- Personen
- Publicaties
-
Organisaties
- Adviescolleges
- Colleges
- Deelgemeentes
- Diensten en agentschappen
- Gemeentes
- Hoog college van Staat
- Koepelorganisaties
- Ministeries
- Openbaar lichaam voor bedrijf en beroep
- Politiekorpsen
- Provincies
- Rechterlijke Macht
- Regering
- Regionale samenwerkingsorganen
- Staten-Generaal
- Waterschappen
- Zelfstandige Bestuursorganen
- Partijen
- Tweets
- Nieuws
Ontwerp-ministeriële regeling en wijziging van het activiteitenbesluit (afvalgerelateerde activiteiten in het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)
| Datum publicatie: | 2010-03-17 |
| Jaargang: | 2010 |
| Organisaties: |
STAATSCOURANT
Nr. 4349
17 maart
2010
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Ontwerp-ministeriële regeling en wijziging van het activiteitenbesluit
(afvalgerelateerde activiteiten in het besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer)
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt ingevolge artikel 21.6,
vierde lid, van de Wet milieubeheer bekend dat gedurende vier weken na dagtekening van deze
Staatscourant een ieder schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp
van een algemene maatregel van bestuur en ontwerp ministeriële regeling.
Adres: Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
t.a.v. PorPsg/BJZ/KL
Postbus 20951
2500 EZ DEN HAAG
Besluit van ...... houdende wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
(afvalgerelateerde activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van
......, nr. BJZ......, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake de
geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 24), richtlijn nr. 2000/60/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een
kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), richtlijn nr.
2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006
betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch
milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), richtlijn nr. 80/68/EEG van de Raad van
17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt
door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 20) en richtlijn nr. 2006/118/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de
bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU
L 371), richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;
Gelet op de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste
lid, onder i, 2.4, tweede lid, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
en op de artikelen 6.6 en 6.7 van de Waterwet;
De Raad van State gehoord (advies van{.., nr{{ W);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer van , nr. BJZ, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden ingevoegd:
1 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
a. na de begripsomschrijving van ‘andere hernieuwbare brandstoffen’:
autodemontagebedrijf: inrichting voor het demonteren van autowrakken;
autowrakkenrichtlijn: richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269);
b. na de begripsomschrijving van ‘ISO’:
jachthaven: inrichting voor het bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen;
c. na de begripsomschrijving van ‘NRB’:
odour unit: Europese eenheid voor geurconcentratie volgens NEN-EN-13725;
d. na de begripsomschrijving van ‘verbruik van vluchtige organische stoffen’:
verdichten: reduceren van het volume;
verkleinen: in kleinere delen opdelen;
e. na de begripsomschrijving van ‘vluchtige organische stoffen’:
voertuig:
1°. bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen met een maximum gewicht
van ten hoogste 3500 kilogram;
2°. personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, of
3°. bromfiets als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, niet zijnde een voertuig op
twee wielen;
2. De begripsomschrijving van ‘autowrak’ komt te luiden:
voertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet.
3. De definitie van ‘bunkerstation’ komt te luiden:
bunkerstation als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;
B
In artikel 1.2 wordt in de begripsomschrijving van ‘inrichting type A’, onder vernummering van
onderdeel g tot h, na onderdeel f een onderdeel ingevoegd, luidende:
g. waar geen activiteiten worden verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig
zijn;
C
Onder verlettering van artikel 1.4, derde lid, onderdelen c tot en met f tot b tot en met e, vervalt
onderdeel b.
D
Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid, tot zevende tot en met tiende lid, en
van het achtste tot twaalfde lid, worden na het derde lid, drie leden ingevoegd, luidende:
4. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek
gevoegd indien in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht
metalen mechanisch worden bewerkt.
5. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek
gevoegd indien de melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie 27.3 van
onderdeel C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht.
6. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek
gevoegd indien airbags of gordelspanners worden geneutraliseerd, anders dan door het
2 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
demonteren van airbags en gordelspanners uit een autowrak.
2. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘als bedoeld in het eerste, tweede, of derde lid’ vervangen door: als
bedoeld in het eerste tot en met zesde lid.
3. Na het tiende lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende;
11. In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, geeft het rapport tevens een beschrijving van het
langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de inrichting op de zone-
grens en op geluidgevoelige objecten binnen de zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan
beoordelen of aan de geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan.
E
Na artikel 1.14a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.14b
1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van een jachthaven, het
aantal ligplaatsen gemeld waarover de jachthaven beschikt.
2. Indien de jachthaven, bedoeld in het eerste lid, beschikt over meer dan 50 ligplaatsen worden
in de volgende gevallen tevens de volgende gegevens gemeld:
a. indien de jachthaven geen bilgewater inneemt het aantal ligplaatsen uitsluitend bestemd
voor pleziervaartuigen die geen binnenboordmotor hebben, en
b. indien de jachthaven geen huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten
inneemt, het aantal ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen zonder een
vaste afsluitbare verblijfsruimte.
F
Na artikel 1.15 worden in afdeling 1.2 twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 1.16
1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van het opslaan, overslaan,
bewerken of verwerken van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, de
volgende gegevens gemeld:
a. de afvalstoffen en de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in bijlage 1, onderdeel C,
onderdeel 28.10, onder 1° tot en met 31° bij het Besluit omgevingsrecht, en
b. per handeling per afvalstof de maximale opslagcapaciteit en de be- of verwerkingscapaci-
teit per jaar.
2. Indien de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, worden ingezameld bij of worden afgegeven
door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, wordt bij de melding een
beschrijving gevoegd van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen
afvalstoffen, bedoeld in artikel 2.14b.
Artikel 1.17
1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van de oprichting van een
zuiveringtechnisch werk of verandering van een zuiveringtechnisch werk die van invloed is op
de geurbelasting op gevoelige objecten, een rapport van een geuronderzoek gevoegd.
2. Uit het rapport van een geuronderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van de
verrichte geurberekeningen of aan de waarden, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid,
dan wel artikel 6.19a, tweede tot en met vijfde lid, is voldaan. In het rapport wordt aangegeven
welke voorzieningen worden getroffen om de geuremissie te beperken.
G
In artikel 2.11, derde lid, wordt ‘vloeibare brandstof of afgewerkte olie’ vervangen door: vloeibare
brandstof, afgewerkte olie of pekel.
3 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
H
Artikel 2.12 komt te luiden:
Artikel 2.12
1. Het is verboden:
a. gevaarlijke afvalstoffen te mengen met afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen;
b. afvalstoffen te mengen met andere afvalstoffen die wat betreft aard, samenstelling of
concentraties niet vergelijkbaar zijn, en
c. afvalstoffen te mengen met stoffen, niet zijnde afvalstoffen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op afvalstoffen,
voor zover:
a. de afvalstoffen geen gevaarlijke afvalstoffen zijn;
b. de afvalstoffen niet van buiten de inrichting afkomstig zijn; en
c. het gescheiden houden en gescheiden afgeven van de afvalstoffen redelijkerwijs niet kan
worden gevergd.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op het
mengen in het kader van product- of materiaalhergebruik.
4. Bij ministeriële regeling worden categorieën van afvalstoffen aangewezen waarin per categorie
de afvalstoffen worden opgenomen die wat betreft aard, samenstelling en concentratie in ieder
geval vergelijkbaar zijn.
I
In artikel 2.14 wordt ‘metaal, hout, kunststof of textiel,’ telkens vervangen door: metaal, hout,
kunststof, textiel, steenachtige materialen of gips.
J
Na artikel 2.14 worden in afdeling 2.5 twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 2.14a
1. Het is verboden afvalstoffen te verbranden.
2. Het is verboden afvalstoffen op of in de bodem te brengen met het doel ze daar te laten.
3. Het tweede lid geldt niet voor het toepassen van bouwstoffen en het toepassen van grond of
baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.
4. Het is verboden afvalstoffen voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaren op te
slaan.
5. Het is verboden afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering langer dan een jaar op te slaan.
6. Uiterlijk binnen acht weken na de beëindiging van de inrichting worden de daarin aanwezige
afvalstoffen uit de inrichting afgevoerd.
Artikel 2.14b
1. Indien binnen een inrichting afvalstoffen worden op- of overgeslagen, bewerkt of verwerkt die
worden ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting
drijft, is binnen de inrichting een actuele beschrijving aanwezig van de procedures van
acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer
van die afvalstoffen.
2. De beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderscheidt groepen van afvalstoffen waarvoor
vanuit het oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures worden
gehanteerd en omvat per onderscheiden groep van afvalstoffen in ieder geval de volgende
elementen:
a. het type ontdoener waarvan afvalstoffen worden aangenomen, voor zover dit gevolgen
heeft voor de acceptatie en controle;
4 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
b. de eisen die degene die de inrichting drijft, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen
worden aangeboden;
c. de manier waarop de afvalstoffen worden gecontroleerd bij ontvangst; en
d. de manier waarop de afvalstoffen die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken
van wat gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.
3. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat uitsluitend afvalstoffen worden
ingenomen voor zover de procedures van acceptatie en controle, die voldoen aan de eisen in
het eerste en tweede lid, binnen de inrichting in acht worden genomen.
4. Het bevoegd gezag kan in het belang van doelmatig beheer van afvalstoffen maatwerkvoor-
schriften stellen aan de invulling van de procedures, bedoeld in het eerste lid.
K
In artikel 2.22, eerste en tweede lid, wordt ‘ongevallenbestrijding en brandbestrijding’ vervangen door:
ongevallenbestrijding, brandbestrijding en gladheidbestrijding.
L
Na artikel 3.5 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3.1.4a Behandeling van stedelijk afvalwater
Artikel 3.5a
Deze paragraaf is van toepassing op zuiveringtechnische werken, voor zover het de waterlijn
betreft met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Artikel 3.5b
1. De geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk is ter plaatse van gevoelige
objecten niet meer dan 0,5 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
2. In afwijking van het eerste lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk
ter plaatse van gevoelige gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijven-
terrein danwel buiten de bebouwde kom en ter plaatse van gevoelige terreinen, niet meer dan
1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt bij een zuiveringtechnisch werk voldaan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
4. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in het
zuiveringtechnisch werk worden aangebracht en welke gedragsmaatregelen worden getroffen
ten einde geurhinder als gevolg van het opslaan en verladen van slib te voorkomen dan wel te
beperken.
Artikel 3.5c
De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19a, tweede tot en met
vierde lid, wordt bepaald volgens de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.5d
1. In afwijking van artikel 2.9 worden bij het ontwerp, de aanleg en het gebruik van het gedeelte
van de waterlijn, vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank, alsmede van het
gedeelte van het zuiveringtechnisch werk waar slibontwatering, opslag en leidingwerk met
primair slib plaatsvindt, bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende
maatregelen getroffen waarmee een aanvaardbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
2. De bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen in verband met de goede
werking van die voorzieningen en maatregelen, en omtrent de controle van die eisen alsmede
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen in verband met de mogelijkheid om bodemver-
ontreiniging te kunnen signaleren en indien nodig te herstellen.
5 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
M
Na paragraaf 3.3.5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3.3.6 Opslaan en overslaan van goederen
Artikel 3.31
1. Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van goederen, met uitzondering van:
a. gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen;
b. vloeibare bodembedreigende stoffen;
c. mest en agrarische bedrijfsstoffen bij landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en
inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhande-
len, verladen of wegen van dieren; en
d. vaste kunstmeststoffen.
2. Op een inrichting type C is deze paragraaf uitsluitend van toepassing op het brengen van
afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlakte-
waterlichaam voor zover er sprake is van op- en overslag van:
a. cokes, steenkool, ertsen en derivaten van ertsen;
b. goederen behorend tot de stuifklassen S1 en S2 volgens bijlage 4.6 van de NeR;
c. gevaarlijk afval anders dan autowrakken;
d. veevoeder;
e. granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, mais, of derivaten daarvan;
f. grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld op grond van artikel 38 van
het Besluit bodemkwaliteit; of
g. grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de waarden, bedoeld in de artikelen 59 en 60
van het Besluit bodemkwaliteit, overschrijdt tenzij die ter plaatse van de opslag voldoet aan
de eisen van artikel 52 van dat besluit.
N
De artikelen 4.8 tot en met 4.10 worden vernummerd tot de artikelen 3.32 tot en met 3.34, die na artikel
3.31 worden ingevoegd in paragraaf 3.3.6.
O
In de artikelen 3.32, 3.33, eerste lid, aanhef en 3.34, aanhef en onder c en d (nieuw), wordt ‘bulkgoede-
ren’ vervangen door: goederen.
P
Na artikel 3.34 wordt in paragraaf 3.3.6 een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 3.35
Bij het voldoen aan artikel 3.34, onderdelen a en b, wordt de opslag van asbesthoudende
afvalstoffen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet ten minste
overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 uitgevoerd.
Q
Artikel 4.14 vervalt en de artikelen 4.11, 4.12, 4.13 en 4.15 worden vernummerd tot de artikelen 3.36 tot
en met 3.39 die na artikel 3.35 worden ingevoegd in paragraaf 3.3.6.
R
Artikel 3.36 komt te luiden:
Artikel 3.36
1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen wordt ten
minste voldaan aan het tweede tot en met twaalfde lid.
2. Indien de opgeslagen goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen
goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
6 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
3. Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater
dat in contact is geweest met op- of overgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn
aangewezen, is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan
50 milligram per liter.
4. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen
goederen die bij ministeriele regeling zijn aangewezen vindt slechts dan in een vuilwaterriool
plaats indien lozen als bedoeld in het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan
onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
5. Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat met het oog op het lozen van afvalwater
geen bijzondere bescherming behoeft, op of in de bodem of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater
dat in contact is geweest met andere opgeslagen goederen dan bedoeld in het derde lid is
toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden vermeld in tabel 3.36 niet
worden overschreden.
Tabel 3.36
Parameter Emissiegrenswaarde
Chemisch zuurstof verbruik 200 milligram per liter
Onopgeloste stoffen 300 milligram per liter
Som zware metalen 1 milligram per liter
Minerale olie 20 milligram per liter
PAK’s (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)py- 50 microgram per liter
reen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen)
Extraheerbaar organisch chloor 5 microgram per liter
Totaal stikstof 10 milligram per liter
Fosfor 2 milligram per liter
6. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het vijfde lid, bij maatwerk-
voorschrift ruimere emissiegrenswaarden vaststellen, voor zover het belang van het voorko-
men dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontrei-
niging en verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet.
7. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op afvalwater dat afkomstig is van
het overslaan van andere goederen dan bedoeld in het derde lid.
8. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het vijfde en zevende lid, in een vuilwaterriool is toegestaan
indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
9. Het te lozen afvalwater dat afkomstig is van een ruimte waar andere goederen dan bedoeld in
het derde en vijfde lid worden opgeslagen in een vuilwaterriool is toegestaan indien enig
steekmonster niet meer bevat dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
10. In afwijking van het negende lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in
enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander
afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
11. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde tot en met tiende lid, kan op een doelmatige wijze
worden bemonsterd.
12. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zware metalen verstaan: arseen, chroom, koper,
lood, nikkel en zink.
S
1. In artikel 3.37 (nieuw) wordt ‘bulkgoederen’ vervangen door: goederen.
2. In artikel 3.38, eerste lid, aanhef en tweede lid, (nieuw) wordt ‘stuifgevoelige bulkgoederen’
vervangen door: stuifgevoelige goederen.
7 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
3. In artikel 3.39 wordt ‘bulkgoederen en stukgoederen’ vervangen door: goederen.
T
Na artikel 3.39 (nieuw) wordt in paragraaf 3.3.6 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.40
1. Bij het opslaan en overslaan van bederfelijke afvalstoffen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling voorgeschreven
maatregelen toegepast.
2. De opslag van goederen boven een oppervlaktewaterlichaam voldoet ten behoeve van het
voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontrei-
niging van een oppervlaktewaterlichaam aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
U
Na paragraaf 3.3.6 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 3.3.7 Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
Artikel 3.41
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. het demonteren van autowrakken;
b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken;
c. het opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit
autowrakken vrijkomende afvalstoffen; en
d. het neutraliseren van airbags en gordelspanners.
Artikel 3.42
Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, wordt ten behoeve van:
a. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat
niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; en
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.43
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het neutraliseren van airbags en gordelspanners de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de
lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram
per uur.
2. Bij het neutraliseren van airbags en gordelspanners worden ten behoeve van het voorkomen
dan wel het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 3.44
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrak-
ken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
2. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
3. In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in
enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander
8 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
V
Het opschrift van paragraaf 4.1.1 komt te luiden:
§ 4.1.1 Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking niet
zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, gedemonteerde airbags en gordelspanners en
andere ontplofbare stoffen
VI
Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het zesde lid wordt na ‘interne transportmiddelen’ toegevoegd: met uitzondering van gedemon-
teerde LPG-tanks bij autodemontagebedrijven.
2. Onder vernummering van het achtste lid tot negende lid, wordt na het zevende lid een lid inge-
voegd, luidende:
8. De opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking en van vloeibare bodembedrei-
gende stoffen in verpakking boven een oppervlaktewaterlichaam voldoet ten behoeve van het
voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontrei-
niging van een oppervlaktewaterlichaam aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
3. In het negende lid (nieuw) wordt na ‘andere ontplofbare stoffen’ ingevoegd: , gedemonteerde
airbags en gordelspanners.
W
Het opschrift van paragraaf 4.1.5 vervalt.
X
In artikel 4.6 wordt, onder vervanging van de komma door een puntkomma aan het slot van onderdeel
b, na dat onderdeel een onderdeel ingevoegd, luidende:
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
Y
In artikel 4.17 wordt ‘Onverminderd paragraaf 4.15’ vervangen door: Onverminderd paragraaf 3.3.6.
Z
Na artikel 4.21 wordt in paragraaf 4.3.1 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.21a
Bij het verkleinen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen wordt
ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministe-
riële regeling te stellen eisen.
AA
Het opschrift van paragraaf 4.4.1 komt te luiden:
9 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
§ 4.4.1 Kunststofverwerking en mechanische bewerkingen van kunststof of
kunststofproducten
BB
In artikel 4.27, tweede lid, wordt ‘Bij de mechanische bewerkingen’ vervangen door: Bij extrusie,
spuitgieten en spuitgietblazen van kunststof en de mechanische bewerkingen.
CC
Na artikel 4.27 wordt in paragraaf 4.4.1 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.27a
Bij extrusie, spuitgieten en spuitgietblazen van kunststof en het verkleinen van kunststof of
kunststofproducten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
DD
In artikel 4.32 vervalt in het eerste en tweede lid ‘spaanloze,’ en wordt in het tweede lid ‘de omvang’
vervangen door: het volume of het gewicht.
EE
Na artikel 4.33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.33a
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van afgedankte producten
die bestaan uit een combinatie van metaal, hout, kunststof, textiel of papier de emissieconcentratie
van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht
gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per
uur.
FF
Artikel 4.77 komt te luiden:
Artikel 4.77
1. Met betrekking tot een bunkerstation waarin lichte olie wordt opgeslagen, wordt ten opzichte
van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten een afstand aangehouden van 20 meter
gerekend vanaf de zijden van het bunkerstation alsmede het vulpunt van het bunkerstation.
2. Met betrekking tot een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van
lichte olie aan vaartuigen wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare
objecten een afstand aangehouden van 20 meter gerekend vanaf het afleverpunt alsmede het
vulpunt van de installatie.
3. Binnen een afstand van 20 meter van een bunkerstation waarin lichte olie wordt opgeslagen en
een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie aan
vaartuigen is overnachting en recreatief verblijf door derden niet toegestaan.
4. Indien een bunkerstation waarin geen lichte olie wordt opgeslagen, is gelegen aan een
doorgaande vaarroute, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten
een afstand aangehouden van 20 meter gerekend vanaf de aan de vaarroute grenzende zijde
van het bunkerstation.
GG
Artikel 4.78 komt te luiden:
10 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
Artikel 4.78
1. Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen zijn voldoende absorptiemiddelen
en andere hulpmiddelen aanwezig voor de eerste bestrijding van een waterverontreiniging ten
gevolge van morsingen of een calamiteit bij het afleveren van brandstof.
2. Een installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen alsmede de
daarbij behorende tankinstallatie, is zodanig uitgevoerd dat bij wisselende waterstanden, voor
zover deze ter plaatse optreden, als gevolg van die waterstanden geen nadelige gevolgen voor
het milieu optreden.
3. Het bevoegd gezag kan, indien uit de aard en de ligging van de installatie onduidelijk zou
kunnen zijn welke absorptie- en hulpmiddelen het meest zijn aangewezen, maatwerkvoorschrif-
ten stellen met betrekking tot de hoeveelheid en de soort middelen, bedoeld in het eerste lid.
HH
Aan artikel 4.79 worden, onder de vervanging van de komma aan het slot van onderdeel b door een
puntkomma, na dat onderdeel twee onderdelen toegevoegd, luidende:
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder,
II
Na artikel 4.80 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.80a
1. Inpandige aflevering van lichte olie is verboden.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het inpandig afleveren bij een autodemon-
tagebedrijf vanuit een bovengrondse stationaire verpakking.
3. Het inpandig afleveren van lichte olie bij een autodemontagebedrijf vanuit een bovengrondse
stationaire verpakking geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II.
4. Op het inpandig afleveren van lichte olie, bedoeld in het derde lid, is artikel 4.80, tweede tot en
met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
JJ
Artikel 4.84 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. In een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autode-
montagebedrijf of een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverle-
ning aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van
onderzoek door politie of justitie, zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig.
2. In het tweede lid wordt na ‘Het is niet toegestaan’ ingevoegd:, anders dan bij een autodemontage-
bedrijf,.
KK
Na artikel 4.94f wordt in paragraaf 4.7.3a een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.94g
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van papier en karton de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de
lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
11 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram
per uur.
2. Bij het mechanisch verkleinen van papier en karton worden ten behoeve van het voorkomen
dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
3. Bij het mechanisch verkleinen van papier en karton wordt ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
LL
Na artikel 4.104b wordt in paragraaf 4.8.1 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.104c
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van
veegwagens en vuilniswagens bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300
milligram onopgeloste stoffen per liter.
MM
Artikel 4.105, eerste lid, vervalt, en het tweede tot en met vijfde lid worden vernummerd tot het eerste
tot en met vierde lid.
NN
Artikel 4.106 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van
gebruikers van de jachthaven in ieder geval de afvalstoffen genoemd onder a tot en met e,
ingenomen.
a. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 25 ligplaatsen, worden in de jachthaven
ingenomen:
1°. batterijen;
2°. spaarlampen en gasontladingslampen;
3°. gebruikte verpakkingen van verf, lijm, kit of hars; en
4°. afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, de inhoud van chemische toiletten en
afvalwater.
b. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven het
afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen plaatsvindt, neemt de jachthaven
tevens in:
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen.
c. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven
onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen door derden plaatsvindt, wordt in de
jachthaven tevens ingenomen:
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen; en
3°. afvalstoffen van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen, die
binnen de jachthaven door derden worden uitgevoerd.
d. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen
ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen die geen binnenboordmotor
hebben, wordt in de jachthaven tevens bilgewater ingenomen.
e. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen
ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen zonder een vaste afsluitbare
verblijfsruimte, wordt in de jachthaven tevens huishoudelijk afvalwater en de inhoud van
chemische toiletten ingenomen.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vierde en vijfde
lid, een lid ingevoegd, luidende:
3. Indien een jachthaven in de onmiddellijke nabijheid is gelegen van een inrichting waarbinnen
uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet is voldaan aan het eerste lid indien de
12 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
voorzieningen van de inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet
voldoen aan het eerste lid en gemeenschappelijk worden gebruikt op grond van een overeen-
komst. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
OO
Artikel 6.14 komt te luiden:
Artikel 6.14
1. Voor inrichtingen waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17,
het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was, en
waarvoor voor muziekgeluid een bedrijfsduurcorrectie werd toegepast, kan het bevoegd gezag
bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 2.18, tweede lid, niet van toepassing is voor de
toetsing van geluidsniveaus tussen 23.00 en 07.00 uur.
2. Indien op grond van het maatwerkvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, een bedrijfsduurcorrec-
tie wordt toegepast, is het door de inrichting veroorzaakte geluidsniveau gedurende de
bedrijfstijd tussen 23.00 en 07.00 uur niet hoger dan op grond van artikel 2.17 is toegestaan
tussen 19.00 en 23.00 uur..
PP
Na artikel 6.19 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 6.8a Overgangsrecht met betrekking tot het behandelen van stedelijk afvalwater
Artikel 6.19a
1. Artikel 3.5b, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op een zuiveringtechnisch werk dat is
opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op dat tijdstip een vergunning in werking en
onherroepelijk was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is, dan is de geurbelasting als gevolg van een zuivering-
technisch werk ter plaatse van gevoelige objecten niet meer dan 1,5 odour units per kubieke
meter lucht als 98-percentiel.
3. In afwijking van het tweede lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk
ter plaatse van gevoelige gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijven-
terrein danwel buiten de bebouwde kom en ter plaatse van gevoelige terreinen, niet meer dan
3,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
4. Bij de verandering van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in het eerste lid is de geurbe-
lasting ter plaatse van gevoelige objecten als gevolg van een zuiveringtechnisch werk niet
hoger dan de geurbelasting onmiddellijk voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden
bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, niet worden overschreden.
5. In afwijking van artikel 1.1 wordt voor de toepassing van dit artikel een bedrijfswoning niet
beschouwd als gevoelig object als deze aanwezig was op het tijdstip van het van toepassing
worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op het zuiveringtechnisch werk.
Artikel 6.19b
Voor de toepassing van artikel 3.5b wordt een bedrijfswoning niet beschouwd als gevoelig object
indien onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of
derde lid, op het zuiveringtechnisch werk, een vergunning in werking en onherroepelijk was en de
bedrijfswoning aanwezig was.
QQ
Artikel 6.39 vervalt.
ARTIKEL II
Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:
13 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
A
Artikel 2.2a komt te luiden:
Artikel 2.2a
Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet worden
aangewezen:
a. de activiteit, bedoeld in categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieuef-
fectrapportage. De aanwijzing vervalt op het tijdstip waarop artikel 7.8c van de Wet milieube-
heer van toepassing is;
b. de activiteit, bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieuef-
fectrapportage. De aanwijzing vervalt op het tijdstip waarop artikel 7.8c van de Wet milieube-
heer van toepassing is;
c. het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van
inrichtingen als bedoeld in categorie 27.3 van onderdeel C van bijlage I;
d. het opslaan, verdichten, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover
daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer en voor zover deze
activiteiten zijn gericht op de verwijdering van afvalstoffen;
e. het opslaan van afvalstoffen van de gezondheidszorg bij mens en dier en van gebruikte
hygiënische producten;
f. het opslaan van ten hoogste 1.000 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde
banden van voertuigen;
g. het demonteren van autowrakken anders dan de activiteiten met autowrakken als bedoeld in
artikel 4.84, tweede lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
h. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde
metaal, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
i. het opslaan van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde metalen met aanhangende
olie of emulsie en het afscheiden van de oliefractie met een maximale opslagcapaciteit van 50
ton voor de afgescheiden oliefractie;
j. het opbulken van grond die afkomstig is van buiten de inrichting van de klasse wonen en de
klasse industrie, baggerspecie van klasse A of B en grond of baggerspecie als bedoeld in artikel
39 van het Besluit bodemkwaliteit, met een maximale capaciteit voor opslag van grond en
baggerspecie van 10.000 kubieke meter.
B
Artikel 5.13a komt te luiden:
Artikel 5.13a
1. Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder a, b,
g, h en i wordt verleend indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.8b, eerste lid, van de
Wet milieubeheer, heeft beslist dat bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning geen
milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder c,
wordt geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan de grenswaarden voor geluid, bedoeld in
artikel 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 2° en 3°, van de wet.
3. Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder d tot
en met g, wordt geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen.
4. Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder f tot en
met i, wordt geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de categorie activiteiten, bedoeld in artikel
2.2a, onder j.
C
In artikel 6.18 wordt ‘de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a’ vervangen door: de categorieën
activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder a, b, d en e.
14 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
D
Bijlage I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 1, onder c, wordt ‘categorie 22.2 van onderdeel D’ vervangen door: de categorieën 18.4
en 22.2 van onderdeel D.
2. Onderdeel 2 komt te luiden:
2. Als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden aangewezen:
a. inrichtingen voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met
een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende
activiteiten:
1° biologische behandeling
2° fysisch-chemische behandeling;
3° mengen of vermengen voorafgaand aan een van de van de onder het eerste en tweede
lid vermelde behandelingen;
4° herverpakking voorafgaand aan een van de van de onder het eerste en tweede lid
vermelde behandelingen;
5° terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;
6° recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of
metaalverbindingen;
7° regeneratie van zuren of basen;
8° terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
9° terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
10° herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
11° opslag in waterbekkens;
b. inrichtingen voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in
afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
1° ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur;
2° gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag;
c. inrichtingen voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van
meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met
uitzondering van de activiteiten bedoeld in richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van 21 mei
1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater:
1° biologische behandeling;
2° fysisch-chemische behandeling;
3° voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
4° behandeling van slakken en assen;
5° behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan;
d. inrichtingen voor de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en
verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per
dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van
activiteiten die onder richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de
behandeling van stedelijk afvalwater, vallen:
1° biologische behandeling;
2° voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
3° behandeling van slakken en as;
4° behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan;
Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de
maximale capaciteit voor deze activiteit 100 ton per dag.
e. stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van richtlijn nr. 1999/31/EG van de Raad
van 26 april 1999 inzake het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 ton afval per dag
ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van
stortplaatsen voor inerte afvalstoffen;
f. tijdelijke opslag van niet onder e vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een
van de onder a en b vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50
ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van
productie;
g. Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan
50 ton.
15 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
E
Bijlage I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 4.4, onder a, vervallen: ‘extruderen,’ ‘spuitgietblazen’ en ‘, spuitgieten’.
2. Onderdeel 4.4, onder e en h, komen te luiden:
e. voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in
opslagtanks op een bunkerstation of in de ladingtanks van een bunkerstation;
h. voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking, in opslagtanks
van metaal of kunststof of in de ladingstanks van een bunkerstation;
3. Onderdeel 5.4, onder d, komt te luiden:
d. vloeibare brandstoffen in de ladingtanks van een bunkerstation met een inhoud van meer dan
25 kubieke meter, indien de inhoud voor een deel uit lichte olie bestaat;
4. Onderdeel 5.4, onder f, komt te luiden:
f. het aftappen van LPG uit LPG-tanks;
5. In onderdeel 27.4 vervalt ‘zuiveringstechnische werken en’.
6. Onderdeel 28.10 komt te luiden:
Onderdeel 28.10
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit
besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstof-
fen, met de volgende uitzonderingen:
1°. het opslaan van afvalstoffen voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie;
2°. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton hemelwater, grondwater, huishoudelijk afvalwater,
afvalwater dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen
komt en de inhoud van chemische toiletten, het lozen, en het in werking hebben van
voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
3°. het mechanisch ontwateren van zuiveringsslib, voor zover geen sprake is van gevaarlijke
afvalstoffen;
4°. het opslaan, verdichten, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover
daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet;
5°. het opslaan van afval van gezondheidszorg bij mens en dier en van gebruikte hygiënische
producten;
6°. het opslaan van ten hoogste 1.000 ton banden van voertuigen;
7°. het opslaan, verdichten en verkleinen van metaal, voor zover de capaciteit voor het opslaan
niet groter is dan 10.000 ton, de capaciteit voor het shredderen van metalen niet groter is
dan 50 ton per dag en voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
8°. het, met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen en
100 gedemonteerde airbags en gordelspanners, demonteren van autowrakken en daarbij
het:
a. aftappen van vloeistoffen uit autowrakken;
b. opslaan van autowrakken;
c. opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit
autowrakken vrijkomende afvalstoffen;
d. neutraliseren van airbags en gordelspanners niet zijnde mechanische bestuurdersair-
bags;
e. aftanken van bij het demonteren van autowrakken vrijkomende vloeibare brandstofres-
ten ten behoeve van eigen gebruik;
9°. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte apparatuur als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, van de regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die conform
artikel 4 van die regeling zijn ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw
product;
10°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter batterijen, spaarlampen en gasontladingslam-
pen en het opslaan en bijvullen van inkt- en tonercartridges;
11°. het bij een inrichting voor het voor producthergebruik geschikt maken opslaan van afge-
dankte producten, zijnde gevaarlijke afvalstoffen met een maximale opslagoppervlakte van
1.000 vierkante meter en het voor producthergebruik geschikt maken hiervan voor zover de
16 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
producten niet worden ontmanteld en de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan 1.000
vierkante meter;
12°. het opslaan van ten hoogste de volgende hoeveelheid van de daarbij bedoelde afvalstoffen
die zijn ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de
inrichting drijft:
a. ten hoogste 50 ton totaal van de volgende afvalstoffen:
1°. smeervet, afgewerkte olie en olie- en vethoudend afval van onderhoud aan voorzie-
ningen en installaties;
2°. teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus
dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen;
3°. Brandblussers;
4°. organische niet-halogeenhoudende oplosmiddelen;
5°. lege ongereinigde verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige gevaarlijke
stoffen;
b. ten hoogste 45 kubieke meter van de volgende afvalstoffen, voor zover geen sprake is
van gevaarlijke afvalstoffen:
1°. keukenafval en etensresten;
2°. gemengd bouw- en sloopafval;
13°. het opslaan van ingenomen smeervet, afgewerkte olie, olie- en vethoudend afval van
onderhoud aan pleziervaartuigen en bilgewater bij een inrichting waar gelegenheid wordt
geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een maximale opslagcapaciteit van 50
ton;
14°. het op een bunkerstation voor de binnenvaart opslaan van afgewerkte olie, smeervet, olie-
en vethoudend afval van onderhoud aan vaartuigen en lege ongereinigde verpakkingen van
olie, verf, lijm, kit of hars ingenomen van personen die brandstof of andere producten bij het
bunkerstation aanschaffen met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton;
15°. het scheiden van de olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een slibvangput en
olieafscheider met een maximale nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;
16°. het opslaan en conform artikel 4.84 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer bewerken van ten hoogste vier autowrakken bij inrichtingen voor onderhoud
en reparatie van motorvoertuigen;
17°. het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een
daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;
18°. het opslaan van metalen met aanhangende olie of emulsie en het afscheiden van de
oliefractie met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor de afgescheiden oliefractie;
19°. het opslaan van ten hoogste 30 ton loodzuuraccu’s;
20°. het bij een inrichting voor het sorteren, scheiden en bewerken van metaal- en kunststofafval
en afgedankte producten opslaan van ten hoogste 10 ton:
a°. afgedankte producten voor zover sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, anders dan
batterijen, spaarlampen en gasontladingslampen en loodzuuraccu’s;
b°. lege, ongereinigde verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige gevaarlijke
stoffen;
21°. het opslaan van:
1°. ten hoogste 10.000 ton bouwstoffen in de zin van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
die binnen dat besluit toepasbaar zijn;
2°. ten hoogste 1.000 ton textiel;
3°. ten hoogste 1.000 ton verpakkingsglas;
4°. ten hoogste 1.000 ton vlakglas;
voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
22°. het opslaan, verdichten en verkleinen van hout, voor zover geen sprake is van geïmpreg-
neerd hout of anderszins van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit
van 10.000 ton;
23°. het opslaan, verdichten en verkleinen van papier en karton, voor zover geen sprake is van
gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;
24°. het opslaan, verdichten, verkleinen, reinigen, extruderen, spuitgieten en spuitgietblazen van
kunststof, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale
opslagcapaciteit van 10.000 ton;
25°. het opslaan van afgedankte producten en tweedehands bouwmaterialen niet zijnde
gevaarlijke afvalstoffen met een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter, het
voor producthergebruik geschikt maken hiervan voor zover de oppervlakte voor reparatie
niet groter is dan 1.000 vierkante meter en het ten behoeve van materiaalhergebruik
scheiden, strippen en mechanisch verkleinen van ten hoogste 50 ton per dag afgedankte
producten voor zover die uitsluitend bestaan uit een combinatie van metaal, hout, kunststof,
textiel, papier of karton;
17 Staatscourant 2010 nr. 4349 17 maart 2010
26°. het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit
van toepassing is;
27°. het opslaan van ten hoogste 10.000 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige grond
van de klasse wonen en de klasse industrie, baggerspecie van klasse A of B en grond of
baggerspecie bedoeld in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit;
28°. het opslaan, versnipperen en composteren van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval,
afgedragen gewas of bloembollenafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting
zijn verricht door degene die de inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting,
voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
29°. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof,
textiel, steenachtig materiaal of gips voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van
producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtig
materiaal of gips met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;
30°. het opslaan van ten hoogste 1.000 kubieke meter en het als diervoerder binnen de inrichting
gebruiken en voor dit gebruik geschikt maken van plantaardige restproducten uit de land- en
tuinbouw en uit de voedselbereiding en -verwerking met euralcodes: 020103, 020304,
020501, 020601 en 020704 met een maximale capaciteit van 4.000 ton per jaar;
31°. het scheiden en opbulken van de onder 1 tot en met 30 genoemde categorieën van afvalstof-
fen binnen de aangegeven grenzen.
ARTIKEL III
Kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage ten aanzien van de
categorie activiteiten onder nummer 18.4, komt te luiden: De besluiten waarop paragraaf 3.3 dan wel
paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.
ARTIKEL IV
Het Besluit beheer autowrakken wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 5 komt te luiden:
Artikel 5
1. Bij de verwerking of vernietiging van autowrakken in een shredderinstallatie worden autowrak-
ken gescheiden in
