa hierop een leidende rol kan spelen. Dit kan een versterkend effect hebben op de economie en onze handelspositie. Oplossingen worden Europees gezocht waar mogelijk en nationaal waar nodig. Deze notitie sluit aan bij de Nederlandse inzet in het EU-flagship for a Resource Efficient Europe en bij de mededeling van de Europese Commissie over Raw materials and commodity markets. Oplossingsrichtingen Bij het formuleren van de oplossingsrichtingen is het Kabinet ervan uitgegaan dat het bedrijfsleven primair aan zet is en dat de overheid vooral kan faciliteren, stimuleren, kaders stellen en coördineren. Voorts zijn drie agenda’s uitgewerkt: Agenda 1: het aanbod veiligstellen, vergroten en verduurzamen Agenda 2: de vraag beperken en waar mogelijk verduurzamen Agenda 3: het gebruik van grondstoffen efficiënter en duurzamer maken Introductie Onze economie is afhankelijk van grondstoffen. Als de beschikbaarheid in gevaar komt kan dit leiden tot onvoorspelbare fluctuaties in prijs en kwaliteit. Onder invloed van verschuiving van (economische) machtsver- houdingen lopen de Nederlandse economie en de concurrentiepositie mogelijk gevaar. Mondiale spanningen nemen toe naarmate de belangen van de geïndustrialiseerde landen, opkomende economieën en grond- stoffen producerende landen verder op gespannen voet met elkaar komen te staan. Deze spanningen kunnen in potentie de vrede en veiligheid in de wereld bedreigen. De afhankelijkheid van grondstoffen heeft daarnaast zijn weerslag op mens, klimaat, biodiversiteit en milieu, wat eveneens een directe bedreiging van onze welvaart en ons welzijn kan betekenen. Het is daarom van belang potentiële risico’s ten aanzien van onze grondstoffenvoorziening vast te stellen. Op die risico’s moet Nederland anticiperen, opdat de economie en concurrentiekracht op peil blijven. Dit vereist dat bewuster met de grondstofvoorziening wordt omgegaan en dat daarbij rekening wordt gehouden met economische, geopolitieke en maatschappelijke uitdagingen. Uitdagingen die bovendien het Neder- landse bedrijfsleven kansen biedt. Tot deze uitdagingen behoort ook dat, vanuit het oogpunt van beleidscoherentie voor ontwikkeling, onze grondstofvoorziening geen negatief effect heeft op en bijdraagt aan de stabiliteit en duurzame economische groei van ontwikkelingslanden. Deze notitie markeert de «kick-off» van een integraal Nederlands grondstoffenbeleid. Reeds lopende initiatieven zijn in kaart gebracht en op elkaar afgestemd; de belangrijkste knelpunten en kansen geagendeerd. Ook noemt de brief een aantal actielijnen die reeds lopen of op korte termijn in gang zullen worden gezet. Daarnaast worden stappen aange- kondigd die nodig zijn om het inzicht in de grondstoffenproblematiek – en de rol van de overheid daarin – te vergroten. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 4 Vanwege het mondiale karakter van het grondstoffenvraagstuk zijn de mogelijkheden om met nationale beleidsoplossingen te komen beperkt. Daarom is het credo: Europees waar mogelijk, nationaal waar nodig en waar het kansen biedt. Het Nederlandse beleid sluit dus zoveel mogelijk aan bij lopende Europese trajecten. Daar waar nodig zal in bilateraal of breder multilateraal kader worden opgetrokken. De brief biedt een uitgelezen mogelijkheid voort te bouwen op de aanbevelingen van de Europese Commissie (Raw Materials Initiative) en in te spelen op het grondstoffenbeleid van belangrijke handelspartners. Op nationaal niveau zal het Kabinet op verzoek van het bedrijfsleven en in samenspraak met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties zoeken naar mogelijkheden om belemmeringen weg te nemen, de zoektocht naar substituten te stimuleren en kansen die verduurzaming van de maatschappij biedt te verzilveren. In deze notitie is vanwege de wederzijds versterkende effecten op economisch potentieel, groei, werkgelegenheid en de wenselijkheid om groei in balans te brengen met de draagkracht van de aarde, gekozen voor een integrale benadering van a-biotische (ertsen en industriële mineralen) en biotische (bijv. soja, palmolie) grondstoffen.1 Bovendien zijn beide stromen van belang om onze positie als doorvoerland en verwerker van grondstoffen te verstevigen; zijn oorzaken en gevolgen van schaarsten in beide grondstoffenstromen onlosmakelijk met elkaar verbonden2 en vormen biotische grondstoffen in toenemende mate potentiële substi- tuten voor a-biotische grondstoffen. Met de gepropageerde integrale aanpak voldoet deze grondstoffenbrief aan de motie Nicolaï-Ormel (32500V81), ingediend tijdens de begrotings- behandeling Buitenlandse Zaken op 15 december 2010. De motie vraagt het Kabinet een integrale notitie op te stellen over grondstoffenzekerheid, 1 De EU, VN, OESO, G20, Frankrijk en het waarin wordt aangegeven hoe die zal worden bevorderd. Daarbij vraagt Verenigd Koninkrijk kiezen voor eenzelfde de motie aandacht voor de grondstoffen producerende ontwikkelings- benadering. landen3 en een beschrijving van de noodzakelijke bijstellingen in het 2 PBL: Scarcity in a sea of Plenty (2011) en nationaal en Europees buitenlands beleid en het nationaal economisch UNEP: Decoupling natural resource use and environmental impacts from economic growth beleid.4 (2011). 3 Corruptiebestrijding, duurzame extractie, Grondstoffen hebben kenmerken van Global Public Goods.5 Omwille van versterking van het lokaal bestuur en de focus blijven deze – anders dan als algemene context – grotendeels transparantie van financiële stromen, mede met het oog op de concurrentiepositie van het buiten beschouwing. Dit geldt in het bijzonder voor de thema’s water en Nederlandse bedrijfsleven. voedselzekerheid, waarvoor al beleid is uitgewerkt.6 Hetzelfde geldt voor 4 Met betrekking tot substitutie, diversificatie fossiele energetische grondstoffen (olie voor de chemie)7 en bouwgrond- en recycling. stoffen.8 Deze laatste worden vooral lokaal en regionaal verhandeld, 5 Met GPG’s of mondiale publieke goederen wordt gedoeld op al die grensoverschrijdende waardoor een deel van de analyse in deze notitie niet opgaat. mondiale goederen en diensten waarbij de marktwerking niet perfect is en internationale Deze grondstoffenstrategie sluit voorts op onderdelen aan op het beleid in samenwerking nodig is om een stabiele kader van de duurzaamheidsagenda9, de topsectoren en het ontwikke- mondiale voorziening in die goederen of diensten veilig te stellen. Andere GPG’s zijn lingssamenwerkingbeleid (OS basis- en focusbrief). onder meer een stabiel klimaat, toegang tot energie en water en effectieve «governance» Hoofdstuk 1 Analyse van deze GPG’s. 6 Focusbrief OS. 7 Fossiele energetische grondstoffen in de Vraag, aanbod en schaarste nota: «Naar een nieuw kader voor interna- tionale energierelaties» (01/2011). Voor een open, concurrerende en innoverende economie als de Neder- 8 Beleid voor bouwgrondstoffen is vastgelegd landse, is een stabiele toevoer van grondstoffen van groot belang. Deze in de «Nota Ruimte» (2006), paragraaf 4.8). Dit beleid wordt herbevestigd in de ontwerp ambitie is als prioriteit opgenomen in het regeerakkoord en de Tweede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011). Kamer vraagt hier eveneens aandacht voor.10 Echter, de beschikbaarheid 9 Voor Prinsjesdag zal het Kabinet een van economisch winbare grondstoffen is op de (middel)lange termijn niet duurzaamheidsagenda aan de Kamer meer per definitie vanzelfsprekend. De wereldwijde vraag naar grond- toezenden. 10 Onder meer motie Nicolaï/Ormel stoffen stijgt door de sterke groei van de wereldbevolking en de welvaart. (32500V81). Het aanbod blijft daarbij achter, waardoor de prijs van grondstoffen stijgt, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 5 speculatie in de hand wordt gewerkt en schaarste toeneemt. Het is geen vaststaand gegeven dat op termijn het aanbod de vraag kan bijhouden. Indien deze ontwikkelingen zich doorzetten, zal ook Nederland als verbruiker en als belangrijk doorvoerland hiervan negatieve gevolgen kunnen ondervinden. De wijze waarop nu in de stijgende vraag wordt voorzien, overschrijdt bovendien de draagkracht van de aarde, waardoor de productiebasis van grondstoffen in gevaar komt. Omdat mag worden aangenomen dat de wereldbevolking rond 2050 naar 9 miljard mensen zal zijn gegroeid, wordt het een uitdaging om in hun behoeften te voorzien op een manier die mondiaal welvaart brengt én tegelijkertijd de druk op het milieu doet afnemen. Van directe fysieke schaarste van a-biotische en biotische grondstoffen is op dit moment geen sprake. Voor de afzienbare toekomst zijn er voldoende bewezen voorraden van de meeste belangrijke a-biotische grondstoffen. Bovendien zijn grote delen van de (diepere) aardkorst nog nauwelijks onderzocht op potentieel significante nieuwe voorraden. De trend is echter dat de zuiverheid van veel ertsen afneemt en dat er ondanks schaalvergroting, verhoogde efficiency en innovatie, steeds meer water en elektriciteit nodig zijn voor de winning. Grondstoffenschaarste heeft vaker nog economische oorzaken. Omdat grondstoffenmarkten niet altijd goed functioneren1 en door de toename in vraag, zijn de afgelopen 10 jaar gemiddeld de prijzen gestegen. Grond- stoffenmarkten kennen vertraagde aanpassingsmechanismen door bijvoorbeeld de benodigde aanlooptijd voor het opstarten van mijnen en het verhogen van landbouwproductie, wat kan leiden tot tijdelijke extra schaarste. Dit leidt weer tot onzekerheid over de beschikbaarheid van grondstoffen en plotselinge toename van prijsvolatiliteit, met een (vaak negatieve) spiraal van intensievere overheidsbemoeienis met grondstof- fenvoorzieningszekerheid als gevolg. Bij biotische grondstoffen leiden steeds kleiner wordende oogsten tot prijsstijgingen en afname van de beschikbaarheid. Verminderde landbouwproductiviteit is onder andere te wijten aan klimaatverandering (zowel toenemende droogte als overstromingen) en overexploitatie. Multipolair systeem De geopolitieke situatie is aan sterke veranderingen onderhevig. De wereld wordt complexer en minder overzichtelijk en internationale afspraken en regels worden vaker genegeerd. Dat ons Westerse norma- tieve kader bepalend blijft, is niet langer een vanzelfsprekendheid nu niet-westerse landen en regio’s aan economische en politieke macht winnen. Een toenemend aantal staten -vaak, maar niet uitsluitend meer staatskapitalistische economieën – nemen maatregelen om hun grond- stoffenvoorziening zeker te stellen. Het creëren van strategische voorraden, proactieve acquisitie door (semi)staatsbedrijven, exportres- tricties en «landgrabbing» zijn maatregelen die de grondstoffenmarkten onder druk zetten en een belemmering vormen voor de vrijhandel. Ook worden grondstoffen gepolitiseerd voor het bereiken van buiten- landse economische en politieke doelstellingen, bijvoorbeeld door uitsluiting van levering bij conflicten, als politiek wisselgeld in interna- tionale fora of voor het verkrijgen van investeringen, leningen en handelspreferenties. 1 Zoals monopolievorming, het ontbreken van openbare handelsplatformen, overheidsinter- venties uit opkomende economieën, machts- concentratie bij leveranciers. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 6 Internationaal groeit de steun voor het maken van afspraken die minimum eisen stellen aan het tegengaan van negatieve consequenties van de wijze van productie van grondstoffen. De recentelijk herziene OESO richtlijnen voor multinationals en de OESO Due Diligence richtlijnen zijn hiervan voorbeelden.1 Deze trend bevordert dat internationaal opererende bedrijven meer rekening gaan houden met mensenrechten, arbeids- rechten en het milieu. De draagkracht van de aarde Niet-duurzame consumptie en productie, en toenemend gebruik van grondstoffen veroorzaken afname van de veerkracht van de aarde om in (hernieuwbare) grondstoffen te voorzien. Bij biotische grondstoffen speelt bovendien de concurrentie om land tussen belangrijke ecosystemen, voedselproductie, productie van biobrandstoffen, hout, vezels en dergelijke een wezenlijke rol. Dit kan tot sociale problemen in productielanden leiden en tot risico’s voor de economie van importerende landen. Duurzaam gebruik van grondstoffen vereist dat rekening wordt gehouden met de gevolgen in termen van people, planet en profit, zodat dit gebruik ook op langere termijn kan worden voortgezet, zonder afwenteling van negatieve aspecten op milieu en biodiversiteit, op andere regio’s in de wereld of toekomstige generaties. Bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn zich steeds meer bewust dat duurzaamheid noodzaak is voor economische ontwik- keling op langere termijn. Mondiaal opererende bedrijven passen hierop hun strategieën aan en vragen om kader- en randvoorwaardenstellend beleid om duurzame transities te versnellen en de eigen concurrentiepo- sitie te versterken. In verschillende sectoren zijn Nederlandse multinati- onals hierbij mondiaal smaakmakend. Investeren in duurzaamheid als kans Het dient benadrukt te worden dat er naast risico’s ook expliciete kansen zijn. Waar toegang tot schaarsere grondstoffen moeizamer wordt, neemt het belang van hergebruik en substitutie immers toe. Innovatie is hierbij een sleutelwoord. De Nederlandse economie is goed gepositioneerd om op dit punt kansen te verzilveren en de groeiende wereldwijde grondstof- fenschaarste om te zetten in een comparatief voordeel. Nederland heeft een centrale positie in Europa en een goed ontwikkelde infrastructuur voor recycling. Ook zet Nederland reeds in op transformatie naar een biobased economy gekoppeld aan duurzaamheids-randvoorwaarden. Dit maakt dat Nederland (mits innovatie wordt gestimuleerd) op het gebied van hergebruik en substitutie een leidinggevende rol in Europa kan spelen. Daarnaast zijn er kansen ten aanzien van de primaire productie van grondstoffen omdat Nederland een toonaangevende positie inneemt binnen de offshore grondstoffenwinning. 1 OECD Due Diligence Guidance for Responsi- Nederlandse grondstoffensituatie ble Supply Chain of Materials from Conflict- Affected and High Risk Areas. 2 De Europese Unie heeft 41 a-biotische grondstoffen beoordeeld op hun zeldzame aardmetalen, platina metalen groep, germanium, magnesium, antimoon, korte termijn belang voor de Europese economie. Veertien2 bleken kritisch gallium, indium, beryllium, kobalt, tantaal, vanwege een hoog economisch belang voor de Europese industrie fluorspar, grafiet, niobium, wolfraam. gecombineerd met een hoog voorzieningsrisico. Hieronder vallen 3 TNO en het CBS hebben aangegeven dat bijvoorbeeld ook zeldzame aardmetalen (zie kader op pagina 9). Vrijwel voor de Nederlandse economie vooral de productgroepen glas en bouwmaterialen, alle benodigde a-biotische grondstoffen worden door Nederland basismetalen, metaalproducten, machinerie geïmporteerd.3 De Regering gaat in haar analyses vooralsnog uit van de en installaties, kantoormeubelen en compu- 41 door de EU geïdentificeerde grondstoffen, aangevuld met fosfaat, goud ters, elektronische machines, medisch, en tin. Nationale prioriteiten ten aanzien van a-biotische grondstoffen zijn precisie en optische gereedschap, auto’s, ander transport en elektriciteit en gas echter nog niet definitief opgesteld. Dit vereist een nadere analyse van afhankelijk zijn van kritische grondstoffen. bedrijfs- en (top)sectoren die in de komende maanden zal worden Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 7 uitgevoerd. Zie voor een eerste indicatie het kader «Afhankelijkheid van topsectoren van grondstoffen» op pagina 9. Voor biotische grondstoffen bestaat nog geen Europese prioriteitsstelling. Voor consumptie en industriële verwerking zijn importen van biotische grondstoffen onomstotelijk cruciaal. Nederland heeft de keuze t.a.v. biotische grondstoffen in het kader van het Beleidsprogramma Biodiver- siteit (2008) en het Initiatief Duurzame Handel (IDH) de facto al wel gemaakt, uitgaande van de criteria «belang voor de Nederlandse economie» en «duurzaamheid». Toegang tot en verduurzaming van hout, soja, palmolie, vis(meel), veen, cacao, koffie en specerijen blijft ook de komende jaren cruciaal voor de Nederlandse concurrentiepositie binnen de topsectoren Agro-Food, Tuinbouw en uitgangsmaterialen, Water, Energie en Chemie. Los van de nog nader te bepalen directe afhankelijkheidsgraad van ruwe grondstoffen staat vast dat Nederland een belangrijk doorvoerland is van zowel biotische als a-biotische grondstoffen. Logistiek, invoer en uitvoer, zijn essentiële onderdelen van de Nederlandse economie. Een minder open markt voor grondstoffen kan daarom directe gevolgen voor de Nederlandse economie hebben. Op het vlak van a-biotische grondstoffen voor de eigen industrie is Nederland vooral een grote importeur van halffabricaten, niet zozeer van ruwe grondstoffen1. Daarnaast heeft ons land een relatief kleine maar technologisch hoogwaardige industrie; een belangrijke agrosector die 10% van de werkgelegenheid genereert en die een grote afhankelijkheid kent van de import van biotische grondstoffen voor menselijke consumptie en veevoer. Veel Nederlandse grote multinationals hebben banden met biotische en a-biotische grondstofpro- ducenten. Binnen de Europese Unie is er geen land van vergelijkbaar formaat met een vergelijkbare positie in de internationale grondstoffen- stromen. Afhankelijkheid topsectoren van grondstoffen Topsector Voorbeelden van gerelateerde producten en grondstoffen Agro-Food Fosfaat voor kunstmest, soja voor veevoeder, palmolie, cacao, koffie, specerijen, vis(meel) Tuinbouw en Veen als substraat t.b.v. plant veredeling en kweek uitgangsmaterialen High Tech Germanium in optische kabels en optische infrarood technologieën; materialen en cerium in computers; antimoon, niobium en tantaal in microcondensato- systemen ren; ijzererts, cokes, injectiekolen, tin en zinkertsen voor staal; bauxiet/ aluinaarde voor aluminium; zilver, goud en koper voor elektronische apparatuur; wolfraam, niobium, vanadium, nikkel, mangaan en chroom voor speciale staalsoorten. Energie Neodymium, dysprosium en samarium in permanent-magneten; indium, gallium, seleen en telluur in zonnecellen; platina in brandstofcellen; europium, yttrium, gallium en indium in LED-verlichting; lithium, kobalt en zeldzame aardmetalen in batterij-technologie; biomassa voor energieopwekking Logistiek Lithium en neodymium in elektrische auto’s; kobalt en samarium in hoge snelheidstreinen; scandium-legeringen in lichtgewicht vliegtuigframes; magnesium voor metaallegeringen in auto’s; platina, palladium en rhodium in auto-uitlaatgaskatalysatoren; Creatieve industrie Niobium, antimoon en tantaal in computerchips; zeldzame aardmetalen zoals yttrium-, europium, terbium en indium in LCD-technologie Life-sciences Tantaal in medische technologie Chemie Platina en palladium in katalysatoren; kobalt in synthetische brandstof; zeldzame aardmetalen als katalysatoren Water Palladium voor ontzilting; hout voor damwanden, steigers en meerpalen 1 Voor de staalproductie en -industrie worden wel ruwe grondstoffen geïmporteerd. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 8 Zeldzame aardmetalen TNO heeft met CE Delft in navolging op de kwalitatieve studie van het CBS, voor de metalen neodymium, indium en koper kwantitatief bekeken in hoeverre de Nederlandse economie hiervan afhankelijk is. Uit de studie blijkt dat indium, neodymium en koper niet als pure grondstof het land binnenkomen, maar voornamelijk als onderdeel van halffabricaten en componenten. Dit is een cruciaal kenmerk van de Nederlandse economie; een geavanceerd handelsland. Grond- stofwinning van ertsen komt niet voor, productie van «lower-end» componenten en ook «high-end» (assemblage) vindt in het buitenland plaats. Het blijkt dat de bedrijfstakken die indium bevattende goederen verwerken/produceren bevatten, bijna één miljard euro aan toegevoegde waarde produceerden in 2009; meer dan 22 duizend mensen vinden er werk. Dat is 0,3% van het Nederlandse totaal. Voor neodymium is dat ruim 250 miljoen euro en 7 300 mensen (0,1% van het Nederlandse totaal). Voor koper is dat minder bescheiden: 2,9 miljard euro (0,6% van Nederlands BBP) en vinden er 70,4 duizend mensen werk (0,9%). Hoofdstuk 2 Naar een NL grondstoffen- voorzieningszekerheids- strategie Van analyse naar strategie Uit de analyse blijkt dat op langere termijn een toereikend aanbod van kwaliteitsgrondstoffen geen vanzelfsprekendheid is. Economische schaarste, veranderde geopolitieke omstandigheden en niet-duurzame consumptie en productie van grondstoffen zijn hiervan de oorzaken. Nederlandse topsectoren lopen hierdoor mogelijk risico’s, maar kunnen er ook garen bij spinnen. Risico’s kunnen hanteerbaar gemaakt worden en kansen verzilverd door in te zetten op een goed aanbod (veiligstellen van beschikbaarheid en vergroten van duurzaamheid), het waar mogelijk verduurzamen en beperken van de nationale vraag, en door het gebruik van grondstoffen efficiënter te maken. Rol van de Nederlandse overheid De beschreven economische, geopolitieke en maatschappelijke ontwikke- lingen maken voorzieningszekerheid van grondstoffen van strategisch nationaal belang. Het ontwikkelen van een Nederlandse grondstoffenstra- tegie is dus opportuun. Het Kabinet zet daarbij in op een strategie die zoveel mogelijk aansluit bij Europese trajecten en daar waar nodig inspeelt op het grondstoffenbeleid van belangrijke handelspartners. Waar nodig zal in bilateraal of breder multilateraal kader worden opgetrokken. Uitgangspunt is dat het zekerstellen van de grondstoffenaanvoer primair een zaak is voor het bedrijfsleven. Echter, waar de markt niet goed werkt, zal de Nederlandse overheid via gepaste kanalen interveniëren (EU, WTO etc.). Waar zich specifieke kansen voor Nederland voordoen zal het Kabinet -ook op initiatief van het bedrijfsleven en in samenspraak met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties- waar mogelijk een actieve bijdrage leveren. De Nederlandse overheid kan faciliteren en stimuleren, initiatieven verbinden, kaders stellen, marktprocessen benutten en waar nodig aansturen op een maatschappelijk gewenste uitkomst. Bewustwording van de mogelijke bedreigingen en kansen die het grondstofvraagstuk oproept, hoort hier bij. De Regering heeft een Speciale Vertegenwoordiger Natuurlijke Hulpbronnen aangesteld om bij te dragen aan de totstandkoming van een Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 9 Nederlands internationaal beleid op lange termijn en duurzame voorzie- ningszekerheid van onder andere grondstoffen. Om voorzieningsze- kerheid te bevorderen, zal hij een nationaal en internationaal netwerk van overheden, bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen en belangen maatschap- pelijke organisaties (o.a. NGO’s) ontwikkelen. Naast sterke banden met de EU, zal hij bilaterale relaties met grondstof producerende landen op- en verder uitbouwen. Langs de lijnen van reeds bestaande verbanden, zoals het Platform Materiaal Schaarste en het Kennisplatform Duurzaam Grondstoffenbeheer, zal de samenwerking van de overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen worden geïntensiveerd. Hierbij kan tevens gedacht worden aan een conferentie op nationaal of op Europees niveau. Vrijhandel en open systeem Handel, de verwerkende industrie en logistiek zijn voor Nederland belangrijke inkomstenbronnen. De inzet voor ons buitenlands beleid t.a.v. grondstoffenvoorzienings-zekerheid moet dus allereerst gericht blijven op het in stand houden van een open wereldwijd handelssysteem. Juist voor handelsnatie als Nederland is het van belang dat een ongebreidelde wereldwijde strijd om grondstoffen wordt voorkomen. Iedereen zou daarbij immers verliezen. Ons beleid dient derhalve nog sterker gericht te zijn op bevorderen van internationaal gerespecteerde spelregels en effectieve multilaterale kaders. EU De Europese Raad nam op 10 maart 2011 conclusies aan over de mededeling «Grondstoffen en grondstoffenmarkten: uitdagingen en oplossingen.» Deze mededeling is een van de initiatieven in het kader van het Europese vlaggenschipinitiatief Resource Efficiency,1 dat moet bijdragen aan de beoogde slimme, duurzame en inclusieve groei uit de EU-2020 strategie. De Nederlandse Regering omarmt dit initiatief, omdat de continuïteit van de hulpbronnenvoorziening is gebaat bij een integrale Europese aanpak, waarbij synergie tussen sectoren (zoals industrie, landbouw, transport, energie) wordt benut en afwenteling van effecten wordt tegengegaan. Het Kabinet is van mening dat een forse omscha- keling nodig is om een grondstoffenefficiënt Europa te bereiken en steunt de ontwikkeling van een passende instrumentenmix met onder meer innovatie- en marktconforme instrumenten. De hoofdlijnen zijn ook terug te vinden in de principes die de Commissie verwoordt als de basis voor een geïntegreerde strategie voor het verzekeren van de toegang tot grondstoffen voor het Europese bedrijfs- leven: – de markt voor grondstoffenderivaten moeten transparanter en stabieler worden, onder meer door aanpassing van de richtlijnen over marktmisbruik en markten in financiële instrumenten; – er moet meer onderzoek worden gedaan naar de wisselwerking tussen de financiële en de grondstoffenmarkten; – de bestaande lijst met veertien kritieke grondstoffen moet regelmatig worden aangepast aan de marktontwikkelingen; – de Commissie en lidstaten moeten tijdig maatregelen kunnen nemen als de beschikbaarheid van bepaalde kritieke grondstoffen in het geding is; – de EU moet haar handelsstrategie door middel van «grondstoffendi- plomatie» aanscherpen en aankaarten in internationale contacten en 1 onderhandelingen; Het vlaggenschipinitiatief Resource – de EU moet meer bilateraal samenwerken met grondstof produce- Efficiency betreft naast grondstoffen ook andere hulpbronnen, zoals water en eco- rende ontwikkelingslanden om goed bestuur, investeringen en systemen. geologische kennis en vaardigheden te stimuleren. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 10 Diverse Europese landen – zoals Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk – hebben al een eigen grondstoffenbeleid. Dit beleid loopt vanwege verschillende nationale belangen echter sterk uiteen. Dit brengt het risico van verzwakking van de Europese positie met zich mee. Er zou een situatie kunnen ontstaan waarin de Europese belangen onvoldoende behartigd worden binnen de veranderende context van een multipolaire wereld. Voor Nederland is inzet op een sterk Europees beleid, gericht op het bevorderen van een open handelssysteem daarom belangrijk. Daar waar de EU bevoegd is zal Nederland actief de vorming van beleid stimuleren. Daarnaast zullen partnerschappen worden gezocht met EU-lidstaten om ook de nationale strategieën met elkaar af te stemmen. Bilateraal beleid en strategische partnerschappen De specifieke kenmerken van de Nederlandse economie en daarmee samenhangende belangen1 vereisen naast EU-beleid aanvullend nationaal beleid. Bilaterale relaties en strategische partnerschappen zijn daarbij van groot belang. Met een belangrijke handelspartner als Duitsland bijvoor- beeld; om de Nederlandse doorvoerpositie van grondstoffen te behouden en eventueel daaruit voortkomende gezamenlijke belangen te behartigen. En met internationale organisaties, maatschappelijke organisaties en andere actoren die in deze voor Nederland van belang zijn. Ook zijn goede relaties met grondstoffen producerende landen belangrijk. Uit de initiële analyse blijkt dat Nederland voor de eigen industrie relatief weinig behoefte heeft aan ruwe a-biotische grondstoffen maar vooral aan geïmporteerde halffabricaten. Het kan daarom tevens zinvol zijn relaties aan te halen en allianties te sluiten met landen die een belangrijke leverancier van dergelijke halffabricaten zijn. NB de Nederlandse Regering heeft hier weinig directe invloed op maar kan het bedrijfsleven waar nodig ondersteunen. In het algemeen geldt dat constructieve relaties met handels- en andere strategische partners alleen maar belangrijker worden – juist ook om het open wereldhandelssysteem in stand te houden. In het kader van economische diplomatie en de herinrichting van het postennet kiest Nederland met welke strategische partners het de betrekkingen wil intensiveren. Grondstoffenschaarste als kans Zoals gezegd biedt toenemende grondstoffenschaarste de Nederlandse economie een unieke kans.2 Andere extractiemethoden dan het ontginnen van ruwe grondstoffen worden door de toenemende schaarste en bijbehorende prijsstijgingen interessant. Recycling, urban mining, deep sea mining, grondstoffeninnovatie, het bevorderen van mijnbouwactivi- teiten in Europa en het ontwikkelen van nieuwe materialen worden economisch interessante alternatieven. Nederland heeft, als voorloper op duurzaamheid en vanwege haar unieke positie in de mondiale logistieke keten, op deze terreinen grote toegevoegde waarde te bieden. Veel topsectoren (Agro-Food, High Tech materieel en systemen, Creatieve 1 industrie, Chemie en Water) hebben een voorsprong op deze terreinen en handelsnatie, relatief grote belang van kunnen daarbij verder worden ondersteund door (deels al bestaand) biotische grondstoffen en positie van onze mainports. overheidsbeleid. Nederland kan tot de internationale onderzoekstop op 2 het bedrijfsleven (VNO-NCW) beaamt dit en het gebied van grondstoffeninnovatie gaan behoren, mits de innovatie- vraagt de overheid dit thema op deze manier agenda hier mede op wordt gericht. Materiaalsubstitutie3 en de transitie te benaderen (zie de Afvalbrief). 3 naar een biobased economy binnen duurzaamheidsrandvoorwaarden, het vervangen van «kritische» mineralen en metalen door in overvloed aanwezige bieden eveneens markt- en innovatieperspectief. elementen van het periodiek systeem. Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 11 Afval wordt gezien als grondstof. Door in te zetten op een hoogwaardige verwerking kan meer waarde uit afval worden gehaald en kan winst voor het milieu worden gecombineerd met winst voor de economie. Het Kabinet zal in de Afvalbrief beschrijven hoe zij grondstoffenrotondes bevordert. Een grondstoffenrotonde richt zich op het sluiten van kring- lopen voor grondstoffen en hoogwaardige recycling, waar zowel milieu als economie daar baat bij hebben. Door de prijsstijgingen van grondstoffen kan ook mijnbouw in Europa (weer) economisch aantrekkelijk worden. Voor Nederland liggen daar kansen vanwege zijn unieke expertise op het gebied van (onder- zee-)exploratie en duurzame mijnbouw van a-biotische grondstoffen (zoals ook terugwinning van fosfaat uit bijvoorbeeld rioolwater en mest). Ook consumenten tonen een toenemende interesse in duurzaamheid. Nederlandse bedrijven als DSM, TNT, KLM en Unilever komen tegemoet aan die vraag en scoren hoog op de duurzaamheidsindex van de Dow Jones. Duurzaam gebruik van grondstoffen zal ook door de toenemende schaarste en de bijbehorende economische noodzaak steeds meer aandacht krijgen. Nederlandse en Europese bedrijven hebben door de hogere eisen die hier gesteld worden een voorsprong op ondernemingen uit bijvoorbeeld opkomende economieën. Door in eigen land in te blijven zetten op diversificatie van grondstofgebruik, substitutie, recycling en hergebruik kan winst worden geboekt. Ontwikkelingssamenwerking Voor grondstof producerende ontwikkelingslanden kunnen duurzame winning en verwerking van grondstoffen een katalysator vormen voor economische groei, export en armoedebestrijding. Echter, dit potentieel wordt niet altijd benut omdat winning ook plaatsvindt in fragiele landen met een zwak bestuur waar deze sector vaak is omgeven door geweld, conflict, corruptie en mensenrechtenschendingen. Ontwikkelingssamen- werking op het gebied van goed bestuur, transparantie en duurzaam gebruik van ruimte kan er aan bijdragen dat de opbrengsten van grondstoffenexport ten goede komen aan de duurzame ontwikkeling van het land. Het levert hiermee een basis voor meer handel en verbeterde transparantie en een stabielere grondstofvoorziening met lagere prijsvolatiliteit, en dient daarmee een direct Nederlands belang. Hetzelfde geldt voor internationale initiatieven op het gebied van duurzaam grondstoffenbeheer, bijvoorbeeld op het gebied van certifi- cering van conflictgrondstoffen en het openbaar maken van betalingen aan mijnbouwbedrijven en Regeringen (Extractive Industries Transpa- rancy Initiative EITI). Nederlandse ontwikkelingssamenwerking onder- steunt verschillende van deze initiatieven. Ook het creëren van degelijke (internationale) regelgeving en handhaving zijn relevante onderdelen van een grondstofstrategie. Met betrekking tot biotische grondstoffen wordt met het Initiatief Duurzame Handel (IDH) succes geboekt. Producenten in de hele productie- keten (bv palmolie, soja, cacao/chocola, thee) werken samen met maatschappelijke organisaties en overheden aan verduurzaming van de grondstoffenvoorziening en voorzieningszekerheid wereldwijd. Landen als China en Japan zetten hun ontwikkelingssamenwerking in als instrument om grondstoffenvoorziening zeker te stellen. Nederland dient dit beleid niet te kopiëren, maar kan er wel lering uit trekken. Bijvoorbeeld door zijn goed uitgebouwde ontwikkelingssamenwerkingsnetwerk inzetten ten behoeve van ontwikkelingscoherent beleid, waarbij weder- Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 12 zijds profijtelijke economische belangen en grondstoffenzekerheid hand in hand gaan. Maar ook de inzet op bijvoorbeeld het Europese nabuur- schapsbeleid kan hierop aangepast worden (bv fosfaat in Marokko). Hoofdstuk 3 Actiepunten Op korte en middellange termijn zal de Regering werken aan de volgende actiepunten. Agenda 1 – Aanbod Veiligstellen van de beschikbaarheid en het vergroten van de duurzaamheid van grondstoffen door in te zetten op nieuw aanbod, het sluiten van kringlopen (hergebruik, recycling) en het zoeken van oplos- singen voor fosfaat als eindige voorraad. Optimaal benutten van grondstoffen in Nederland en in de EU om afhankelijkheid van grondstoffen van buiten de EU te verkleinen. De Regering zet in op: – het wegnemen van regels die onnodig belemmerend werken. – nieuwe initiatieven die zich richten op duurzame oplossingen voor grondstoffenschaarste, zoals het Kennisplatform Duurzaam Grondstof- fenbeheer in oprichting bij de TU Delft en het Platform Materiaal Schaarste (HCSS en TNO). – uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek naar samenwerking met Japan op het gebied van recycling en substitutie van zeldzame aardmetalen (najaar 2011) en naar samenwerking met Australië en China ter vermindering van de milieudruk door het winnen van zeldzame aardmetalen (eveneens najaar 2011). – een Plan van Aanpak Fosfaat helpen creëren, waarin bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden met elkaar oplossingen versnellen. – het faciliteren van certificering van veen door het bedrijfsleven in samenwerking met maatschappelijke organisaties, en het met deze partijen onderzoeken of alternatieven voor veen kunnen worden ontwikkeld. Bevordering internationale stabiliteit en vergroting van transparantie over contracten en financiële stromen. De Regering zal: – financiële steun geven aan The Natural Resource Charter, het Kimberley Proces, het regionale initiatief tot grondstoffencertificering van de International Conference on the Great Lakes Region en aan het Extractive Industries Transparancy Initiative (EITI). – op basis van de verwachte internationale ontwikkelingen in de verschillende transparantie-initiatieven, waaronder die in de EU, op gepast moment EITI of een vergelijkbaar initiatief in Nederland invoeren. – lobbyen bij internationale financiële instellingen om bedrijven die zich aantoonbaar houden aan EITI regels voorrang te geven bij aanbeste- dingsprocedures. Verlening van technische assistentie en expertise bij contractonderhandelingen over grondstoffenexploitatie aan ontwikke- lingslanden zou hier ook afhankelijk gemaakt moeten worden. – bevorderen dat OS-landen die EITI succesvol hebben geïmplemen- teerd (zoals Liberia) andere Afrikaanse landen kunnen bijstaan; – de OESO «Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chain of Materials from Conflict-Affected and High Risk Areas» en de Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 852, nr. 1 13 VN-richtlijnen van Ruggie over «business and human rights» actief uitdragen. De Regering zet in op de volgende Europese trajecten: – het naar Nederland halen van één van de tien pilot plants voor demonstratieprojecten die men voorziet vanuit het Raw Materials Initiative. – het gebruiken van EU-kaders (zoals het Europese Eco-Innovatie Actieplan en het Kaderprogramma voor Onderzoek) om die innovaties op het gebied van grondstoffen efficiëntie, recycling, eco-innovatie en eco-design te programmeren die voor Nederlandse bedrijven van belang zijn. – het bijdragen aan initiatieven ter vergroting van meer transparantie in termijnhandel. – het inbrengen van specifieke expertise van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in Europese ontwikkelingssamenwerking en -partnerschappen met grondstofrijke landen (bv. Nederlandse recycling technologie en logistiek). – het delen van Nederlandse ervaringen en «best practises» bij het verduurzamen van handelsketens (bv. IDH, Ronde Tafels). Agenda 2 – Vraag De nationale vraag naar grondstoffen waar mogelijk verduurzamen en beperken.1 De overheid stimuleert met haar eigen inkoopbeleid en bedrijfsvoering efficiënt, duurzaam en innovatief (her)gebruik van grondstoffen door: – bij de aanbestedingspraktijk van grote bouwprojecten -naast het energieverbruik- ook verduurzaming en beperking van het grondstof- fengebruik een rol te laten spelen. – in de Etalage die in het kader van duurzaam en innovatiegericht inkopen wordt ingericht specifiek aandacht aan de rol van grondstof- fen te besteden; – de topsectoren uit te nodigen om aan te geven voor welke grondstof- fen (waarvan de overheid een grote inkoper is) zij risico’s zien, zodat heldere prioriteitstelling mogelijk is. – voor de ontwikkeling van kansrijke alternatieven door substitutie, vermindering van materiaalgebruik en hergebruik het Small Business Innovation Research Program (SBIR) in te zetten. – in de eigen bedrijfsvoering van het Rijk aandacht te schenken aan het terugwinnen van strategische grondstoffen door ketenafspraken over productontwerp, het beter benutten van afvalstromen, het afnemen van diensten in plaats van producten en het terugwinnen van fosfaat uit afvalwater. Duurzaamheidstandaarden in EU-verband. De Regering zal: – de ervaring met «Round Tables» in EU-verband inbrengen als «best practise». – in overleg met de Europese Commissie de mogelijkheden verkennen om de EU aanpak ter bevordering van de handel in en productie van aantoonbaar legaal en duurzaam hout ook toe te passen op andere

Powered by League of Brilliance